2 september 2012, Sint Augustinusfeest, Sint Augustinuskerk



Dovnload 7.44 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte7.44 Kb.
2 september 2012, Sint Augustinusfeest, Sint Augustinuskerk
Als we de kern van Augustinus’ boodschap een naam willen geven, dierbare broeders en zusters, komen we al heel snel uit bij het woord ‘liefde’. Door liefde werd Sint Augustinus bewogen, op de liefde is al zijn doen en denken betrokken.

Nu kun je met het woord ‘liefde’ nog alle kanten op. Je kunt het woord zelfs zo misbruiken, dat het in feite wordt uitgehold. ‘De liefde bedrijven’ lijkt me zo’n uitgeholde uitdrukking. Door een dergelijke uitdrukking wordt de sluier over het geheim van de intieme liefde-tussen-twee-mensen aan flarden gescheurd.

Augustinus weet het woord ‘liefde’ op een volkomen wijze in te vullen door de liefde van God voor de mensen en de liefde van mensen voor God en voor elkaar …, door die beide vormen van liefde samen te laten vallen. Het gaat dan om dezelfde liefde Vanuit die visie denkt Augustinus na, over wat onder mensen ‘gemeenschap’ heet. Gemeenschap: het verschijnsel dat mensen elkaar opzoeken, elkaar tot hulp zijn en in elkaars gezelschap willen blijven. Voor dit aspect van Augustinus’ gelovige beleving, voor dit aspect van Augustinus’ spiritualiteit, wil ik vandaag uw aandacht vragen. Vandaag, op zijn patroonsfeest.

God schenkt de mensen een grote verscheidenheid van gaven. En het is juist in de gemeenschap dat die uitgebreide variëteit een passende plaats krijgt. Want Gods gaven stimuleren diepe inter-persoonlijke relaties en ondersteunen die ook. Zulke relaties zijn voor de mensheid onontbeerlijk. Er bestaan zelfs mensen -vrouwen en mannen- die de opbouw van een goede en duurzame gelovige gemeenschap ervaren als hun bijzondere roeping. Zij willen zich daarvoor inzetten, zodat in de wereld gemeenschapsleven wordt bewerkt en bevorderd. Ook Augustinus was zo’n mens. Hij was door God begiftigd met het charisma van gemeenschapsvorming.

Voor Augustinus was de praktijk van de eerste christenen van Jerusalem (Hand 2 en 4) het oerchristelijk model van wat een geloofsgemeenschap dient te zijn. Wat maakte die eerste christenen in Jerusalem dan zo speciaal? Dat ze alles gemeenschappelijk hadden; dat niemand iets zijn eigendom noemde of het voor zichzelf wilde houden, door te zeggen: Dit is van mij. Iedere dag kwamen ze samen om te bidden, en braken ze het brood in een of ander huis. Ze vierden de eucharistie en gebruikten samen de maaltijd.

Vriendschap is ook een vorm van gemeenschap. Augustinus heeft zijn leven lang vriendschappen gekoesterd. Voor een hechte gemeenschap acht hij niet alleen naastenliefde noodzakelijk, maar ook vriendschap. Want naastenliefde is liefde die wel geeft, maar niets terug verlangt; terwijl in vriendschap liefde wordt gegéven én ontvángen. Zo is gemeenschap-zijn een authentiek christelijke verwezenlijking van het tweevoudig gebod van de liefde: God beminnen en de naaste.

Gemeenschap is nochtans geen romantische droom, want ze stelt zware eisen. We worden immers pas echt mens als we ons schúren aan elkaar. Ook in een huwelijk gaat dat zo. Aldus worden we gelouterd als zilver in de oven. Natuurlijk bekruipt ons wel eens de bekoring om de eventuele zware last van de gemeenschap te ontvluchten. Ja, uit cynisme hebben sommigen dit ideaal van gemeenschap helemaal laten varen. Zij preken en beoefenen je reinste individualisme; als je individualisme tenminste ‘rein’ mag noemen.

Hoe bouw je een gemeenschap op? Hoe onderhoud je relaties? Hoe communiceer je en spreek je met elkaar? Belangrijk voor een geloofsgemeenschap is: Delen wij in elkaars geloof? Zijn we in staat met elkaar een wat dieper gesprek aan te gaan? Geloven wij in de specifieke waarde van de gemeenschap? Is er een goede balans tussen je persoonlijk leven en je leven in en voor de gemeenschap?

En als het gaat om de Kerk: waar staan wij zelf in de telkens terugkerende worsteling tussen het koesteren van de traditie, en het verstaan van de tekenen des tijds? Verlagen we de Kerk niet tot een service-instituut, een zorgcentrum, door alleen maar iets van haar te verlangen? Kunnen wij het aan om lid te zijn van een nog onvolmáákte Kerk, een zondige gemeenschap? Is onze kerkgemeenschap open genoeg en vrij van inteelt? Cultiveren wij als gemeenschap van gelovigen een gemeenschappelijk optreden naar buiten, of blijkt juist het omgekeerde? Helaas zijn buitenstaanders nogal eens getuigen van onenigheid in de Kerk, ook in Nederland. En dergelijk gekissebis haalt graag de krant.

Op het persoonlijke vlak: span ik me voldoende in om mijn omgeving niet te laten lijden onder mijn stemmingen? Vertrouw ik een ander voldoende, zodat ik het risico durf te nemen om iets van mij -dus om me zelf- mee te delen aan een ander? Zijn we nuchter genoeg in de verwachtingen die we van elkaar mogen hebben; zodat we elkaar niet om de haverklap zwaar teleur stellen en overvragen? In hoeverre draag ik de lasten mee van de gemeenschap. In welke mate bevestigen wij anderen in hun geloof, en … willen wij ook door anderen in ons geloof bevestigd worden?



Onze kerkpatroon Augustinus, deze goede herder die er zelf alles voor heeft gedaan om de kerkgemeenschap van zijn tijd bijeen te houden, kunnen wij niet beter gedenken dan alert te zijn op dit soort vragen; en door -voor het antwoord- eerlijk bij onszelf te rade te gaan. Amen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina