20 juni 2008 Eerste Kamer



Dovnload 88.82 Kb.
Pagina4/4
Datum20.08.2016
Grootte88.82 Kb.
1   2   3   4
Dat het hof hieruit een vermoeden put dat de asbestverontreiniging is ontstaan vóór de levering van het perceel aan Archon, is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

3.31. Onderdeel 4.a betoogt dat hetgeen het hof in rov. 4.7.3 en 4.7.5, tweede deel, overweegt, niet het oordeel kan dragen dat aannemelijk is - tot het tegendeel is bewezen - dat de asbestverontreiniging dateert van vóór de verkoop en levering van het perceel. Volgens de klacht is het oordeel in rov. 4.8 daardoor onvoldoende gemotiveerd.

3.32. In rov. 4.7.3 constateert het hof dat PontMeyer alle aansprakelijkheid voor de asbestverontreiniging heeft afgewezen en te kennen heeft gegeven niet bereid te zijn de verontreiniging te verwijderen. In rov. 4.7.5, tweede deel, stelt het hof vast dat PontMeyer geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zelf saneringswerkzaamheden te (laten) verrichten en dat PontMeyer tijdens de sanerings- en sloopwerkzaamheden geen wensen en/of verzoeken in het kader van die werkzaamheden kenbaar heeft gemaakt. Weliswaar kunnen deze overwegingen op zichzelf de slotsom in rov. 4.8 niet dragen; de andere overwegingen van het hof, met name rov. 4.7.4 in samenhang met het eerste deel van rov. 4.7.5 en rov. 4.7.6, kunnen dat wel. Bij deze klacht mist PontMeyer dan ook belang.

3.33. Onderdeel 4.b richt een motiveringsklacht tegen rov. 4.7.6. Volgens het onderdeel heeft het hof verzuimd in zijn beoordeling te betrekken de stelling van PontMeyer dat de aanwezigheid van asbestmateriaal op de genoemde diepten zich waarschijnlijk eenvoudig laat verklaren doordat dit materiaal bij het slopen terecht is gekomen in diepe gaten en/of sleuven, die ontstaan bij het weghalen van de funderingen van de gebouwen(35).

3.40. Deze klacht faalt reeds omdat het hof in rov. 4.7.6 een overweging ten overvloede heeft gegeven. Het hof gaat in rov. 4.7.6 uit van de veronderstelling dat er geen verharding meer aanwezig was ten tijde van de saneringswerkzaamheden en de sloop van de opstallen, dan wel bij de verwijdering van de verharding asbest op de bodem is gekomen. Eerder, in rov 4.7.4 onder f, heeft het hof overwogen dat ten tijde van de sloop van de gebouwen in elk geval nog een gedeelte van de verharding van het terrein aanwezig was. Deze laatste vaststelling is in cassatie niet bestreden. Het onderdeel faalt bovendien omdat in de feitelijke instanties niet is gesteld dat het asbestmateriaal dat op de genoemde diepten is aangetroffen, uitsluitend is aangetroffen op de plek van de voormalige funderingen.

3.41. De slotsom is dat het principaal cassatiemiddel in alle onderdelen faalt. Hieruit volgt dat het voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep geen bespreking behoeft. Voor het geval dat de Hoge Raad hierover anders oordeelt, volgt een korte bespreking.

4. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

4.1. De klacht in het incidenteel middel heeft betrekking op de vraag of de aangetroffen asbestverontreiniging al aanwezig was op de datum van levering van de onroerende zaak (dus op hetzelfde geschilpunt als waarop de onderdelen 3 en 4 van het principaal cassatieberoep zien). De klacht houdt in dat het hof in rov. 4.7.1 het standpunt van Archon niet juist heeft weergegeven. Onbegrijpelijk is waarop het hof baseert dat Archon zou hebben gesteld dat de asbestverontreiniging is ontstaan door een brand op het terrein in 1974, waarbij asbesthoudende opstallen verloren zijn gegaan. Archon heeft gesteld dat er meerdere mogelijke verklaringen voor de aanwezigheid van asbest in de bodem zijn. Slechts één van die mogelijke verklaringen was de door het hof genoemde. De toelichting op de klacht verwijst naar stellingen van Archon in hoger beroep.

4.2. Voor zover Archon nog belang heeft bij deze klacht - de kwestie kwam reeds aan de orde in alinea 3.29 hiervoor -, stuit zij af op het bepaalde in art. 399 Rv.

5. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de


Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 3 van het bestreden arrest, in verbinding met de feitenomschrijving in het vonnis van de rechtbank, en rov. 4.1 en 4.7.4, hier enigszins verkort weergegeven.


2 Aanvankelijk was ook nog een derde gedaagde in het geding betrokken; deze blijft hier buiten beschouwing. PontEecen N.V. heeft een verklaring ex art. 2:403, lid 1 onder f, BW afgelegd (zie rov. 2 onder p en rov. 6.1 van het rechtbankvonnis).
3 Deze subsidiaire vordering, in cassatie niet aan de orde, blijft verder onbesproken.
4 De vordering in reconventie, in cassatie niet aan de orde, blijft verder onbesproken.
5 In het bestreden arrest heeft het hof op de voet van art. 401a lid 2 Rv verlof verleend tot tussentijds cassatieberoep.
6 Wet van 25 april 1951, Stb. 134, houdende vaststelling van een regeling betreffende het voorkomen en het bestrijden van silicose en andere stoflongziekten.
7 Besluit van 1 april 1977 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Silicosewet, Stb. 1977, 269.
8 Besluit van 22 november 1988 tot vaststelling van nieuwe regels ter bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest, Stb. 1988, 560.
9 Richtlijn 83/477/EEG van de Raad van 19 september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk, PbEG 24 september 1983, L 263/25, nadien gewijzigd door Richtlijn 91/382/EEG van de Raad van 25 juni 1991, PbEG 29 juli 1991, L 206/16.
10 (I.L.O.-) Verdrag van 24 juni 1986, betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest, Trb. 1987, 87, Nederlandse tekst in Trb. 1988, 110.
11 Besluit van 10 december 1991, Stb. 1991, 685.
12 Besluit van 19 februari 1993, Stb. 1993, 135.
13 Zie noot 9.
14 Stb. 1993, 135, blz. 7.
15 Besluit van 28 mei 1993, Stb. 1993, 290, nadien gewijzigd.
16 Besluit van 15 januari 1997, houdende regels in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid, Stb. 1997, 60.
17 Stb. 1997, 60, blz. 349-350.
18 Ibidem, blz. 353.
19 Supplement bij Stcrt. 10 juli 1998, nr. 128.
20 Besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Suppl. bij Stcrt. 21 juli 2000, 139, blz. 109.
21 Bedoeld is een eerdere brief, van 15 december 1998, noot A-G.
22 Kamerstukken II 1999/00, 25 834, nr. 17, blz. 1 - 2.
23 Kamerstukken II 1999/00, 25 834, nr. 17, blz. 3.
24 Besluit van de staatssecretaris van SZW van 9 april 2003, Stcrt. 16 april 2003, nr. 75, blz. 22.
25 Brief van de staatssecretaris van VROM van 17 december 2002, Kamerstukken II 2002/03, 28 600 XI, nr. 81.
26 ABRvS 24 december 2002, LJN: AF2483.
27 Vgl. de s.t. namens Archon, onder 47.
28 Het onderdeel verwijst naar de MvG, onder 18 - 20 en 22, en de pleitnotities van PontMeyer in hoger beroep, onder 12 - 15. 29 Besluit van 4 mei 2000 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels inzake carcinoge agentia, Stb 2000, 210.
30 Besluit van 29 maart 2002 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels inzake chemische en carcinogene agentia, Stb. 2002, 190.
31 Zie over die uitspraak: C.G. Breedveld-De Voogd, Vorm, vrijheid en gebondenheid bij de koop van een woning, diss. RUL 2007, blz. 158 - 166; M.M. van Rossum, Uitleg van het begrip "normaal gebruik" in standaard NVM-akte; notities naar aanleiding van HR 23-12-2005, RvdW 2006, 17, WPNR 6665 (2006), blz. 359 - 363 en R-J. Tjittes, Koop van een woning. Non-conformiteit. Uitleg artikel 5.3 NVM-koopakte, Vermogensrechtelijke annotaties 2006/1, blz. 89 - 103.
32 MvG, onder 28 en 32 - 36.
33 MvA, onder 30.
34 MvA, onder 31.
35 MvG, onder 52.









1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina