§2: Grondslagen en uitingen §3: De filosofische grondslag



Dovnload 202.64 Kb.
Pagina3/4
Datum07.10.2016
Grootte202.64 Kb.
1   2   3   4


4.4 Vanuit de deugdenethiek

(1) Antieke en Christelijke bron

In het vierde hoofdstuk komt bij de paragraaf over bestuurders, en de eigenschappen die een mens tot een goed bestuurder zouden maken, de deugdenethiek aan de orde (H4 §7.10). Die is daar op zijn plaats, maar in eerste instantie toch hier. Niet alleen bestuurders beschikken in bepaalde mate over deugden. Een definitie:






Deugden zijn te zien als persoonlijkheidskenmerken

Er toe dienend:

richting te geven aan het oordelen, en aan keuzen


Bestaand uit:

een geesteshouding ten aanzien van een gedragsaspect


werkend door:

zich te uiten in handelingen en gedrag,

vanuit besef van verantwoordelijkheid.

en als voorbeeld, ter navolging


Met als bijzonder kenmerk dat naarmate deugden door meerderen worden na gevolgd en beoefend, zij tot kenmerk van cultuur zullen worden

Al heel lang is erover nagedacht; 2500 jaren zo ongeveer, want zo lang bestaat het wijsgerig denken. Het is vanuit die achtergrond dat de idee van de deugden ontstaan is. En daaromheen de deugdenethiek, omdat deugden staan voor wat goed is. Ofwel wat deugt. Het ging om eigenschappen die een man maakten tot een goed burger, eventueel tot bestuurder van de polis. Het verschil betekende niet zoveel, zeker niet in Athene, waar men als burger medebestuurder was, naar wiens stem geluisterd werd. Vanuit de Christelijke traditie zijn er deugden toegevoegd, dat zal hieronder blijken.


Persoonlijkheidskenmerken staat in de definitie. Persoonseigenschappen zou in dit geval synoniem daarmee zijn. Wij zullen dan vermogens op het oog hebben, of geneigdheden tot een handelwijze. Maar men kan ook stellen dat het gaat om die handelwijze, of dat gedrag als zodanig. Dat kan ook, en dan staan de persoonseigenschappen en de handelwijzen tot elkaar als oorzaak en gevolg.
Vanuit de antieke wereld zijn het er vier die wij kennen als kardinale deugden. Kardinaal is waar al het andere omheen ligt, en wat dient als baken, of punt van oriëntatie. Er zijn er natuurlijk meer te bedenken, onlangs konden wij daarvan lezen en dat komt verderop aan de orde, maar die zijn op de één of andere manier wel met de kardinale deugden te verbinden. De gedachte komt op aan de deugden als een soort morele grondwet.

De vier antieke deugden als eerste:


(1): Prudentia: wijsheid

Inhoudend het vermogen om bij het beslissen de gevolgen te overzien en te doordenken. Volgtijdelijk, zodat degenen die na ons komen er baat bij hebben, en gelijktijdelijk inzoverre anderen ermee te maken zullen krijgen. Nu kennen wij wijsheid en slimheid, en die worden vaak met elkaar vereenzelvigd, maar ze zijn verschillend . Verwant zijn ze echter wel, want ze ontstaan uit een gemeenschappelijke achtergrond. Wij komen er hierna op terug (§7.10 (5.5)).





H4 § 4.4 (1)


(2): Justitia: geneigdheid tot het goede, de eis van rechtvaardigheid

Dat is dat wij bij elke handeling, en dus bij de beslissing die daaraan voorafgaat, de belangen van de ander, of van alle anderen die erbij zijn betrokken, in acht nemen. Ieder het zijne of het hare, hetgeen overigens niet betekent dat ieder hetzelfde zou moeten toekomen.

Justitia heeft betrekking op rechtvaardigheid en rechtmatigheid. Laten wij rechtvaardigheid aanduiden als een gevoelen, individueel of collectief, aangaande zich voordoende kwesties.
Rechtmatigheid is het handelen in overeenstemming met rechtsverhoudingen. Daarbij hebben wij natuurlijk ook weer interpretatie nodig, maar die beweegt zich binnen engere grenzen.
Rechtvaardigheid heeft te maken met verdeling, van geld en goederen, en met behandeling. Handelen naar billijkheid zegt het woordenboek. Ook de wet verwijst hier en daar naar het billijkheid.
Rechtmatigheid van het gebruik van eigendommen die niet van onszelf zijn, maar van het bedrijf, de gemeente, het openbaar vervoer. Die zijn er om gebruikt te worden in de functie waarvoor ze zijn ingezet, en ten behoeve van degenen voor wie zij zijn bestemd. De term suggereert beschikbaarheid van een maat: in het recht gelegen.

De rechtmatigheid komt in organisatorische voorzieningen tot uiting in de administratieve organisatie, en de interne controle.


De eis van rechtvaardigheid is niet zo voor de hand liggend. In het leerstuk van het prisoners dilemma, samenwerken van egoisten (mag ik zeggen van schurken?) is voor rechtvaardigheid geen plaats. Slechts het eigen belang telt. Inderdaad, dit is het toneel van bedenkelijk moreel gehalte. Valsspelen als norm; tegen spelbreken geen bezwaar. Maar ook dat alleen onder de conditie dat de kans op ontdekken en straf kleiner is te achten dan het te behalen voordeel? En dieven moet je met dieven vangen zegt de volkswijsheid. Verwantschap met het helpen versus het gebruiken? Bij gebruiken: geen rechtvaardigheid, of rechtvaardigheid als minimum: niet de wetsregels overtreden?
Rechtvaardigheid en verdeling

Hierboven is het terloops genoemd, en het is de moeite waard er even bij stil te staan. Hoe moeten wij een rechtvaardige verdeling zien: dat iedereen hetzelfde toekomt? Of dat het gerechtvaardigd is dat mijn buurman meer heeft dan ik? En in welke mate dan wel? Het laatste lijkt het geval, in alle vormen van samenleving die wij kennen; volkomen gelijkheid lijkt een illusie, zij het dat wij het in sommige aspecten van de samenleving wel kennen: in de rechtsstaat heeft elke inwoner stemrecht, en ieder is voor de wet gelijk.


Voor het overige zijn eigendom, macht en zeggenschap in bepaalde mate ongelijk. Eerder ook gold in de antieke deugdopvatting het beginsel van "ieder het zijne". Wat dat dan inhoudt is een zaak van communis opinio. (H7 §4.2 (1) er zal ook hier wel een optimum liggen
Naar een nieuw soort gelijkheid”

NRC 6/7-12-03. Gelijkheid is een zwaarwegend beginsel in liberaal-democratische werkelijkheidsbeelden. Dat was hierboven, bij de sociale dimensies nog aan de orde. Maar als zodanig is het problematisch. Als is het maar omdat het niet aanstonds zeker is of wij die zoeken in de uitkomsten van beleid, of in de omstandigheden, van waaruit gelijkheid, maar dan ook ongelijkheid zich kunnen ontwikkelen. Gelijkheid in uitkomsten lijkt een illusie, zoals die idee van de Sovjetmens.

In een beschouwing over het beginsel van gelijkheid, in het politieke gebeuren min of meer tot dogma verworden, stelt R in’t Veld het falen van het daarop gebaseerde beleid aan de orde. Als een overwaardering van wat in feite toch een oversimplificatie is. De twijfel contentreert zich op vier punten: de kwaliteit van openbare voorzieningen, die mogelijk bij variëteit meer gebaat is dan bij eenvormigheid, het verschijnsel dat gelijke behandeling van mensen die sociale voorzieningen van node hebben, in een aantal gevallen strijdig is met algemeen heersende gevoelens van rechtvaardigheid, dan de

H4 § 4.4 (1)

omstandigheid dat eigen voorkeuren niet worden geaccepteerd in op gelijke behandeling berustende stelsels en het verschijnsel dat gelijkheid in voorzieningen toch een feitelijke ongelijkheid veroorzaakt; mensen met hogere inkomens profiteren meer dan anderen van algemeen geldende belastingmaatregelen.


(3): De fortitudo: eis van standvastigheid; met wendbaarheid als tegenpool

Dit is relevant vanwege het marginale karakter van zoveel beleidsbeslissingen. Hoe je de zaak ook wendt of keert, beide of alle opties lijken aantrekkelijk. In een populaire uiteenzetting over beslissen komt de aanbeveling voor dan een munt op te werpen en in feite arbitrair te beslissen.

Maar vervolgens ook wel daar consequent de hand aan houden. Maar, luidt de leerstelling: is het munt, dan dienen wij ons daaraan ook te houden.
(4) De temperantia: de eis van zelfbeheersing, matiging, soberheid, met impulsiviteit en exuberantie als tegenpool

“Matiging is de kern van de antieke wijsheid” (Sperna Weiland, “De Mens” etc., pag 175). Niet alleen van daaruit: het Boeddhisme kent het edele achtvoudige pad, dat van het juiste denken, het juiste spreken, het juiste handelen, en nog meer (H8 §2.1). Het gaat er steeds om wat dat juiste is en dat ligt ergens tussen de uitersten in. Nemen wij Aristoteles’ Ethica ter hand dan gaat het daar met grote nadruk om het zoeken van de middenpositie: “Praktische adviezen om in het midden uit te komen” luidt de kop van een van de hoofdstukken (pag 71 in de vertaling van Pannier en Verhaghe)

Het midden zou voor het ondermemingsbeleid moeten liggen tussen vermetelheid, de doldrieste dadendrang, en lafheid, het niet durven aanvaarden van onzekerheid en risico. Op een alledaagser niveau hebben wij het over beheersing van kosten, een gedragslijn die het midden houdt van verspilling en krampachtige zuinigheid die de wijsheid bedriegt. De gedachte van het midden, met de verwording die door extrema wordt opgeroepen komt verderop terug, waar het gaat over wijsheid en slimheid.
Merk overigens op dat de temperantia in zoverre van een wat andere orde is, dat die ook op de drie voorgaande zou zijn te betrekken. Wat goed is aan fortitudo is niet een maximum, en het minimum is niet slecht: het is de juiste maat die telt, waarmee het niet gemakkelijker wordt.

Tot zover de vier antieke deugden, ofwel kardinale deugden. Vanuit de Christelijke traditie zijn er drie aan toegevoegd, die iedereen wel zal kennen, en die op ons terrein van beschouwing hun relevantie ten volle bezitten:


Het optimum een nakomeling van de filosofische middenpositie?

Op vele punten verschijnt in de collegebrieven de idee van een optimum, ergens liggens tussen twee uitersten in, en in de meeste gevallen volgt de stelling dat zo'n optimum niet valt te berekenen, maar dat wij de positie ervan profondervindelijk moeten ervaren. Het is niet anders. Maar hier gaat het om de herkenning en het zien van de verwantschap. Een laat 19e eeuwse nakomeling uit de school van de Oostenrijkse economen lijkt het te zijn.


(5) Het geloof

We all believe in the project, don’t we?” horen wij Dave Davies zeggen, in een verfilmde versie van In Search of excellence. Davies was toen ter tijde projectleider bij 3-M, en het ging om een schijf die als informatiedrager in computers zou zijn in te bouwen. Intussen is dat technisch achterhaald, maar wat wij zien is een man die handelt en spreekt vanuit overtuiging. Hij gelooft in zijn project.

I had a dream”, was de rethorische aanhef van Martin Luther Kings rede, die een visie bevatte op een betere samenleving.
Geloof heeft een ruimere betekenis dan waar het de religie aangaat. Wij kunnen het zien als een bron van inspiratie, daarmee van motivatie, die een mens brengt tot consequente inzet van zijn vermogens, voor de goede zaak. Althans voor wat de persoon als zodanig ziet. Het is niet zonder gevaar, dat heeft de geschiedenis voldoende geleerd, maar laten wij de prudentie en de

H4 § 4.4 (1)

temperantia ook niet vergeten. Geloof in het bedrijf, in het product, in het nut waarop de actie gericht is, dat is wat voor ons telt. En waar zijn wij dan aangeland? Bij visie, geseculariseerd geloof.


Geloof en visie

Om te recapituleren: de visie, een puur subjectieve keuze, mogelijk een wijsgerige of religieuze keuze zal betrekking moeten hebben op de eigen posities, op het product of de dienst, op het bedrijf, en op de plaats die dit inneemt in de samenleving. Concentrische kringen zijn dit. En tevens is de formulering strikt neutraal. William Booth had een visie, Bin Laden heeft die ook.


Een visie, ofwel een zienswijze moet altijd op iets betrekking hebben. Op wat dan wel? Voor ons lijken de volgende relevant, gerangschikt in de bedoelde concentrische kringen:

1: op het werk, de eigen positie in het bedrijf

2: op het product of de dienst waarmee het bedrijf zijn plaats onder de zon moet rechtvaardigen

3: op de positie van bestuurder: wat de verplichtingen en de rechten moeten zijn, de opvattingen over goed gedrag, ofwel de mate waarin de deugden aanwezig moeten zijn

4: op de samenleving en op de plaats van het soort bedrijf daarin, door bedrijfsprestaties te realiseren.
En de visie zal worden gesteund door een bepaalde mate van geloof in de juistheid ervan.
Visie en visioen

Waar komt de visie vandaan? Vanuit de levenservaring, vanuit de omgeving, vanuit studie. Soms vanuit een geconcentreerde niet nader te verklaren idee die zich in het brein openbaart. Men kent de geschiedenis van Keizer Constantijn, die in een intens doorleefde droom de boodschap leek te horen dat het Christendom de redding voor het Romeinse Rijk zou betekenen - het verval was al flink voortgeschreden. “Onder dit teken zult gij ten strijde trekken!” . Althans, zo luidt de overlevering, waarschijnlijk was de werkelijkheid nuchterder want Constantijn was een koele Realpolitiker.


Geloof en vertrouwen

Vertrouwen mag gelden als een grondslag van bedrijfscultuur: de mate waarin het klimaat daardoor wordt gekenmerkt. Onderling vertrouwen, en vertrouwen vanuit de individuele persoon naar het geheel: het bedrijf, in het bijzonder de bestuurders.

Wij zullen het zo kunnen zien dat vertrouwen de seculiere uitingsvorm is van geloof. Zie maar naar twee benamingen waarin het fides voorkomt. De eerste is fides et ratio: de titel van een pauselijke encycliek, handelend over de verhouding van geloof tot rede. De tweede is mutua fides, de naam van een Groningse studentenvereniging: onderling of wederzijds vertrouwen als grondslag. Geloof in het ene geval, vertrouwen in het andere. De wezenskern van beide begrippen ligt in het a priori aanvaarden van de ander, resp van de boodschap van anderen, ook al komt die van veraf.

Vertrouwen, zo leerden wij ooit, is een onontkoombare voorwaarde voor handel. Het zal nog steeds wel zo zijn, in het bankbedrijf a fortiori. De credietcrisis, najaar 2008, is een vertrouwenscrisis. Het etymologisch woordenboek geeft het credere, d.i. geloven zowel als vertrouwen, als woordstam voor crediet, zowel als voor het credo, de geloofsbelijdenis. "Het crediet van het credo" luidt de titel van een boek over de plaats van de religie in de seculiere samenleving. (Ger Groot, 2006)

Intussen is er ook die andere stelling, dat vertrouwen goed is maar controle beter. Wij zullen beide nodig hebben. Wellicht zal het onderling vertrouwen gebaat zijn bij het besef dat er altijd controle kan plaatsvinden.

Geert Mak (Raiffeisenlezing, 31-03-04) signaleert een afnemen van vertrouwen als algemeen kenmerk van de samenleving. Wantrouwen en vrees voor misdrijf nemen de plaats in. Als zodanig onmiskenbaar verschijnselen van degeneratie. Een samenlevingskenmerk waaraan de interne organisatie moeilijk zal kunnen ontkomen.





H4 §4.4 (1) / (2)


Verwijzingen:

Er lopen verbindingslijnen naar de twee andere hoofd-deelsystemen van interne organisatie.

Waar het gaat over inrichting van bedrijfsprocessen: H2 §8.4, bij control en controle

Waar het gaat over de organisatiestructuur: H3 §6.3 (2), controletechnische functiescheidingen, als structuurbeginsel. Over wantrouwen: H4 §5.12 (4)


(6) De hoop

Hoop heeft te maken met de toekomst. Hoop is het vertrouwen dat wij hebben in wat er gaat komen, en in de mate waarin wij datgene zullen kunnen verwezenlijken van wat ons voor ogen

staat. De hoop heeft men wel aangeduid als kracht, die wij kunnen gebruiken om de toekomst onder ogen te kunnen zien, en ook tot op zekere hoogte vorm te geven. Dagdromen mag aan het begin ervan liggen. (CJ Zwart, De strategie van de hoop). Alsof overigens de dagdromen niet kwaadaardig zouden kunnen zijn.

Hoop heeft een tegenhanger en dat is vrees, en het gemeenschappelijke van beide is de onzekerheid. Hoop en vrees vormen als het ware debet- en creditposities op een balans, en het is te hopen dat het saldo positief is. Hoop zal door geloof in de zaak worden gevoed en versterkt, en daarin ligt tevens een gevaar. Namelijk dat het geloof de twijfel doet verdwijnen, en de hoop plaats maakt voor zekerheid, die aangezien het gaat om dingen die er nog niet zijn, leidt tot onuitstaanbare waanwijsheid, zo niet erger. Maar ongeloof doet de vrees toenemen, tot wanhoop, verwant met de angst die eerder aan de orde was (§6.12 (1)) en er ontstaat een negatief saldo. Geen beste situatie voor wie dan ook maar in het bijzonder voor het besturen.


(7): De liefde

Liefde, jazeker. Voor het vak dat men beoefent. Voor het bedrijf, als sociale eenheid met een naam en een reputatie. Mensenliefde in het geval van de verzorgende beroepen. Naastenliefde als het gaat om menselijke verhoudingen. Wij zullen het nog tegenkomen: als intrinsieke motivatie (§6.9) leidend tot toewijding tot de zaak zelf, en aan de dingen die ons zijn toevertrouwd. Ook liefde heeft een tegenhanger, en dat is niet zozeer de haat, maar eerder de onverschilligheid. Onverschilligheid voor

dezelfde zaken als zoeven genoemd: het werk, de klant, het bedrijf, en ook voor de apparatuur, of het gereedschap.
Liefdeloosheid

Wat een tegenstelling tussen de man van wie sprake was in §1.3 en diens zorg voor zijn gereedschap, en de operator van de NOS die een kostbare camera achteloos in het zand liet liggen, hetgeen bepaald niet bevorderlijk is voor de conditie van zo’n apparaat. Dat laatste kwam in een ander interview ter sprake.


Er blijft dan meestal wel een karikatuur van liefde over, dat wel. Maar dat is de eigenliefde waarover wij maar al te vaak moeten horen en lezen.

Ook de Christelijke deugden hebben het karakter van kardinale deugden. Er zijn dus ook andere, die wij toch als belangrijke kenmerken zien van het Christendom, zoals de zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid. Dat die op sommige plaatsen zelfs in het Nieuwe Testament ver verwijderd lijken te zijn is een andere zaak.


4.4 (2) Waarden, of deugden

(1) Superioriteit van deugdenethiek?

In de Groene Amsterdammer, 17-07-04 verschijnt onder “Deugden en zonden” een interview met drie wetenschapsbeoefenaren, waarin een pleidooi voor herwaardering van de oude deugdenethiek, als voortzetting van het huidige maatschappelijk debat over normen en waarden.

Aan de gedachtenwisseling daarover zouden bezwaren kleven. Er verschenen er vijf:

H4 §4.4 (2)

Als eerste: Een norm zou negatief van aard zijn, dus het karakter hebben van een verbodsbepaling.

Nu is daar wel wat op af te dingen want elke regel is zowel in positieve als in negatieve zin te formuleren zoals het glas dat half leeg is maar toch ook weer half vol. Wel zal het zo zijn dat wij meestal door onaangename ervaringen worden geconfronteerd met manco’s in het normbesef. Het goede gedrag valt nu eenmaal niet zo op.
Als tweede: Een norm zou leiden tot een wel-of-niet oordeel, zonder ruimte voor interpretatie.

Dit is niet geheel waar. Kijk maar naar de rechtspraak en naar de belastingheffing. En in het maatschappelijk gebeuren zijn er ook nog toleranties. Die komen hierna nog aan de orde, bij (3).


Als derde: Daarentegen zouden waarden zo breed zijn aangeduid dat er juist een teveel aan persoonlijke opvatting in te leggen is.

Dat lijkt wel juist, maar van de deugden kan men hetzelfde opmerken. Is een deugd als de justitia enger en ondubbelzinnger geformuleerd dan een waarde als bijvoorbeeld respect?


Andreas Kinneging merkt ergens op (Geografie van goed en kwaad) dat de kern van de Justitia gestaan moet hebben boven de toegangspoort van één van de beruchte concentratiekampen. "Jeder das Seine" heette het dar, zoals het "Arbeit macht frei" in Auschwitz.
Als vierde: Waarden en normen zijn blijkbaar denkbeelden die in de praktijk des levens ver van elkaar verwijderd zijn. Zolang het gaat over beginselen, als respect, of tolerantie, dan zullen blijkens onder zoek verreweg de meesten zich daarin kunnen vinden, gemakkelijk genoeg. Waarden kan men aantreffen in mission statements (H2 §9.12 (1)), zonder uitzondering nobel van aard, maar in hoeverre het praktisch handelen daarop is afgestemd blijft een vraag. In een aantal gevallen is het duidelijk niet zo.
Waar normen in wettelijke regels zijn vastgelegd ziet het er met de naleving niet zo best uit, en de controle daarop schiet tekort. Als reactie zien wij verscherping van het toezicht, en explicitering van de regels zelf.
Als vijfde: Opvallend is vervolgens dat de meesten ook van mening zijn dat het anderen zijn die de normen niet in acht nemen. Inderdaad, wie zou er tegen respect zijn? Maar voor alles zullen anderen mij moeten respecteren.

(Interviews met de hoogleraren Paul van Tongeren, István Bejczy en Selma Sevenhuysen)


(2) Andere bijdragen

JP Tjepkema, theoloog en student psychologie, vestigt (NRC 20-11-04) de aandacht op drie deugden, in hun gedaante van persoonseigenschappen, die juist in onze tijd kunnen dienen het handelen te richten op datgene dat de samenleving voorstaat.

1: De zelfkennis, inzicht in de eigen mogelijkheden, drijfveren, en de geneigdheden tot goed of kwaad.

2: De neiging te overdenken wat gevolgen zullen zijn van het eigen handelen

3: De neiging om voorgenomen handelen te overdenken, nog voordat het handelen plaatsheeft.

Drie deugden waarvan de tweede ondubbelzinnig is te herkennen als de prudentia, maar de andere twee passen daarbij, als om de kardinale deugd van prudentia heenliggend.


(3) Apatheia en tolerancia, mogelijk nieuwe deugden?

In dezelfde krant pleit F Broekman (oud-hoofddocent algemene economie) voor de apatheia, ofwel actieve apatheia, zijnde een geesteshouding die opgewassen is tegen de massa van externe prikkels en opgedrongen emoties. Dus ook tegen de manipulatie en de indoctrinatie die ons dagelijks bedreigen. Apatheia is te beoefenen, met het nemen van tijd en rust als voorname voorwaarde (H8 §8.5, de rustkuur als interventiemethode). Mogelijk zou apatheia in een uiterste consequentie in ascese kunnen overgaan.



H4 §4.4 (2)



Actieve apatheia: waarom dat uitdrukkelijke adjectief? Omdat er ook een passieve vorm is, en die kennen wij als apathie, natuurlijk hetzelfde woord. Maar dat heeft een ongunstige betekenis: als één van de gedragapatronen die door frustratie worden opgeroepen, als afweerreactie, en die daar de betekenis verkrijgt van psychisch onvermogen, een ziektebeeld.
Terug naar het interview in de Groene Amsterdammer. De deugden als zodanig komen daarin niet uitdrukkelijk aan de orde, maar wel zou er aanleiding zijn om aan de kardinale deugden er één toe te voegen: die van de tolerancia, vanwege de verscheidenheid aan levensstijlen en opvattingen waarmee wij heden ten dage worden geconfronteerd. Verscheidenheid was er

eerder ook, maar het is de techniek van de massamedia die ons er thans meer mee confronteert dan ooit.

Nieuwe deugden? Met enige goede wil zou men ze wel kunnen plaatsen rondom de kardinale deugden, de apatheia als passend bij temperantia, als vorm van matiging en zelfbeheersing, en de tolerancia bij de justitia, want de tolerantie houdt in dat men elk het zijne dient te laten. Maar het heeft zijn nut om als het tijdsgewricht daartoe aanleiding geeft, juist die meer bijzondere vormen, om de kardinale heenliggend, in het bijzonder naar voren te halen. Dit geldt voor alle andere deugden die in de commentaren verschijnen.
Ook aangaande tolerantie zullen wij kunnen denken in een schaal, gaand van miminaal naar maximaal: aan het ene uiteinde ligt de onverdraagzaamheid, aan het andere de onverschilligheid. Beide zullen ons opbreken.
Geen tolerantie zonder norm

Toleranties kwamen eerder aan de orde, en wel in het tweede hoofdstuk waar het ging over procesbesturing (H2 §8.3 (2)). Daar kwam tolerantie vanzelf naar voren: in het technisch gebeuren is werkelijke exactheid niet bereikbaar, op zijn hoogst kunnen de toleranties om een normwaarde heen uiterst klein zijn.


In de maarschappelijke context ligt dat niet principieel anders. Ieder die op de een of andere manier te maken heeft met toezicht en leiding weet dat het altijd een kwestie is van overwegen of het moment van ingrijpen daar is. Wat wij waarnemen kan zich nog net

bevinden in de zone van tolerantie, of niet niet meer. Maar vanuit welke achtergrond is dat dan te beoordelen? Hoe dan ook vanuit iets dat wij zelf wenselijk achten: oftewel als norm stellen. En ook hier zijn er die twee grondslagen: de één wat de praktijk gewoonlijk laat zien, en het andere wat wij als ideaalbeeld met ons dragen.

Technische toleranties zijn er ook, zoals ieder van ons ervaart als er een bekeuring binnenkomt vanwege de snelheidslimiet. De controlerende meter staat niet precies op die 50 kilometer, maar er is een meetcorrectie ingebouwd.

Hoe dan ook: zonder een norm is tolerantie een zinledig begrip.


Tolerantie en verdraagzaamheid

Zoals op zovele plaatsen hebben wij twee termen ter beschikking. Naast tolerantie, van Latijnse oorsprong, het verdraagzaamheid, Germaans van afkomst. Synoniemen? Er lijkt een mogelijk gering verschil in gevoelswaarde, waarbij de verdraagzaamheid meer bevat van zachtmoedigheid. En onverdraagzaam klinkt aanstonds onsympathiek


Van persoon naar collectief, en vice versa

Waarden zijn verderop gedefinieerd (§5.3 over bedrijfscultuur) als levensomstandigheden die in meerdere of mindere mate zijn te waarderen. Levensomstandigheden: wat om ons heen ligt, en niet in de persoon gelegen is.

Maar het waardeoordeel erover is dat wel. In een gemeenschap zullen die persoonlijke waardeoordelen een bepaalde mate van overeenkomst mogen vertonen, dan wordt het cultuur.


H4 §4.4 (2)

Normen zijn dan de regels waaraan wij ons dienen te houden, al dan niet met toleranties eromheen liggend en mogelijk in wetten vastgelegd. Primair collectief, officieel vastgesteld of in de praktijk van het samenleven gegroeid. Dit laat echter de gedachte onverlet dat ieder van ons zijn eigen normen kan vaststellen en koesteren. Gewoonten mag het dan ook heten. Zij uiten zich in de levensstijl.


(4) Kleine deugden

“Wees precies, vindingrijk en speels” luidde de titel van een bijdrage van Kees Schuyt, socioloog, hoogleraar in Amsterdam, (NRC 1/2-11-03) over zedelijk houvast. Dertien praktische deugden worden voorgesteld, in het dagelijks leven te beoefenen, tevens als voorbeeld voor anderen, vooral voor diegenen die wij nog moeten opvoeden.

Het lijkt gemakkelijk en voor de hand liggend. Bij elk ervan zou de vraag passen wie daar nu tegen kan zijn. Maar de clou zit in iets anders en dat wordt duidelijk als men bedenkt dat ze tot stand gekomen zijn in de bizarst denkbare omstandigheden: Auschwitz. Schuyt baseert zich hier op werk van Primo Levi, Italiaans auteur en natuurwetenschapsbeoefenaar die zijn levenservaringen en zijn overlevingsstrategie te boek gesteld heeft.

(beschreven door RS Gordon, In Primo Levi’s ordinary Virtues etc, 2001)


Hier volgen ze, geordend volgens het artikel, in vier groepen, waarvan de benamingen - ethisch, praktisch, etc - uit het artikel zijn overgenomen. De nummering loopt door zodat wij op dertien uitkomen:
Ten eerste zijn er vier ethische deugden:

(1) Het goed kijken en nauwkeurig observeren. Luisteren dus ook. Onbevangen, en zonder vooroordelen, zoals verderop ter sprake komt bij kenmerken van geestelijke volwasssenheid (§6.13)

(2) Zorgvuldigheid en nauwkeurigheid in het taalgebruik, en ook een besef van wanneer het beter is te zwijgen. “Slordige en vuile taal beledigt en maakt de weg vrij voor geweld”. Let wel, dit verscheen een jaar voor de moord op de cineast Van Gogh, om het leven gebracht door een fanatieke Moslim.

(3) Herinneringen en ervaringen goed vast te houden in het geheugen. Ook al opdat het naderhand op schrift te stellen zal zijn. De persoonlijke levenservaring is immers een potentiële bron van wijsheid, en op het niveau van de samenleving is dat de kennis van de geschiedenis.

(4) De vindingrijkheid: die een mens in staat kan stellen ook met minimale middelen te voorzien in behoeften, mogelijk zelfs om in leven te blijven

Ten tweede vier praktische deugden

(5) Een gevoel voor maat en grens, en Schuyt merkt hierbij op dat dit van de dertien de meest verwante is met de temperantia uit de antieke deugdenleer, van waaruit men voortdurend het belang benadrukte van het vinden en het bewaren van evenwicht.

(6) Een geneigdheid tot proberen, en experimenteren, met het besef dat het kan mislukken, maar dat je daarvan dan evengoed zult leren. Een aanvaarding van onzekerheid van uitkomsten

(7) Een geneigdheid de dingen te zien in de juiste verhouding tot de omstandigheden, ofwel in het juiste perspectief. Ook ze herhaaldelijk opnieuw te bezien, omdat eerdere oordelen wellicht herziening behoeven.

(8) Een houding van soepelheid ten aanzien van veranderende omstandigheden, het aanpassings-vermogen, en een vermogen tot scheppend ordenen


Ten derde zijn er drie sociale deugden:

(9) Een geneigdheid om een beroep te doen op wat ieder van ons weet, althans kan weten, mogelijk ook behoort te weten, “omdat het bij het menszijn behoort”. Het artikel specificeert dit niet nader: zou het gaan om een besef van het lot, en de noodzaak van aanvaarding van wat niet te ontgaan is?

(10) “Vriendschap” komt uitdrukkelijk ter sprake, als behorend tot het common sense - zo heet het in de tekst. Het common mag ook duiden op het communale: te beseffen wat

H4 §4.4 (2)

gemeenschappelijk is. Vriendschap is verwant met naastenliefde, mogelijk als een wat gematigder vorm daarvan te zien.

"Als het voor jou nodig is dat ik er ben, dan zal ik er zijn" valt te lezen in Het Dikke Ik (Harry Kunneman) Het noge gelden als beginsel voor naastenliefde zowel als voor vriendschap.

(11) De geneigdheid en bereidheid tot vertellen. Verhalen vertellen die troost en richting kunnen bieden, zoals de mythen dat een groot deel van de beschavingsgeschiedenis gedaan

hebben. Op alle niveau’s: van het kinderverhaal tot de heilige boeken, al weet ieder van ons dat sprookjes net zo goed beangstigend kunnen zijn.

Op een andere plaats lees ik dat het in de omstandigheden van het concentratiekamp een weldaad was dat sommigen uit het geheugen verhalen uit de grote literatuur wisten te vertellen.


En tenslotte twee persoonlijke deugden:

(12) De humor, het vermogen - zei eens een oudcollega - om tegenslagen en moeilijkheden te integreren. Een ex-gevangene van het Japanse krijgsgevangenenkamp vertelt dat na enige tijd de Joodse gevangenen werden weggevoerd naar een speciaal kamp. Terstond verdwenen de talrijke moppen die eerder de ronde deden. En het leven werd minder draaglijk: daar heb je het, de humor versterkt het geestelijk incasseringsvermogen.

(13) De speelsheid, zijnde het genoegen om de dingen te doen om wat zij zijn, zonder achterliggende bedoelingen. Dit is het wezenskenmerk van het spel, in de zin van Huizinga’s Homo Ludens. Sport ook, zolang die niet betaald wordt.
Men mag enige twijfel hebben over de indeling, want het is allemaal ethiek aangezien het gaat over het handelen. En zijn de sociale deugden soms niet praktisch? Het doet er ook niet toe: de lijst is als zodanig van waarde en de indeling vergemakkelijkt het onthouden.
Maar zijn het deugden? Voor een deel zijn het tevens en onmiskenbaar vermogens - taalvaardigheid, geheugen en andere,en die zijn ten dele wel door oefening te verkrijgen maar ten dele zijn ze aangeboren.

In een bijdrage aan de normen/waardendiscussie noemt Beatrijs Ritsema (NRC 20-11-03) het persoonsgebondene een zwakke plek in de deugdenethiek. Zouden minder begaafden ook per definitie minder deugzame mensen moeten zijn? Nee, natuurlijk. En zwakbegaafden? Ook niet. Al hangt het er vanaf waarvoor die deugdzaamheid dan wel zou moeten gelden.


(5) Deugden volgens Prof. Paul Frissen, over bestuur en bestuurders

NRC 12/13-12-09,

"Gevaar verplicht. Over de noodzaak van aristocratische politiek.

Prof Paul Frissen, decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar bestuur in Den Haag, hoogleraar bestuurskunde en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling schrijft vanwege het nieuwe boek over eisen die redelijkerwijs zijn te stellen aan het bestuur en aan bestuurders.

Relevant voor deze paragraaf is hier de notie van deugden als uitgangspunt voor het denken over eigenschappen van personen in besturende posities, en darmee ook van hun handelwijze.

Er verschijnen er zes, waarvan de eerste past in de reeks van anieke deugden. De overige zijn daar wel in te passen, of zij zijn meer of minder verwant met andere die hiervoor al aan de orde waren.

Zes dus:

- de prudentia; In dit geval moet dit inhouden dat men de belangen van de staat en die van de burger in evenwicht zien te houden. In de bedrijfshuishouding is er een equivalente afweging, tot uiting komend in de politik-diplomatieke prestatie. "Prudentia lijkt op staatsmanschap" en eigenlijk is het goed bestuur. Kamerleden die comm entaar geven op rechterlijke beslissingen geven slechte voorbeelden.

- de proportionaliteit, in houdend het evenwicht tussen inzet van macht en evt geweld, en de zaak die het betreft. Dus ook niet te aarzelen als de zaak het wenselijk maakt. In het openbaar bestuur het al te lang tolereren van de praktijk van het kraken, in het bedrijf van het knoeien met declaraties. (Ref: het artikel over de Rotterdamse politiechef, case studies)

H4 §4.4 (2)



- de bescheidenheid, inhoudende het vermogen de totalitaire verleiding te weerstaan. "Ambitieuze bescheidenheid!". Een slecht voorbeeld is de illusie van maakbaarheid "die momenteel de gehele politieke klasse in haar greep heeft". Momenteel? Al veel eerder: de maakbare samenleving was een kernthema van ons landsbestuur in de jaren 60 en 70. (John Gray, Black Mass, over het Amerikaanse en Britse politieke denken, met George W Bush en Tony Blair als hoofdrolspelers)
- oordeelsvermogen: het vermogen om een uiterst samengestelde werkelijheid te reduceren zonder te simplificeren. Het besef dat waarheden in het maatschappelijk gebeuren nooit absoluut zullen zijn. Terughoudendheid waar veronderstellingen niet meer zijn dan zij zijn, en dus niet impliciet tot waarheid mogen worden verheven.
- tolerantie, of wel verdraagzaamheid zonder te vervallen in toegeeflijkheid. Het verdragen van datgene dat niet strookt met de eigen voorkeur en opvatting, maar dat toch een eigen waarde in zich draagt.

- kosmopolitisme, zijnde het besef van verdeeldheid en kennis van zulke delen, hun eigenschappen, historie, strevingen en meer. Een tegenpool ligt in provincialisme, of lokaalpatriottisme.
Opnieuw een driehoeksfiguur?

Wij hebben dus de posities van het individu en van het collectief, met deugden, waarden, en normen. Laten wij zien hoe die zich tot elkaar zullen verhouden. Wij kiezen het drietal als uitgangspunt, en dat wordt dus een driehoeksopstelling:

Eerste hoekpunt: deugden: primair persoonsgebonden, maar in het collectieve met voorbeeldwerking, mogelijk als inspriatiebron, leidend tot persoonlijke gedragsregels;
Tweede hoekpunt: waarden: weliswaar door de persoon gedragen, maar groeiend door interactie met de samenleving ofwel de cultuur, door algemeen geaccepteerde of verwaarloosde normen mede gevoed;

Derde hoekpunt: de normen. Primair collectief, aanvaard door de persoon, mogelijk aangevuld door eigen regels en gewoonten, vanuit beoefende deugden.


Geen deugden canon

Wat er hier nu in elk geval bijkt is dat er niet zoiets is als een canon van deugden. Er valt te improviseren, en vanuit levenservaring te selecteren of toe te voegen.


(5) Ondeugden en zonden

Dit zit er nu eenmaal in: het spreken over deugden mag niet voorbijgaan aan hun tegendeel. Zo zullen wij ondeugden kunnen benoemen, met het besef dat de term als zodanig eigenlijk niet meer deugt, want het suggereert het gedrag van een kind, dat nu juist de neiging heeft om te doen wat eigenlijk niet hoort maar wat toch een gevoelen van vertedering oproept. En de term zonde klinkt ook niet zo goed. Hoe dan ook, andere zijn er niet en wij zullen ze gebruiken. En wij kunnen volstaan met een opsomming, die niet zo moeilijk is te bedenken. Hetgeen ook weer te denken geeft.


Ondeugden zijn ernstig genoeg, want ze veroorzaken schade. Aan de samenleving, aan de ander, mogelijk ook aan de eigen ziel, voor wie daaraan geloof hecht. Wat te denken van de onbezonnenheid, of aan de besluiteloosheid vanwege de vele vermoede of gevreesde gevolgen? Of aan de roekeloosheid, de starheid, of de wispelturigheid? Of van de onrechtvaardigheid? Van de mateloosheid? Of juist de bekrompenheid?
Zonden zijn van andere herkomst en achtergrond. Ligt het bij de ondeugden zo dat iedereen behoort te beseffen dat je niet onmatig dient te zijn, niet onbezonnen etc, vanwege een besef van verantwoordelijkheid en een eigen morele standaard, achter de zonden staat de dreiging met straf, zij het dan in het hiernamaals. Voor wie daaraan geen geloof hecht is het zondebesef

H4 §4.4 (2) / §4.5

toch niet zonder betekenis: men kan ze zien als leefregels, normen zou je kunnen zeggen want ze geven aan wat je niet moet doen. Dit is tevens in overeenstemming met wat hiervoor van de normen werd gesteld. Het gaat niet aan om te veronderstellen dat in onze samenleving zonden tot deugden zijn verheven omdat zij met overgave beoefend worden, en ook rijkelijk worden beloond (Groene, 17-07-04), hetgeen met hebzucht ook niet zo verwonderlijk lijkt. Het is de moeite waard om de lijst eens te overdenken, als deel uitmakend van een ethische grondslag.


Zeven hoofdzonden.

De lijst is in de zesde eeuw opgesteld, vanuit de Kerk natuurlijk. Blijkbaar ontstond in de toenmalige fase van ontwikkeling de behoefte daartoe:

1: De ijdele roem, de hoogmoed. IJdel, in de zin van ledigheid, een woord dat men in de nieuwe Bijbelvertaling in de plaats gesteld heeft van ijdelheid, wat er eerst stond. Zinledigheid zou je ook kunnen zeggen, roem die op schuim gebaseerd is en die beter populariteit zou kunnen heten. Eigenwaan is het ook, zelfoverschatting.

2: De afgunst, hetgeen wel duidelijk zal zijn, bewust gekweekt overigens, in de jaren 60 tot 80 door socialistische propaganda, daarna geleidelijk aan door reclame. Wie afgunstig is op de buurman zal willen kopen wat die bezit, en daarvoor desnoods lenen.

3: De wraakzucht, in onze samenleving niet dominant aanwezig is, maar die hier en daar de kop opsteekt als wij weer eens vernemen van een familiedrama. Bij onze immigranten uit Oosterse samenlevingen ligt dat anders: aanvaarding in de Turkse rechtpleging van het verschijnsel van eerwraak staat mogelijk toetreding tot de EU nog in de weg.

4: De droefheid. Dat doet vreemd aan. Zonde? In de ogen van de vroege Christenheid blijkbaar wel, en het zal wel gelegen zijn in een niet herkennen van de Blijde Boodschap.

5: De hebzucht, regelrecht in strijd met de leefregels van het vroege Christendom, waarin gemeenschappelijkheid, en het delen van bezit met anderen, vooral met de behoeftigen, hoog stond aangeschreven.

6: De vraatzucht, hetgeen wij mogen uitbreiden tot het verschijnsel van het psychotisch consumeren.

7: De wellust. Als hoofdzonde een uiting van de diepgaande antisexualiteit die het Christendom geleidelijk aan begon te doortrekken, maar die zijn oorsprong gehad zal hebben in veel oudere ascetische stromingen. Wij zullen overigens ook dit wel wat mogen veralgemenen: onbeperkt genieten, zoals de reclame ons toeroept, ook al heeft de reclametekst het over optimaal genieten. Niets optimaals aan: maximaal is het. Ook al strijdig met de antieke deugd van de temperantia.
In de zesde eeuw opgesteld, dit geheel, en heden ten dage van een onloochenbare actualiteit.



1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina