20 juni 2008 Eerste Kamer



Dovnload 88.82 Kb.
Pagina2/4
Datum20.08.2016
Grootte88.82 Kb.
1   2   3   4

1.3. Aan haar primaire vordering heeft Archon ten grondslag gelegd dat PontMeyer haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet is nagekomen. Volgens Archon omvatte de overeenkomst de garantie dat het verkochte geschikt is voor normaal gebruik, te weten projectontwikkeling, waarbij aan beide partijen bekend was dat het terrein door de koopster zou worden gebruikt voor woningbouw. Als gevolg van de aanwezigheid van asbest in de grond voldoet het verkochte perceel niet aan deze garantie, noch aan de conformiteitseis van art. 7:17 BW.

1.4. PontMeyer heeft verweer gevoerd en een (voorwaardelijke) vordering in reconventie ingesteld(4). Tegen de primaire vordering in conventie heeft PontMeyer, voor zover in cassatie van belang, de volgende verweren gevoerd:


(i) de verkoopster had het onroerend goed als bedrijfsruimte in gebruik (namelijk als terrein t.b.v. een bouwmaterialenhandel); de garantie in art. 5.3 van de koopovereenkomst ziet op het gebruik van het perceel als bedrijfsruimte, niet op het gebruik ten behoeve van projectontwikkeling (woningbouw);
(ii) de vraag of het geleverde aan de overeenkomst beantwoordt, moet worden beoordeeld naar het tijdstip van de levering; ten tijde van de levering op 27 maart 1998 bestond nog geen verplichting tot sanering van asbesthoudende grond, ook niet op grond van de Wet bodembescherming (Wbb);
(iii) PontMeyer betwist dat de bodem op het tijdstip van levering was verontreinigd met asbest; de in 2002 geconstateerde bodemverontreiniging moet wel van een latere datum zijn: mogelijk is zij veroorzaakt tijdens de afbraak van de asbesthoudende opstallen na de levering; daarvoor is de verkoopster niet aansprakelijk.

1.5. Na eerst een comparitie te hebben gelast, is de rechtbank in een tussenvonnis van 26 januari 2005 ingegaan op de primaire vordering en de daartegen ingebrachte verweren. De rechtbank verwierp het verweer onder (i). Mede gelet op de koopprijs, kwam de rechtbank tot het oordeel dat partijen bij de koopovereenkomst het oog hadden op woningbouw en dat het terrein daarvoor geschikt moest zijn (rov. 6.3 Rb).

1.6. Vervolgens is de rechtbank ingegaan op de vraag of de garantie is nagekomen, respectievelijk of het geleverde aan de overeenkomst beantwoordt. De rechtbank stelde vast dat in 1999 op grond van de Wbb geen verplichting bestond om asbesthoudende grond te saneren (rov. 6.6). Dit betekent echter niet dat de aanwezigheid van asbest geen gebrek oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank had op grond van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet wel degelijk gesaneerd moeten worden. De rechtbank vervolgde:
"Ingevolge de artikelen 4.39 en 4.41 van het Arbeidsomstandighedenbesluit was het in 1998 verboden om asbest en asbesthoudende stoffen (...) te bewerken, verwerken of in voorraad te houden. De ratio van deze bepalingen is dat werknemers niet aan de gevaren van asbest mogen worden blootgesteld. Hieruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat Archon de gekochte grond niet had kunnen bebouwen alvorens saneringsmaatregelen te nemen: de bouwvakkers die de geplande woningbouw hadden moeten realiseren, hadden in dat geval immers de asbesthoudende grond bewerkt of verwerkt hetgeen ingevolge het Arbeidsomstandighedenbesluit niet is toegestaan en bovendien ook gevaar zou hebben opgeleverd voor de gezondheid van de betreffende werknemers.
Nu het verkochte conform de koopovereenkomst geschikt moest zijn voor woningbouw, hetgeen impliceert dat werknemers de verkochte grond zonder wezenlijke gezondheidsrisico's moeten kunnen bewerken, levert de aanwezigheid van asbest een gebrek op, waardoor de garantie is geschonden, althans de grond non-conform moet worden geacht." (rov. 6.7 - 6.8 Rb)

1.7. De rechtbank verwierp ook het derde verweer. De rechtbank was van oordeel dat de door PontMeyer gesuggereerde oorzaak van de asbestverontreiniging niet aansluit bij de feiten en dat dit verweer overigens onvoldoende onderbouwd was. Volgens de rechtbank moet ervan worden uitgegaan dat de asbestverontreiniging ten tijde van de levering aan Archon al aanwezig was. Zij achtte PontMeyer voor de schade aansprakelijk is (rov. 6.17 Rb). Tot het verschaffen van inlichtingen over de omvang van de schade heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen.

1.8. PontMeyer heeft, na daartoe verkregen verlof, tussentijds hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 10 augustus 2006 heeft het hof de grieven die betrekking hadden op het eerste en het tweede verweer verworpen. Met betrekking tot het derde verweer heeft het hof PontMeyer toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de asbestverontreiniging eerst is ontstaan na de verkoop en levering van de onroerende zaak aan Archon.

1.9. PontMeyer heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld(5). Archon heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en van haar kant voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Nadat PontMeyer had geconcludeerd tot verwerping daarvan, hebben partijen hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.

2. Inleidende beschouwingen

2.1. In 1977 zijn in Nederland voor het eerst regels gesteld voor de verwerking van asbest. In dat jaar werd het op de Silicosewet(6) gebaseerde Asbestbesluit tot stand gebracht(7). Dit besluit verbood het verspuiten van asbest dan wel asbesthoudende stoffen of producten (art. 3). Daarnaast verbood artikel 4 het bewerken en verwerken van asbest dan wel asbesthoudende stoffen of producten voor thermische isolatie en voor akoestische, conserverende of decoratieve doeleinden. Dat in dit besluit niet een algemeen verbod van het verwerken van asbest was opgenomen, hield verband met de omstandigheid dat voor een aantal toepassingen van asbest in die tijd nog geen alternatief materiaal beschikbaar was. In art. 2 van het besluit was wel een algemeen verbod van blauw asbest (crocidoliet), een van de gevaarlijkste soorten asbest, opgenomen.

2.2. In 1988 is het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet(8) in de plaats getreden van het Asbestbesluit uit 1977. Met dit besluit werd mede uitvoering gegeven aan de Asbestrichtlijn(9). Volledigheidshalve kan nog worden gewezen op het in 1988 in het kader van de I.L.O. tot stand gebrachte desbetreffende verdrag(10).

2.3. In 1991(11) en in 1993(12) is het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet gewijzigd. De wijziging in 1993 strekte mede ter uitvoering van een EG-richtlijn uit 1991(13). In art. 4a van het besluit, zoals gewijzigd in 1993, werd het bewerken, verwerken en in voorraad houden van asbest en asbesthoudende producten in het algemeen verboden; dus niet, zoals voorheen, slechts voor bepaalde doeleinden. De nota van toelichting vermeldt hieromtrent:


"Mede op basis van dit onderzoek kan thans gesteld worden, dat voor het overgrote deel van de bestaande asbesttoepassingen minder schadelijke of onschadelijke alternatieven beschikbaar zijn. Vandaar dat niet meer behoeft te worden volstaan met regelgeving op grond waarvan de blootstelling aan asbest slechts zoveel mogelijk beperkt dient te worden. Het zoveel mogelijk voorkomen van blootstelling aan asbest behoort nu tot de reële mogelijkheden (...) Gelet op het voorgaande wordt het dan ook noodzakelijk en mogelijk geacht om het bewerken, verwerken en in voorraad houden van asbest en asbesthoudende producten in beginsel te verbieden."(14)

Op dit algemene verbod werd in art. 4b een aantal uitzonderingen gemaakt. Het begrip `asbest' is in artikel 1, lid 1 onder a, omschreven als: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten (volgt opsomming). Het begrip `asbesthoudende producten' is in art. 1, lid 1 onder c, omschreven als: producten die een of meer van de onder a genoemde vezelachtige silicaten bevatten.

2.4. In 1993 is ook het Asbest-verwijderingsbesluit(15) in werking getreden. Dit besluit bevatte regels voor het slopen van bouwwerken, waarin asbest aanwezig is, en vereiste daarvoor een sloopvergunning van het college van burgemeester en wethouders.

2.5. Per 1 juli 1997 is het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet ingetrokken en is het - ook op andere activiteiten betrekking hebbende - Arbeidsomstandighedenbesluit in werking getreden(16). In dit besluit is het alinea 2.3 hiervoor besproken verbod, inhoudelijk ongewijzigd, overgenomen in art. 4.41. Op het verbod van art. 4.41 werd een aantal uitzonderingen gemaakt in art. 4.42. Zo bepaalde het eerste lid, aanhef en onder c, van art. 4.42 dat het verbod van art. 4.41 niet gold ten aanzien van de opslag en verwerking van asbesthoudend afval. Zou die uitzondering niet zijn gemaakt, dan zouden nimmer saneringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Wel werden daarvoor arbeidsbeschermende maatregelen voorgeschreven (zie art. 4:42 lid 4, in verbinding met de paragrafen 3 en 4 van afdeling 5). Het tweede lid van art. 4.42 maakte, onder meer, een uitzondering op het verbod van art. 4.41 lid 1 voor: het slopen van gebouwen, constructies, apparaten, installaties en transportmiddelen waarin asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt en het verwijderen van asbest of astbesthoudende producten hieruit. Op die werkzaamheden zijn de arbeidsbeschermende maatregelen van paragraaf 5 van afdeling 5 van toepassing.

2.6. De toelichting op het Arbeidsomstandighedenbesluit vermeldt over het asbestverbod:
"In beginsel is het bewerken, verwerken en in voorraad houden van asbest en asbesthoudende producten verboden. Voor het overgrote deel van de bestaande toepassingen van asbest zijn thans minder schadelijke of onschadelijke alternatieven beschikbaar, zodat de regeling er op is gericht om het blootstellen aan asbest zoveel mogelijk te voorkomen. Asbest is in het verleden op zeer grote schaal toegepast. Dit betekent dat een volledig verbod op het werken met asbest, ook nu er voldoende alternatieven beschikbaar zijn, irreëel is, aangezien er noodzakelijkerwijs nog vele handelingen met asbest moeten plaatsvinden, zoals sloop, verwijdering, transport en afvalopslag, maar ook onderzoek om te bezien of er inderdaad sprake is van asbest. Om die reden zal het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan asbest en het slopen of verwijderen van asbest toegestaan blijven, zij het met toepassing van strenge arbeidshygiënische voorschriften"(17).

2.7. Over de uitzondering van art. 4.42 lid 2 vermeldt de toelichting het volgende:


"Hoewel het slopen of verwijderen van asbest een risico-volle activiteit is, wordt met het uitvoeren van deze activiteiten wel bereikt dat de kankerverwekkende stof asbest uit de Nederlandse samenleving verdwijnt. Dat is dan ook de reden voor de in het tweede lid geformuleerde uitzondering op het verbod om asbest te bewerken. Ook het verrichten van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden blijft toegestaan. Wanneer voor deze werkzaamheden geen uitzondering zou worden gemaakt, zou dit betekenen dat asbest verwijderd of gesloopt moét worden zodra daaraan onderhouds- of reparatiewerkzaamheden worden uitgevoerd. Een dergelijke verwijderings- of sloopplicht wordt, vanwege de daaraan verbonden economische consequenties, ongewenst geacht. Ook zonder dat er sprake is van onderhoud of reparatie kan het noodzakelijk zijn om aanboringen te maken aan al bestaande asbesthoudende leidingen; bijvoorbeeld om een asbesthoudende buis aan te sluiten op, respectievelijk te verbinden met een asbestvrije buis. Hierin voorziet het tweede lid eveneens (onder a)."(18)

2.8. Uit het voorgaande kan alvast de tussenconclusie worden getrokken dat het arbeidsomstandighedenrecht op 27 maart 1998, de datum waarop het perceel in kwestie aan Archon is geleverd, geen bepalingen bevatte die specifiek op de aanwezigheid van asbest in de bodem betrekking hadden. Tussen partijen is in geschil of art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit bouwactiviteiten verbood op met asbest of asbesthoudende producten verontreinigde grond. In het debat in cassatie is ook beroep gedaan op regelgeving en Rijksbeleid, daterend van na de levering, waaraan partijen argumenten ontlenen voor de interpretatie van de regelgeving ten tijde van de levering. Het gaat met name om het volgende.

2.9. In de beleidsregels van de minister van SZW ten aanzien van de Arbeidsomstandighedenwetgeving zijn met ingang van 12 juli 1998 voorschriften opgenomen met betrekking tot het werken met verontreinigde grond(19). Het gaat om de beleidsregels 4.2-2 ("Wijze van beoordelen van blootstelling aan toxische stoffen bij werken in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater") en 4.9-4 ("Doeltreffende beheersing van de blootstelling aan toxische stoffen bij werken in of met verontreinigde grond of verontreinigd grondwater"). Volgens deze beleidsregels is van verontreinigde grond eerst sprake indien de concentratie van bepaalde stoffen, vermeld in de circulaire "Interventiewaarden bodemsanering" van de minister van VROM van 24 mei 1994 (Stcrt. 1994, 95), de streefwaarde zoals vermeld in die circulaire overschreed. Asbest was in deze circulaire niet opgenomen.

2.10. Op 23 juli 2000 zijn gewijzigde beleidsregels in werking getreden. Ook grond waarin zich niet-hechtgebonden asbest bevond in concentraties hoger dan de zgn. 'detectielimiet', of hechtgebonden asbest in concentraties hoger dan 10 mg/kg droge stof, kwam onder de werking van de beleidsregels 4.2-2 en 4.9-4 te vallen. Dit is bekend als de zgn. 'restconcentratienorm'. De toelichting op deze wijziging vermeldt het volgende (cursivering toegevoegd, A-G):


"Voor wat betreft de aanwezigheid van asbest in grond wordt in deze beleidsregel een aanvulling gegeven op de circulaire van VROM. Op basis van de criteria zoals genoemd in deze beleidsregel wordt grond waarin of waarop zich asbest bevindt, hier beschouwd als "verontreinigde grond", terwijl in de circulaire van VROM geen streef- of interventiewaarde is opgenomen. Deze handelswijze vloeit voort uit het gedoogbeleid ten aanzien van met asbest verontreinigde grond, dat Staatssecretaris Hoogervorst in een brief van 2 december 1999 aan de Tweede Kamer heeft gepresenteerd (TK 25 834 nr. 17). Voorheen viel het werken met of in asbest-verontreinigde grond buiten het kader van de beleidsregels 4.2-2 (en 4.9-4). Uitgaande van artikel 4.41 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is het namelijk verboden om asbest of asbesthoudende producten (waaronder asbesthoudende grond) te bewerken, verwerken of in voorraad te houden. Strikt genomen betekent dit dat het afgraven van met asbest verontreinigde grond verboden is. Asbest blijkt in de praktijk echter veelvuldig aangetroffen te worden in of op de bodem van plaatsen waar die bodem niet onaangeroerd kan blijven. Dit heeft als gevolg dat grote hoeveelheden met asbest verontreinigde grond gestort worden of blijven liggen in afwachting van nadere besluitvorming. Aangezien het om grote hoeveelheden grond gaat, de stortplaatsen hier niet op berekend zijn en de kosten van stort zeer hoog zijn, wordt de maatschappelijke weerstand tegen een verplichte stort steeds groter. Uit blootstellingsonderzoek is voorts gebleken dat bij het manipuleren van grond met zeer lage concentraties hechtgebonden asbest (< 10 mg/kg droge stof), geen meetbare blootstelling van de betrokken werknemers aan asbest optreedt. Daarom is besloten, in afwachting van wijziging van een aantal relevante bepalingen over asbest in de Arboregelgeving, om een restconcentratienorm voor hechtgebonden asbest in grond vast te stellen, waaronder grond zonder gezondheidsrisico's be- of verwerkt mag worden. Deze restconcentratienorm zal worden vastgesteld op 10 mg/kg droge stof en komt aldus overeen met het in deze beleidsregel gehanteerde onderscheid tussen schone en verontreinigde grond (voor wat betreft de aanwezigheid van asbest). Dit betekent concreet dat grond met hechtgebonden asbest in concentraties lager dan 10 mg/kg droge stof als schoon beschouwd wordt en er dus geen bijzondere maatregelen gevraagd worden bij het werken met of in dergelijke grond. Grond waarin of waarop zich niet-hechtgebonden asbest bevindt, dat wil zeggen aanwezig is in concentraties hoger dan detectielimiet, is te allen tijde verontreinigd. Voor wat betreft het onderscheid van hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest wordt verwezen naar het Warenwetbesluit asbest, artikel 4 (Stb 1994, 674). Onder niet-hechtgebonden asbest wordt bijvoorbeeld verstaan spuitasbest en asbest gebruikt voor leidingisolatie, waarbij het asbest niet is vervat in een stevige matrix, zoals het geval is bij asbestcement. De monstername en analyse van de grond dient te gebeuren volgens de voorlopige meetmethode "Asbest in bodem", fase 1 en 2 (rapport TNO-MEP-R 96/181 ) of een gelijkwaardige methode. De detectielimiet die deze methode heeft is ongeveer 5 mg/kg droge stof."(20)

2.11. In de aangehaalde brief van 2 (lees: 6) december 1999 had de staatssecretaris de Tweede Kamer ingelicht over de stand van zaken met betrekking tot de restconcentratienorm. De reden voor de introductie van deze norm werd in die brief als volgt toegelicht:


"In bovengenoemde brief(21) is aangekondigd dat de verwijderingsregelgeving zal worden aangescherpt om het risico dat asbest in het te slopen bouwwerk achterblijft te minimaliseren. Maar ook na deze aanscherping en bij zorgvuldig werken, zal het altijd mogelijk blijven dat slooppuin, en dus ook het eruit gefabriceerde puingranulaat, enig asbest bevat. Hergebruik van dergelijk puin vindt jaarlijks in zeer grote hoeveelheden plaats, bij met name de aanleg van wegen. Dit is echter in strijd met de arboregelgeving (asbest-verbod), terwijl dit hergebruik uit oogpunt van het overheidsbeleid tot vermindering van de hoeveelheid afval, maatschappelijk juist zeer gewenst is. Teneinde aan deze strijdigheid een eind te maken, heb ik het voornemen een restconcentratienorm voor hechtgebonden asbest in puingranulaat vast te stellen. Voor hergebruik van asbesthoudende grond geldt eenzelfde problematiek en stel ik een vergelijkbare aanpak voor."(22)

2.12. Verderop in zijn brief ging de staatssecretaris in op de aanwezigheid van asbest in puin en puingranulaat (blz. 2) en de aanwezigheid van asbest in de bodem en de grond (blz. 3). Over dit laatste schreef hij:


"De bodem bevat vaak asbestresten. Deze bevinding wordt steeds vaker bevestigd, als gevolg van meer alertheid bij betrokkenen. Bij stadsvernieuwingsprojecten, maar ook in het landelijk gebied wordt asbest in of op de bodem aangetroffen (...). In verband met het asbestverbod mag asbesthoudende grond uitsluitend worden gestort. Zulks roept maatschappelijk grote weerstanden op, aangezien het om zeer grote hoeveelheden materiaal gaat, stortplaatsen hier qua capaciteit niet op berekend zijn, en de kosten van stort zeer hoog zijn. Inmiddels liggen op tal van plaatsen in Nederland grote hoeveelheden asbesthoudende grond, waarvan de eigenaren in afwachting zijn van nadere besluitvorming. Inmiddels is bij proeven met zuiveringstechnieken, om asbesthoudend materiaal te verwijderen uit de grond, geen asbest in de omgevingslucht vastgesteld. Manipuleren met deze grond leverde dus geen meetbare blootstelling van de betrokken werknemers op. Bovendien bleek geen, tot een zeer lage hoeveelheid asbest aangetoond te kunnen worden in de gezuiverde grond. Om reden hiervan ben ik voornemens een technisch haalbare restconcentratienorm voor asbest in de bodem en in her te gebruiken grond vast te stellen op hetzelfde niveau als de eerder genoemde, voor hechtgebonden asbest in puingranulaat."(23)

2.13. De in 2000 ingevoerde restconcentratienorm (alinea 2.10 hiervoor) is in 2003 versoepeld(24). Met ingang van 1 maart 2003 is ook voor bodemsanering een (non-)interventiewaarde vastgesteld met betrekking tot verontreiniging met asbest(25).

3. Bespreking van het principaal cassatiemiddel

3.1. Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel dat Archon op het door haar gekochte perceel pas bouwwerkzaamheden kon laten verrichten nadat de grond geschoond zou zijn van asbest (rov. 4.5 - 4.5.1). Het gaat hier dus om het verweer, dat in alinea 1.4 onder (ii) is samengevat.

3.2. Subonderdeel 1.a is primair gebouwd op de veronderstelling dat het hof in rov. 4.5 heeft willen verwijzen naar het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet. In dat geval heeft het hof miskend dat het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet reeds met ingang van 1 juli 1997 was ingetrokken en daarom niet bepalend kan zijn voor een saneringsverplichting in de periode na de levering van de onroerende zaak (op 27 maart 1998). Indien het hof een andere regeling dan het ingetrokken Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet voor ogen heeft gehad, is volgens het middel onduidelijk welke regeling.

3.3. De klachten missen feitelijke grondslag. Het hof verwijst in rov. 4.5 naar de artikelen 4.39 en 4.41 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Die artikelen behoorden tot het op 27 maart 1998 geldende recht. Kennelijk als gevolg van een verschrijving wordt verderop in diezelfde overweging melding gemaakt van een op art. 4.41 gebaseerd "Asbestomstandighedenbesluit". Uit niets blijkt dat het oordeel zou zijn gebaseerd op het per 1 juli 1997 ingetrokken Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet.

3.4. De overige klachten van dit onderdeel gaan ervan uit dat het oordeel in rov. 4.5 - 4.5.1 is gebaseerd op art. 4.41 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Subonderdeel 1.b klaagt dat 's hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: ten eerste is grond geen "product" als bedoeld in die bepaling; ten tweede is bij het bouwen van woningen op een perceel grond geen sprake van "bewerken", "verwerken" of "in voorraad houden" van asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in die bepaling.

3.5. Het eerste argument treft geen doel. Het hof heeft niet beslist dat de bodem van het verkochte perceel een "asbesthoudend product" is in de zin van art. 4.41 jo. art. 4.37, lid 1 onder c, Arbeidsomstandighedenbesluit. Dat zou inderdaad moeilijk te verenigen zijn met hetgeen in het spraakgebruik wordt verstaan onder een "product": het voortbrengsel van enig natuurlijk of kunstmatig proces. Zolang de grond ter plaatse blijft liggen en geen bewerking ondergaat, kan mijns inziens niet van een "product" in de zin van deze bepaling worden gesproken.

3.6. Het voorgaande neemt niet weg dat "grond" meermalen is aangeduid als "product": allereerst in de beleidsregels, die in alinea 2.10 hiervoor zijn geciteerd. In de tweede plaats valt te wijzen op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak(26). Die uitspraak had evenwel het oog op hergebruik van grond nadat deze een bewerking heeft ondergaan. De zaak betrof de afwijzing van een verzoek om ontheffing van het in art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit neergelegde verbod ten einde een proefzeving van asbesthoudende grond te kunnen uitvoeren en deze grond, na een gunstig resultaat, te kunnen gebruiken als ondergrond voor een beeldhouwwerk. De appellanten betoogden dat "grond" nimmer kan worden aangemerkt als "product" in de zin van art. 4.41. De Afdeling verwierp die stelling met de volgende motivering:
"Het begrip "product" is in het Besluit niet nader gedefinieerd. Gelet hierop acht de Afdeling het niet onjuist dat de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij de taalkundige betekenis ervan en heeft geoordeeld dat deze zich er niet tegen verzet dat daaronder ook grond wordt verstaan. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank, dat de door appellanten voorgestane uitleg de strekking van het Besluit, dat erop gericht is werknemers te beschermen tegen gevaar voor blootstelling aan asbest, miskent. Het betoog slaagt derhalve niet." (rov. 2.3.1)

3.7. Ook in de aangehaalde beleidsregels is kennelijk gedoeld op het be- of verwerken van grond, die vervolgens wordt hergebruikt als ondergrond voor wegenaanleg e.d.

3.8. Het hof is blijkbaar van oordeel dat sprake is van asbest. De in paragraaf 2 aangehaalde regelgeving maakte aanvankelijk onderscheid tussen "asbest", "asbesthoudende stoffen" en "asbesthoudende producten". In het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet van 1988 zijn de begrippen asbest en asbesthoudende stoffen samengetrokken. Het begrip asbest is daar omschreven als: stoffen welke een of meer van de aldaar genoemde vezelachtige silicaten bevatten. Die omschrijving is overgenomen in art. 4.37 van het in 1997 van kracht geworden (algemene) Arbeidsomstandighedenbesluit. Ik maak hieruit op dat, indien sprake is van een stof welke een of meer van de in art. 4.37 genoemde vezelachtige silicaten bevat, de in art. 4.41, eerste, tweede en derde lid, neergelegde verboden van toepassing zijn(27). Deze interpretatie vindt steun in de in alinea 2.10 aangehaalde beleidsregels, die veronderstellen dat het bewerken of verwerken van met asbest verontreinigde grond ingevolge art. 4.41 van het Arbeidsomstandighedenbesluit verboden is (hetgeen juist aanleiding vormde om later een uitzondering op dit strikte verbod in te voeren teneinde saneringsactiviteiten mogelijk te maken).



1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina