20 juni 2008 Eerste Kamer



Dovnload 88.82 Kb.
Pagina3/4
Datum20.08.2016
Grootte88.82 Kb.
1   2   3   4

3.9. Dan blijft er nog de vraag of het hof heeft mogen aannemen dat het bouwen van woningen op met asbest verontreinigde grond is aan te merken als het bewerken of verwerken van die grond. Partijen zijn hierover verdeeld. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Reeds het aanleggen van een fundering brengt mee dat woningbouw niet kan geschieden zonder grondverzet. Bouwactiviteiten voor woningbouw maken het onontkoombaar dat bouwvakkers de bodem beroeren en (tijdelijk of permanent) grond verplaatsen. Het hof heeft deze activiteit mogen aanmerken als het bewerken van een stof welke een of meer van de art. 4.37 genoemde vezelachtige silicaten bevat. Alleen bij deze uitleg is de beoogde bescherming van de gezondheid van de bouwvakkers gewaarborgd.

3.10. Het andersluidende standpunt van PontMeyer is grotendeels gebaseerd op het argument dat de arbeidsomstandighedenwetgeving op 27 maart 1998 nog geen specifieke regels voor het werken in met asbest verontreinigde bodem bevatte; eerst in de loop van 2000 is asbestverontreiniging onder de desbetreffende beleidsregels van de minister van SZW gebracht (zie rov. 4.4.4 en de alinea's 2.9 - 2.11 hiervoor). Dit argument overtuigt niet. De wijziging van de beleidsregels en de daarop gegeven toelichting wijzen veeleer in de richting dat art. 4.41 een algemeen verbod op het bewerken van asbest bevat, dat de handhaving van dit verbod in de praktijk op problemen stuitte als gevolg van de grote schaal waarop in het verleden asbest is toegepast en dat om die reden behoefte bestond aan een restconcentratienorm: het verbod zou dan niet langer behoeven te worden gehandhaafd indien de verontreiniging beneden die drempel blijft.

3.11. Subonderdeel 1.c wijst op de stellingen van PontMeyer in hoger beroep met betrekking tot de wijze waarop artikel 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit in 1997/98 werd uitgelegd en toegepast. Door deze stellingen zonder nadere motivering te verwerpen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende met redenen omkleed. Het gaat in het bijzonder om de volgende stellingen(28):


(a) Ten tijde van de verkoop en levering van het perceel werd asbest in de bodem nog niet als een probleem beschouwd en bestond nog geen voor met asbest verontreinigde grond relevante wettelijke Arbonorm. Er bestond op dat moment hoogstens een informele norm van 100 mg/kg, welke gold in geval van asbest in (puin)granulaat. Deze norm is voor het onderhavige geval irrelevant.
(b) Eerst per 23 juli 2000 zijn beleidsregels voor de Arbeidsomstandighedenwet in werking getreden waarin onder verontreinigde grond tevens wordt verstaan: grond waarin zich niet-hechtgebonden asbest bevindt in concentraties hoger dan 2 mg/kg droge stof of hechtgebonden asbest in concentraties hoger dan 10 mg/kg droge stof.
(c) Op het asbestverbod geldt een uitzondering daar waar het gaat om het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan asbest dan wel het verwijderen of slopen van asbest. Met inachtneming van strenge arbeidshygiënische voorschriften blijft dit toegestaan. In het onderhavige geval is dat niet aan de orde, nu het enkel gaat om asbest in de grond. Het Arbobesluit bevat eenvoudigweg niets omtrent een grenswaarde in geval van asbest in de grond.

3.12. Blijkens de - compacte - weergave van het standpunt van PontMeyer in rov. 4.4.4, heeft het hof de zo-even onder (a) en (b) genoemde stellingen niet over het hoofd gezien. Het hof heeft deze stellingen weerlegd geacht door hetgeen in rov. 4.5 - 4.5.1 werd overwogen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is voldoende gemotiveerd, waarbij ik aanteken dat een rechtsoordeel niet met vrucht door middel van een motiveringsklacht kan worden aangevallen. Bij de bespreking van het vorige subonderdeel kwam reeds aan de orde dat PontMeyer ten onrechte uitgaat van het ontbreken van een norm in de periode voor 23 juli 2000. Op zichzelf is juist dat eerst per 23 juli 2000 in de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving is opgenomen dat in de beleidsregels 4.2-2 en 4.9-4 onder "verontreinigde grond" ook wordt verstaan: grond waarin zich niet-hechtgebonden asbest bevindt in concentraties hoger dan de detectielimiet of hechtgebonden asbest in concentraties hoger dan 10 mg/kg droge stof. Die beleidsregels hebben evenwel betrekking op de wijze waarop de minister van SZW gebruik maakt van zijn bevoegdheden. Het gaat in de onderhavige zaak evenwel om de vraag of een verbodsnorm bestond voor het door bouwvakkers te verrichten grondverzet in de met asbest verontreinigde bodem van het verkochte perceel. Die vraag kon het hof, om de in rov. 4.5 aangegeven reden, bevestigend beantwoorden.

3.13. De in stelling (c) bedoelde uitzondering, ten tijde van de levering van het perceel opgenomen in art. 4.42 Arbeidsomstandighedenbesluit, is in het bestreden arrest inderdaad niet met zoveel woorden besproken. Daartoe bestond ook geen noodzaak. Het gaat in dit geding om de vraag of het geleverde aan de overeenkomst beantwoordt. Indien het geleverde perceel niet kon worden gebruikt voor projectontwikkeling (woningbouw), omdat het verbod van art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit eraan in de weg staat dat bouwvakkers de met asbest verontreinigde bodem beroeren, kon het hof beslissen zoals het heeft gedaan. De uitzonderingen in art. 4.42, lid 1 onder b en c (respectievelijk: het uitvoeren van laboratoriumonderzoek en de opslag en verwerking van asbesthoudend afval) zijn niet van toepassing op werkzaamheden van bouwvakkers die de grond beroeren ten behoeve van de woningbouw. Overigens zijn, ingevolge het vierde lid van art. 4.42, op de uitgezonderde werkzaamheden de bepalingen van de paragrafen 3 en 4 van toepassing, hetgeen inhoudt dat bijzondere veiligheidsmaatregelen voor het personeel moeten worden getroffen. Zonder die extra maatregelen zou het perceel niet kunnen worden gebruikt voor woningbouw. De uitzonderingen in het tweede lid van dat artikel onder b (kort gezegd: het slopen van gebouwen waarin asbest is verwerkt) zijn aan de orde wanneer de koopster opdracht tot die sloop en die verwijdering geeft en de vraag aan de orde komt of die werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Het hof zag zich geconfronteerd met een andere vraag, namelijk of het de bouwvakkers was toegestaan het voor woningbouw noodzakelijke grondverzet te verrichten indien de bodem met asbest is verontreinigd. Het hof heeft mogen oordelen dat dit op grond van de op 27 maart 1998 geldende arbeidsomstandighedenwetgeving niet is toegestaan zonder dat de grond vooraf is gesaneerd.

3.14. Subonderdeel 1.d klaagt tot slot dat het oordeel ontoereikend gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft vastgesteld welke werkzaamheden in het kader van de voorgenomen woningbouw zouden moeten worden verricht in of met de asbesthoudende grond. Het hof heeft verzuimd om toe te lichten in hoeverre de werknemers bij het uitvoeren van hun werkzaamheden met asbest in aanraking zouden komen. Volgens de klacht klemt dit verzuim te meer, aangezien eerst met de inwerkingtreding van de art. 4.37a en 4.37b van het Arbeidsomstandighedenbesluit per 27 juni 2000(29), gewijzigd per 29 april 2002(30), de passieve blootstelling aan asbest onder de werkingssfeer van de regels met betrekking tot asbest in het Arbeidsomstandighedenbesluit is gebracht. Indien het hof van oordeel is dat art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit reeds in 1997 en 1998 betrekking had op passieve blootstelling aan asbest, is dat oordeel rechtens onjuist volgens de klacht.

3.15. Ook deze klacht faalt. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, is de bestreden beslissing niet gegrond op een verondersteld verbod van passieve blootstelling aan asbest. Het hof heeft klaarblijkelijk het oog op het bewerken van een stof (te weten de grond in de bodem) die een of meer van de in art. 4.37 Arbeidsomstandighedenbesluit genoemde vezelachtige silicaten bevat. Dat is een activiteit waarmee de desbetreffende bouwvakker rechtstreeks aan asbest wordt blootgesteld. Een nadere precisering van de te verrichten werkzaamheden was niet nodig om de beslissing begrijpelijk te doen zijn. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.

3.16. Onderdeel 2 heeft betrekking op de uitleg door het hof van de bedongen garantie. Het gaat om het verweer dat hiervoor in alinea 1.4 onder (i) is samengevat. Het hof heeft de hierop betrekking hebbende derde grief van PontMeyer verworpen (rov. 4.6 - 4.6.7). Het hof is op grond van de door hem aangegeven omstandigheden van oordeel dat de koopster erop mocht vertrouwen dat de garantie inhield dat het perceel bij de levering de feitelijke eigenschappen bezat die nodig zijn voor het gebruik voor het door Archon beoogde gebruik, te weten gebruik voor woningbouw.

3.17. Subonderdeel 2.a bevat de volgende, met elkaar samenhangende klachten:
- door te oordelen dat partijen met "normaal gebruik" in art. 5.3 van de (standaard)overeenkomst het oog hadden op het gebruik van de grond voor woningbouw heeft het hof de in HR 23 december 2005, RvdW 2006, 17 beschreven regels miskend;
- het hof heeft verzuimd bij de uitleg van art. 5.3 van de koopakte tot uitgangspunt te nemen wat naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan onder "normaal gebruik" van de grond en de ten tijde van de verkoop daarop staande bebouwing;
- het hof heeft ten onrechte geen gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de grond met de daarop staande bebouwing ten tijde van de koopovereenkomst in gebruik was als terrein t.b.v. een bouwmaterialenhandel;
- het hof heeft ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan de omstandigheid dat Archon, naar PontMeyer wist althans kon weten, voornemens was om op de grond woningbouw te plegen;
- het hof heeft ten onrechte gewicht toegekend aan de omstandigheid dat in art. 5.3 van de koopovereenkomst uitdrukkelijk is vermeld dat Archon voornemens is het terrein te gebruiken t.b.v. projectontwikkeling en bekend is met de huidige bestemming.

3.18. Het aangehaalde arrest van 23 december 2005(31) betrof de verkoop van een villa. De koper was voornemens om de villa te laten slopen, het perceel te verkavelen en daarop twee geschakelde woonhuizen te laten bouwen. De koper had in de feitelijke instanties aangevoerd dat de verkoper volledig op de hoogte was van dit voornemen. Het hof besliste dat de bekendheid van de verkoper met dit voornemen nog niet inhoudt dat de verkoper garandeert dat de koper een perceel krijgt waarop hij dit voornemen kan verwezenlijken, nu zulk een garantie uit de tekst van de overeenkomst niet viel af te leiden. Het hof overwoog dat onder "normaal gebruik" als bedoeld in art. 5.3, eerste volzin, van de koopovereenkomst niet wordt verstaan: het slopen van het verkochte huis, gevolgd door de nieuwbouw van twee schakelwoningen. De Hoge Raad overwoog naar aanleiding van het door de koper ingestelde cassatieberoep:


"(...) De onderdelen stellen de uitleg van (...) art. 5.3 van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst aan de orde. Die uitleg dient te geschieden met inachtneming van de zogeheten Haviltex-maatstaf (...). Deze brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (...).
In dit licht heeft ten aanzien van de uitleg van een overeenkomst waarbij een bebouwde onroerende zaak is verkocht, het volgende te gelden. Indien partijen bij de schriftelijke vastlegging van hun overeenkomst gebruikmaken van een standaardakte waarin een beding voorkomt dat, zoals art. 5.3 van de standaard NVM-koopakte, als voorgedrukte verklaring van de verkoper bevat dat de verkochte zaak de feitelijke eigenschappen zal bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn, zal uitgangspunt voor de uitleg van dit beding dienen te zijn dat "normaal gebruik" betrekking heeft op wat daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van de grond alsmede van de ten tijde van de verkoop zich daarop bevindende bebouwing. Daaronder valt in beginsel niet de sloop van de bebouwing gevolgd door het gebruik van de grond als bouwgrond.
Dit betekent dat het enkele feit dat in een dergelijk beding naast die voorgedrukte tekst door partijen specifiek is opgenomen dat koper voornemens is van de onroerende zaak gebruik te maken als bouwperceel, niet zonder meer en ook niet in beginsel meebrengt dat de overeenkomst aldus dient te worden uitgelegd dat de verkoper ervoor instaat dat sloop van de zich op dat perceel ten tijde van de verkoop bevindende bebouwing mogelijk en geoorloofd zal zijn.
Het ligt daarom op de weg van de koper feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verkoper in het gegeven geval de hiervoor bedoelde eigenschappen van de verkochte onroerende zaak wel degelijk heeft willen garanderen, of dat de koper daarop in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen, bijvoorbeeld doordat de makelaar die de verkoop heeft begeleid, de verkoper uitdrukkelijk erop heeft gewezen dat deze diende in te staan voor hetgeen achter "normaal gebruik" in de standaardakte werd opgenomen.
Het vorenstaande wordt niet anders indien moet worden aangenomen dat de opstellers van de standaardakte met het hiervoor aangehaalde beding inhoud hebben willen geven aan de term "normaal gebruik" - en de daaraan verbonden rechtsgevolgen - zoals bedoeld in art. 7:17 lid 2 BW. Niet de bedoeling van de opstellers van de standaardakte is immers van belang voor de uitleg van een overeenkomst die schriftelijk is vastgelegd met gebruikmaking van die standaardakte, maar de bedoeling van de contracterende partijen." (rov. 3.6)

3.19. De beslissing sluit aan bij HR 28 november 1997, NJ 1998, 658 (m.nt. WMK onder nr. 657). Die uitspraak betrof de verkoop van een pand, waarvan de verkopers wisten dat de koopster het wilde betrekken in een verbouwing ten behoeve van haar in het aangrenzende pand gevestigde kledingzaak. Na de levering werd olieverontreiniging aangetroffen. Het hof had de verkopers aansprakelijk geacht voor de schade van de koopster. De Hoge Raad verwierp het beroep en overwoog:


"De enkele omstandigheden dat [lees: de verkopers, A-G] bekend waren met de hiervoor bedoelde plannen van [de koopster] en "er rekening mee hadden dienen te houden" dat haar een ambitieuze verbouwing voor ogen stond, waarbij gedeeltelijke sloop van de panden of een ervan niet was uitgesloten, brengen nog niet mee dat [de verkopers] - stilzwijgend - hebben gegarandeerd dat de verkochte zaak voor een zodanige verbouwing zonder belemmering als hiervoor bedoeld geschikt zou zijn. Dit wordt niet anders doordat [de verkopers] met betrekking tot de verkochte zaak niet "enig voorbehoud" hebben gemaakt (...)" (rov. 3.2.2).

3.20. Op het eerste gezicht is er inderdaad verwantschap tussen de zaak van HR 23 december 2005 en het huidige geschil: ook in de huidige zaak gaat het om een beroep van de koper op een garantie in een standaardbeding. Reeds omdat bij pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk een beroep is gedaan op het arrest van 23 december 2005, is niet aannemelijk dat de in dat arrest beschreven regels aan het hof zijn ontgaan. Het hof is echter tot het oordeel gekomen dat in het onderhavige geval voldoende aanwijzingen voor het tegendeel bestaan. Het arrest van 23 december 2005 laat die mogelijkheid open: de Hoge Raad sprak van een "uitgangspunt" voor de uitleg van dit beding, hetgeen impliceert dat de uitleg ook anders kan uitvallen. Volgens de beslissing van de Hoge Raad lag het op de weg van de koper, feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verkoper in het gegeven geval de hiervoor bedoelde eigenschappen van de verkochte onroerende zaak wel degelijk heeft willen garanderen, of dat de koper daarop in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen. Het woordgebruik in het thans bestreden arrest, in de laatste zin van rov. 4.6.5, sluit aan bij deze maatstaf.

3.21. Dan resteert nog de vraag of de door Archon gestelde en door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel kunnen dragen dat zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat PontMeyer de bedoelde eigenschappen van de verkochte zaak heeft willen garanderen (te weten: de geschiktheid van het geleverde voor woningbouw zonder de noodzaak de bodem van asbest te saneren). Naast de omstandigheid dat PontMeyer ermee bekend was, althans ermee bekend kon zijn, dat Archon op het gekochte perceel woningbouw wilde verrichten, welke omstandigheid op zichzelf niet doorslaggevend is, heeft het hof ter verklaring van zijn beslissing in rov. 4.6.4 - 4.6.4 gewezen op de koopprijs die een reële prijs voor woningbouwgrond is. De motivering kan de beslissing van het hof dragen. Het argument van de koopprijs kan moeilijk los worden gezien van de omstandigheid dat het hier gaat om een transactie tussen professionele partijen. Voor het overige berust de beslissing op een waardering van de feiten door de feitenrechter, die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is zij niet.

3.22. Subonderdeel 2.b klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op grond van de omstandigheid dat PontMeyer niet aan Archon te kennen heeft gegeven dat het door Archon voorgenomen gebruik niet onder het in de koopovereenkomst gebezigde begrip "normaal gebruik" gerekend zou kunnen worden, te oordelen dat Archon er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de garantie in de koopovereenkomst inhield dat het perceel de feitelijke eigenschappen bezat die nodig zijn voor het door Archon voorgestane gebruik voor woningbouw. Ten onrechte, aldus het middel, heeft het hof aangenomen dat op PontMeyer een mededelingsplicht rustte ter zake van de kwestie of het door Archon voorgenomen gebruik onder de garantie van art. 5.3 van de koopovereenkomst zou vallen en dat Archon, in geval van schending door PontMeyer van deze mededelingsplicht, ervan uit mocht gaan dat het door haar voorgenomen gebruik daaronder zou vallen. Ter toelichting is aangevoerd dat het hof miskent dat het, gelet op de omstandigheid dat Archon voornemens was om het perceel te gebruiken voor projectontwikkeling ten behoeve van woningbouw in afwijking van het ten tijde van de verkoop bestaande gebruik als terrein ten behoeve van een bouwmaterialenhandel, op de weg van Archon lag om zich ervan te vergewissen dat de garantie van art. 5.3 van de koopovereenkomst op het door haar voorgestane, van het bestaande gebruik afwijkende, gebruik betrekking had.

3.23. De klacht mist feitelijke grondslag. Door in rov. 4.6.5 aan te sluiten bij de wils-vertrouwensleer heeft het hof klaarblijkelijk bedoeld te zeggen dat Archon reeds op grond van de vaststaande feiten ervan mocht uitgaan dat PontMeyer heeft willen garanderen dat het terrein geschikt zou zijn voor woningbouw. In ieder geval is duidelijk dat het hof aansluiting heeft gezocht bij de 'ontsnappingsmogelijkheid' genoemd in rov. 3.6 van het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2005.

3.24. Onderdeel 2.c bevat twee subsidiaire motiveringsklachten. Volgens de eerste klacht is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd door, op grond van de omstandigheid dat PontMeyer wist althans kon weten dat Archon voornemens was om op de grond woningbouw te plegen en de omstandigheid dat PontMeyer Archon niet heeft gewaarschuwd dat dit voorgenomen gebruik niet onder het begrip "normaal gebruik" in art. 5.3 van de koopovereenkomst zou vallen, te beslissen dat het door Archon voorgestane gebruik wèl onder de garantie van art. 5.3 van de koopovereenkomst valt. Volgens de klacht behoeft het door Archon voorgestane gebruik van de geleverde onroerende zaak niet overeen te komen met hetgeen in het algemeen als een normaal gebruik is te beschouwen. Volgens de tweede klacht is het oordeel van het hof bovendien onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, in het licht van de omstandigheid dat het perceel en de daarop staande bebouwing ten tijde van de verkoop in gebruik was als terrein ten behoeve van een bouwmaterialenhandel en dat het door Archon voorgenomen gebruik afwijkt van het bestaande gebruik.

3.25. Aangezien de klachten in het verlengde liggen van de subonderdelen 2.a en 2.b, delen zij het lot daarvan. Zij miskennen dat Archon volgens de kennelijke bedoeling van het hof reeds op grond van de door haar gestelde feiten en omstandigheden, die zijn komen vast te staan, ervan mocht uitgaan dat PontMeyer heeft willen garanderen dat het terrein geschikt zou zijn voor woningbouw en dat dit gebruik in het onderhavige geval als "normaal gebruik" dient te worden aangemerkt.

3.26. De onderdelen 3 en 4 zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8 (alsmede de daaraan ten grondslag liggende rov. 4.7.2 - 4.7.6), dat aannemelijk is - tot het tegendeel is bewezen - dat de asbestverontreiniging is ontstaan vóór de verkoop en levering van het perceel aan Archon. Zij hebben derhalve betrekking op het verweer, dat in alinea 1.4 onder (iii) werd genoemd. Beide onderdelen bevatten alleen motiveringsklachten.

3.27. Onderdeel 3 klaagt dat het hof voorbij gaat aan de essentiële stelling van PontMeyer dat de door Archon gestelde brand in 1974 niet de oorzaak van de asbestverontreiniging kán zijn geweest(32).

3.28. Voor zover het middelonderdeel ervan uitgaat dat het hof in rov. 4.8 het standpunt van Archon dat de asbestverontreiniging is ontstaan door de brand in 1974 juist heeft bevonden, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in het midden gelaten wat de oorzaak van de brand is geweest. Het hof heeft slechts geconcludeerd dat aannemelijk is - tot het tegendeel is bewezen - dat de asbestverontreiniging is ontstaan vóór de verkoop en levering van het perceel aan Archon.

3.29. Archon heeft dienaangaande aangevoerd dat de asbestverontreiniging al in de bodem zat toen zij het perceel kocht en dat de asbest niet door haar toedoen in de bodem terecht kan zijn gekomen(33). Ter toelichting heeft Archon gesteld dat de asbestverontreiniging meerdere oorzaken kan hebben(34). Het afbranden van de asbesthoudende loods in 1974 is slechts één van de door Archon gestelde mogelijke oorzaken. Archon heeft daarnaast als mogelijke verklaring gesteld dat PontMeyer bij de sloop van de loodsen in de periode 1965 - 1978 onzorgvuldig te werk is gegaan en dat PontMeyer op het terrein geruime tijd asbest heeft verwerkt.

3.30. De klacht gaat eraan voorbij dat het oordeel van het hof in rov. 4.8 een voorshands gegeven bewijsoordeel is, gebaseerd op feitelijke vermoedens. Het hof heeft PontMeyer in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren (zie rov. 4.9). Dit stond het hof vrij. Het hof heeft zijn oordeel dat aannemelijk is dat de asbestverontreiniging is ontstaan vóór de levering van het perceel gebaseerd op de volgende omstandigheden (rov. 4.7.4 - 4.7.6):


- Archon heeft na de levering de asbest die zich in de opstallen bevond laten weghalen door gecertificeerde bedrijven;
- andere daartoe bevoegde en gecertificeerde bedrijven hebben de verwijdering van de asbest vervolgens gecontroleerd;
- de saneringswerkzaamheden zijn voortdurend gecontroleerd door ambtenaren van de provincie Drenthe;
- na de inspectie door deze gecertificeerde bedrijven zijn de opstallen waaruit het asbest verwijderd was, gesloopt;
- er is tot op een diepte van 1 meter en in een enkel geval tot op een diepte van 2,5 meter asbest aangetroffen;
- ten tijde van de sloop van de gebouwen was in elk geval nog een gedeelte van de verharding van het terrein aanwezig; zelfs indien geen verharding meer aanwezig was ten tijde van de saneringswerkzaamheden en de sloop van de opstallen, dan wel bij de verwijdering van de verharding asbest op de bodem is gekomen, is onaannemelijk dat door het enkel heen en weer rijden van shovels of vrachtwagens asbest zo diep in de grond is geraakt als waar het is aangetroffen.


1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina