§2: Grondslagen en uitingen §3: De filosofische grondslag



Dovnload 202.64 Kb.
Pagina2/4
Datum07.10.2016
Grootte202.64 Kb.
1   2   3   4



Polariteiten


Elkaar gebruiken


Elkaar helpen


individualisme


gemeenschapszin


egocentrisme


erkenning


egoisme


solidariteit


economisering


vermaatschappelijking


eigen voordeel


voordeel voor betrokkenen

kortstondigheid


langdurigheid, permanentie

efficiëncy domineert


effectiviteit domineert


nadruk op kwantificatie


nadruk op kwalificatie


doelstelling als uitgangspunt


concept als uitgangspunt


vervreemding


vereenzelviging, vereniging

het masculiene karakter


het feminiene karakter



Verwantschappen

Over Utopia gesproken, het is van enige betekenis dat Thomas More vanwege de communistische partij van de Sovjet Unie een standbeeld kreeg in Moskou. Zij aan zij staat hij daar met Karl Marx, en het is de moeite waard dat op te merken.

Een tweede verwantschap ligt hierin dat sommigen de eerste Christengemeenschappen, ruwweg tot in de tweede eeuw van onze jaartelling, hebben gedacht te herkennen als een vorm van proto-communisme. De regel was immers dat iedereen naar behoefte zou ontvangen, en niet meer diende te verlangen. Toch is die associatie niet goed omdat het element van de gemeenschappelijke voorbrenging eraan ontbrak. Hoe men dat daar heeft opgelost zal niet bekend zijn.
Omgang met anderen, en met al het andere

De omgang met anderen: het gaat zowel om het handelen als om het gedrag. Eerst wat het handelen betreft: dat is in het maatschappelijk verkeer eenvoudig niet te denken zonder enige vorm van ruil. Ruil zit er altijd wel in, ook bij liefdadigheid: wie zal zo eerlijk zijn niet een zeker gevoel van genoegdoening te erkennen bij het werkelijk helpen van de ander? Volstrekt niet in strijd met het fenomeen liefde, dat gevoelen. Het wezenlijke zit in de condities en dus in de verhouding van prestatie en tegenprestatie. De vrijheid van handelen die men de ander laat, of de pressie die men uitoefent, behoren mede daartoe.


“Ieder van ons gebruikt het bureau wel op zijn eigen manier”, zei ooit een collega toen er de nodige verwondering was ontstaan over iemands vertrek, die kort tevoren een nogal kostbare opleiding had gevolgd, betaald door het bureau. Eigenlijk zou je dat niet behoren te doen, was min of meer algemeen het gevoelen.
Elkaar helpen of elkaar gebruiken, het kan evengoed betrekking hebben op het bedrijf waar wij werken. Of moet ik het anders zeggen: het bedrijf waarvoor wij werken? Met als inzet juist dat bedrijf goed te doen functioneren, en goede prestaties te doen leveren? Of interesseert ons dat


H4 §4.2

niet zo, en kijken wij vanuit ons kantoor of onze lease-auto alweer uit naar een volgende baan, die meer betaalt, of meer aanzien geeft?

Of geldt het ook de leverancier, met wie wij een goede relatie hebben, met het besef dat zowel zij als wij, hij of ik, daar baat bij hebben? Of zij wij op elk moment bereid om over te stappen, ook al doet de huidige leverancier het goed? Het is alles precies hetzelfde: helpen versus gebruiken. En niet alleen in het verkeer tussen mensen, of mensen en rechtspersonen.
Helpen vs gebruiken, en conflict

Er is een associatie van het helpen vs gebruiken met wat in de gedachten over conflict verschijnt als handelwijzen (H8 §8.4): van integratie t/m overheersing. Wij kunnen de volgende verbindingen veronderstellen:

ten eerste: vanuit het helpen als grondslag zullen wij zoeken naar integratie,

ten tweede: vanuit het gebruiken naar naar compromis, zolang de zwakkere - te gebruiken - partij nog een zekere macht bezit

ten derde: vanuit het gebruiken als grondslag, en als de zwakkere partij inderdaad zwak is, gaan machtsmiddelen bezit, dan zal het gebruiken samengaan met overheersing.
Equivalent onderscheid in houding ten opzichte van dierlijk leven

De beginselen van helpen of gebruiken zijn op analoge wijze geldig en toepasbaar als het gaat om onze verhouding tot het dierlijk leven, en tot de behandeling van de dingen. Ze krijgen een enigszins andere inhoud, niet principieel anders.

Peter Singer, bio-ethicus, Princeton (interview NRC 7-4-01) heeft het over het gebruik van dieren als pure productiefactor: om daarmee voor de markt zo goedkoop mogelijk zoveel mogelijk vlees te produceren. Stelt op een andere plaats principieel gelijkwaardigheid te willen zien van alle levende wezens. De zaak is momenteel - winter 2003-2004 - weer eens extra actueel vanwege de aandacht voor de uiterst agressieve acties van groepen die zich richten tegen voornamelijk nertsenfokkerijen. De acties zijn niet bepaald sympathiek, maar de bioindustrie is dat ook niet.
En eveneens in houding ten opzichte van de dingen

Ik meen dit in gelijke mate te mogen toepassen op de wijze waarop wij met de dingen omgaan. Men hale zich de bewering voor de geest uit de aanhef van het hoofdstuk, over de man die zijn gereedschap leek te liefkozen. Het helpen vindt hier zijn equivalent in het verzorgen, met aandacht, toewijding, en mogelijk met liefde. Dat is niet hetzelfde als de trots die iemand ervaart bij het aanschouwen van de nieuwe auto die net een trede hoger staat op de ladder van de typen dan de vorige, maar die achteloos en zonder spijt wordt afgestoten als het geld voor een nieuwe, en mogelijk weer een iets hoger geplaatste er is.

Liefde voor de dingen, het zal de materiële zowel als de immateriële betreffen. Het vakgebied, een wetenschap, een taal. Het is ten aanzien van deze dat het begrip rentmeesterschap zin verkrijgt (H2 §5.3 (1.5)).

“Wij hebben tegenwoordig een pseudo-Latijn en dat is het Engels. Wij gebruiken het, maar wij hebben het niet lief”. Dat zegt L Kolakowsky in een beschouwing over Europa. Hij zal gelijk hebben: de Latinist zal met liefde en bewondering omgaan met de taal. De koopman wordt door nuttigheidsoverwegingen gedreven. Hij gebruikt.


Helpen of gebruiken: laten wij nog eens trachten een aantal situaties te bezien vanuit beide beginselen, in trefwoorden, wat de consequenties zijn:

(volgende pagina)




H4 §4.2 / 4.3




Ethische grondslag:

Momenten van relevantie:

helpen


gebruiken


bij uitvoeren van contract


naar de geest


naar de letter


geven van fooi?


om waardering te laten blijken


niet doen, ze worden er toch zeker voor betaald?

claimen bij verzekering?


bij werkelijke schade


kijken of er wat uit te halen is


eerlijkheid?


buiten twijfel


valsspelen geoorloofd


in persoonlijkheid: de aard


het feminiene


het masculiene


het plichtsbesef


als morele verplichting


als contractuele/wettelijke verplichting


wat in bedrijfsprestaties zal domineren


de algemeen-maatschappelijke 1)


de economische en/of de technische 1)


houding met betrekking tot materiele activa en dieren


als verzorgen, onderhouden, verfraaien


als uitbaten, vervangen wat niet meer voldoet


houding met betrekking tot de baan en het bedrijf


2) intrinsieke motivatie-grondslag, getrouwheid


2) instrumentele motivatie-grondslag. jobhoppen


de praktijk van de gezondheidszorg


care,de patiënt als mens


cure, de patiënt als geval


grondhouding volgens Buber 3)


ich-du


ich-es


1) Zie hoofdstuk 6 §5.3 over bedrijfsprestaties

2) H4 §6.9, 3e onderwerp

3) Uit “Ich und du”; Martin Buber’s tweedeling komt aan de orde dat in het “Ich-es” ook mensen zijn te plaatsen, tot wie dan een verhouding bestaat alsof het dingen zijn, die je dan, uiteraard, kunt gebruiken. In het extreme was dat met de slavenhandel het geval, maar wat te denken van de praktijk aangaande beroeps-voetballers? Minder extreem, maar toch, in het human resource management? Mensen als inzetbare elementen?
4.3: Een schaal van pool tot pool

Nu meen ik ook dat het goed is om de tweedeling niet te zien als of het één of het ander. Er moet een schaal zijn, zicht uitstrekkend van het ene extremum naar het andere, met vele verschillende verhoudingen van het helpen en gebruiken. Hierna een poging om dat uit te werken in een aantal posities op de schaal.



Wij nemen vier posities hieruit die wij wat nader kunnen bezien.


H4 §4.3


Positie 1: de pure vrijwilligersarbeid, reddingmaatschappij, in het verzorgend werk

“ Ja, je bent de hoeder van je broeder. Schep contact, niet vragen, niet omzien, niet oordelen. Gewoon helpen”.

Titus Brandsma, Karmelietenpater, verzetsstrijder, omgekomen in Dachau 1942


In Het Parool, 24-2-99, verschijnt een reportage over Bisschop Muskens, de klokkenluider van Breda. Van een aantal personen, deels uit de kring van de bisschop, heeft men enig commentaar gevraagd op diens stelling dat in extreme situaties het stelen van een brood geen zonde zou zijn. Leo Fijen, eindredacteur van een TV-actualiteitenprogramma dat daaraan aandacht besteed had: “Muskens doet dit vanuit de grond van zijn hart, vanuit z’n engagement. Hij ziet het als de meest definitieve opdracht in z’n leven een stem te geven aan wie geen stem heeft. Voor hem telt alleen de vraag die voor de rechterstoel Gods zal worden gesteld: Wat hebt U voor een ander gedaan?” Van Fijen is ook de qualificatie afkomstig van klokkenluider: “Hij luidt net zo lang tot ze het niet meer willen horen en het dus zelf maar gaan doen: mensen helpen. Hij doet dat in een tehuis op loopafstand van zijn bisschoppelijk paleis, zodat hij er dinsdags voor het avondeten naar toe kan wandelen.”


Positie 2: het betaalde werk in de maatschappelijke dienstverlening

Het zijn de instellingen (meestal stichtingen) van maatschappelijk werk, de verpleeghuizen, het Leger des Heils waar men wordt getroffen door de toewijding waarmee mensen hun lang niet altijd gemakkelijk werk doen. Het werk is betaald, inderdaad, maar om rijk te worden zul je zo’n beroep niet moeten kiezen. En zo zijn er vele voorbeelden. En ook zijn er in de verpleeghuizen vrijwilligers die aan het werk aldaar nu juist die toevoeging aan menselijkheid verlenen die vanwege de genadeloze bezuiniging anders zou moeten ontbreken.


Het Parool, maart 1999

Vooral hoger opgeleiden en gelovigen vrijwilligers”

“Den Haag - Ruim een derde van de Nederlandse bevolking boven de achttien jaar doet regelmatig vrijwilligerswerk en besteedt hieraan gemiddeld vijf tot tien uren per week. Dit percentage is de afgelopen twintig jaar vrij constant gebleven.

Vooral kerkgangers doen veel vrijwilligerswerk, maar ook mensen met een hoge opleiding.

(die dan niet tot een kerkgemeenschap behoren zullen ze bedoelen, FL) . Zo is in de vier grote steden slechts twaalf procent van laag opgeleiden actief als vrijwilliger, terwijl dat percentage onder hoog opgeleide kerkgangers 72 is.

Dit blijkt uit een vandaag verschenen rapport “Vrijwilligers vergeleken” van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)

Het rapport relativeert pessimistische geluiden over de hedonistische, individualistische en calculerende burger. Dat Nederlanders vandaag de dag alleen nog maar warmlopen voor ontspanning of het nastreven van hun eigen persoonlijke belangen, aldus het SCP.

Van de mensen die regelmatig naar de kerk gaan, is de helft actief als vrijwilliger. Jongeren zijn minder actief als vrijwilliger dan ouderen.

Dat jongeren minder als vrijwilliger werken, verontrust het SCP niet. Vermoedelijk hangt dit vooral samen met de fase van het leven - zij moeten studeren en er als werkstudent vaak geld bijverdienen.

Ook bij ouderen is de deelname minder. Juist in “de tussenfase” wordt er veel vrijwilligerswerk gedaan dat te maken heeft met de kinderen, zoals helpen op school of werk voor de sportvereniging.

Het vrijwilligerswerk mag onder ouderen minder voorkomen, het zijn wel de gepensioneerden die er de meeste tijd in steken, evenals werklozen en arbeidsongeschikten.

De sociale betrokkenheid wordt niet minder, maar is wel anders van aard dan vroeger, aldus het SCP. Onder de grote organisaties in ons land (50.000 leden of meer) waren het niet de organisaties op het gebied van belangenbehartiging die sinds 1980 het sterkst




H4 §4.2

groeiden, maar de organisaties gericht op natuur en milieu, internationale solidariteit en morele onderwerpen als abortus en euthanasie.

De aanhang van organisaties als politieke partijen, vakbonden en vrouwenbonden is de afgelopen twintig jaar juist sterk gedaald.

Daarnaast vertoonde ook de bereidheid ot het schenken van geld of goederen aan ideële organisaties een stijgende lijn: tussen 1974 en 1996 steeg de financiële bijdrage aan goede doelen van ruim driehonderd millioen gulden naar 1,3 miljard gulden.

Maar de betrokkenheid beperkt zich niet tot het overmaken van geld per giro. De bereidheid vrijwilligerswerk te doen is naar internationale maatstaven hoog. Met Zweden en Noorwegen telt Nederland in Europa het hoogste percentage vrijwilligers. Mondiaal gezien worden we op dit terrein alleen overtroffen door de Verenigde Staten en Canada”.
Positie 3: de normale handel; helpen en gebruiken in evenwicht

De handel had van oorsprong een functie van werkelijk nut: wat de één beter kon voortbrengen dan de ander werd geruild. En de handel bracht beschaving, mogelijk ook thans nog: er is altijd nog een boekhandel, en een kunsthandel, althans voorzover die niet bezet geraakt is op de lagerwal van de speculatie. Handel kan een werkelijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van het menselijk bestaan. En dat je als handelaar er van moet leven is duidelijk.


Positie 4: de handel vanuit consumentenmarketing, speculatie, windhandel, gebruik met schijn-tegenprestatie

Waar gaat de handel zijn oorspronkelijke, nut en beschaving brengende functie verliezen ten koste van iets anders: het verkopen van diensten, en producten, die als zodanig niet meer bijdragen aan de kwaliteit van het bestaan, of die dat in principe wel deden maar vanwege de hoeveelheid waarin zij al lang voorhanden zijn, het punt van afnemend grensnut hebben gepasseerd? Ik meen dat dit geldt voor een groot deel van het reisbedrijf, het amusementsbedrijf met de media, de voedingsmiddelen (al eens krokodil gegeten?), moderne opium voor het volk?. Daar waar het stadium van de vertevéling (de term is van Johan Goudsblom, socioloog: van alles is er teveel) van alles gaat domineren, wordt het tijd om ons die vraag serieus te stellen. Zolang het nog gaat om volwassenen die zich laten beetnemen kun je juist dat feit van die veronderstelde volwassenheid aanvoeren ter rechtvaardiging: ze moeten het natuurlijk zelf weten. Kwalijker wordt het als kinderen het object van gebruik worden.


Omkering van de economische causaliteit; omslagpunt naar het parasitaire

“De tabaksindustrieheeft jaarlijks tienduizend nieuwe klanten nodig om te kunnen blijven bestaan”, zo stond het ergens op een economiepagina. Ik heb verzuimd de bron met naam en datum te noteren; zag pas later de relevantie ervan in. Het doet er ook niet toe of dat tienduizenden zijn of honderdduizenden. En voor de drugsindustrie, de vermaaksindustrie geldt natuurlijk hetzelfde. Merk nu op dat je nooit leest dat de broodbakkerij per jaar zo- en zoveel nieuwe klanten nodig heeft om te kunnen voortbestaan. Hier ligt het anders; de samenleving heeft per jaar een kwantum verse broden nodig, en bij groei een aantal nieuwe bakkerijen. En dat is de gezonde toestand, in sociale zin, en dus ook in economische.

Op de schaal van het helpen versus gebruiken van de medemens ligt m.i. hier het omslagpunt.
Gebruiken versus helpen

De vertevéling heeft een kwalijke analogie. Ik zag een natuurfilm waarin werd getoond hoe jonge krokodillen uit het ei kruipen en dan instinctief de weg naar het water kiezen. Zij rennen, pasgeborenen, daartoe geprogrammeerd en volmaakt uitgerust, voor hun leven. En daaromheen zitten de rovers die, eveneens instinctief, toekijken tot het uitkomen van de eieren begint. En daar komen zij dan: om te kunnen voortbestaan hebben zij het jonge goed nodig, en de meeste van deze gaan er aan. Eksters hebben een gelijke programmering en praktijk als in de tuin de eieren van de mussen en merels gaan uitkomen.





H4 §4.3 / 4.4 (1)

Brengen wij dit over naar de mensenwereld. Uit Het Parool, de economiepagina van 18-11-99:

“Er valt geld te verdienen aan tv kijkende peuters, kleuters en scholieren. Het amusements-kanaal Fox Kids wil concurrenten als Cartoon Network en Disney in Europe de pas afsnijden door versneld te groeien. Vandaag haalde Fox Kids op het Damrak een half miljard gulden op met nieuwe aandelen.”

Blijkbaar zijn er meer die er zo over denken. En verderop lezen wij:

“Er staat veel op het spel voor Fox Kids. De amusementsconcerns die er het beste in slagen kinderen al vanaf hun derde jaar aan zich te binden, zijn verzekerd van een trouwe miljoenen-schare. De kijkende peuters, kleuters en scholieren leveren veel geld op uit tv reclame. Zij vormen bovendien de lucratieve afzetmarkt voor knuffels, T-shirts, horloges en speelgoed van cartoonhelden als de Power Rangers, Inpector Gadget, New Adams Family en Spiderman.”
Kan het duidelijker, en je zou zeggen, kan het schaamtelozer? Voorbeelden genoeg: speelgoed, snoepgoed, “Haribo macht Kinder froh”, moet een snoepgoedfabrikant als reclameleus voeren, of hebben gevoerd. (H5 §3, over het het sociaal-culturele omgevingssegment)

Op een andere plaats vertelt een Amsterdamse beroepswerkloze zijn verhaal. Hoe hij er bewust voor kiest om van een uitkering te leven en zijn tijd te besteden aan vrijwilligersarbeid. Onderschat dit niet: zijn werkweek is lang. Hijzelf zal nu passen in de eerste of tweede positie op mijn schaal, maar het gaat mij thans om zijn motivering.

“Betaalde banen leveren soms zelfs asociale arbeid op”, zegt de Amsterdammer. “Zoals op de beursvloer. Die mensen schuiven met geld zonder dat ze ook maar iets waardevols produceren. Beurshandelaren zijn de ergste parasieten, niet de mensen met een uitkering. Al zullen er natuurlijk altijd mensen zijn die er anders over denken”

Nu heeft de zegsman daarin niet helemaal gelijk; de speculatieve handel heeft een principieel nuttige functie in het overnemen van risico’s. Daarvoor een beloning te ontvangen is moreel te rechtvaardigen. Niettemin, voor een groot deel is het windhandel, en de winst van de één is het verlies van de ander. De verliezers werken voor de winnaars. Wie een huis koopt met hypotheek als bron van finaniering, betaalt rente en aflossing uit lopende inkomsten. Werkt die niet voor de verkoper die zich verheugde in zijn zoete -speculatieve- winst?


Positie 5: De misdaad, chantage, roof; gebruiken zonder tegenprestatie

Laat dit voor zichzelf spreken. De drugshandel behoort formeel tot de misdadige actie. Maar liever zou ik het in de voorgaande categorie plaatsen: hoe je het ook wendt of keert, hij levert een prestatie, zij het tegen een exorbitante prijs. Maar of er meer dan een gradueel verschil is met de handel in het speelgoed, het snoepgoed, de amusementsbranche, valt te betwijfelen. Goed beschouwd valt deze positie zelfs buiten de schaal, het elkaar gebruiken past niet langer: slechts de één gebruikt de ander zoals de eigenaar de slaaf.




Wordt jij rendabel, kleine vriend?

Titel van een schilderij, Peter Tillberg, Zweden, uit 1946

Ver schijnt als illustratiein een betoog tegen de economisering en bureaucratisering van het onderwijs (NRC 6/7-02-10).

Kinderen kijken ons aan, zij het dat één meisje naar buiten zit te kijken.

Kinderen. Wat zij zij? Persoon in wording? Toekomstige consumenten?

Bruikbaar voor productie en verkoop?






H4 §4.3 / 4.4 (1)


1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina