2. 1 Observeerbaarheid, organisatie en eigenschappen van het plasmalemma



Dovnload 105.19 Kb.
Datum30.09.2016
Grootte105.19 Kb.
Hoofdstuk 2: De cel: Morfologische en functionele eenheid van leven

2.1 Observeerbaarheid, organisatie en eigenschappen van het plasmalemma

Alle cellen zijn minimaal omgeven met een plasmalemma




  • Over het plasmalemma gebeurt communicatie en uitwisseling met extracellulair milieu

  • Plantencellen hebben celwand

  • Fosfolipiden: Hydrofiel hoofd en hydrofobe staart

dubbele fosfolipidenlaag, staarten nr elkaar toe

Naast fosfolipiden ook cholesterol



  • Specifieke membraaneiwitten verankerd in membraan met transmembranair domein, ook intra/extracellulaire domeinen

Functie membraaneiwitten: receptor, signaaltransductie, kanaal, pomp

Sommige geen vaste locatie, andere verankerd via cytoskeletelementen (vloeistof-moziekmodel)



  • Zelfsluitbaar

Lipofiele basis  flexiebel, rekbaar, vormwijzigingen mogelijk

Afsplitsbaarheid (bij cytokinese of celdeling)

Versmeltbaarheid en afsplitsbaarheid maken endo- en exocytose mogelijk


  • Niet permeabel vr ionen, maar transport geregeld door transmembranaire eiwitten die fungeren als kanaal of pomp

H2O verplaatst zich door thermische agitatie

Selectieve permeabiliteit



Diffusie: passieve verplaatsing van opgeloste stoffen volgens hun concentratiegradiënt

Osmose: passieve verplaatsing van oplosmiddel van hypotonsich nr hypertonisch comparti- ment tot de situatie isotonisch geworden is

Osmotische druk: de op een oplossing uit te oefenen hydrostatische druk die wateraanzui- ging vanuit een naburig maar door semi-permeabel membraan gescheiden hypotonisch com- partiment neutraliseert

Elektrische dimensie van het plasmalemma
Cellen continu onderhevig aan diffusie en osmose (tenzij in isotonisch milieu)

Intracellulair hoge K+ concentratie, extracellulair hoge Na+ concentratie



Theoretisch: K+ ionen lekker nr buiten en Na+ ionen diffunderen naar binnen tot evenwicht

In realiteit: ionenpompen in het plasmalemma die evenwichtssituatie proberen te herstellen

Bij verplaatsing van een ion wordt deze verplaatsing tegengewerkt dr potentiaalverschil

Bij evenwicht blijft er evenwichtsmembraanpotentiaal zodat membraan gepolariseerd is (binnen negatief, buiten positief)

X+ X+

X+

X+Y-

X+Y-

Membraan alleen permeabel vr X



Verplaatsing tot evenwicht

Ontstaan elektrische gradiënt, potentiaalverschil


Zenuwcel





Na+

K+-kanaal open, K+ lekt nr buiten

Plots neemt permeabiliteit vr Na+ toe, dus Na+ nr binnen, minder K+ negatief = depolarisatie

-70mV

Nernstvergelijking

Em = RT ln pK+ [K+]o + pNa+ [Na+]o + pCl-[Cl-]i

ZF pK+ [K+]i + pNa+ [Na+]i + pCl-[Cl-]o
Em = 58 log10 1[20] + 0,01 [440] + 0,01 [100]

1[400] + 0,01 [50] + 0,01[560]


= 58 log10 [25] = -70mV (binnen negatief tov buiten)

[406]
Opm.: Em = Em K+ permeabiliteit voor K+ is 100 keer groter, dus andere concentraties

verwaarloosbaar bij evenwicht

Logaritmische functie!


Uitwendig 10 K+, inwendig 100 K+ (depolarisatie):
Em = 58 log 10 = 58 (log10 – log 100) = -58 mV

100
Als inwendige en uitwendige concentratie gelijk zijn, Em = 0


Belangrijkste functie van het plasmalemma is communicatie

Op membraan receptor waaraan ligand kan binden, via intermediaire eiwitten wordt de informatie dan getransporteerd

Onderlinge communicatie tss cellen via hormonen
2.2 Intracellulaire organisatie van eukaryote cellen


  • RIBOSOMEN :

Vrij in cytoplasma of verankerd aan membranen van het RER

Associatie van ribosomale RNA’s en ribosomale eiwitten

Kleine en grote subeenheid

Snoer van ribosomen = polyribosoom

Eiwitsynthese gebeurt hier, mRNA streng tss grote en kleine subeenheid


  • ENDOPLASMATISCH RETICULUM

Vormt systeem van kanalen, holten en cysternae
SER: steroïd synthetiserende cellen

Ca++- stockage in spiercellen (spiercontractie)

RER: ER met ribosomen

Synthese van eiwitten voor transport naar het plasmalemma voor inbouw en secretie

Verbinding naar Golgi-apparaat waar processing en condensering gebeurt, gevolgd dr in sluiting in vesikels


  • Golgi-apparaat

Aan de zijkant afsnoerende blaasjes

Eiwitten komen van RER, naar binnen langs CIS-Golgi

 processing (plooiing door S-bruggen tss cysteïne’s, aanhechting suikers of lipiden)

 vesiculair transport naar midden-Golgi

 trans-golgi: eiwitten condenseren, verpakking in vesikel

 naar membraan voor inbouw of secretie




  • Mitochondria

Dubbel membraan (endosymbiose-hypothese), binnenste geplooid in cristae

Energiewinning door oxidatieve fosforylatie




  • VACUOLEN

Groot bij plantencellen

Bij dierlijke cellen geen (uitzondering: vetcellen, sommige witte bloedcellen)

Als er veel kleine vacuolen te zien zijn, sterft de cel (necrosis, valt uit elkaar)


  • lysomsomen en peroxisomen

Lysosomen bevatten lytische enzymen (hydrolasen) die in fagocyterende cellen helpen bij intracellulaire vertering en spelen een rol bij autofagie (opruimen versleten organellen)
Peroxisomen bevatten vrije zuurstofradicalen om een ge-endocyteerde indringer te doden


  • centrosoom

2 centriolen loodrecht op elkaar

Centriolen: MTOC (microtubuli-organiserend centrum)


Microtubuli: opgebouwd uit α en β tubuline, vormen eerst heterodimeren, dan multimeren

 ontstaan “draad” = protofilament

13 protofilamenten  zijdelingse associatie  microtubulus (20nm)

Microtubuli is basis voor spoelfiguur


Centriool: 9 tripletten van microtubuli

Centriolen vormen ook de microtubuli van het cytoskelet




  • cytoskelet

Vezelachtige eiwitten: - microtubuli (20nm)

- intermediaire filamenten (10nm)

- microfilamenten (5nm)

Dynamisch-structurerend karakter, geleiding, helpen bij verplaatsing dr langer/korter te worden




  • kern

Omgeven dr dubbele fosfolipidendubbellaag, die continu is met membranen van ER

Kernporiën

Bevat genetische informatie: DNA

- in interfase: chromatine

- bij cel in deling: chromosomen (meer gecondenseerd en gespiraliseerd)

- solenoïd model


3 niveau’s van spiralisatie:

1. DNA-helix: 2 antiparallelle complementaire strengen

2. DNA-helix ± 2 keer gedraaid rond eiwitblok (octameren) bestaande uit histonen (4 paren)

4 histonenparen vormen een nucleosoom

De helix rond het nucleosoom vormt een chromatosoom

3. Ongeveer 6 chromatosomen rond histon 1 gespiraliseerd
 In elkaar gedraaid: chromosomen: 2 chromatiden samengehouden dr centromeer
Heterochromatine: hogere densiteit, kleurt gemakkelijk met DNA kleurstoffen

Euchromatine: lagere densiteit




  • NUCLEOLI

Hier gebeurt RNA synthese  kleuren met RNA kleurstoffen
2.3 Unicellulaire levensvormen: de cel als functionele eenheid van leven
Protozoa = 1-cellige (amoebe, pantoffeldiertje)

Geen celwand, wel versterking door suikers (glycocalyx)

Binnen korrelig cytoplasma: - hyaliene ectoplasma (geen insluitsels)

- endoplasma


Kern kan ontdubbeld zijn in micro- en macronucleus (bij pantoffeldiertje wel, amoebe niet)

Pulserende vacuolen om osmotisch naar binnen komend water weg te pompen


Indeling op voortbeweging
Pseudopodia (amoebe)

Endoplasma bestaat uit - plasmagel (buitenkant, korrelige insluitsels, beweegt niet, vast)

- plasmasol (binnenkant, beweegt wel, vloeibaar)

Plasmasol wordt continu omgevormd tot plasmagel en omgekeerd (aan voorzijde)



Undulipodia: flagella (oogdiertje)

cilia (pantoffeldiertje)

Undulipodia worden ondersteund door microtubuli: 9 dupletten en 1 centraal paar

Dyenine zijarmen zorgen ervoor dat de dupletten t.o.v. elkaar bewegen

Pass. voortb. (parasieten): plasmodium in Anophelesmug  malaria (rbc barsten  koorts)

Bij de mens: pseudopodia: bepaalde witte bloedcellen



flagella: spermatozoa

cilia: eileider en trachea

passieve voortbeweging: bloedcellen doorheen arteries en venen
Voeding

Heterotrofie = endocytose

Opname vast voedsel: fagocytose, vloeibaar: pinocytose

Pseudoporiën omvloeien voedsel en versmelten erachter ter vorming van een voedselvacuole of voedsel botst tg de cel, membraan invagineert en vloeit samen achter voedseldeeltje

Voedsel is niet onmiddellijk bruikbaar  vertering nodig

Voedselvacuole versmelt met lysosomen ter vorming van verteringsvacuole

Aanzuring lumen dr protonenpompen  enzymen geactiveerd  vertering

Bouwstenen diffunderen nr cytoplasma toe, ‘afval’ versmelt met membraan  exocytose


Evolutie:

Gespecialiseerd mond- en voedselverzamelapparaat, extracellulaire vertering, gecompartimentaliseerd spijsverteringskanaal

Intracellulaire vertering vr opruim van versleten organellen of eliminatie dr autofagie
Polysacchariden

Glycogeen (dierlijke reserve) en zetmeel (reserve bij planten) worden verteerd door carbohydrasen om lichaamseigen suikers te maken

Zetmeel en glycogeen zijn polymeren van glucose

Cellulose is voor de meeste heterotrofen onverteerbaar


Eiwitten

Bestaan uit AZ-ketens

Verteerd door proteasen tot AZn en peptiden
Lipiden

Polymeren van VZ

Vertering dr lipasen tot VZn en glycerol
Nucleïnezuren

DNA, RNA


Polymeren van nucleotiden: ribosesuiker + base + fosfaat

DNA: dubbelstrengig door basepaarvorming


Metabolisme

Anabolisme (opbouwend) & katabolisme (afbrekend)

Vertering hoort niet bij het katabolisme, komt niet in cellulair milieu
Cellulaire ademhaling

Energie uit glucosebindingen omzetten naar bruikbare energie (ATP)

Glucose C6H12O6 670 kcal

Energie is niet onmiddellijk bruikbaar, ATP wel


ATP: nucleotide met purine adenine als base, centrale ribosesuiker en een staart van 3 energierijke fosfaatbindingen

Fosfaatgroep getransfereerd nr ander molecule  deze hoger E-niveau  bepaalde reacties kunnen opgaan = FOSFORYLATIE


ATP  ADP + Pi + 8kcal

ADP  AMP + Pi + 8kcal

Glucose wordt gefosforyleerd en dan opgesplitst in 2 x glyceraldehyde

Breken van bindingen stelt energie vrij

Energie wordt eerst gebruikt voor het reduceren van intermediaire energiedragers (niet meteen voor aanhechting fosfaatgroep)
Intermediaire energiedragers

NAD+ + 2 e- +H2  NADH + H+

FAD + 2 e- +H2  FADH2

NADP+ + 2 e- +H2  NADPH + H+


Oxidatie van deze dragers stelt de energie weer vrij

O2 is finale e--acceptor

O2 is noodzakelijk

H2O is het eindproduct


I: GLYCOLYSE (anaëroob)

Gebeurt in het cytoplasma

Glucose wordt afgebroken tot 2 keer pyrodruivenzuur

2 glyceraldehyde moleculen als tussenproduct


~       ~ 

2 ATP PGAL  2ATP: ± 2% rendement

2ATP 2NADH

2ATP

2 NADH
C3 C3

    


Glucose opsplitsen kan pas na fosforylering en intramoleculaire reorganisatie tot fructose 1,6-difosfaat (= investering 2 ATP)
Energetische verdienste van glycolyse: geen O2 nodig

pyruvaatsubstraten waaruit E gehaald wordt via aërobe ademhaling


II: OXIDATIE VAN PYRODRUIVENZUUR TOT ACETYL-COENZYME A

In binnencompartiment van mitochondria

Pyrodruivenzuur wordt afgebroken tot CO2 en azijnzuur (CH3COOH) dat gebonden wordt aan coenzym A ter vorming van acetyl-coenzyme A

E wordt opgestapeld onder de vorm van 2 gereduceerde NAD moleculen


    

2 NADH
CO2 + CH3COOH

C2-S-CoA


III: Krebscyclus

2 acetyl-CoA moleculen worden aan oxaalazijnzuur (4C) gebonden  vorming citroenzuur (6C)

 wordt geoxideerd met telkens vrijstelling van CO2

4C weer omgevormd tot oxaalazijnzuur, cyclus herbegint

E opgestapeld in 6 NADH en 2 FADH2, 2 ATP gevormd

Oxaalazijnzuur C4 + C2-S-CoA C6



2 ATP

6 NADH


CO2 2 FADH2

C5



CO2
IV: ADEMHALINGSELECTRONENTRANSPORTKETEN

Tot nu: 10 NAD’s en 2 FAD’s :E vrijgesteld door oxidatie: O2 + 2 NADH  2 H2O + 2 NAD + E

NADH geeft E onrechtstreeks aan O2: etransportketen met Fe-bevattende redoxmoleculen

Vrijgekomen E wordt gebruikt voor de aanmaak van ATP

Componenten van de ademhalingsketen zitten in geplooide binnenmembraan vd mitochondria

NADH en FADH2 worden geoxideerd dr e--overdracht aan 1ste pigment (flavoproteïne)

e- wordt doorgegeven met overeenkomstige redoxpotentiaal tot bij O2 met de vorming van H2O

Bij doorlopen vd keten wordt een deel vd E overgedragen op volgend pigment en een deel gebruikt om protonen vanuit het lumen nr de intermembranaire ruimte te pompen

Over binnenste membraan ontstaat een concentratiegradiënt en een elektrische gradiënt
NADH

e- Verder in keten steeds hogere redoxpotentiaal

O2: finale e--accpetor

Elektrische gradiënt: negatief in matrix

e- pos. in intermembr. ruimte




H+ e-

H+

e-

ADP+Pi  ATP H+ H+ 6 O2

12 H2O

H+ H+

F1-complex H+








V: CHEMI-OSMOTISCHE SYNTHESE VAN ATP

Elektrische gradiënt en concentratiegradiënt  H+ dr F1-complex  elektrische stroom gebruikt om ATP te maken: 32 ATP


TOTAAL: 36 ATP 34% rendement

Fotosynthese

chlorophyl

6 CO2 + 12H2O C6H12O6 + 6 O2 + 6 H2O

Ombouw van -energie naar stockeerbare energie (glucose) dr Groen-purperbacteria, cyanobacteria, algae, wieren en groene planten

Organismen moeten beschikken chl-a als fotogevoelige pigmenten, zij kunnen door -energie C-elementen omzetten nr organische moleculen (autotroof vr C)

Cyanobacteria ook autotroof vr N

Chloroplasten: dubbel membraan (endosymbiose hypothese)

geplooid binnenmembraan, vesikels worden afgesnoerd

vesikels (thylakoïden) zijn gestapeld: grana-thylakoïden

in de thylakoïden: chlorophyl

O2 als bijproduct vrijgesteld in de atmosfeer

Planten: primaire voedselbron vr herbivore heterotrofe organismen

Samen met cyanobacteria en wieren basis vd atmosferische O2-bron
Fotosynthese bestaat uit lichtreacties en donkerreacties. Tijdens de lichtreacties wordt de -energie gebruikt vr het genereren van ATP-moleculen. De energie wordt opgeslagen in gereduceerde intermediairen. Tijdens de donkerreacties wordt de energie aangewend vr inbouw van C-moleculen in organische moleculen. Dit is de snelheidsbepalende (vertragende) stap.
Lichtreacties

Twee fotosystemen in de membranen vd grana-thylakoïden

Fotosysteem I is het oermechanisme, II is evolutief gerealiseerde optimalisatie
FOTOSYSTEEM I: CYCLISCH EN A-CYCLISCH

In de wand vd grana-thylakoïden zitten lichtgevoelige pigmenten. Bij inval van een foton gaan ze E-inhoud kanaliseren nr chl-a, P700.

P 700 gaat over nr aangeslagen toestand en gaat e- overdragen aan acceptormolecule in membraan. Dit wordt gereduceerd en laat het e- de e--transportketen doorlopen. Het e- valt terug op P 700, dat hierdoor hersteld wordt. De cyclus herbegint.

Tijdens het cyclisch verloop worden er protonen vanuit de matrix nr het lumen gepompt. Zo wordt er een gradiënt gevormd. De protonen gaan dr F1-complex waardr volgende reactie opgaat: ADP + Pi  ATP

2 aangeslagen P 700 deeltjes kunnen e- ook overdragen aan andere intermediaire redoxmoleculen; op NADP ter vorming van NADPH + H+. Dit is het a-cyclisch verloop van fotosysteem I. P 700 blijft nu geoxideerd achter, kan niet meer deelnemen aan E-omzetting.  belang fotosysteem II
FOTOSYSTEEM II: H2O ALS FINALE E- DONOR MET VRIJSTELLING VAN O2

Inval foton zorgt dat P680 aangeslagen wordt. Dit draagt e- over aan een acceptormolecule vroeger in de e--transportketen( dus langere keten). Finaal komt het e- wel bij P 700 dat gereduceerd wordt en bij inval van een foton weer aangeslagen kan worden.

P 680 heeft een dermate positieve redoxpotentiaal dat het e- kan wegnemen bij H2O met de vorming van O2!!! Dus O2 afkomstig van H2O!!!

Combinatie van I en II met als onmiddellijk resultaat E opgeslagen in NADPH + H+ geeft ook verhoogde protonengradiënt waardr meer ATP geproduceerd kan worden.


ADP + Pi  ATP

H+ H+ H+



Matrix chloroplast NADPH + H+  NADP




Membr 2e- 2e- 2e-

grana 2e- 2e- 2e- Chla* 2e-

thylakoïd 2e-

2e- 2e-

2e- 2e- ATP

Chla* synthese



Chla+  Chla Chla+Chla

H2O O2+2H+ P680 P 700



Foton H+ H+ H+ H+ H+ H+ H+ Foton

Lumen fotosysteem I

Grana fotosysteem I a-cyclisch

thylakoïd fotosysteem II

cyclisch



Donkerreacties

Koolstof assimilatie of Calvin-Benson cyclus


C-atoom van CO2 gebonden aan ribulose bifosfaat (5C). Zo wordt een onstabiel 6C molecule gevormd dat opgesplitst wordt in 2 3C moleculen. Deze 3C moleculen worden via aanwending van ATP en NADPH + H+ (afkomstig vd lichtreacties) omgevormd tot PGAL (fosfoglyceraldehyde). Dit gebeurt 3 keer  6 PGAL. 5 worden er mits investering van ATP omgevormd tot 3 ribulose bifosfaat die opnieuw binnentreden in de cyclus. Het niet gerecycleerde PGAL wordt gebruikt in suiker-, VZ- en AZ-metabolisme.

Vr 1 glc molecule (2PGAL) moeten de C-atomen van 6 CO2 moleculen geassimileerd worden.


Opm.: E-metabolisme lijkt onlogisch: tijdens lichtreacties ATP maken die tijdens donkerreacties gebruikt wordt vr de synthese van glucose.

Tijdens de cellulaire ademhaling E spenderen om de in glucose opgestapelde E om te bouwen in ATP. MAAR zelfde E opslaan onder ATP is onmogelijk, glucose is dense stockeerbare energiebron en de assimilatiereacties zijn ook nodig vr essentiële metabolisme van andere biomoleculen.


Planten stockeren E onder de vorm van zetmeel, dieren onder de vorm van glycogeen, beide specifieke polymeren van glucose
Anaërobe omstandigheden: alleen glycolyse  opstapeling pyruvaat evenwichtsreacties v glycolyse dreigen stil te vallen

Bacteriën, gistcellen en spiercellen hebben probleem omzeild dr eindproduct vd glycolyse enzymatisch om te zetten (zonder O2 nodig te hebben) = verklaring proces van alcoholfermentatie bij gisten en melkzuuropstapeling.



Osmoregulatie en excretie

Cellen zijn continu onderhevig aan diffusie en osmose (selectieve permeabiliteit vh plasmalemma)

Protozoa in zoetwater ( hypotonisch milieu): cte inwaartse watertransitie. Hebben geen celwand zoals plantencellen dus opzwellen en ontploffen  eencelligen hebben pulserende vacuole die het osmotisch nr binnengekomen water nr buiten pompt. Dit is een E-vereisend proces.

Meercelligen hebben dit probleem ook: hypertonisch tgover milieu  massaal water opnemen  belang vd nieren (functioneel analoog met pulserende vacuole)


Cellen produceren afvalstoffen. Indien toxisch moeten ze snel verwijderd worden. Excretie: verwijdering van vooral N-houdende afvalstoffen van het metabolisme.

Individuele cellen via diffusie (enkel vr opgeloste stoffen). Bij eencelligen afvalproducten opgelost in het overtollige water en via pulserende vacuole verwijderd. Bij dieren zorgen de nieren ervoor dat de concentratie aan afvalstoffen in het bloed niet te hoog wordt.


Gasuitwisseling

O2 moet aangevoerd worden vr de cellulaire ademhaling. O2 is 1% oplosbaar in water. Uitwisseling gebeurt via diffusie, geïnitieerd dr de zuurstofgradiënt. Verwijdering van de geproduceerde CO2 gebeurt analoog. Zolang CO2, dat met water reageert ter vorming van koolzuur, rechtstreeks met de buitenwereld kan uitgewisseld worden is er geen probleem. Wanneer CO2 aan het bloed afgegeven wordt zijn er maatregelen die verzuring verhinderen (zie later).


Prikkelbaarheid en reactievermogen

Op het celoppervlak zijn receptoren vr bepaalde prikkels die prikkels vertalen in een bepaald gedrag. Ook bij meercelligen zijn individuele cellen prikkelbaar. Bij meercellige dieren is er daarbij nog de mogelijkheid tot snelle interactie via het zenuwstelsel.


Groei en reproductie

Metabolisme kan resulteren in groei. Wanneer een cel een bepaald volume overschrijdt gaat ze delen.

Bij prokaryoten wordt vooraf hun genotofoor verdubbeld, dan volgt uitsplitsing van beide dochtergenotoforen en de overige celinhoud wordt over beide dochtercellen verdeeld. De genetische informatie wordt onveranderlijk doorgegeven. Bacteriële vermenigvuldiging = binaire splijting.

Bij eukaryoten is het doorgeven van genetische informatie ingewikkelder omdat hun genoom uitgesplitst is over chromosomen en ze een functioneel gecompartimentaliseerde celinhoud hebben. Bij eukaryoten is er een specifiek proces: kerndeling (karyokinese) en celdeling (cytokinese)


Celcyclus
G1 G0 Tussen twee mitosen:

G1 controlepunt INTERFASE: tijdens deze fase

neemt de cel effectief toe in

volume.

Mitose S




G2 controlepunt




G2
Duur vd mitose is vrij constant (bij zoogdieren ± 1u)
G1: de pas gevormde dochtercellen gaan een aantal essentiële organellen bijmaken

de cel gaat haar normale functie uitoefenen (transcriptie, translatie)

duur is zeer variabel en bepalend vr duur vd cyclus

G0: gedifferentieerde cellen die geen deling meer ondergaan blijven in deze fase

G1 controlepunt: bepaalt of cel klaar is vr S fase

S: semi-conservatieve replicatie (DNA verdubbeling)

G2 controlepunt: bevestiging of DNA verdubbeld is

G2: voorbereiding op mitose

chromatine gecondenseerd tot chromosomen

centrosoom wordt verdubbeld
Mitose

Profase:

Verdere condensatie van chromatinedraden tot chromosomen

Elk chromosoom ontdubbeld in twee dochterchromatiden samengehouden dr het centromeer

Centrosomen migreren nr beide polen en vormen de spoelfiguur

Einde als kernmembraan uiteen valt en microtubuli vd spoelfig nr de chromosomen groeien

Microtubuli die nr de chromosomen toe groeien: kinetochoormicrotubuli, nr de pool: poolmicrotubuli


Metafase:

Begint wanneer de chromosomen zich in het evenaarsvlak bevinden

Dochterchromatiden zijn nr tegengestelde pool gericht

Dit is het ideale beeld om het aantal chromosomen te tellen


Anafase:

Centromeren worden proteolytisch verbroken

Kinetochoormicrotubuli verkorten en poolmicrotubuli worden langer

Dochterchromatiden gaan uit elkaar

Twee identieke sets van chromosomen worden gescheiden = segregatie
Telofase:

Dochterchromatiden hebben pool bereikt

Reassemblage vd kernmembraan

Chromosomen despiraliseren tot chromatine

Cytokinese treedt op: bij diercellen wordt via werking vh cytoskelet de celmembraan van binnenuit tss beide kernen getrokken
Voor 1-celligen: mitose = aseksuele voortplanting

Genetische informatie wordt onveranderlijk doorgegeven, geen genetische variabiliteit = KLOON

 minder overlevingskansen

Pantoffeldiertje: conjugatie

2 pantoffeldiertjes tg elkaar aan




hebben micro en macronucleus

macro: vegetatieve kern



micro: generatieve kern (komt tss bij conjugatie)

ondergaat meiotische delingen (reductiede-

lingen)

kernen worden uitgewisseld en versmelten opnieuw

 = bevruchting (weer oorspronkelijke hoeveelheid

genetische informatie

genetische informatie is uitgewisseld

individuen weer uit elkaar met elk andere genetische informatie


Plasmodium: mogelijkheid tot vorming van haploïde gameten en sexuele reproductie





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina