§2: Grondslagen en uitingen §3: De filosofische grondslag



Dovnload 0.53 Mb.
Pagina1/9
Datum24.08.2016
Grootte0.53 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

Collegebrieven Interne Organisatie


Hoofdstuk 4: Gedragsvraagstukken



§1: Menselijke factoren: onderwerp van organisatiekundige beschouwing?
§2: Grondslagen en uitingen
§3: De filosofische grondslag
§4: De ethische grondslag
§5: De culturele grondslag
§6: Uitingen in motivatie
§7: Uitingen in leiderschap
§8: Uitingen in communicatie
§9: Uitingen in groepscondities



§ 6: Motivatievraagstukken

Laatst herzien op 08-02-10

Motivatie: de eerste van de zes uitingen van organisatiecultuur, en eigenlijk de voornaamste. Wat hierna aan de orde komt, het leiderschap, de communicatie e.a., is uiteindelijk instrumenteel ten opzichte van dit.

Motivatie is in het individu gelegen, cultuur is het collectief. Motivatie geldt met betrekking tot iets dat specifiek is, cultuur betreft alle dingen.

Motivatie is te veranderen, zij het van binnenuit, dus vanuit de persoon zelf die de dingen anders kan gaan zien, ten goede of ten kwade. Niet zozeer van buitenaf. Inderdaad is gedrag en zijn handelingen in bepaalde mate af te dwingen of af te remmen, maar of men dat als motivatie mag zien hangt van definities af. Cultuur is zeer moeilijk te veranderen, maar onmogelijk zal het niet zijn; ook het klimaat ondergaat verandering, en ook dat gaat langzaam.

De verbinding van motivatie en cultuur zal hierin gelegen zijn dat naarmate de motivatie van meer personen zich vormt in een gelijke richting, dit tot een kenmerk van cultuur zal worden. De beinvloeding door omringende cultuur op de motivatie van een persoon is er evengoed, mogelijk sterker.




6.1: Relevantie van het motivatievraagstuk

6.2: Wat zegt de literatuur over motivatie, een overzicht van begripsomschrijvingen.

6.3: Motivatie als handeling, proces of toestand

6.4: Naar een definitie van motivatie

6.5: Motivatie te beinvloeden? De gedachte van motivatiekringen

6.6: Rol en actor

6.7: De motivatiegraad is waar te nemen uit concrete verschijnselen

6.8: En te verklaren met relevante theorieën cq modellen

6.9: Vanuit de grondslagen, mensbeelden en ethische grondhouding

6.10: Stimulansen en voorwaarden in de werksituatie, de Herzberg-factoren

6.11: Het patroon van menselijke behoeften als motiverende kracht, Maslow e.a.

6.12: Angst als motiverende kracht

6.13: De geestelijk volwassen en psychisch gezonde persoonlijkheid

6.14: De proces-theorieën

6.15: Zelfbegoocheling en verrassing

6.16: Het geheel overziende






H4 §6.1


6.1: Relevantie van het motivatievraagstuk

Wat betekent het werk voor ons? Een noodzakelijk kwaad omdat je nu eenmaal geld nodig hebt? Een vreugde, omdat je in het werk iets goeds tot stand brengt? Of omdat je met andere mensen te maken hebt, en dat appelleert aan een behoefte aan menselijk verkeer? Wat betekent het?

Laten wij zien wat er vanuit de samenleving van te zeggen valt. Talloos zijn de incidenten en de berichten die erover gaan, of die er misschien niet rechtstreeks over gaan, maar waaruit de arbeidsvreugde of het arbeidsverdriet is af te leiden. In het eerste hoofdstuk, al op één vam de eerste pagina’s kwamen wij erover te spreken, en dit is het moment om daar de draad op te vatten. In dat hoofdstuk maakte ik gewag van het volgende bericht:

“Nederland fluitend naar werk” was de kop van een berichtje over een onderzoek uit 2002 (NRC 19-12-01). De kop geeft zo ongeveer de strekking aan van een rapport “Werken en leren 2001-2002”. “Driekwart van de werkenden vindt dat zijn baan goed aansluit op zijn opleiding en ervaring, tweederde is ook tevreden over de beloning voor het werk” (H1 §1).


Het leent zich goed voor een confrontatie met het volgende, uit het dagelijks leven:

Wij hadden een telefonische afspraak gemaakt. Twee nieuwe collega’s waren het, die ik nog niet eerder had ontmoet en die eens langs wilden komen om over de HEAO te spreken. Ik zou een week of drie daarna beginnen met een programma voor derdejaars studenten en ik was druk doende mij daarop te prepareren: de onderwerpen te verzamelen, in volgorde te plaatsen, teksten te schrijven voor een syllabus etc etc. Ervaring had ik er nog niet mee maar ik had eerder HEAO studenten ontmoet, als stagiairs en het trok mij aan.

Maar wat een bizarre ervaring was dat gesprek: de twee toonden oprechte bezorgdheid, en ze kwamen mij waarschuwen. Ik diende vooral niet teveel van het werk te verwachten. Studenten haalden streken uit om goede cijfers te halen, verder zouden ze eigenlijk niet geinteresseerd zijn in welk vak dan ook. En ik moest er ook rekening mee houden dat er nogaleens lessen zouden uitvallen; had ik daar wel aan gedacht bij de voorbereiding? Nee, al te veel zou ik niet kunnen doen.
Beide observaties hebben te maken met de wijze waarop mensen denken over hun werk en over het bedrijf. Een geesteshouding is het, van toewijding of van afkeer, van verwachting of van moedeloosheid, van vreugde of teleurstelling.
Wees overigens voorzichtig met berichten als het eerste. De meeste mensen met plezier naar het werk? Het lijkt erop, en het is te hopen dat het ook zo is, maar het hoeft niet. Argyris wijst in Mens en Organisatie (de slotbeschouwing van zijn vierde hoofdstuk) er op dat juist gefrustreerde mensen te kennen gaven tevreden zijn met hun bedrijf en met hun baas. Ook altijd op tijd waren en weinig verzuimden. Het er achter liggend arbeidsmoreel van de onderzochten was overigens slecht. Als ergens verschijnselen bedrieglijk zijn, dan is het op dit terrein. Dat het Amerikaans onderzoek was lijkt hier geen echt bezwaar.

Alain de Botton, Frans auteur, “Filosoof van het alledaagse” geeft eveneens (NRC 2/3-10-04) uiting aan grote twijfel over de idee dat mensen in het werk hun levensgeluk zouden moeten vinden. Dogma of ratio? De gehele beschavings-geschiedenis door gold het werk als een noodzakelijk kwaad, niet meer dan dat.

Pas in recenter tijden zijn sommigen het anders gaan ervaren, maar de vraag is maar voor hoevelen dat mag gelden. Het lijkt goed op dit punt eens terug te zien naar de onderscheiding in handelingscategorieën (H2 §1.2) en dan te zien hoe het werk als zodanig pas in de derde of vierde laag een motiverende lading kan verkrijgen,
Zeker, wees voorzichtig. Het kan geen kwaad om even vooruit te zien naar § 6.7, waarin een ander rapport aan de orde komt dat juist wijst op het grote aantal mensen dat nog niet zolang geleden (2004) op zoek was naar een andere baan, juist omdat de baan die zij hebben niet goed op hun opleiding en capaciteiten zou aansluiten.

H4 §6.1

Nog een ander bericht (1-04-04) over de bevindingen van een onderzoek op Europese schaal. Fluitend naar het werk? Het blijkt dat twee derde van de Nederlandse werknemers liever vandaag dan morgen zou stoppen met werken. Nederland verkeert daarmee aan de hoge kant van de verdeling. In Duitsland ligt het aandeel op ruim 40 procent.

En eind 2005 (NRC 30-11-05) nog het volgende:

De betrokkenheid van grote aantallen mensen bij het bedrijf waar zij werken zou afnemen. Het adviesbureau Towers & Perrin meldt op grond van onderzoek dat het aantal mensen dat aangeeft “zeer betrokken” bij hun bedrijf te zijn, van 2003 naar 2005 afnam van 12% tot 8%.


Het is een vraagstuk

Zoveel zal nu wel duidelijk zijn. En het is ook niet van vandaag of gisteren. Er moet een rapport zijn verschenen, in de jaren vijftig, over de productiviteit van de Amerikaanse industrie, waaruit een verontrustende bevinding was dat de industrie door de bank genomen met de bestaande capaciteit zo’n dertig procent meer zou kunnen produceren als zich geen moedwillige productiebeperkingen voordeden. In het werk van C Argyris is dit een terugkerend thema: de lijntrekkerij, de onverschilligheid, het mentaal absenteisme. De oorzaken liggen in de organisatie, en wij komen op het werk van Argyris verderop terug. Intussen zijn wij wel enige decennia verder en mogelijk is de toestand - die productiviteit dan - verbeterd, maar de vraag is in hoeverre dat dan wel zal zijn toe te schrijven aan betere arbeids-verhoudingen, leidend tot grotere toewijding, en niet aan de ver voortgeschreden

robotisering. En buiten de industrie: in de dienstverlening, en in alle arbeids-intensieve bedrijvigheid is de problematiek ten volle aanwezig. Hoe dan ook, aan fouten in de uitvoering is nog steeds geen gebrek.
Legde Argyris de nadruk op de arbeidsproductiviteit, motivatie uit zich in gelijke mate in kwaliteit, en wel in alle opzichten daarvan. De vraag is ook of toename van productiviteit voorbij een zekere grens niet de kwaliteit van de uitvoering in gevaar gaat brengen. Die grens zal zich vanzelf wel manifesteren. Het lijkt verstandig om dan een stap terug te doen in productiviteit en tempo. Optimale verhoudingen, één van de talloze situaties waarin dit zich voordoet.
Het gaat altijd om drie vragen die je als kardinaal zou kunnen aanduiden.

1: Er is een vraagstuk van gewaarwording en herkenning: hoe het gesteld is met de

motivatiegraad, van individuen en van groepen. Motivatie is niet als zodanig

waar te nemen, slechts af te leiden van uitingen. Hoe dat zou kunnen is de eerste

vraag.

2: De tweede is dan vanzelfsprekend: hoe het komt dat het zo is, er is een vraagstuk



van verklaring

3: Hierop aansluitend een vraagstuk van organiserend handelen: hoe wij condities

kunnen scheppen voor een goede gezindheid.
Gewoonlijk zullen wij de motivatieproblematiek expliciteren met betrekking tot het werk, en dat is hier natuurlijk relevant. Soms horen wij ervan als het gaat om het onderwijs, over slecht gemotiveerde leerlingen. Maar het gaat veel verder en het motivatieverschijnsel doet zich voor op alle levens-terreinen. In het sociale domein: ten opzichte van de buurt en de buren, in het publieke domein ten opzichte van de wet, en van de verkiezingen, in het privédomein ten opzichte van het huishouden, en van de liefhebberijen.

“Zo wordt bijvoorbeeld wie plezier beleeft aan meetkunde daarin bekwaam en beter in staat de verschillende elementen van deze wetenschap te begrijpen, en zo maken ook liefhebbers van muziek, bouwkunde en andere kundigheden vorderingen in hun vak doordat zij er plezier in scheppen.”




H4 §6.2

Aristoteles, Ethica, vertaling Pannier en Verhaeghe, pag 317. Let op de formulering van het scheppen van plezier in een bezigheid.


6.2: Wat zegt de literatuur over motivatie, een overzicht van begripsomschrijvingen.

Wij lopen weer langs een aantal gangbare handboeken, en het is ook hier de moeite waard te letten op de definities of begripsbeschrijvingen, en op de context waarin wij ze tegenkomen. Wij zullen ze raadplegen in de gebruikelijke volgorde, die van de titels van “management”, “behaviour”, en “organization theory”.

Ook hier zijn het er negen, en ze zijn zoals te verwachten niet al te zeer verschillend. Slechts valt op dat sommige auteurs het onderwerp niet of op zijn hoogst in het voorbijgaan noemen.

(1) Boone & Kurtz, in “Management”: het is een moeilijk te definiëren begrip, aldus de auteurs, maar wij kunnen in elk geval aangeven waar het om te doen is. “Motivation refers to the forces leading to behavior directed toward the satisfaction of some needs”. Let op de algemeenheid van de beschrijving: niet eens als een organisatorisch vraagstuk of verschijnsel, maar als een algemeen menselijk gedragskenmerk.

Er is een hoofdstuk aan besteed, in een groep van vier, onder de samenvattende titel van “Influencing”, samen met groepsverschijnselen, leiderschap, en organisatie-ontwikkeling.
(2) In “Management”, D.Hellriegel en JW SLocum, verschijnt een hoofdstuk “Motivation” in een groep van vier onder “Leading” met leiderschap, communicatie en groepsverschijnselen. Motivatie is “any influence that elicits (oproept), channels, or sustains people’s behavior”. Een eveneens algemene omschrijving, maar in een enigszins andere groepering van onderwerpen geplaatst.
(3) Bij B.Gatewood, B Taylor en B Ferrell, in “Management”, eveneens een hoofdstuk “Motivating people”, hier in een groep van zes onder “Directing and staffing”, samen met personeelsbeleid, groepsverschijnselen, leiderschap, communicatie en organisatieverandering. Hun beschrijving luidt “an inner drive that directs behavior toward goals”. Direct laten zij daarop volgen dat een doelbesef (“goal”) en een behoefte als voornaamste motiverende krachten mogen gelden. Motivatie is voorts verbonden met moreel, zijnde “the sum total of employees’ attitudes toward their jobs, employer, and colleagues”.
(4) Laurie Mullins, in Management and Organisational Behaviour” plaatst het onderwerp in een andere samenhang, en wel onder “Organisational Processes”. En als zodanig ziet zij behalve de motivatie, alles wat samenhangt met satisfactie en individuele prestatie (job satisfaction and performance) , en dan delegatie, en besturing ofwel planning- en controlsystemen, wel met bijzondere aandacht voor gedragsaspecten daarvan. Een begripsomschrijving vermeldt zowel doel of doelbesef, en behoefte als bronnen van motivatie, zijnde “some driving force within the individual”.
(5) “Behavior”, RD Middlemist en MA Hitt, plaatst een hoofdstuk “Motivation” in een groep van zes, onder “Individual Processes”, de vijf andere over perceptie en leerprocessen, persoonlijkheid en attituden, besluitvorming, de individuele positie en satisfactie, en stressverschijnselen. Motivatie is “the forces acting on and coming from a person that account, in part, for the willful direction of one’s effort toward the achievement of specific goals”.
(6) In “Organizational Behavior”, RB Mc Afee en Paul J Champagne, twee hoofdstukken, waarvan de gezamenlijke inhoud zo ongeveer overeenkomt met die van de andere in dit

H4 §6.2 / § 6.3

overzicht. De twee hoofdstukken maken deel uit van een groep van vijf “Developing effective individuals” waarin verder voorkomen leerprocessen (learning en reinforcement), discipline en de handhaving daarvan, (punishment) en doelstellingen. Er verschijnt geen uitdrukkelijke definitie of begripsomschrijving, maar men vertrekt van de vraag wat het is dat mensen in actie brengt en tot een bepaald gedrag beweegt.


(7) “Organizations”, JL Gibson, JM Ivancevich, en JH Donelly jr, bevat eveneens twee hoofdstukken, waarover de twee groepen van gangbare motivatietheorieën verdeeld zijn. Het is een groep van vijf, onder “Behavior within Organizations, The Individual”, waarvan de andere drie gaan over individueel gedrag als zodanig, de mogelijkheid van gedragsverandering, en over stress. Hier wel aandacht voor definities, voorafgegaan door de waarschuwing dat het een lastig te definieren begrip is vanwege de verschillende invalshoeken die wij kunnen kiezen. In het algemeen is motivatie het begrip dat dient om de invloedsfactoren te beschrijven zoals die inwerken op het gedrag, door dat te initiëren en te richten. Vanuit waar te nemen gedrag dient het om verschillen in gedrag te kunnen verklaren.
(8) In Gary Dessler’s “Organization Theory” vinden wij het onderwerp in een hoofdstuk “Motivation and Innovation”, behorend tot een groep van vier, met een hoofdstuk over individuele posities en de motiverende kracht daarin, over macht en beheersing, en over leiderschap en in dat hoofstuk behandelt men tevens de organisatiecultuur. Hetgeheel onder de titel van “Power and control in Organizations”.
Dessler geeft geen definitie, veronderstelt het begrip blijkbaar als voldoende bekend, en hij richt zijn betoog direct op de intrinsieke grondslag voor motivatie.
(9) “Organization theory” van VK Narayanan en R Nath. Hier geen hoofdstuk erover. Zelfs in het onderwerpenregister komt de term niet voor. Maar de ondertitel luidt ook “A strategic approach”, en daarmee zal het wel verband houden. Ook in de handboeken “Strategic Management” zal motivatie als onderwerp niet verschijnen.
6.3: Motivatie als handeling, proces of toestand

Hoe belangrijk is het definiëren van begrippen. Ook hier weer, want waarover gaat het als de term valt? Bij het lezen en het doordenken van wat men erover schrijft komt er een beeld van vier betekenissen. Vier overwegingen lijken hier terzake doende: motivatie gezien als leidinggevend handelen, als handelen van de persoon zelf, dan als innerlijk proces, en als de geestestoestand die uit dat laatste ontstaat.

Vier overwegingen dus:

(1) De eerste daarvan is dat wij motivatie kunnen zien als leidinggevend handelen: wat iemand bewust doet om te bereiken dat een ander zal handelen op een bepaalde, gewenste manier. Idealiter in zijn of haar geest. "I'm motivating Theo", zei ooit een Amerikaanse collega. Je zou het zelfs een bedrijfsproces kunnen noemen, waarin stappen van tevoren worden doordacht, en in volgorde geplaatst, en vervolgens moet er een output uitkomen: de gemotiveerde medewerker. Hoe dat kan geschieden is vanouds bekend: door voor te schrijven, te dwingen, te dreigen met straf, en te verlokken met beloning. En met de incentieve beloningssystemen krijgt dit helemaal het karakter van een bedrijfsproces; het gaat automatisch. Wat verder daar vandaan, maar altijd nog bewust handelen, is de indoctrinatie, en in het extreme de hersenspoeling. Met dat extremum hebben wij de laatste jaren te maken, want mensen blijken perfect gemotiveerd kamikaze-acties uit te voeren.

Motivatie als methode, om anderen te conditionneren opdat zij vanzelf doen wat wij willen: op dit punt is het goed nogeens terug te zien naar de dichotomie van het helpen versus gebruiken, in de ethische beginselen. Het is vanuit deze opvatting dat Reinhard Sprenger zicht keert tegen het motivatiebegrip, want afgezien nog van de ethische kant van het gebruiken van anderen, blijkt het ook niet te werken, of zelfs een tegengesteld effect te bereiken (Reinhard Sprenger, de Motivatiemythe, vertaling van Der Mythos Motivation).





H4 §6.3 / §6.4

Zo gezien is het onderwerp dus sterk verwant met leiderschap. Daarover in de volgende paragraaf.


(2) Maar op een andere manier kunnen wij motivatie ook zien als keuzehandeling van de persoon zelf: een mens zal waarnemend, kansen schattend, opties overwegend zijn weg zoeken, en keuzen maken uit een repertoire van gedragingen en handelingen. "Mijn motivatie is de volgende" zou iemand kunnen verklaren. Een beslissingsproces ten voeten uit, en het onderscheid van gedrag en handelen komt niet in zicht. Motiverende actie door de ander zal dan er op neerkomen dat de juiste prikkels worden verschaft: straf en beloning, worsten of zweepslagen.
(3) Motivatie kunnen wij ook - beter wellicht - opvatten als iets dat zich permanent voortschrijdend in het bewustzijn van iedere werkende voltrekt. Werkende: leidinggevend, besturend, medewerkend, werkend aan wat dan ook. Een proces, vallend in de categorie van de natuurlijke processen - ook van de organizational processes - uit het tweede hoofdstuk (H2 § 4.2 en 4.3). Een psychisch proces, waarin het brein ervaringen verwerkt,

waarnemingen, en gevoelens van allerlei aard, die weer aanleiding geven tot handelen en gedrag, waaruit weer nieuwe ervaringen ontstaan, die een bepaalde geestestoestand doen ontstaan, en deze ook kunnen veranderen.


(4) En zo belanden wij bij motivatie als toestand en wel een geestestoestand, met betrekking tot iets: werk, studie, de baan, het bedrijf, de afdeling. Een bepaald aspect van een geestestoestand is het eigenlijk, hierna aan te duiden als geesteshouding. Juist door het zo te zien kunnen wij het gedrag van het handelen onderscheiden. De gevoelens leiden tot

het gedrag, het verstand stuurt het handelen. Het is voor de vierde opvatting dat ik hier kies, zij het met voorkeur voor de term geesteshouding, hetgeen voldoende zal blijken uit de definitie die hierna gaat volgen.


Verwante en naastliggende begrippen

De grenzen zijn nergens scherp, ze kunnen ook nogaleens verschuiven en termen kunnen van betekenis veranderen. Elke overweging betreffende motivatie brengt ons om zo te zeggen op zichtafstand van attitude, moreel en cultuur.

Attitude is houding, stand, gedragslijn, zegt mijn woordenboek (Koenen 1981). De oude Kramer (1946) vermeldt het niet. De nog oudere Koenen uit 1897 heeft het alleen over houding en lichaamsstand. De definitie vam motivatie hierna is onweerlegbaar met attitude verwant.

Het moreel is hiervoor aan de orde geweest, waar het ging over ethiek en moraal. Moreel is eveneens een geestestoestand, van vertrouwen, en van moed, of juist van angst en onzekerheid.


6.4: Naar een definitie van motivatie

Het wordt tijd voor een eigen definitie. Die verschijnt eerst in de gebruikelijke vorm, en daarna volgt een bespreking van de bestanddelen ervan:

(volgende pagina)


H4 §6.4




Motivatie

een geesteshouding ten aanzien van het bedrijf, de eigen positie in de organisatie,

verantwoordelijkheid en werk
met als functie:

de hoedanigheid van het handelen en het gedrag te doen ontstaan


bestaand uit:

gevoelens, van zin versus tegenzin, hoop versus moedeloosheid,

vertrouwen versus wantrouwen, en nog meer
werkend door:

oproepen van persoonlijke energie ter aanwending van vermogens


zowel op individueel niveau als in de gezamenlijkheid






Motivatie en motivering

Valt het niet op dat die twee termen vaak door elkaar worden gebruikt? Toch zijn het geen synomiemen, al is er een verwantschap. Motivatie is de term die wij het best kunnen reserveren voor de psychische toestand, en de psychische processen waarover wij het in deze paragraaf hebben. Motivering is een verstandelijke kwestie, de onderbouwing van een oordeel, of van een mening, met motieven: de linker hersenhelft in actie. Eigenlijk is dit de tweede van de vier zienswijzen hierboven (§6.3). En voor ons handelen zullen wij beweegredenen hebben. Redenen in de werkelijke zin des woords, ook dat zijn motieven. In beide gevallen zijn het omstandigheden die als motor fungeren. Inderdaad, er is verwantschap.


Een geesteshouding, aspect van geestestoestand

Is het niet geestestoestand, of geestesgesteldheid? Het komt mij voor dat de term geesteshouding zich beter leent om tot uitdrukking te brengen dat het gaat om de relatie tot een object. De term gezindheid zou hier ook passen. Voor ons zou het relevant zijn om de zes kringen van beinvloeding die hierna (§6.5) aan de orde komen, als zulke objecten te zien. In andere gevallen zal het een persoon zijn, of een groep personen, of het openbaar vervoer, of de verkiezingen. Het gehele patroon van die relaties, en de overeenkomende

geesteshoudingen, zal dan iemands geestestoestand vormen. Als toestand dus, eerder dan als proces, en dat was hiervoor aan de orde.
Als innerlijke motor

Dat is de functie: het handelen en het gedag te doen ontstaan, en wel als een onzichtbare drijvende kracht. Onzichtbaar maar reëel als een chemische reactie, wat het waarschijnlijk ook wel is.

De enige bron van waaruit deze kunnen ontstaan zijn wij zelf. Mogelijk onder dwang, of uit noodzaak, maar wie in een noodtoestand de moed opgeeft komt niet tot actie. Wie geinspireerd raakt door een uitdaging, of door een idee, of door een gebied van wetenschap, etc etc. - ook hier lijkt de reeks oneindig - heeft alleen die gevoelens nodig, en prikkels van buitenaf kunnen om zo te zeggen niet meer doen dan de weg vrij maken voor wat er al is.

Er zijn andere invloeden van buitenaf. Wie het thuis moeilijk heeft zal dat op het werk ervaren. Of je wilt of niet, de zorgen, of het verdriet neem je mee, de vreugde ook als een kind geboren is, of de opwinding als er een examenuitslag op handen is. Net zoveel invloeden als vanuit de werksituatie, misschien nog veel meer dan van daaruit. Wij mogen het grootste respect hebben voor degene die ondanks de moeilijkheden van het dagelijks leven met toewijding blijft werken.




H4 §6.4 / §6.5


Gevoelens

Dat is de inhoud van de geesteshouding. Er zijn er aan toe te voegen: geestdrift versus lauwheid, aandacht versus onverschilligheid, toewijding versus cynisme, liefde versus afkeer, moed versus angst. Maar het zijn gevoelens.

Geen calculus dan, zoals de tweede van de vier gedaanten hierboven (§6.3)? Geen rationele overwegingen? Mogelijk wel, maar zouden die toch niet resulteren in de gevoelens zoals aangeduid? De uitkomst van een strikt rationeel beslissingsproces kan inspirerend werken want die uitkomst kan zicht bieden op iets dat het nastreven werkelijk waard is.
Oproepen van energie

Maar verder lijkt het proces zich in het verborgene af te spelen, want wat de bron van menselijke energie is, zo zegt het althans C Argyris, weet men niet. Het doet er ook niet zoveel toe, als wij die maar kunnen gebruiken, en wij kunnen ervaren dat als eenmaal die bron van energie werkelijk is aangeboord, die haast onuitputtelijk lijkt. Op de gedachten van Argyris kom ik verderop terug.


Motivatie?

Uit een ingezonden brief, NRC, 21/22-06-08, over de verloedering van het onderwijs, waarin K. Toxopeus de ervaringen beschrijft van zijn echtgenote, die vanwege de onderwijsvernieuwingen genoodzaakt was een applicatiecursus te volgen.

Daaruit het volgende: "Kern van het moderne onderwijs is, aldus de cursusleider, de motivatie kan de kinderen. Er ontstond discussie wat dat nou is. De cursusleider dicteerde de definitie van motivatie uit het cursusmateriaal van het ministerie: de actualisering van een latente dispositie"

Het is duidelijk: onze kleintjes zijn in goede handen.


Zowel in in dividueel als op groepsniveau zich voordoend

In principe gaat het om individueel-psychische verschijnselen. Maar de motivatie zal zich al gauw uitstrekken tot elks collega’s. Al gauw; het hoeft niet per se, maar ieder zal toch wel de ervaring hebben dat een groep, of een afdeling als geheel wel door een bepaalde stemming of gezindheid gekenmerkt lijkt. En dan behoeft dat ook nog niet te betekenen dat die bij elk van de groepsleden gelijk is.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina