2. Relationele en seksuele vorming in Vlaanderen



Dovnload 24.1 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte24.1 Kb.
Seks @ relaties.kom!!!!!
Greet Conix
Greet Conix is coördinator van VMG; Vormingswerk voor en met Mentaal Gehandicapten.

1.Vooraf

Met een grote dosis enthousiasme begon VMG in 1986 met relationele en seksuele vorming voor mensen met een verstandelijke handicap. Een ‘gat in de markt’ leek het in die dagen. In Vlaanderen werd er toen nog niet gepraat over emancipatie. Denken in termen van rechten voor mensen met een handicap werd als overdreven agressief beschouwd. Nochtans voelden heel wat ouders en professionelen aan dat mensen met een handicap vragende partij waren voor vorming rond relaties en seksualiteit.

En de praktijk bewees het. In de tientallen vormingsgroepen bleken deelnemers met duizenden onbeantwoorde vragen te zitten.

2.Relationele en seksuele vorming in Vlaanderen

Als we over de muur van de wereld van mensen met een handicap gaan kijken blijkt dat relationele en seksuele vorming in het Vlaanderen van 2003 nog steeds geen vanzelfsprekendheid is.

“Uit een enquête uitgevoerd door Medistrat (in opdracht van Schering) in 2002 dat 17% van de 15 - 16 jarigen denken dat ze niet zwanger kunnen worden na een eerste seksueel contact met of zonder pil. 20% van de meisjes denkt dat douchen na seksueel contact min of meer tot zeer betrouwbaar is, 15% denkt hetzelfde over terugtrekken (6)”.

Telidia Klai (VUB) werkt op dit moment aan een doctoraat over relationele en seksuele vorming bij de Vlaamse jongeren (1). Vanuit deze studie, maar ook uit andere onderzoeken blijkt dat de kennis over seksualiteit vaak nog ondermaats is.


Met de relationele en seksuele vorming aan mensen met een handicap is het nog veel triester gesteld. Marion Kersten (LKNG) (2) maakte een overzichtstudie waarin zij een aantal onderzoeken op een rij zet; o.a. over de kennis over seksualiteit. Over de aanwezige kennis over seksualiteit komt uit het kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar voren dat mensen met een handicap significant minder goed geïnformeerd zijn dan mensen zonder handicap. McCarthy merkt op dat bij volwassen vrouwen met een verstandelijke handicap een groot deel nooit voorlichting heeft gekregen.

In 1999 deed Joan Lesseliers in Vlaanderen een onderzoek over de persoonlijke relatie- en seksualiteitsbeleving van mensen met een verstandelijke handicap. “De meeste mensen met een verstandelijke handicap zijn niet in staat hun geslachtsdelen te benoemen, noch volgens hun eigen jargon en helemaal al niet in wetenschappelijke(basis)termen. Een aantal vrouwen met een verstandelijke handicap kon de penis van de man gemakkelijker benoemen dan hun eigen geslachtsdeel, althans wanneer ze wisten dat mannen een penis hadden. Wanneer de loutere benaming van geslachtsdelen uitblijft, is het niet zo verwonderlijk dat de kennis over de functie ervan helemaal zoek is. Orgasme en klaarkomen zijn meestal holle woorden” (4).



3.Wie bepaalt de doelstellingen van de vorming?

Seksuele vorming dient nog steeds veel verschillende meesters . Vroeger diende zij om op te voeden tot zelfbeheersing en om allerlei gevaren en kwalen zoals masturbatie te voorkomen. De laatste tien jaar diende seksuele vorming dan weer bijna uitsluitend om aids te voorkomen. En recent wil men er seksueel misbruik mee bestrijden. Vanuit de bekommernis seksueel geweld te voorkomen, wordt de oorlog der seksen en de preutsheid opnieuw uitgevonden en vergeet men te vertellen dat seks en liefde ook leuk kunnen zijn (3).


Als er vorming opgezet wordt voor mensen met een handicap is de aanleiding vaak een voorval in de voorziening. Men zet vorming op om te voorkomen dat er nog misbruik zou gebeuren. Andere doelstellingen die vaak genoemd worden zijn ‘sociaal aanvaardbaar gedrag

aanleren’ of ‘hygiëne bijbrengen’.

Op zich zijn dit geen ‘verkeerde’ doelstellingen. Maar als vorming gestart wordt met weerbaarheid in het achterhoofd gaat men op de eerste plaats een boodschap meegeven dat seks iets is om bang van te zijn.

Genieten van seks komt op de laatste plaats nadat je mensen er op gewezen hebt dat je van seks zwanger kan worden en aids kan krijgen en bovendien kans maakt om misbruikt te worden. Seks komt zo weer maar eens in een negatief daglicht te staan. “Voor seks moet je oppassen”.


Daar komt nog bij dat, net zoals op veel andere terreinen, bij mensen met een handicap veel nadruk gelegd wordt op vaardigheidstraining. Een overdreven nadruk maakt dat er voorbij gegaan wordt aan de noodzakelijke link met de gevoelens van mensen met een handicap. Daarenboven wordt het gevoel van machteloosheid versterkt bij mensen die vaak al een laag zelfwaarde gevoel hebben. Impliciet komt de boodschap over dat mensen in het verleden het niet goed gedaan hebben.
Bovengenoemde doelstellingen zijn vaak de doelstellingen van de omgeving van mensen met een handicap maar niet van de deelnemers zelf. Vorming geven vanuit het perspectief van de mensen met een handicap levert andere onderwerpen op en zal ook een andere manier van vorming geven vragen.
Daarom heeft VMG in ‘seks @ relaties.kom’ gekozen om het thema weerbaarheid als laatste vormingsprogramma te beschrijven. Daarom wordt er doorheen alle programma ’s heel veel nadruk gelegd op de gevoelens, daarom wordt er maar in laatste instantie aandacht besteed aan sociaal aangepast gedrag. Mensen met een handicap zijn geen robots die je slechte en goede manieren aanleert.

4.Wie geeft er vorming?

VMG heeft jaren vorming gegeven aan mensen met een handicap. Enerzijds worden er eigen initiatieven ontwikkeld waar individuele deelnemers kunnen op inschrijven. Daarnaast gaan we ook in op vragen van voorzieningen om binnen de voorziening vorming te organiseren. We zijn van plan om dat ook in de toekomst te blijven doen.

Een externe begeleider heeft immers zijn voordelen. De privacy van deelnemers wordt veel beter gegarandeerd: je kent immers niet de voorgeschiedenis van iemand niet.

Daarenboven is er geen gevaar voor rolverwarring. Als begeleider in een voorziening heb je niet alleen de taak om een luisterend oor te leggen, je moet ook controleren en grenzen stellen. Het is voor een deelnemer niet altijd zo duidelijk in welke rol jij nu juist zit.


Toch wil VMG niet beweren dat enkel externen vorming kunnen geven. Een directe begeleider doet dit beter niet omwille van de hierboven opgesomde redenen. Het is eerder aangewezen dat interne mensen die wat ‘verder’ van de deelnemers staan de vorming begeleiden.

Als VMG merken we vaak grote handelingsverlegenheid bij begeleiders om deze relationele en seksuele vorming zelf in handen te nemen. Praten over seksualiteit in concrete termen is nochtans iets dat je kan leren door oefening. Daarnaast zal het natuurlijk altijd zo zijn dat de individuele deelnemer zelf een keuze moet maken waar hij of zij zijn informatie haalt.. Een aantal mensen zal niet verkiezen om in zijn eigen huis, met eigen bewoners en begeleiders iets te vertellen over zijn relationeel en seksueel leven. En dat verdient alle respect.



5.De beleving staat centraal

Als je aan een doorsnee Vlaming vraagt waar en hoe hij of zij seksuele voorlichting heeft gekregen, krijg je hoogstwaarschijnlijk het verhaal van een halve biologieles waar niet mocht gelachen worden en waar er werd uitgelegd hoe de voortplanting in mekaar zat. Bij mensen met een handicap is dit niet anders. Als men iets kent is het het verhaaltje van de zaadjes en de eitjes.

Diverse onderzoekers ( Marion Kersten) (2) signaleren dat de gegeven seksuele voorlichting niet toegesneden is op het hebben van een handicap. Met andere woorden: de voorlichting is vrij technisch en geeft geen antwoord aan de mensen met een handicap op vragen zoals “is mijn handicap erfelijk? Is een orgasme gevaarlijk als ik epilepsie heb? Ik heb het moeilijk om mijn erectie aan te houden: heeft mijn medicatie daar iets mee te maken?”
Joan Lesseliers ( 4) noemde als een van de belangrijkste criteria voor zinvolle relationele en seksuele vorming dat de beleving centraal moest staan.
De manier van vorming geven die voorgesteld wordt in ‘seks @ relaties.kom’ sluit hier volledig bij aan. Op de eerste plaats wordt ‘lesgeven’ zoveel mogelijk vermeden. Bij elke prent of dia die getoond wordt worden er vragen gesteld door de begeleider. Op de eerste plaats om na te gaan of je wel hetzelfde ziet als de deelnemer(s). “Wat zie je” is een eerste belangrijke vraag. Tijd geven aan deelnemers om naar beelden te kijken en hen dan uitnodigen om verder te denken bv. bij een dia van een man en een vrouw die tongzoenen: “wat doen die man en vrouw? Heb je dat ook al gedaan? Hoe voel je je dan? Zou je dat ook willen doen? Als je zo tongzoent, voel je dat dan ook op andere plaatsen in je lichaam?”...

Aandacht voor de beleving is het belangrijkste kenmerk van het nieuwe werkmateriaal dat ontwikkeld is. Deelnemers (maar ook begeleiders) hebben het vaak moeilijk gevoelens te verwoorden. Naast kennistaal is het aanreiken van gevoelstaal dus erg belangrijk. Zelfs als en eigenlijk vooral als die gevoelens negatief zijn.



6.Homo / hetero

10 % van de bevolking zou homoseksueel georiënteerd zijn. Er zijn geen cijfers bekend over het aantal homoseksuelen met een verstandelijke handicap. Op dit moment kom je er zeer weinig tegen in de zorg.

Er is geen enkele plausibele reden aan te geven waarom het aantal homoseksuele minder zou zijn dan bij andere mensen (5). Waar wringt het schoentje dan wel?
Het is voor mensen die homoseksueel zijn meestal niet onmiddellijk duidelijk dat ze homo of lesbisch zijn. Voor een groot aantal is het een proces van verwarring en onzekerheid dat met angst en negatieve zelfwaardering gepaard gaat. Mensen met een verstandelijke handicap die dat meemaken hebben mensen nodig die hen bij dat proces ondersteunen, die proberen die verwarrende gevoelens te verduidelijken.

Daarenboven is het voor mensen in deze fase belangrijk zich te kunnen spiegelen aan mensen die dezelfde seksuele oriëntatie hebben dan zijzelf. Deze kansen om andere homo ’s of lesbiennes te ontmoeten hebben zij niet. Het personeel dat homoseksueel is gaat zich niet altijd als dusdanig bekend maken. Soms wordt uitdrukkelijk opgelegd door een directie om daar over te zwijgen. Een coming – out van begeleiders zou nochtans kunnen leiden tot een grotere tolerantie ten aanzien van holibi ’s en zou ook een identificatiefiguur kunnen zijn voor mensen met een handicap die homoseksueel zijn.


In tegenstelling met veel ander (bv. Amerikaans) didactisch materiaal wordt er in het pakket ‘seks @ relaties.kom!’ uitdrukkelijk aandacht besteed aan homoseksualiteit. Alle thema ’s worden vanuit het hetero en homostandpunt behandeld. Er wordt niet alleen aangetoond hoe homo ’s vrijen. Als het over relaties gaat zijn het bv. niet altijd een man en vrouw die arm in arm over straat lopen.

7.Het praten met lotgenoten

De peer-groep is voor jongeren anno 2003 de belangrijkste informatiebron wat seksualiteit betreft (1). Voor jongeren met een handicap ligt dit moeilijker. Ze hebben soms minder communicatieve vaardigheden en ze staan vaak veel meer onder voortdurende begeleiding en controle.

Toch is praten met lotgenoten over seksualiteit ook voor hen van onschatbare waarde. Zo vinden ze ook steun bij elkaar. Het hebben van een handicap kleurt immers iemands seksualiteitsbeleving en vanuit dit gezichtspunt praten over hun beleving kunnen ze alleen maar met lotgenoten.
Het grote voordeel van het werken in groep is natuurlijk het leren van elkaar. Mensen horen van mekaar dat ze iets gelijkaardigs meemaakten, herkennen gevoelens bij een ander, … Tijdens een goede vorming schept de vormingswerker hier kansen toe. Aan deze unieke uitwisseling neem je als begeleider zelf slechts beperkt deel. Natuurlijk kun je meevoelen en tekens van herkenning geven. Maar de grote kunst is toch vooral de meningen en gevoelens van de deelnemers op de voorgrond te krijgen.
Hoe je vorming moet geven wordt uitgebreid en zeer concreet beschreven in ‘seks @ relaties.kom!’ De meeste methodieken zijn bestemd voor groepen. Je voelt dat VMG op de eerste plaats vormingswerkers zijn.

Toch is individueel werk ook soms aangewezen: als aanvulling bij het werken in groep, voor bepaalde deelnemers is het werken in groep te confronterend (bv na seksueel misbruik), bij mensen met heel weinig verstandelijke mogelijkheden... Het materiaal in ‘seks @ relaties.kom!’ is ook voor dit werk zeer bruikbaar.



8.Materiaal om vorming te geven

Vorming aan mensen met een handicap moet concreet zijn. Je praat alleen over datgene wat je ziet. Aanschouwelijk materiaal is dus vaak onmisbaar. Voor vorming in groep zijn ‘grote beelden’ onmisbaar. Met kleine prenten kijkt ieder op zijn blad en krijg je moeilijker groepsinteractie. Meestal zijn dia’s of grote prenten (met overhead) beter te verstaan dan video ’s die vaak te vlug gaan en soms prikkelend zijn. Foto ’s zijn het duidelijkst (ook soms choquerend); tekeningen abstracter en dus voor sommigen iets moeilijker.


In ‘seks@relaties.kom’ wordt gekozen voor fotomateriaal: 284 dia’s en een bijbehorende CD–Rom. Naast de bovengenoemde voordelen kan je voor elke groep of individu een programma op maat samenstellen. Daarnaast vind je er nog een 50–tal tekeningen op ‘werkblaadjes’. Deze laatste en ook het fotomateriaal kan gekopieerd worden voor een deelnemersmap. Het is immers belangrijk dat deelnemers aan de vorming achteraf kunnen terugvallen op eigen visueel materiaal.

9.De brug/kloof tussen relationele vorming en de opvolging in het dagdagelijkse leven

Een eenmalig initiatief van een begeleider die enkele keren vorming geeft is beter dan niets. Maar het structureel inbouwen van vorming vormt een veel betere garantie op opvolging van je vorming.



Ouders, professionele begeleiders en beleidsmensen moeten betrokken worden bij het hele proces. Het geeft de garantie dat de vorming geen eendagsvlieg is.
Het uiteindelijk doel van vorming is mensen met een handicap meer kansen te geven om hun relationeel en seksueel leven uit te bouwen. Dit is een emancipatorisch proces. Vorming geven is geen vrijblijvende bezigheid. Je gaat verlangens en wensen van mensen boven tafel halen. Daar moet je eerlijk mee omspringen. Je praat over essentiële dingen in hun leven. Daardoor wordt je als vormingswerker èn als organisatie mee verantwoordelijk voor de realisatie van hun vragen en wensen.



  1. Telidia Klai, mondelinge toelichting op de Materialendag 2003, Sensoa.

  2. Marion Kersten, Seksualiteit van mensen met een handicap, een analyse van bestaande kennis en aanwijzingen voor praktijk en verdere kennisverwerving, LKNG, Utrecht, 2003, 69p.

  3. Frans Erica , Goede Minnaars, what’s in a word ?, website sensoa.

  4. Lesseliers Joan, Een pleidooi voor relationeel-seksuele vorming in ‘Seksueel misbruik van mensen met en verstandelijke handicap, Acco Leuven, 2000, 246p.

  5. Franken, Ik weet wie ik ben. Educatieve map homoseksuele en lesbische vorming. Gelijke kansen in Vlaanderen.1999,107 blz.

  6. Katrien Vermeire, Resultaten van een nederlands effectonderzoek naar de vernieuwde versie van een lespakket ‘Lang Leve de Liefde’ Sensor, 2003, jaargang 3, nummer 2, pp. 7-9.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina