2 april 2013 samenvatting vooraf: onze ambitie



Dovnload 142.25 Kb.
Pagina1/3
Datum16.08.2016
Grootte142.25 Kb.
  1   2   3


Een Generatiepact ter bestrijding van de crisis”1


2 april 2013

SAMENVATTING
Vooraf: onze ambitie
De opdracht waarvoor wij ons gesteld zien is de volgende:


  1. Welke maatregelen kunnen op nationaal, sectoraal, regionaal en/of bedrijfsniveau genomen worden om mensen aan het werk te houden en/of aan het werk te krijgen?

  2. Welke (institutionele) belemmeringen staan die maatregelen in de weg?
    Wat hebben we (van wie) nodig om deze maatregelen te realiseren?

  3. Op welke manier en op welke niveau kunnen duurzame afspraken gemaakt worden die bijdragen aan baan-, werk- en inkomenszekerheid voor werkenden en aan een betere dynamiek op de arbeidsmarkt?

In dit voorstel focussen we dus op werkgelegenheidsinitiatieven en in het bijzonder, om snel wat te kunnen doen, op werkgelegenheidsinitiatieven voor de komende twee jaar. Met zoveel mogelijk effecten die voor alle generaties samen (we onderscheiden: jongeren, werkenden, ouderen) een positieve uitwerking hebben. De overkoepelende benaming voor alle plannen op onderdelen is dan ook: Generatiepact.


De uitvoering
Het Generatiepact heeft, zoals gezegd, zijn basis in opgedane praktijkervaringen uit het dagelijkse vakbondswerk, waarin aan de hand van een bedrijfssituatie de werkgelegenheid en de arbeidsdeelname van alle groepen (gezond, gehandicapt, jong en oud) centraal staan in combinatie met de economische en financiële mogelijkheden en onmogelijkheden van de onderneming of instelling.
Wij stellen voor om op korte termijn (in het kader van de sociale agenda) afspraken op hoofdlijnen te maken over de noodzakelijke aanpak, en vervolgens op landelijk niveau een taskforce in te stellen, waarin overheid, werkgevers en werknemers het Generatiepact verder vormgeven en uitwerken.

De taskforce krijgt onder andere als taak om het afgesproken pakket maatregelen verder te concretiseren/uit te werken en om de uitvoering/uitwerking, die primair op decentraal niveau moet gebeuren door werkgevers en werknemers in sectoren en bedrijven, te begeleiden.

De taskforce krijgt ook de opdracht om te kijken naar de diverse manieren waarop in regio’s met betrokkenheid van sociale partners met de stimulering van de regionale arbeidsmarkt aan de slag wordt gegaan en op die manier uiteenlopende wijzen, waarop in regio’s aan de slag wordt gegaan, te kunnen coördineren, en de bredere kaders te kunnen bewaken.
De praktische uitwerking naar concrete bedrijven en instellingen zal wat ons betreft op de eerste plaats decentraal ter hand moeten worden genomen met nadrukkelijke betrokkenheid van de vakbeweging en werkgevers. Wij hebben dan ook met belangstelling kennis genomen van het in Frankrijk afgesloten "contrat de génération” waarbij overheid, werkgevers en werknemers de handen ineen geslagen hebben om met name jeugdwerkloosheid en werkloosheid onder ouderen aan te pakken. Een dergelijk contract kan ons tot voorbeeld dienen, uiteraard wel aangepast aan de Nederlandse situatie en verhoudingen. Zo zal er een sterke focus moeten zijn op de werkgelegenheidsontwikkelingen (vraag/aanbod) binnen de verschillende sectoren, zodat de te nemen maatregelen hier naadloos op kunnen aansluiten en er per sector maatwerk mogelijk zal kunnen zijn. De maatregelen kunnen ook een plaats krijgen in sectorale plannen.

Een Generatiepact
De FNV stelt voor om te komen tot een samenhangend Generatiepact. Dit Generatiepact komt in de kern op het volgende neer. De oudste groep werknemers (60+) geven we de gelegenheid om – met behoud van een van tevoren duidelijk vastgelegd perspectief op behoud van een redelijke inkomenszekerheid – gedeeltelijk te stoppen met werken en een meer coachende rol aan te nemen of geheel uit te stromen, ten gunste van de generaties onder hen. Zo creëren we extra kansen op werk voor zowel jongeren als de groepen 45- en 55-plussers, die nu erg moeilijk aan de slag komen. Zo zijn we ook zuinig op vakkrachten: door hen gedeeltelijk te ontzien kunnen zij langer doorwerken, en kunnen zij helpen bij de opleiding van nieuwe, jonge vakkrachten in bedrijven. Zo investeren we in de jeugd en sorteren we gelijktijdig alvast voor op toekomstige tekorten op de arbeidsmarkt. En zo zorgen we ook voor behoud van werk (zonder extra instroom).

Overheid, werkgevers en werknemers dragen in dit pakket financieel allemaal een steentje bij. De praktische uitwerking vindt plaats in sectoren en bedrijven met nadrukkelijke betrokkenheid van werkgevers én de vakbeweging. Bijvoorbeeld in sectorplannen, waarvoor geld gereserveerd is door het ministerie. In sectoren en bedrijven wordt door sociale partners bekeken of en zo ja hoe gebruik wordt gemaakt van de maatregelen uit het Generatiepact, zodat er werkgelegenheidsbeleid op maat van de sector of het bedrijf kan worden gevoerd. Daarbij ligt er ook een rol voor vakbondskaderleden en de OR.


Anders dan in de vorige crisis gaat het nu om een mix van maatregelen. Daarvoor zijn meerdere zaken nodig: zaken die we als vakbeweging zelf kunnen doen, samen met werkgevers, zaken die de overheid kan faciliteren, en zaken waarvoor de overheid drempels moet opruimen. De FNV gaat ervan uit dat deze maatregelen tijdelijk zijn en nu worden afgesproken voor de duur van drie jaar (2013 –2016) om zo de crisis te kunnen overwinnen met meer werk als gevolg van een samenhangend pakket voor jong, oud en daar tussenin: een Generatiepact! Het pakket crisismaatregelen wordt getroffen in combinatie met structurele maatregelen voor de periode daarna, zoals beter van-werk-naar-werkbeleid.

Het Generatiepact: een mix van maatregelen
In het onderstaande worden diverse mogelijke elementen van het Generatiepact kort samengevat. De uitwerking volgt hierna, met voorbeelden uit de vakbondspraktijk.

Duobanen/combinatiebanen/mentorschap/koppelbanen/betere arrangementen voor een goede verdeling van werk
Door nú te kiezen voor arbeidsduurverkorting, is het realiseren van nieuwe instroom mogelijk. Daarbij brengt de oudere zijn kennis als mentor over op de instromende jongere. Om het inkomen van de oudere, die vrijwillig voor deelname aan dit arrangement kiest, op peil te houden, kan in cao’s flankerend beleid worden afgesproken.

Deeltijdwerk / Deeltijd-WW
Als crisismaatregel kan ook nu de deeltijd-WW in bepaalde situaties behoud van werkgelegenheid én van vakkrachten mogelijk maken. Zo kan er ook weer snel worden opgeschaald bij economisch herstel, terwijl er anders bij herstel nauwelijks meer vakkrachten te vinden zullen zijn. Deeltijd-WW kan ook worden ingezet om nieuwe instroom van jongeren mogelijk te maken. Deeltijd-WW kan worden ingezet onder vergelijkbare voorwaarden als in 2008/2009, waaronder toetsing door de vakbeweging van een aanvraag voor deeltijd-WW. Nu zou de deeltijd-WW echter ook mogelijk gemaakt kunnen worden voor het overbruggen van een langere crisisperiode. Wanneer deze regeling weer wordt opengesteld op de goede voorwaarden, is deeltijdontslag niet nodig.

Dagloongarantie ook bij transities van-werk-naar-werk
Nu is het zo dat alleen een dagloongarantie wordt afgegeven bij werk vanuit de WW. Dit moet ook gebeuren bij een transitie van-werk-naar-werk waarbij beide banen op elkaar aansluiten. Zonder deze aanpassing van de regelgeving ondervinden van-werk-naar-werktrajecten een forse beperking van de mogelijkheden, doordat de consequenties van werkaanvaarding tegen lager loon juist in die (gewenste) situatie volledig voor rekening komen van de werknemer.

Effectieve inzet WW-middelen
In specifieke gevallen, waarbij kansen van met name oudere en zeer specifiek opgeleide werknemers op ander werk in de regio uiterst gering zijn, moeten er meer mogelijkheden komen om op creatieve wijze met een gezamenlijke inzet mensen aan het werk te houden in hun oude werk – soms in een kortere werkweek en tot aan hun pensioen – onder andere met behulp van WW-middelen. Dit moet goed worden getoetst en kan alleen na overeenstemming tussen werkgevers en de vakorganisaties in een sector.

Dynamisch arbeidstijdenmanagement
In sommige sectoren zijn er grote verschillen tussen drukke periodes en periodes met veel leegloop. Een voorbeeld is ASML. Daar is een driejarig flexmodel afgesproken, waarin werknemers in drukke tijden meer en in zwakke periodes minder uren hadden gespaard, zodat zij in zwakke periodes minder hoefden te werken, in ruil voor een verkorte werkweek, en met behoud van het volle salaris. Ook in andere bedrijven kan een dergelijk ‘dynamisch arbeidstijdmodel’ helpen om in deze crisistijd werkgelegenheid en vakmanschap te behouden of zelfs te creëren.

Het is aan werkgevers en werknemers in sectoren om te bepalen of, in welke vorm en onder welke randvoorwaarden dat mogelijk is.




Arbeidsmarktinitiatieven in de regio versterken
Het is zeer wenselijk dat in de regio’s in ons land, sociale partners en de overheden komen tot een echte kwaliteitsimpuls in het regionale arbeidsmarktbeleid. Zo is regionale differentiatie in het arbeidsmarktbeleid mogelijk op maat van regio’s, zodat er zo goed en effectief mogelijk kan worden gewerkt aan meer werkgelegenheid. In verschillende regio’s zijn hier al initiatieven voor ontwikkeld. Het is wenselijk dat deze verder worden uitgebouwd en dat de overheid deze initiatieven faciliteert.

Betere van-werk-naar-werktransities
Nú gaat het om het op korte termijn bewegen van mensen van overschot- naar tekortsectoren of van overschot- naar tekortfuncties. Hier ligt een link met het Sectorplan Techniek. En een link met de € 300 miljoen, die minister Asscher ter beschikking heeft gesteld om sectorale plannen te stimuleren. Op de langere termijn gaat het om de (verdere) ontwikkeling van goede van-werk-naar-werktransities. Dat kan bijvoorbeeld door de oprichting van transitiefondsen. C3 in de grafimedia is een goed voorbeeld van wat er kan worden bereikt.

Actief industriebeleid
Het is van belang om essentiële onderdelen van de Nederlandse economie voor Nederland te behouden of zelfs te vergroten. Denk aan het behoud van NedCar. Overheid en sociale partners moeten dan ook een actiever industriebeleid gaan voeren. Het Topsectorenbeleid is een stap in de goede richting.

Vijf concrete voorstellen voor jongeren


  • Aanpak Jeugdwerkloosheid in een taskforce, samen met de ambassadeur jeugdwerkgelegenheid




  • Werkervaring opdoen (voor schoolverlaters): Youth Guarantee en Startersbeurs

De FNV vraagt van het kabinet de Youth Guarantee zo snel mogelijk in Nederland in te voeren.


De Startersbeurs is bestemd voor werkloze jongeren van 18 tot 27 jaar die binnen een jaar na voltooien van de opleiding geen werk hebben gevonden. Interessant (voor gemeenten), wanneer verdringing voorkomen kan worden.


  • Opleiding laten aansluiten op arbeidsmarkt: Betere voorlichting en omschakeltrajecten voor schoolverlaters zonder perspectief

Schoolverlaters die een (populaire) opleiding zonder arbeidsmarktperspectief hebben afgerond moeten zo snel mogelijk worden omgeschoold richting sectoren, die (nu of op korte termijn) staan te springen om personeel. Goede sectoranalyses, die in kaart brengen waar schoolverlaters kansen hebben, zijn daarom van groot belang.


Verder moeten opleidingen richting tekortsectoren zoals (groen) high-tech, para-medische en wetenschap-lab-gerelateerde posities zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt worden.


  • Stageplekken en leerwerkbanen: SBB Stage-offensief, sectorale afspraken

Aansluitend bij het SBB-stage offensief moeten er extra stage- en leerwerkplekken worden afgesproken. Aan het eind van het stage/traineecontract moet de stagiair/trainee worden ingehuurd op het liefst permanente basis. De FNV stelt verder voor dat werkgevers en werknemers in sectoren bekijken of het wenselijk en mogelijk is om in ondernemingen en overheden een stagebeleid te voeren, waarbij jongeren gedurende 1 jaar bijvoorbeeld 4 stages kunnen lopen in diverse werkomgevingen en disciplines (“Duits model”). Tenslotte is behoud van de Wet Vermindering Afdracht (WVA) van groot belang om een goede stagepraktijk in stand te kunnen houden.



Meer gemeenten, andere overheden en woningcorporaties zouden opdrachten onder Social Return-voorwaarden door jongeren kunnen laten verrichten. Verdringing van zittende werknemers moet worden voorkomen en er moet perspectief zijn op oprichting van sociale (leer-)bedrijven.



Voorstellen voor ouderen
De FNV vindt dat, als tijdelijke crisismaatregel, ouderen van 60 jaar en ouder in sommige sectoren eerder moeten kunnen uittreden om instroom van jongere generaties mogelijk te maken. Ouderen moeten op sommige plekken korter kunnen werken, met deeltijdpensioen kunnen gaan, ruimte kunnen maken voor jongeren en deze jongeren kunnen begeleiden/scholen. Hierbij moet voorop staan dat er een controleerbare 1 op 1 regeling komt: voor elke oudere die er (gedeeltelijk) uit gaat komt 1 jongere of werkzoekende in dienst. Hierbij moeten de bonden een grote rol spelen. Om dit fiscaal mogelijk te maken is het nodig dat de per 1 januari 2011 ingevoerde fiscale-strafheffing op regelingen voor vervroegde uittreding (tijdelijk en wellicht alleen in specifiek te benoemen sectoren) komt te vervallen in combinatie met een opschorting van het afspiegelingsbeginsel en de sollicitatieplicht voor werkloze ouderen.

Financiering
De financiering van begeleiding en scholing komt voor een belangrijk deel bij werkgevers en sectorale fondsen vandaan.

De overheid maakt middelen vrij voor deeltijd-WW, WW en IOW en voor het daadkrachtig stimuleren van cofinanciering van sectoraal en intersectoraal van-werk-naar-werkbeleid. De hiervoor gereserveerde € 300 miljoen is een goede start. Gelijktijdig bespaart de overheid op uitkeringen van mensen die anders werkloos geweest zouden zijn of die ‘voltijds-werkloos’ zouden zijn geweest bij deelname aan deeltijd-WW.



Werknemers nemen tijdelijk genoegen met een lager loon en/of kiezen voor deeltijd-WW of deeltijd-vroegpensioen, met een beperkt inkomensverlies.

UITWERKING

Het Generatiepact: uitwerking van de voorstellen
Inleiding
Ruim vier jaar geleden sloeg de financiële crisis hard toe in Nederland. Investeringen namen af, de kredietverlening stokte en de aandelenbeurzen zakten in elkaar. De financiële crisis sloeg over naar de reële economie en vanaf die tijd werd gesproken over een economische crisis. De deskundigen waren het er niet over eens welke vorm de crisis zou aannemen: een L-vorm, met een langdurige recessie, een W-vorm, de zogenaamde ‘double dip’ of een U-vorm, met een tijdelijke dip en snel herstel. Vriend en vijand waren het erover eens dat er iets moest gebeuren. Zo werd eind 2008 de regeling werktijdverkorting in het leven geroepen (later deeltijd-WW). In 2009 kwam het Actieplan Jeugdwerkloosheid (nadat er al een taskforce jeugdwerkloosheid was geweest in 2006/2007). De bouw werd gestimuleerd met lagere BTW-tarieven op arbeidskosten, er kwam een kenniswerkersregeling, een verruiming van de WBSO-regeling en op uitvoerend niveau werd de samenwerking op werkpleinen bevorderd via zogenaamde servicepunten.
Vier jaar na het begin van de crisis zijn de voorspellingen voor de nabije toekomst somber. Voor 2013 wordt economische krimp geraamd en voor in 2014 een licht herstel. De werkloosheidsgroei lijkt voorlopig niet te stagneren; de werkloosheid zal in beide jaren nog toenemen, tot 6,5% van de beroepsbevolking. Voor werknemers betekent dat nog enkele jaren grote onzekerheid, ontslag, inkomensverlies en verlies aan toekomstperspectief. In tegenstelling tot vier jaar geleden zijn de maatregelen zijn aangekondigd in het regeerakkoord niet primair gericht op herstel van de economie, maar op herstel van de overheidsfinanciën.
Voor jongeren zijn de kansen op werk na de opleiding gering. De jeugdwerkloosheid stijgt snel. Ouderen die hun baan kwijtraken lopen het risico nooit meer aan het werk te komen. Voor beide groepen zijn dus gerichte maatregelen noodzakelijk. Zo ook voor de ‘tussengroep’, waarvoor van-werk-naar-werktrajecten eraan kunnen bijdragen werkloosheid te voorkomen en de schaarse vacatures te vervullen. Naast een beleid dat er op gericht is de pijn eerlijk te delen is het daarom van belang om een beleid te voeren dat ervoor zorgt dat er goede banen gecreëerd worden bovenop de ‘natuurlijke’ ontwikkeling. Daarbij is het een goede gedachte om ook een actiever industriebeleid te gaan voeren, zodat essentiële onderdelen van de (maak)industrie voor Nederland behouden kunnen blijven of zelfs kunnen worden versterkt. Denk hierbij aan de succesvolle redding van Nedcar. Een verbinding met het Topsectorenbeleid is mogelijk. Van belang is wel dat er voldoende aandacht is voor de hele (maak)industrie, inclusief het MKB. Een ander voorbeeld is het Energieakkoord dat in de maak is. Verduurzaming, waarover in dat akkoord gesproken wordt, is goed voor het milieu, kan de Nederlandse economie versterken én gelijktijdig zorgen voor de creatie van zoveel mogelijk banen voor mensen die nu werkloos zijn of worden.
In deze notitie bieden we daarom een alternatief voor de voorgestelde maatregelen. Wij zijn van mening dat het enige haalbaar alternatief voor een welvarend Nederland een werkend perspectief is. Nederland schreeuwt momenteel om het behoud van bestaande werkgelegenheid en het creëren van nieuwe werkgelegenheid. Dit ook tegen de achtergrond dat volgens veel deskundigen de arbeidsmarkt krap zal worden; hoe tegenstrijdig het ook moge klinken in tijden van toenemende werkloosheid, het grootste gevaar voor toekomstige groei is een tekort aan kwalitatief opgeleid personeel.


Onze ambitie
De opdracht waarvoor wij ons gesteld zien is de volgende:


  1. Welke maatregelen kunnen op nationaal, sectoraal, regionaal en/of bedrijfsniveau genomen worden om mensen aan het werk te houden en aan het werk te krijgen?

  2. Welke (institutionele) belemmeringen staan die maatregelen in de weg? Wat hebben we (van wie) nodig om deze maatregelen te realiseren?

  3. Op welke manier en op welke niveau kunnen duurzame afspraken gemaakt worden die bijdragen aan baan-, werk- en inkomenszekerheid voor de werknemer en aan een betere dynamiek op de arbeidsmarkt?

In dit voorstel focussen we dus op werkgelegenheidsinitiatieven en in het bijzonder, om snel wat te kunnen doen, op werkgelegenheidsinitiatieven voor de komende twee jaar. Met zoveel mogelijk effecten die voor alle generaties samen (we onderscheiden: jongeren, werkenden, ouderen) een positieve uitwerking hebben. De overkoepelende benaming voor alle plannen op onderdelen is dan ook: Generatiepact.


De kracht van het Generatiepact moet schuilen in de haalbaarheid van het alternatief dat wij willen bieden. Wij willen niet vervallen in allerlei mogelijke beleidsmaatregelen zonder praktisch nut. Wij reiken praktische maatregelen aan die ertoe kunnen leiden dat mensen hun werk behouden en zekerheid bieden, dat als ze nu om welke reden dan ook aan de kant staan, weer aan het werk te komen.

De uitvoering
Het Generatiepact heeft, zoals gezegd, zijn basis in opgedane praktijkervaringen uit het dagelijkse vakbondswerk, waarin aan de hand van een bedrijfssituatie de werkgelegenheid en de arbeidsdeelname van alle groepen (gezond, gehandicapt, jong en oud) centraal staan in combinatie met de economische en financiële mogelijkheden en onmogelijkheden van de onderneming of instelling.
Wij stellen voor om op landelijk niveau een taskforce in te stellen, waarin overheid, werkgevers en werknemers het Generatiepact verder vormgeven en uitwerken. De taskforce krijgt als taak om het afgesproken pakket maatregelen verder te concretiseren/uit te werken en om de uitvoering/uitwerking, die primair op decentraal niveau moet gebeuren door werkgevers en werknemers in sectoren en bedrijven, te begeleiden. De taskforce krijgt ook de opdracht om te kijken naar de diverse manieren waarop in regio’s met betrokkenheid van sociale partners met de stimulering van de regionale arbeidsmarkt aan de slag wordt gegaan en op die manier uiteenlopende wijzen, waarop in regio’s aan de slag wordt gegaan, te kunnen coördineren, en de bredere kaders te kunnen bewaken.
De praktische uitwerking naar concrete bedrijven en instellingen zal wat ons betreft op de eerste plaats decentraal ter hand moeten worden genomen met nadrukkelijke betrokkenheid van de vakbeweging en werkgevers. Wij hebben dan ook met belangstelling kennis genomen van het in Frankrijk afgesloten "contrat de génération” waarbij overheid, werkgevers en werknemers de handen ineen geslagen hebben om met name jeugdwerkloosheid en werkloosheid onder ouderen aan te pakken. Een dergelijk contract kan ons tot voorbeeld dienen, uiteraard wel aangepast aan de Nederlandse situatie en verhoudingen. Zo zal er een sterke focus moeten zijn op de werkgelegenheidsontwikkelingen (vraag/aanbod) binnen de verschillende sectoren, zodat de te nemen maatregelen hier naadloos op kunnen aansluiten en er per sector maatwerk mogelijk zal kunnen zijn. De maatregelen kunnen ook een plaats krijgen in sectorale plannen.
Hierna bespreken we als eerste de inhoudelijke kant van een samenhangend generatiepact (hoofdstuk 1), waarin we aan de hand van concrete voorbeelden uit onze dagelijkse vakbondspraktijk enkele voorstellen doen om mensen de komende jaren aan het werk te houden en te krijgen. Voorstellen met betrekking tot bekende vakbondsthema's: sociale zekerheid, regionale arbeidsmarkt, sociale plannen & reorganisaties en onderkant arbeidsmarkt. Vervolgens gaan we in op specifieke maatregelen voor jongeren (hoofdstuk 2) en ouderen (hoofdstuk 3). Tenslotte behandelen we financieringskwesties (hoofdstuk 4).



  1. Een samenhangend generatiepact ter bestrijding van de crisis


Een Generatiepact
De FNV stelt voor om te komen tot een samenhangend Generatiepact. Dit Generatiepact komt in de kern op het volgende neer. De oudste groep werknemers (60+) geven we de gelegenheid om – met behoud van een redelijke inkomenszekerheid – gedeeltelijk te stoppen met werken en een meer coachende rol aan te nemen of geheel uit te stromen, ten gunste van de generaties onder hen. Zo creëren we extra kansen op werk voor zowel jongeren als de groepen 45- en 55-plussers, die nu erg moeilijk aan de slag komen. Zo zijn we ook zuinig op vakkrachten: door hen gedeeltelijk te ontzien kunnen zij langer doorwerken, en kunnen zij helpen bij de opleiding van nieuwe, jonge vakkrachten in bedrijven. Zo zijn we ook zuinig op de jeugd en sorteren we gelijktijdig alvast voor op toekomstige tekorten op de arbeidsmarkt. En zo zorgen we ook voor behoud van werk (zonder extra instroom).
Overheid, werkgevers en werknemers dragen in dit pakket financieel allemaal een steentje bij. De praktische uitwerking vindt plaats in sectoren en bedrijven met nadrukkelijke betrokkenheid van werkgevers én de vakbeweging. Bijvoorbeeld in sectorplannen, waarvoor geld gereserveerd is door het ministerie. In sectoren en bedrijven wordt door sociale partners bekeken of en zo ja hoe gebruik wordt gemaakt van de maatregelen uit het Generatiepact, zodat er werkgelegenheidsbeleid op maat van de sector of het bedrijf kan worden gevoerd. Daarbij ligt er ook een rol voor vakbondskaderleden en de OR.
Anders dan in de vorige crisis gaat het nu om een mix van maatregelen. Daarvoor zijn meerdere zaken nodig: zaken die we als vakbeweging zelf kunnen doen, samen met werkgevers, zaken die de overheid kan faciliteren, en zaken waarvoor de overheid drempels moet opruimen. De FNV gaat ervan uit dat deze maatregelen tijdelijk zijn en nu worden afgesproken voor de duur van drie jaar (2013 –2016) om zo de crisis te kunnen overwinnen met meer werk als gevolg van een samenhangend pakket voor jong, oud en daar tussenin: een Generatiepact! Het pakket crisismaatregelen wordt getroffen in combinatie met structurele maatregelen voor de periode daarna, zoals beter van-werk-naar-werkbeleid.
In het onderstaande worden diverse mogelijke elementen van het Generatiepact afzonderlijk besproken en geïllustreerd met voorbeelden uit de vakbondspraktijk van vandaag.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina