2 Timotheüs 2, 9-15 V. Het Woord van God is niet gebonden



Dovnload 34.85 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte34.85 Kb.

2 Timotheüs 2, 9-15

V. Het Woord van God is niet gebonden



9 Om hetwelk ik verdrukkingen lijde tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord Gods is niet gebonden.

10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.

11 Dit is een getrouw woord; want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven;

12 Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; indien wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;

13 Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelf niet verloochenen.

14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut is, dan tot verkering der toehoorders.

15 Benaarstig u, om uzelf Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.
Verklaring;
Onlangs las ik een verhaal over twee kabouters. Zij hadden ieder een zwaar pak op de rug dat bijna niet te dragen was en waaronder zij beiden tobden van jewelste. Maar er was één verschil tussen die twee kaboutertjes. Een verschil in de manier waarop zij onder hun last gebogen gingen. De één riep de ganse dag: `Ik wou, dat ik dat pak eens kwijtraakte; is er niet iemand die het van mij over wil nemen?' Maar de ander was een vijand van mopperen en klagen. Hij riep telkens: `Ik wou, dat ik een beetje groter en sterker was. Dan zou ik mijn last. met gemak en vreugde dragen.'

Niet vragen om kruis naar kracht, maar om kracht naar kruis

Ieder mens is op de één of andere manier een lastdrager. En een christenmens is het wel in het bijzonder. Hij krijgt om het Woord van God heel wat te dragen en te verduren. Maar 't maakt een groot verschil, of een mens. ganse dagen niet anders doet dan klagen en verlangen om onder zijn kruis weg te lopen, of dat het zijn dagelijkse gebed is, dat de Heere in de hemel zijn krachten sterkt, zodat hij het hem opgelegde met gemak en met vreugde dragen kan. Niet vragen om een kruis naar kracht. Maar bidden om kracht naar kruis.


Fil. 1 : 7, 12-14; 2 Tim. 4 : 17

In het gedeelte uit 2 Tim. 2 dat we thans behandelen, is er ook sprake van kruis dragen. De apostel die hier zijn jonge broeder Timotheüs een hart onder de riem mag steken, wijst hem erop, dat de dienst van het Evangelie niet zonder verdrukkingen verricht kan worden. Een Evangeliedienaar is een lastdrager. Men komt met het Evangelie altijd onder het kruis. Kijk maar naar mij, aldus Paulus. Om hetwelk (nl. het Evangelie) ik verdrukkingen lijd tot de banden toe, als een kwaaddoener (vs. 9). Verdrukkingen. Kwaad lijden, staat er eigenlijk. Hoe vaak is Paulus om der wille van het Evangelie niet in de banden geslagen? Ogenschijnlijk op dood spoor gerangeerd. Timotheüs moet er ook op rekenen, dat hij met het Woord van God in een hoek komt te zitten, waar slagen vallen. En ieder die in het Evangelie dienen wil, moet erop bedacht zijn, dat hij door mensen nog wel eens aan de kant wordt geschoven. Alsof hij kwaaddoener is in plaats van weldoener. Kennelijk roept het Evangelie ook verzet en vijandschap op. En de dienaar van het Evangelie wordt nogal eens als een lastpost gezien of als een ordeverstoorder die men maar het beste de mond kan snoeren.


En wat dan in zo'n geval te doen? Mopperen? Hele dagen lopen verlangen om eindelijk eens van die last verlost te zijn? U kunt beter bidden wat de kinderen zingen: `Lees uw Bijbel, lees hem elke dag, opdat u groeien mag.' Als u wat sterker zou worden in het geloof, zou u niet meer dat kleine kaboutertje zijn dat zoveel moeite heeft met het pak op zijn rug. Maar hoe wordt een mens sterker in het geloof? Hoe kan hij blijmoedig zijn onder zijn kruis? Het antwoord vindt u in de perikoop. Het valt in drieën uiteen.

God gaat door

Jes. 40 : 8; 50 : 11; 1 Petr. 1 : 24v

In de eerste plaats geeft het ons enorme draagkracht, als wij geloven wat het slot van vs. 9 zegt: Maar het Woord Gods is niet gebonden. Mensen kunnen evangeliedienaren in de banden slaan, maar daarmee is het Evangelie zelf nog niet weg. Het gaat onverstoorbaar door. Tegen Jezus Christus die uit de doden is opgestaan (vs. 8), hebben alle machten die Gods Woord poogden weg te wissen en uit te doven, het in principe afgelegd. Niets en niemand is nu echt meer opgewassen tegen Hem die alle macht heeft in de hemel en op aarde. Het Evangelie maakt voortaan zijn niet te stuiten rondgang over de aarde. Vroeg of laat moet iedereen het ervan verliezen. Het hoge Woord is eruit. Het laatste Woord is aan de Heere der ganse aarde. Lees het nog eens na aan het slot van het boek Handelingen. Paulus zit in Rome gevangen. Beknot in zijn bewegingsvrijheid.
Hand. 28 : 31; 2 Kor. 2 : 14; 2 Thess. 3 : 1

Twee jaren lang. Weggegooide tijd, zou men denken. Maar niets daarvan. God zorgt steeds voor nieuwe hoorders. En Paulus maar preken. Het Woord van God gaat onverhinderd door. Juist op een moment dat iedereen zou kunnen zeggen: `Nu zal het wel een keer ophouden', juist dan gaat God door. Het laatste vers van het zendingsboek is niet een zucht van een gevangen evangeliedienaar, maar een overwinningsroep van het Evangelie dat onverhinderd voortgaat. De dienaren van het Woord kan men tegenstaan. Men kan ze minachten, vertrappen, doden zelfs. Maar Gods Woord is niet gebonden. Het wordt afgekeurd door mensen. De duivel komt erop af. Maar het gaat door. Is het niet hier, dan elders. Het neemt zelfs de hindernis van het meest arglistige en vijandige mensenhart. De hardste schreeuwers vallen er soms het eerst voor.


Om de uitverkorenen

Matth. 24 : 22; 1 Kor. 13 : 7; 2 Kor. 11 : 21vv

Dat is het wat een bestreden evangeliedienaar moed en kracht geeft, zodat hij zijn last vrolijk draagt. Maar er is nog iets. Paulus schrijft aan Timotheüs: Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid (vs. 10).
1 Kor. 15 : 31

Ondanks alle lijden gaat het Woord van God door. Maar mede dank zij het lijden worden ook de uitverkorenen gezaligd. 1. M.a.w.: lijden/ martelaarschap is een vorm van evangelieverkondiging. Want als iemand alles weet te (ver-)dragen om het Evangelie, dan is dat toch wel een bewijs, dat het Evangelie wat waard is. En als mensen er de hand voor in het vuur steken, dan is dat een opperbeste aanbeveling van het Evangelie zelf. Het maakt jaloers. Er gaat aantrekkingskracht vanuit. Denkt u maar aan de gevangenbewaarder van Filippi die Paulus en Silas midden in hun lijden en midden in de nacht psalmen hoorde zingen. Was dat niet het middel om hem te brengen tot de vraag naar verlossing: 'Lieve heren, wat moet ik doen om zalig te worden?' Het geduldig verdragen van het lijden door Gods kinderen is een evangelieprediking op zich. Een soort 'pantomime', een woordeloos lijdensverhaal, een aanprijzing van de gekruiste Zaligmaker. Het Evangelie is het waard, lieve mensen, om er de hand voor in het vuur te steken.


Rom. 8 : 35-39; Ef.3 : 13; Kol. 1 : 24

En zo is het lijden in plaats van een stap achteruit, een stap vooruit. Het is tot zegen. Het komt de gelovigen ten goede. De uitverkorenen op wie God van eeuwigheid het oog heeft, worden erdoor aangespoord om moedig vol te houden. Ja, men zou zelfs kunnen zeggen: zo goed als het lijden van Christus voor Zijn gemeente, Zijn lichaam ter verlossing is geweest, zo staat ook het lijden van christenen de verlossing van Gods gemeente ten dienste? 2. Want is het niet van onschatbare waarde, als mensen het diepste geheim ter wereld, Jezus Christus leren kennen en straks in Zijn eeuwige heerlijkheid mogen delen? Daarvoor kan men een jasje uittrekken. Daartoe is geen lijden te zwaar. 'Terar, dum prosint' - laat mij lijden, als zij er maar voordeel door hebben.



Met Hem leven en heersen

En dan is er nog een derde. Verdrukkingen duren nooit eeuwig. Ze zijn van tijdelijke aard. Het gaat voor al Gods kinderen bepaald de goede kant uit. De situatie is nooit uitzichtloos.


Delf vrouw en kind'ren 't graf,

Neem goed en bloed van ons af,

Het brengt u geen gewin,

Wij gaan ten hemel in

En erven koninkrijken! (Luther)
Kol. 3 : 4; 2 Tim. 4 : 7v; Hebr. 12 : 4

Dit is een getrouw woord, aldus Paulus in 2 Tim. 2. Want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven. Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen (vs. 11, 12a). Het één is niet zonder het ander. Heel het christenleven is één gedurig sterven. 3. Een christenmens sterft. Tegenwoordige tijd. Want hij heeft heel wat slagen om Christus' wil op te vangen en blijft ook altijd de doding van de Heere Jezus in zich omdragen. Zijn christenreis is `via dolorosa' - smartenweg. En een christenmens zál sterven. In de toekomst. Als zijn leven als een kaarsje in de dienst des Heeren is opgebrand. Misschien zelfs als martelaar. Een gewelddadige dood.
Rom. 6 : 8; 2 Kor. 4 : 10; Openb. 2 : 26

Maar vergeet het niet: Hij, Jezus Christus blijft onafscheidelijk aan hen verbonden. Er is geen sterven of dood met Hem, of er is ook een leven met Hem. Het is Pasen geweest. Houdt dat in gedachtenis (vs. 8). Hij is de dood de baas. Het kruis wordt eens verwisseld met de heerlijkheidskroon. Altijd met de Heere zijn. Dat is de hunkering, het heimwee van al Gods kinderen. Mijn kruis was het Zijne. Zijn kroon wordt de mijne. Met Hem heersen. Als een koningskind.


Matth. 10 : 22; Openb. 3 : 10, 21

Er is hoop. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken. Dat is één. En het tweede is, dat de uitverkorenen de zaligheid verkrijgen. Maar het derde mag er ook zijn. Leven, leven, eeuwig leven. Ziet u wel, dat het nooit zinloos is om aan de kant van de lijdende christenheid te staan? Vraag elke dag om kracht naar kruis. Laat de duivel u niet wijsmaken, dat een dienaar van Christus toch zo'n minderwaardig leven leidt. Het kaboutertje kan beter verlangen naar meer kracht om het pak te kunnen dragen dan hele dagen te lopen zuchten en klagen, dat het leven toch zo moeilijk is.



Dit is een getrouw woord

1 Tim. 1 : 15

Er is een getrouw woord. Daar kunt u ja en amen op zeggen. Wat Paulus in de verzen 11 tot 13 van 2 Tim. 2 schrijft, is een kern uit de geloofsbelijdenis van elke christen. 4. Paulus wijst er Timotheüs op, dat dit zijn hart mag hebben gestolen. Hij zal er niet mee omvallen. Wellicht zijn deze verzen ook een soort hymne geweest, door de eerste christenen herhaaldelijk gezongen. Ook wat de apostel in de verzen 12 en 13 schrijft, hoort daarbij. Indien wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen. Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelf niet verloochenen (vs. 12b, 13).
Matth. 10 : 33; Hand. 14 : 22

Als we niet langer verdragen, maar versagen, het op geven, `kreuz-flüchtig' worden (onder het kruis vandaan 1 Kor. 10 : 13 lopen), verloochenen we Christus Jezus. Want wie geen kruisdrager wil wezen, kan geen christen zijn. Hij heeft de tegenwoordige wereld blijkbaar nog te lief. Maar de Schrift zegt: 'Wij moeten door veel verdrukkingen het Koninkrijk der hemelen binnengaan.' Wie Jezus niet wil volgen in Zijn lijden, zal Hem ook niet volgen in Zijn heerlijkheid.


1 Tim. 5 : 8; 1 Tim. 6 : 13; Tit. 1 : 16

Daarom moet iemand die afstand neemt van het kruis, erop rekenen, dat Jezus ook afstand neemt van hem. Indien wij ontrouw zijn... Jezus blijft getrouw. En dat betekent hier niet, dat wij dan toch wel het Koninkrijk der hemelen binnengaan. Het betekent ook niet, dat Jezus Zijn kind dat in de verzoekingen en beproevingen is bezweken, als een trouwe Herder toch weer opvangt. Zeker, dat doet Hij. Hij laat ons trouwens niet verzocht worden boven hetgeen wij vermogen. Maar als de apostel aan de christelijke belijdenis van zojuist een conclusie verbindt, dan is het deze: Wij zouden ons

Christen - zijn kunnen doorstrepen, maar Christus streept Zichzelf nooit door. Een christen kan neen zeggen tegen zichzelf. Christus kan dat niet. Reden te over om standvastig te zijn. Een christen die roemt in verdrukkingen.
Geen woordenstrijd
Groeien in het geloof, opdat we de lasten des daags moedig en vrolijk dragen mogen. Dat is het wat de apostel zijn broeder Timotheüs op het hart bindt. En dat zal Timotheüs dan ook tot een beproefde arbeider maken die zijn mannetje staat, ook tegenover de dwaalleraars.
Ef. 4: 14; 1 Tim. 5 : 21; 6 : 4; 2 Tim. 4 : 1; Tit. 3 : 8

Paulus schrijft: Breng deze dingen in gedachtenis en betuig voor de Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut is dan tot verkering der toehoorders (vs. 14). Al het voorgaande - en bijzonder wat Paulus zojuist schreef - moet Timotheüs op zijn beurt weer aan zijn gemeen-te doorgeven. Er steeds aan herinneren. Ja, want het gaat hier immers om centrale dingen. In tegenstelling tot wat sommigen in de gemeente doen, die woordenstrijd voeren. De bekvechters die over allerlei bijkomstigheden en pietluttigheden redetwisten. Eindeloze discussies waar geen sterveling wat mee opschiet en die veeleer een `katastrofe' (dat woord staat er letterlijk) voor de hoorders betekenen.


Eén- en andermaal waarschuwt de apostel in zijn brieven aan Timotheüs tegen dit soort gemeente verwoestende activiteiten. Timotheüs moet voor de Heere betuigen, d.w.z. zijn gemeente bezweren om geen woordenstrijd te voeren. 5. Waar het exact over ging, is hier niet zo duidelijk. Het komt echter tot op de dag van vandaag voor, dat gemeenten uiteengerukt worden door lieden die met hoogdravende woorden hun eigenzinnige wijsheid, zo extreem als 't maar kan, ten toon spreiden, met geen andere bedoeling dan om de gevierde man te zijn. 6
Beproefde trouw
1 Tim. 4 : 16; 2 Tim. 1 : 8

Daartegenover wekt de apostel Timotheüs op om zich te benaarstigen (zich er ijverig voor in te spannen) om zichzelf Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt (vs. 15). Wie in de wijngaard des Heeren werkt, is geen 'big boss', geen rentenier die het ervan neemt. Liever lui dan moe. Hij moet een harde werker zijn. Een `geziene' man. Op de kansel en in de week gezien door de mensen. Om hen de schrik des Heeren en de liefde van Christus op het hart te binden. Dát vooral moet hij doen. 7.


Rom. 16 : 10; 1 Kor. 11 : 19; 2 Kor. 10 : 18; 13 : 7

Zo kan hij onder de ogen van God komen. Want deze is de grote Keurmeester. Het doet er minder toe, wat mensen zeggen. Of ze de leidsman der gemeente geweldig vinden of maar helemaal niets. Die ons oordeelt, is de Heere. En iedere voorganger komt toch een keer voor de Rechter der ganse aarde te staan. Wel, hij stelle zich nu reeds onder het oppertoezicht van de Heere om te weten, of hij de gunst van de Heere kan wegdragen. Ja of nee.


En weet u, wat het vooral ook betekent om een beproefde arbeider in Gods wijngaard te zijn? Dat men een man is door wie men heen kan kijken. Klaar als kristal. Echt en gemeend. Niet een man van fraaie woorden die overigens het achterste van zijn tong niet laat zien. Niet een man die nimmer in zijn hart laat kijken. Niet een man wiens vrouw niet onder zijn gehoor wenst te komen, omdat zij als enige weet, dat hij een mooiprater is. Een beproefde arbeider is een man die zegt wat hij doet en doet wat hij zegt. Beproefde trouw. Als die trouwe arbeider zich presenteert aan God, beeft hij. 8. Zoals Kohlbrugge die vaak op zijn studeerkamer zat te huilen, omdat hij zich een erbarmelijke dienstknecht van God wist, maar die het toch nooit laten kon om aan de mensen de vrije genade van God te verkondigen.

Niet versaagd

Fil. 1 : 20; 1 Joh. 2 : 28

Welnu, zo'n trouwe arbeider wordt niet beschaamd. Dat betekent, dat hij niet gefrustreerd wordt. Als een kind op de basisschool altijd tienen haalt, omdat hij gewoon de beste van de klas is, schaamt hij zich, als hij een keer een acht van de meester krijgt. Onzin natuurlijk. Want een acht is toch zeker prima. Ja, maar dat kind is gaan denken, dat er niemand beter was dan hij. En daarom is hij gefrustreerd en moedeloos als een tien een acht wordt. En dan kan het zelfs gebeuren, dat hij er voortaan met zijn pet naar gaat gooien en alleen maar onvoldoendes haalt.
Een mens wordt beschaamd, als zijn verwachtingen te hoog gespannen zijn. Als hij denkt: Ik ben zowat de beste. Als hij voor een ander niet onder wil doen. En zo lopen er nogal wat geestelijke leidslieden rond, die in hun eigen ogen topprestaties leveren, maar het niet hebben kunnen, dat een collega meer mensen in de kerk heeft dan hij.

'To the point'

1 Kor. 3 : 12vv

Een Gode beproefde arbeider echter wordt niet beschaamd. 9. Hij behoeft de moed nooit te laten zakken. Hij besteed maar eenvoudig de gaven die God hem gaf. En de Heere geeft zegen. Reken daarop.
2 Kor. 6 : 7; Ef. 1 : 13; Kol. 1 : 5v; Jak. 1 : 18

Als hij maar een man mag zijn die het woord der waarheid recht snijdt. Daar komt het op aan. Het Woord der waarheid. Dat is het Woord van een God die de zonde niet door de vingers ziet en het is het Woord van een Zaligmaker die het verlorene opzoekt en thuisbrengt.

Dat Woord der waarheid moet recht gesneden worden. 10. Wat dat betekent? Calvijn denkt bij deze uitdrukking aan een huisvader die het brood (voor de kleintjes ook) van de korsten ontdoet en voorts het inwendige van het brood in parten snijdt en uitdeelt aan zijn gezinsleden. Zo, aldus Calvijn, moet een dienaar des Woords tot het innerlijk van de mens komen. Andere verklaarders denken liever aan het trekken van rechte voren, zoals een boer die ploegt rechte voren trekt. Weer anderen spreken over het aanleggen van een weg door een bos. Rechttoe, rechtaan. Zonder omwegen.
Misschien moeten we inderdaad aan het laatste denken. Het Woord der waarheid recht snijden, houdt dan in, dat we het recht behandelen, zodat er een rechte, begaanbare weg voor de hoorders komt. Het Woord van God rechttoe, rechtaan prediken. 'To the point.' Ook recht op het hart van de mens aan. Wij sturen de mensen het bos in, als we hen niet de bekering prediken en wel de vergeving. Of omgekeerd, als we hen wel de bekering prediken, niet de vergeving. Of als we hen een voorwaardelijk Evangelie prediken en struikelblokken opwerpen tussen Christus en hen.
Laat ons de mensen zeggen - in Gods Naam - dat zij door Gods wederbarende Geest leren moeten `de wereld te verlaten, de oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen' (Doopformulier). Maar laten we hen ook zeggen, dat zij volkomen zalig kunnen worden op kosten van een Ander en dat daar geen nagelschrap van ons aan te pas komt.
En dan komt daar nog één ding bij. Het Woord der waarheid moet gepredikt worden. Maar ook in zijn dagelijkse handel en wandel zal een leidsman van de gemeente een voorbeeld der kudde dienen te zijn. In nederigheid, soberheid, liefde, matigheid, zelfverloochening. Want als dat anders is, kan hij in zijn prediking geen wegen banen tot Gods heil.
En als tenslotte iemand vraagt: `Wie kan er nu eigenlijk zo'n lijdzame en beproefde dienstknecht van God zijn? Wie is tot deze dingen bekwaam?' Dan herinner ik nog één keer aan dat kleine mannetje waarmee ik begon, dat geen last begeerde, aangepast aan zijn draagvermogen, maar een draagvermogen, aangepast aan zijn last. En wie dat begeert, kan uitstekend terecht bij Hem die de Getrouwe is en nooit laat varen het werk dat Zijn hand begon.

Gespreksvragen

1. Het valt op, dat in het NT heel vaak het christen - zijn en vooral ook de dienst in Gods Koninkrijk verbonden wordt met lijden (verdrukkingen, banden). Waarin zou voor ons concreet dat lijden kunnen bestaan? Denk daarbij niet alleen aan de vervolgde of ondergrondse kerk.


2. In vers 12 van 2 Tim. 2 wordt gesproken over: Heersen met Jezus. Wat kan dat betekenen?
3. In vers 14 van de perikoop schrijft Paulus over 'woordenstrijd' in de gemeente. Dat komt ook vandaag voor. Waaraan zou u willen denken?
4. Zij die leiding geven in de gemeente, zijn soms ook wel moedeloos en gefrustreerd. Waar komt dat vandaan? En hoe is dat te voorkomen?
NOTEN
1. Deze uitspraak zou ook van Christus kunnen zijn gezegd. Hij heeft immers ook alles verdragen ter wille van de uitverkorenen. Paulus lijdt in Christus en Christus lijdt in Paulus mee. Het lijden is plaatsvervangend geconcentreerd in de representanten van het heil. In 1 Kor. 1 : 13 echter maakt Paulus duidelijk, dat zijn lijden niet plaatsvervangend kan zijn in de zin van het lijden van Christus.
2. Dat de apostel hier de uitverkorenen noemt, is een bewijs, dat hij zijn missionaire arbeid, hoe wereldwijd van strekking ook, gericht ziet op de eeuwige zaligheid van hen die God als Zijn (bruids-)gemeente heeft uitverkoren.
3. Men zou ook kunnen vertalen: Indien wij begonnen zijn met hem te sterven. Het werkwoord `sterven' staat in de grondtekst in de aoristus-vorm (een handeling als totaliteit, eens begonnen, maar voortdurend). H. Bürki (in Wuppertaler Studienbibel, a.w, S. 58, noot 25) verwijst naar Rom. 6 : 2-8, Kol. 3 : 3 (in Christus gestorven zijn door de doop), naar 2 Kor. 4 : 10v, Rom. 8 : 36, 1 Kor. 15 : 30v, 2 Kor. 7 : 3 (met Christus dagelijks sterven) en naar Mark. 10 : 38v, Luk. 12 : 50, Fil. 2 : 17 en 2 Tim. 4 : 6 (als martelaar straks om Christus' wil sterven). W. Hendriksen (a.w., p. 258) echter wijst er m.i. terecht op, dat in Rom. 6 : 8 over het gestorven zijn met Christus in ons zondaarsbestaan wordt gesproken, terwijl het in de andere teksten over een sterven in de zin van kruis dragen en martelaarschap gaat. En dat is wat anders. Daarom zal de apostel hier vooral het sterven (gestorven zijn) van de kruisdragende christen op het oog hebben.
4. Hier weer een kern van het apostolisch getuigenis en het oerchristelijk belijden zoals in 1 Tim. 1 : 15.
5. 'Diamarturomai' betekent: plechtig betuigen, bezweren.
6. Bij 'woordenstrijd' kunnen we denken aan de wijze van doen van de dwaalleraars (zie 1 Tim. 1 : 4; 6 : 4, 2 Tim. 2 : 23 en Tit. 3: 9). Letterlijk wordt er van deze woordenstrijd gezegd: tot niets nut, tot een katastrofe der hoorders. Sommige handschriften (waarschijnlijk omdat in de twee korte bijzinnetjes het voorzetsel 'epi' eerst met een zelfstandig naamwoord in de vierde naamval en direct daarna met een zelfstandig naamwoord in de derde naamval verbonden is) hebben in het eerste bijzinnetje een ander voorzetsel: `eis' plus vierde naamval.
7. Voor arbeider zie ook: 2 Kor. 11 : 13 en Fil. 3 : 2.
8. Bij `voorstellen' aan God is te denken aan: zich onder de ogen van God als Rechter stellen (vgl. Hand. 27 : 24, Rom. 14 : 10, 1 Kor. 8 : 8).
9. De grondtekst heeft het woord `dokimos'-beproefd, gestaald in het lijden.

10. 'Orthotomeo' betekent letterlijk: in de rechte richting snijden, recht (-lijnig) behandelen, op de rechte wijze weergeven. Vgl. Spr. 3 : 6, 11 : 5 (LXX). De nadruk ligt op: recht. Vgl. Gal. 2 : 14 waar Paulus schrijft over een recht wandelen naar de waarheid van het Evangelie. Voor Woord der waarheid, zie ook Ef. 1 : 13 en Kol. 1 : 5.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina