§2: Grondslagen en uitingen §3: De filosofische grondslag



Dovnload 238.39 Kb.
Pagina1/5
Datum25.07.2016
Grootte238.39 Kb.
  1   2   3   4   5

Collegebrieven Interne Organisatie


Hoofdstuk 4: Gedragsvraagstukken



§1: Menselijke factoren: onderwerp van organisatiekundige beschouwing?
§2: Grondslagen en uitingen
§3: De filosofische grondslag
§4: De ethische grondslag
§5: De culturele grondslag
§6: Uitingen in motivatie
§7: Uitingen in leiderschap
§8: Uitingen in communicatie
§9: Uitingen in groepscondities



§3: De filosofische grondslag.

Laatst herzien op 16-02-10




3.1: Werkelijkheidsbeelden, gesublimeerde vooroordelen

3.2: Wiens werkelijkheidsbeeld?

3.3: Model, werkelijkheidsbeeld en referentiekader

3.4: Vier primaire werkelijkheidsbeelden, varianten en karikaturen

3.4 (1) Het mythische werkelijkheidsbeeld

3.4 (2) Het materialistisch-natuurwetenschappelijk werkelijkheidsbeeld

3.4 (3) Het agnostisch werkelijkheidsbeeld

3.4 (4) Het realistisch-reactieve werkelijkheidsbeeld

3.4 (5) De werkelijkheid als systeem

3.5: Magie en mythe in het organisatorisch leven

3.6: Naast de vier primaire acht karikaturale werkelijkheidsbeelden

3.7: Zienswijze op plaats en functie

3.8: De sociale dimensie van werkelijkheidsbeelden: verticale versus horizontale gerichtheid

3.9: Organisatiebeelden

3.10: Een mensbeeld



3.1: Werkelijkheidsbeelden, gesublimeerde vooroordelen:

Als zodanig meen ik dit te moeten zien: dat de grondslag voor ons waarnemen, en oordelen wordt gevormd door een werkelijkheidsbeeld. Het zal geen filosofie zijn in de officiële betekenis, iets dat je zou kunnen studeren. Maar het is denken over de werkelijkheid, en ieder van ons filosofeert, zegt Karl Jaspers, door dat te doen en daarmee richting te geven aan het leven. Er zit hoe dan ook iets wijsgerigs in. Een werkelijkheidsbeeld dus, als uitgangspunt en filosofische grondslag. Eerst een definitie (volgende pagina)



H4 §3.1




Een werkelijkheidsbeeld:

Een geheel van vooroordelen over alle aspecten van de werkelijkheid die ons omringt


met als functie:

omstandigheden en gebeurtenissen te kunnen begrijpen en daarnaar te kunnen handelen


bestaand uit:

schema’s, modellen, beelden, verhalen en ervaringen, over de totale werkelijkheid, de mens, en de eigen positie: wereldbeeld, mensbeeld en zelfbeeld


werkend door:

herkenning, veronderstelling, interpretatie






Ons werkelijkheidsbeeld is de manier waarop wij als vanzelf de dingen en de gebeurtenissen bezien. Onbewust meestal, als vanzelfsprekend. Men zij erop bedacht: verschil in werkelijkheidsbeelden houdt in dat wat de één als vanzelfsprekend ziet, voor de ander even vanzelfsprekend buiten de horizon ligt. Over menselijke relaties gesproken... De inhoud en het karakter van relaties, de bereidheid en de motieven om relaties aan te gaan zullen het werkelijkheidsbeeld als één van de grondslagen hebben. Persoonlijkheid is een andere. Het gesublimeerd, in de ondertitel van de paragraaf moge inhouden dat dit geheel van vooroordelen een zekere samenhang zal vertonen, en een zeker abstractieniveau, mogelijk ook een onbewust ideaal: hoe alles zou moeten zijn.


Het lijkt zin te hebben het werkelijkheidsbeeld weer te zien als gevormd uit drie delen, toenemend in specificiteit, afnemend in algemeenheid, als in concentrische ringen. Als eerste, en meest algemene, een wereldbeeld, naar buiten gericht, aangaande de omgeving waarin iemand zich bevindt (let op dat “vinden”: je kiest het niet, het is “Geworfenheit”) . En dan een mensbeeld: hoe wij als vanzelfsprekend de medemensen zien, vanuit de mensenkennis die wij menen te hebben, en als derde een zelfbeeld: hoe wij ons zelf, onze eigen persoonlijkheid menen te moeten zien. Mogelijk is het mensbeeld een projectie van het zelfbeeld.
Over de relevantie van werkelijkheidsbeelden

Uit een interview met Gilles Quispel, cultuurhistoricus en -filosoof, auteur van “Valentinus de gnosticus en zijn Evangelie der Waarheid” (NRC 2/3 08 03), die op dit punt verwijst naar het werk van de Amerikaanse onderzoekster Elaine Pagel. Die stelde dat in de eerste eeuwen van onze jaartelling “de tegenstellingen tussen de gnostici en de orthodoxen nog werden versterkt doordat de organisatie van deze verschillende facties sterk verschilde. Wie geloofde in de ene god en de genade van boven, streefde naar een sterk gecentraliseerde en autoritaire kerk: de katholieke. En de meer anarchistisch angehauchte gnostici, met hun nadruk op eigen ervaring, keerden zich juist tegen die drang van bovenaf.” (Er staat drang; mogelijk een typefout; mij lijkt het woord dwang beter in de redenering te passen).

Maar waar het om gaat is de organisatiekundige relevantie van dit deel van een gesprek dat over zo geheel andere dingen gaat. Wat zien wij hier immers: een rechtstreekse verbindingslijn van de werkelijkheidsopvatting en een organisatievorm. In ons begrippenstelsel zou die lijn enigszins verder gespecificeerd zijn te plaatsen als lopend vanuit de filosofische grondslag, dat werkelijkheidsbeeld immers, naar de culturele, en vandaaruit naar de structuur, hoofd-deelsysteem van de interne organisatie. En daarin tevens de onderscheiding van die twee

hoofdkenmerken: het mechanistische versus het organische.




H4 §3.1 / §3.3

Overigens liggen de begrippen werkelijkheidsbeeld en wereldbeeld vlak bij elkaar, en wij zullen beide termen gebruiken, waar dat in de loop van de uiteenzetting het beste uitkomt.

Wij zullen alle drie de deelbegrippen enigszins nader bezien, maar eerst is er een andere kwestie.
3.2: Wiens werkelijkheidsbeeld?

Ieder draagt zijn of haar voorstelling van de werkelijkheid mee. Zou er nu reden zijn om van een overheersend werkelijkheidsbeeld te mogen spreken, dat het klimaat in het bedrijf, in zijn personele huishouding, bepaalt? Het zal wel; de veronderstelling lijkt plausibel en hij komt verderop ook tot uiting in de definitie van bedrijfscultuur als zijnde het dominante geestelijke klimaat, zoals eerder het mythische werkelijkheidsbeeld dat voor samenlevingen in hun geheel was, en het theïstische dat nog is, wij ervaren dat heden ten dage weer meer dan tot voor kort.


Maar in het bedrijf: zou het niet zo liggen dat het die dominante coalities zijn, die eerder verschenen waar het ging om doelstellingen, de keuze daarvan, de forrmulering? Dominante coalities: samenwerkende personen, die elkaar vinden juist op het terrein van gemeenschappelijke opvattingen, van daaruit samenwerken en invloed uitoefenen. En indien het geen coalitie is, dan toch zal een overheersende bestuurder, in zijn rol van leider, die invloed uitoefent (§5.8 over maakbaarheid van bedrijfscultuur).
Er is enige aanwijzing, mogelijk bevestiging daarvan in het werk van M Kets De Vries. In “De neurotische organisatie” verschijnen vijf typen van bedrijfsculturen - al gebruikt hij die term niet - die alle als ziektebeelden worden voorgesteld, het “neurotisch” in de titel bevat al die suggestie. Zij komen verderop (§5 over cultuur) aan de orde, maar hier is relevant dat zij ontstaan door de invloed van een heerser, een dominante leidersfiguur. Is die depressief, dan zal het gehele bedrijf depressief worden, is die paranoïde, dan wordt het bedrijf dat op den duur ook. Etc. etc.

En wie daar niet in past? Die zal zich ongelukkig voelen, of miskend, zal misschien geestverwanten vinden, maar er zullen zich toch psychische verschijnselen voordoen - frustratie? - die niet gunstig zijn.


Wiens werkelijkheidsbeeld? Het lijkt op dit punt nuttig het beeld nogeens op te halen dat in het tweede hoofdstuk verscheen waar de verwante kwestie aan de orde was. Het ging daar om doelstellingen, en de gedachte was dat die tot stand zouden komen langs de weg van een psychisch fusieproces: het bedrijf, thans kunnen wij zeggen de bestuurders, en de anderen, zullen in een (dialogische?) toenadering doen ontstaan wat in het algemeen zal gelden als de bedrijfs-doelstellingen (H2 §9.5). Zou het met de werkelijkheidsbeelden, en met de ethische grondslag die verderop aan de orde komt, niet op een soortgelijke wijze te zien zijn? Toenadering, maar zelden of nooit een volledige fusie?
3.3: Model, werkelijkheidsbeeld en referentiekader

Eerder opperde ik de veronderstelling dat je een werkelijkheidsbeeld kunt zien als een model, in de zin waarin ik dat toen definieerde (H1 §3.1 (2)). Hier dan enige herhaling, om dat terugzoeken te vermijden. Een model dient - onder meer - als hulpmiddel voor herkennen en ordenen. Het werkelijkheidsbeeld doet dat ook. Wat is het verschil? Mogelijk zijn het er twee: ten eerste het verschil tussen het algemene, het werkelijkheidsbeeld omvat in principe alles, en het specifieke, een model heeft op iets bijzonders betrekking. En ten tweede de mate waarin een model bewust is opgebouwd en uitgewerkt - een “somewhat lesser order of theory” - en een werkelijkheidsbeeld groeit in de loop van een mensenleven.

Maar nu is er een ander begrip dat met beide eveneens verwant lijkt, en dat is het referentiekader. Ook dat is algemeen, verwant dus met het werkelijkheidsbeeld, mogelijk meer bestaand uit kennis, door opleiding verkregen, maar niet uitsluitend, in elk geval beinvloed en gekleurd door persoonlijke levenservaring. Je zou referentiekader kunnen aanduiden als het repertoire van

theorieën, modellen, denkbeelden, begrippen die iemand ter beschikking staan. Nu was eerder het onderscheid aan de orde van het bewuste vs het niet-bewust weten (Proloog 7). Het referentiekader zou passen in het eerste, het werkelijkheidsbeeld zou dan beide omvatten, als het ruimere begrip van de twee.



H4 §3.3 / 3.4 (1)


Badinerend gedroomde werkelijkheidsbeelden

In Emil Ludwig’s Goethe-biografie vind ik (op pag 14) de volgende beschouwing, door Goethe als zestienjarige geschreven. Ieder zijn eigen voorstelling, zou dat er in zijn te herkennen?


'Dieses ist das Bild der Welt

'die man für die beste hält:

'fast wie eine Mördergrube

'fast wie eines Burschens Stube

'fast so wie ein Opernhaus,

'fast wie ein Magisterschmaus (smulpartij)

'fast wie Köpfe von Poeten,

'fast wie schöne Raritäten

'fast wie abgehatztes Geld (“abgehatzt” komt niet in mijn woordenboek voor; geld dat verdwenen is?)

"sieht sie aus, die beste Welt


De beste wereld, “wie eine Mördergrube ... ? Wie zou daar raad mee weten? Voor het overige is het gedichtje mogelijk zo op te vatten dat er zijn die de wereld zien als een jongenskamer, waar je speelt, rommel maakt, anderen zien hem als een theater, etc etc. Dat zou aansluiting kunnen geven op wat ik hierna voorstel als karikaturale wereld- cq werkelijkheidsbeelden.
3.4: Vier primaire werkelijkheidsbeelden, varianten en karikaturen

Er zijn vele werkelijkheidsbeelden, en uiteindelijk zullen er zoveel zijn als er mensen bestaan, en van een grote grilligheid en verscheidenheid als van de natuur zelf. Er is in te ordenen, en laten wij trachten ze enigszins te typologiseren, en dus te styleren.

De gedachte is nu dat zij alle zullen zijn te groeperen rondom een beperkt aantal die wij zouden kunnen zien als primair, namelijk niet op andere te herleiden, en elkaar uitsluitend. Vandaaruit zal het patroon uitwaaieren, tot wij bij het individuele aankomen. Vanuit beginselen oftewel vanuit de idee, versus vanuit de levenservaring. WIj be zien eerst de primaire, verderop volgen de karikaturen.
3.4 (1) Het mythische werkelijkheidsbeeld

Het mythische houdt een aantal kenmerken in: dat de dingen zin hebben, dat de wereld bezield is, en dat krachten kunnen worden aangeroepen. Dat er een ordening is, door de natuur gegeven, of door de schepper bepaald. Dat de wereld ooit volmaakt was, en dat er ooit, lang gelden, iets grondig verkeerd gegaan is. Het mythisch werkelijkheidsbeeld is het uitgangspunt van religie en dus van theïstische werkelijkheidsbeelden.


Het mytische denken uit zich in beelden en verhalen. De verhalen zijn beeldend, en sommigen veronderstellen dat in een gespeelde voorstelling de oorsprong van de mythen zal hebben gelegen. Het zijn geen redeneringen, maar gelijkenissen waarin een denkbeeld, of een opvatting wordt vormgegeven. Het wilde denken, zo heeft men het wel genoemd, als contrast met het gedomesticeerde denken dat naderhand ontstond, als filosofie, en als wetenschap.
Kenmerken van het mythische werkelijkheidsbeeld, voor ons relevant:

- de wereld is van de Goden, mensen zijn door één van hen geschapen, lastig, getolereerd, een

enkeling is troetelkind;

- er is een ordening van hoog naar laag, van Goden naar letterlijk onderaardse zwoegers, Goden

kunnen naar willekeur straffen en belonen, hebben soms medelijden en zenden een afgezant naar

beneden, maar evengoed kunnen zij het menselijk bedrijf benutten als interessant, amusant, soms

spannend schouwspel;

- Goden zelf zijn onderworpen aan wetmatigheden, maar zij beschikken over uitzonderlijke

vermogens, kunnen naar believen wonderen verrichten

H4 §3.4 (1)

- ook zij zijn aan wetten onderworpen (wetten als een vorm van positief recht), maar de Goden die

hoger in de hierarchie staan kunnen die naar believen schenden, ook al hebben zij de wetten zelf

ingesteld

- misschien is er met de Goden te onderhandelen, dat is het terrein van de priester, de magiër, die

toegang heeft, en de taal weet te spreken


Theistische werkelijkheidsbeelden

Mythe gaat aan geloof vooraf, geloof doet godsdienst ontstaan, godsdienst kan leiden tot dogmatisme, en in uiterste conseqentie daarvan tot bezetenheid, wat men heden ten dage als fundamentalisme aanduidt. Godsdienstwaanzin heette het vroeger. Het kwaad van fundamentalisme zit niet in de fundamenten, maar in de betekenis die men daaraan toekent.


Theistische werkelijkheidsopvattingen

Wat het Jodendom, het Christendom en de Islam toch in elk geval met elkaar gemeen hebben is ongeveer dit. Er is een persoonlijk God, die zich openbaart, die handelt en toeziet, oordeelt, straft en beloont. De openbaring geschiedt op verschillende wijzen: in heilige boeken, in wonderen, in visioenen. Er is met deze ene persoonlijke God te communiceren, en sommige Godsdiensten schrijven dat gestreng voor. Polytheistische werkelijkheidsbeelden lijken het pleit al lang geleden te hebben verloren, maar onder de oppervlakte zijn zij mogelijk vitaler dan sommigen zouden willen.


Het is de werkelijkheid als voorportaal, tot het hiernamaals, en met het vooruitzicht dat je beoordeeld zult worden, op alles wat je hebt gedaan. Mogelijk ook tot iets dat in de toekomst gelegen is, een betere wereld waarvoor je je thans kunt inzetten. Relaties vanuit morele verplichtingen, ten opzichte van personen die je niet kent. Vanuit deze achtergrond is altijd in Nederland de sociale voorziening beter geweest dan in de omringende landen.
Organisatorische relevantie?

Voor ons zijn de monotheistische beelden het meest relevant, althans in het dagelijks leven, het privédomein en het sociale en publieke domein. Ook in bedrijfshuishoudingen? In sommige opzichten wel, en dan vanwege het soort huishouding.

Welke opzichten? In de aanwezigheid van symbolen, dat is in elk geval zichtbaar, al zijn het er niet veel: de kruisbeelden in het katholieke ziekenhuis, de klaarliggende bijbels. Er is commotie over de hoofddoekjes van de Islamitische vrouwen, maar dat is geen organisatorisch symbool. “In the name of God” las ik bovenaan diploma’s van asylzoekende studenten die deze aan Iraanse Universiteiten hadden behaald. De vaderlijk-gestrenge gelaatstrekken van Karl Marx in de Oosteuropese openbare gebouwen van voor 1990 zijn weliswaar niet theistisch bedoeld, maar een equivalent ervan is het wel.

In de gebruiken dan. De werkdag begon op de bureaus van de Nederlandse Hervormde Kerk met gebed, en hij eindigde er misschien ook mee. Ook moet men ooit daarmee op de Vrije Universiteit de hoorcolleges hebben omkleed, op de lagere scholen deed men het in elk geval wel. Het kan zich uiten in feestdagen en in omgangsvormen.


In het dagelijks werk misschien ook. “Wij doen dat werk op Christelijke grondslag” zegt een maatschappelijk hulpverlener.

En in het beleid? Men zoekt in het protestantisme wel de verklaring voor de groei van het kapitalisme, in Noordwest Europa, later in de Verenigde Staten. De Calvinistische doctrine vereiste inspanning, hard werken, en een sobere stijl van leven. Winst en verlies zouden zijn te zien als tekenen van goedkeuring of afkeuring. Wat er uit de exploitatie overbleef diende men in het bedrijf aan te wenden, liever dan het te consumeren. En werken diende je hoe dan ook te doen, althans voor zes dagen per week.

Heden ten dage zal er nog steeds wel een invloed zijn op de selectie van personen, maar ook dat is sterk afhankelijk van het soort bedrijf en de bedrijfshistorie.

H4 §3.4 (1) / (4) / §3.5

Beide eerstgenoemde werkelijkheidsbeelden zijn levend; magie en mythe hebben in de hedendaagse samenleving een belangrijker rol dan oppervlakkig lijkt. De euforie inzake het koningshuis is mythisch. De herhaalde aankondigingen van grootse veranderingen zijn magisch van aard. Merk op dat wat er wordt aangekondigd meestal van hoge en vergelegen abstractie is. En wat te denken van het naar ik verneem niet onaanzienlijk marktaandeel van astrologen in de adviesmarkt? En is het niet verontrustend dat in het recente conflict met de Talibaan en Bin Laden aan de ene kant het “God bless America” weerklinkt, en aan de andere kant het “Allah is groot”?


3.4 (2) Het materialistisch-natuurwetenschappeljk werkelijkheidsbeeld

En daar tegenover het moderne (modern, sinds zeg maar ca 1600) dat in houdt dat de werkelijkheid slechts materie is, beheerst door natuurwetten die mogelijk heden ten dage nog niet alle zijn begrepen en, sinds de Verlichting door de notie dat de menselijke rede in staat zal zijn alle vraagstukken op te lossen, want wij doorzien die materie of wij zullen die na verloop van tijd volledig gaan doorzien. Vooruitgangsdenken, geen gesomber over een verloren paradijs. Onttovering van de wereld, resultaat van de Verlichting, causaliteit alom, er bestaat geen lot en geen toeval. Ziedaar de elementen ervan. “Het natuurwetenschappelijk wereldbeeld heeft de werkelijkheid verengd tot mathematische grootheden” zegt Ton Lemaire (Cultuurfilosoof, Katholieke Universiteit Nijmegen, interview met Ger Groot, NRC 5-4-02).

Dat moderne is overigens opgevolgd door het postmoderne, dat overal aan twijfelt, mogelijk leidend tot het agnostisch werkelijkheidsbeeld. Een praktische reactie erop is Lemaire’s levensstijl, die van de neo-ruraal, de stedeling die juist vanwege de stad als achtergrond de natuur op waarde weet te schatten. Arnout Colnot, kunstschilder (1887-1983, Bergense School) noemde in een interview (ca 141) ditzelfde motief om in Amsterdam te wonen.
3.4 (3) Het agnostisch werkelijkheidsbeeld

Het postmoderne? Dit is de werkelijkheid als raadsel, het besef van beperktheid van het menselijk weten, mogelijk mede gevoed door de voortschrijdende wetenschappelijke kennis inzake de kosmos, het uiterst kleine, en het leven. De fundamentele vragen liggen achter die kennis, lijken terug te wijken en tegelijk niets van hun beklemmende aard te verliezen.


Men kent door niet te kennen”

(Jan Kerkhofs, “Een horizon van teder licht”, een beschouwing over de betekenis van het licht in de zoektocht naar zingeving, in theologie en wijsbegeerte. pag 91)

Het gaat om de niet eindigende zoektocht naar zingeving, waarin het licht een overheersend thema is. Overal verschijnt het licht als symbool voor het leven, de oorsprong, de bestemming.

In zijn beschrijving van de gedachtenwereld van Dionysius de Areopagiet (de ‘pseudo Dionysios”, ca 300 n Chr) komt aan de orde dat “wie meent God te hebben aanschouwd en begrepen, juist niet heeft aanschouwd en niet begrepen.” God zou immers ten principale onkenbaar zijn.

In de vierdeling van bewust versus niet bewust weten of niet-weten ligt er een laag achter. Ik kan mij er van bewust zijn niet te weten wat ik niet weet, ofwel wat er aan mijn weten onbreekt. (De termen weten en kennen zijn hier als synoniem zijn te gebreuiken). Wat er dan wel is, dat is een besef van mysterie. Kerkhofs voegt de term agnose toe aan het Dionysuscitaat. Wij ontmoeten hier de kern van het agnosebegrip: het besef van mysterie.

Zie evt ook de Proloog, punt 8 en H2 §9.9 over doelmatigheid zonder doel.


3.4 (4) Het realistisch-reactieve werkelijkheidsbeeld

Realistisch omdat de dagelijks waarneembare feiten en gebeurtenissen er een dominerende plaats in hebben. Reactief omdat het zich vormt, langs natuurlijke weg, uit die ervaringen. Dit is een werkelijkheidsbeeld dat meer wordt gekenmerkt door wat het niet is dan wat wel. Egocentrisch is het naar wij mogen aannemen in hogere mate dan de andere. Geen opvattingen over materie, ook




H4 §3.5

niet over Goddelijke oorsprong van de werkelijkheid, ook niet over vraagstukken met betrekking tot die werkelijkheid en de raadsels daarin. Helemaal geen opvatting dan? Jawel, over de dagelijkse

praktijk van het leven, over het verkeer, over de school, over de televisie, over de vakantie, over iemands ziekte. En ongetwijfeld een normbesef, dat zich heel direct kan uiten. Alles gevormd uit de eigen praktijk van het leven, als gecumuleerde reactie daarop, en voortdurend verder gevormd door telkens weer nieuwe reacties. Maar de horizon eindigt bij het dagelijks leven. Verkeerd is het niet bepaald, maar beperkt lijkt het wel: het blijft bij die grenzen.

Ik plaats dit bij de primaire werkelijkheidsbeelden omdat het niet in iets anders zijn oorsprong heeft, alleen ontstaat door de opvoeding, de overdracht in het gezin, de overdracht in de school, en vanuit de entertainment business, door deze voortdurend en met kracht bevestigd en mogelijk versterkt, zelden komt het verder.


3.4 (5) De werkelijkheid als systeem

Wij ontkomen er niet aan te erkennen dat alles wat wij om ons heen zien, dus ook al datgene waaruit de werkelijkheid bestaat, als zodanig te zien is. En dat ook alle dingen zijn in te passen in de systeemhiërarchie.

Ziedaar iets dat je als werkelijkheidsbeeld zou kunnen zien: de totale werkelijkheid samengesteld uit delen die met elkaar zijn verbonden en die ten opzichte van elkaar in een functionele verbinding staan.

Op één punt hapert het echter: wat zou dan de functie zijn van die werkelijkheid als geheel? Ofwel van het universum? Een definitie van dat laatste zou er op duiden dat daarbuiten niets bestaat. Ook niet daarvoor of daarna?


Afgezien daarvan: de systeemgedachte levert een houvast: dat alles in die werkelijkheid zijn plaats heeft en zijn functie, en dat het ontwikkelen of het beschadigen van één van de delen het geheel gaat beinvloeden, hetgeen maar al te actueel is
3.5: Magie en mythe in het organisatorisch leven

Een citaat als opening, het komt verderop terug:




“Eer toch de man die gedienstig mijn woorden vertolkt, Ik beveel het! Aardse bezittingen raken mij niet, maar Ik zorg voor mijn dienaar”

Een orakelspreuk, Lucianus, De ontmaskering van de charlatans, ca 170 n Chr, p.85


In een voordracht aan de Erasmus Universiteit moet Deirdre Mc Closkey hebben vermeld dat er in de adviespractijk een opvallend sterke positie is van astrologen. Astrologen, waarzeggers! Dat

betrof de situatie in Frankrijk, blijkend uit een onderzoek. Het ontlokte aan één der aanwezigen de vraag of het verschil met een advies van een gerenommeerd bureau nu wel zo groot zou zijn. De vraag was ironisch, veroorzaakte enige hilariteit, maar toch, er zit meer in dan dat.




  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina