2513e zitting van de Raad Economische en financiële zaken Luxemburg, 3 juni 2003



Dovnload 106.5 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte106.5 Kb.


C/03/149

Luxemburg, 3 juni 2003

9844/03 (Presse 140)

2513e zitting van de Raad
- Economische en financiële zaken -
Luxemburg, 3 juni 2003



Voorzitter:

de heer Nikos CHRISTODOULAKIS

Minister van Economische Zaken en Financiën van de Helleense Republiek




INHOUD 1
DEELNEMERS 3

BESPROKEN PUNTEN

STABILITEITS  EN GROEIPACT: TOEPASSING VAN DE PROCEDURE INZAKE BUITENSPORIGE OVERHEIDSTEKORTEN OP FRANKRIJK 5

voorbereiding van de europese raad van thessaloniki (20-21 juni 2003) - verslag van de raad over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 8

FOLLOW-UP VAN DE CONFERENTIE VAN MONTERREY 10

ACTIEPLAN FINANCIËLE DIENSTEN 10

– Halfjaarlijks verslag van de Commissie over het Actieplan Financiële diensten 10

– Richtlijn beleggingsdiensten 11

– Het volgen van de financiële integratie 11

– Verplichte registratie van accountants uit de EU bij de Public Company Accounting Oversight Board van de VS 12

VERZOEK VAN ITALIË MET BETREKKING TOT EEN BESLUIT UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 88, LID 2 13

BELASTINGVRAAGSTUKKEN 13

DIVERSEN 16

– Onderhandelingen met Zwitserland over fraude 16

– Milieuaansprakelijkheid 16



ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

ECOFIN


  • Geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake het verkeer van en de controle op accijnsgoederen * I

EUROPESE AGENTSCHAPPEN *
DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:



België:




de heer Jan DE BOCK

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Denemarken:




de heer Thor PEDERSEN

minister van Financiën

Duitsland:




de heer Wilhelm SCHÖNFELDER

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Griekenland:




de heer Nikos CHRISTODOULAKIS

minister van Economische Zaken en Financiën

Spanje:




de heer Rodrigo DE RATO Y FIGAREDO

tweede vice-minister-president en minister van Economische Zaken

Frankrijk:




de heer Francis MER

minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie

Ierland:




de heer Charlie McCREEVY

minister van Financiën

Italië:




de heer Giulio TREMONTI

minister van Economische Zaken en Financiën

Luxemburg:




de heer Jean-Claude JUNCKER

minister-president, minister van Financiën

de heer Henri GRETHEN

minister van Economische Zaken

Nederland:




de heer Gerrit ZALM

minister van Financiën

Oostenrijk:




de heer Karl-Heinz GRASSER

minister van Financiën

Portugal:




mevrouw Manuela FERREIRA LEITE

minister van Staat, minister van Financiën

Finland:




de heer Antti KALLIOMÄKI

vice-minister-president, minister van Financiën

Zweden:




de heer Brosse RINGHOLM

minister van Financiën

Verenigd Koninkrijk:




de heer Nigel SHEINWALD

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

* * *

Commissie:




de heer Frits BOLKESTEIN

lid

de heer Pedro SOLBES

lid

mevrouw Michaele SCHREYER

lid

* * *

Overige deelnemers:




de heer Philippe MAYSTADT

president van de Europese Investeringsbank

de heer Caio KOCH-WESER

voorzitter van het Economisch en Financieel Comité

de heer Jan Willem OOSTERWIJK

voorzitter van het Comité voor Economische Politiek

de heer Tomasso PADOA-SCHIOPPA

lid van de directie van de Europese Centrale Bank


De regeringen van de toetredende staten waren als volgt vertegenwoordigd:


Tsjechische Republiek:




de heer Zdenĕk HRUBY

onderminister van Financiën

Estland :




de heer Tõnis PALTS

minister van Financiën

Cyprus :




de heer Marcos KYPGIANOU

minister van Financiën

Letland :




de heer Valdis DOMBROVSKIS

minister van Financiën

Litouwen :




mevrouw Dalia GRYBAUSKAITE

minister van Financiën

Hongarije :




de heer Csaba LÁSZLÓ

minister van Financiën

Malta:




de heer John DALLI

minister van Financiën en Economische Zaken

Polen :




de heer Ryszard MICHALSKI

staatssecretaris, ministerie van Financiën

Slowakije :




de heer Ivan MIKLOŠ

vice-minister-president, minister van Financiën

Slovenië :




de heer Dušan MRAMOR

minister van Financiën


BESPROKEN PUNTEN
STABILITEITS  EN GROEIPACT: TOEPASSING VAN DE PROCEDURE INZAKE BUITENSPORIGE OVERHEIDSTEKORTEN OP FRANKRIJK
De Raad nam een besluit aan over het bestaan van een buitensporig overheidstekort in Frankrijk en, met tegenstemmen van Denemarken en Nederland, een aanbeveling aan Frankrijk om het buiten­sporige overheidstekort te verhelpen. Frankrijk besloot deze aanbeveling openbaar te maken.
"AANBEVELING VAN DE RAAD AAN FRANKRIJK om het buitensporige overheidstekort te verhelpen – Toepassing van artikel 104, lid 7, van het Verdrag
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 104, lid 7,
Gezien de aanbeveling van de Commissie overeenkomstig artikel 104, lid 7, en artikel 104, lid 13,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) In de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU) vermijden de lidstaten overeenkomstig artikel 104 van het Verdrag buitensporige overheidstekorten.
(2) Het stabiliteits  en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werk­gelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.
(3) In de resolutie van de Europese Raad van Amsterdam van 17 juni 1997 betreffende het stabiliteits  en groeipact worden alle partijen, te weten de lidstaten, de Raad en de Commissie, dringend verzocht om het Verdrag en het stabiliteits  en groeipact strikt en tijdig ten uitvoer te leggen.
(4) De Raad heeft overeenkomstig artikel 104, lid 6, besloten dat er in Frankrijk een buitensporig tekort bestaat.
(5) Na te hebben besloten dat er in Frankrijk een buitensporig tekort bestaat, geeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 7, van het Verdrag en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 een aanbeveling waarin een termijn van ten hoogste vier maanden wordt bepaald waarbinnen Frankrijk effectief moet optreden om het buitensporige tekort te corrigeren; de Raad stelt 3 oktober 2003 vast als uiterste datum voor de Franse regering om maatregelen te nemen om het bestaan van een buitensporig tekort te verhelpen binnen de bij deze aan­beveling van de Raad vastgestelde termijn.
(6) Artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 schrijft voor dat in de door de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 7, gegeven aanbeveling ook een termijn moet worden bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort, dat binnen het jaar nadat het is geconstateerd verholpen moet zijn.
(7) Overeenkomstig artikel 104, lid 12, van het Verdrag zal een beschikking van de Raad krachtens artikel 104, lid 6, betreffende het bestaan van een buitensporig tekort pas worden ingetrokken indien het buitensporige tekort naar de mening van de Raad is gecorrigeerd; de Raad zal er bij het nemen van besluiten overeenkomstig artikel 104, lid 12, rekening mee houden of de krachtens artikel 104, lid 7, gegeven aanbeveling is opgevolgd.
(8) In januari 2003 heeft de Raad overeenkomstig artikel 99, lid 4, van het Verdrag en artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid zijn goedkeuring gehecht aan een aanbeveling strekkende tot het geven van een vroegtijdige waarschuwing aan Frankrijk ter voorkoming van een buitensporig tekort in 2003 1. In deze aanbeveling stelde de Raad dat "de Franse regering alle passende maatregelen dient te nemen om ervoor te zorgen dat het overheidstekort in 2003 de grens van 3% van het BBP niet over­schrijdt" en dat "de vaststelling van maatregelen om de voor de conjunctuur gecorrigeerde begrotingssituatie met ten minste 0,5 procentpunt van het BBP te verbeteren, niet alleen het gevaar dat het algemene overheidstekort de 3%-grens overschrijdt zou doen afnemen, maar ook zou maken dat vanaf 2003 de weg terug kan worden ingeslagen naar een begroting die nagenoeg in evenwicht is".
(9) In februari 2003 hebben de Franse autoriteiten besloten om met het oog op de beteugeling van de overheidsuitgaven in 2003 een reserve van 4 miljard EUR (0,25% van het BBP) in de staatsbegroting op te nemen, waarvan 1,44 miljard EUR aan uitgaven (0,1% van het BBP) in maart werd geschrapt; bovendien hebben de Franse autoriteiten verschillende maatregelen genomen om de uitgaven voor de gezondheidszorg te beteugelen, zoals een verlaging van het vergoedingspercentage voor bepaalde geneesmiddelen van beperkt medisch nut. Bij de presentatie van hun nieuwe officiële prognose in maart 2003 gingen de Franse autoriteiten voor 2003 uit van een reële BBP-groei van 1,3% en een verbetering van het conjunctuur­gezuiverde overheidssaldo met 0,1 procentpunt van het BBP; in dezelfde prognose werd het Franse overheidstekort voor 2003 op 3,4% van het BBP geraamd.
(10) Volgens de Raad moeten maatregelen ter consolidering van de begroting een duurzame verbetering van het overheidssaldo teweegbrengen en er tegelijkertijd op gericht zijn de kwaliteit van de overheidsfinanciën te bevorderen en het groeipotentieel van de economie te versterken,
BEVEELT AAN:
1. de Franse autoriteiten dienen zo spoedig mogelijk en uiterlijk vóór 2004 een einde te maken aan de huidige buitensporigtekortsituatie, overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad. De Raad stelt 3 oktober 2003 vast als uiterste datum voor de Franse regering om de passende maatregelen hiertoe te nemen;
2. de Franse autoriteiten dienen in 2003 een aanmerkelijk grotere verbetering van het conjunctuurgezuiverde tekort te bewerkstelligen dan thans gepland is;
3. de Franse autoriteiten dienen maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het conjunctuur­gezuiverde tekort in 2004 met 0,5% van het BBP wordt gereduceerd of in nog grotere mate, zodat de cumulatieve verbetering in 2003 2004 voldoende is om het nominale tekort uiterlijk in 2004 onder de 3% te brengen;
4. Frankrijk dient in 2003 de stijging van de algemene bruto overheidsschuld te beperken tot de BBP-verhouding.
Bovendien:
- neemt de Raad nota van de verbintenis van de Franse autoriteiten om de begrotings­consolidatie ook in de jaren na 2004 voort te zetten zoals weergegeven in de bijgewerkte versie van het stabiliteitsprogramma van december 2002, namelijk door middel van een vermindering van het conjunctuurgezuiverde begrotingstekort met ten minste 0,5 procentpunt van het BBP per jaar, ten einde een beslissende stap te zetten in de richting van de verwezen­lijking van de middellangetermijndoelstelling van overheidsfinanciën die vrijwel in evenwicht zijn of een overschot vertonen, en ervoor te zorgen dat de schuldquote wederom een neer­waartse tendens gaat vertonen;
- neemt de Raad nota van de verbintenis van de Franse autoriteiten om de uitgaven in 2003 strikter onder controle houden;
- verheugt de Raad zich over de verbintenis van de Franse regering om de reeds op gang gebrachte hervorming van het pensioenstelsel te voltooien teneinde de duurzaamheid van de over­heidsfinanciën op de lange termijn te waarborgen.
Deze aanbeveling is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Luxemburg,
Voor de Raad 

De voorzitter"

*

* *
"Verklaring van Nederland:




  • In oktober 2002 besloot de Eurogroep om alle landen waarvan de begrotingssituatie niet vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont, te verplichten hun conjunctuurgezuiverd tekort te verminderen met ten minste 0,5% op jaarbasis met ingang van 2003. Voorts kwam de Euro­groep overeen dat landen met een buitensporig tekort meer dan deze 0,5% moeten presteren. Dit akkoord werd door de Europese Raad van maart 2003 bevestigd.




  • In januari jongstleden gaf de Raad ECOFIN op voorstel van de Commissie een vroegtijdige waarschuwing aan Frankrijk. Om te voorkomen dat de drempel van 3% voor het tekort in 2003 zou worden overschreden, drong de Raad er bij Frankrijk op aan zijn conjunctuur­gezuiverd tekort in 2003 met ten minste 0,5% terug te dringen.




  • Sindsdien zijn zowel het structurele als het feitelijke tekort voor 2002 verder verslechterd met een 1/2 tot 3/4% van het BBP en heeft het tekort de grens van 3% overschreden. In het licht van deze ontwikkelingen is Nederland van oordeel dat Frankrijk zijn structureel tekort dit jaar met ten minste 0,5% van het BBP moet terugdringen. Indachtig de inspanningen van Portugal (1,5% van het BBP aan corrigerende maatregelen in één jaar) en Duitsland (1% van het BBP aan maatregelen in 2003), kan Nederland een verschillende behandeling voor Frankrijk niet steunen en heeft het daarom niet voor de door de Commissie voorgestelde aanbeveling gestemd."



voorbereiding van de europese raad van thessaloniki (20-21 juni 2003) - verslag van de raad over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid
De Raad nam zijn verslag aan over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB's) (voor de periode 2003-2005) en besloot het aan de Europese Raad van Thessaloniki (20 juni 2003) voor te leggen.
De GREB's zijn geformuleerd op basis van een aanbeveling van de Commissie die is opgesteld in het licht van de van de Raad Ecofin via zijn kernpuntennota en van de Europese Raad van Brussel ontvangen richtsnoeren.
De GREB's gaan vergezeld van een inleidende nota waarin de aandacht wordt gevestigd op de beleidsprioriteiten met nadruk op de GREB's van dit jaar, en zullen ertoe bijdragen de aandacht van de Europese Raad en het publiek op de kernpunten toe te spitsen.
In deze inleidende nota vestigt de Raad specifieke aandacht op de drie belangrijkste beleids­prioriteiten, namelijk:


  • voorrang voor groei in Europa,

  • hervormingen voor meer en betere banen, en

  • hervorming van de pensioen- en gezondheidszorgstelsels.


Inleidende nota: Versterking van de EU-economie

"Door deze globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB's) aan de staatshoofden en regeringenleiders voor te leggen, willen wij, de ministers van Economische Zaken en Financiën, met name de aandacht vestigen op de drie belangrijkste beleidsprioriteiten voor het komende jaar, te weten: 1) bevorderen van groei, 2) zorgen voor soepeler arbeidsmarkten en 3) de houdbaarheid van onze openbare financiën garanderen. Dit stelt ons ook in staat de Europese burgers er beter van te doordringen dat onze economieën hoognodig moeten worden gemoderniseerd.


Het is van essentieel belang om in onze economieën meer en duurzame groei te verwezenlijken door een passend macro-economisch beleid en structurele hervormingen. De agenda van Lissabon voor economische hervormingen was een stap in de goede richting, maar er moet nog een lange weg worden afgelegd. De hervormingen moeten sneller worden doorgevoerd en onze economieën moeten soepeler worden, zodat zij beter bestand zijn tegen onzekerheid en schokken.
Een tijdige en effectieve uitvoering van de GREB's is van cruciaal belang voor het vertrouwen en de groei. Er is een vitale rol weggelegd voor de Raad ECOFIN en de Euro-groep, die de EU-lid­staten en de Commissie in staat moeten stellen samen toe te zien op de uitvoering door alle beleids­actoren en deze aan te moedigen.
1) Voorrang voor groei in Europa
Gelet op de vooruitzichten inzake economische bedrijvigheid voor dit jaar zien wij een positieve wisselwerking tussen een op groei en stabiliteit gericht macro-economisch beleid en structurele hervormingen als de beste benadering om betere groeiprestaties en een beter groeipotentieel te bewerkstelligen. Prijsstabiliteit, met inbegrip van een ontwikkeling van de arbeidskosten die gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de productiviteit en gezonde overheidsfinanciën zijn een absolute voorwaarde voor het herstel van het ver­trouwen. Daarom moet het juiste evenwicht worden gevonden tussen monetair beleid en begrotingsbeleid, om een platform te kunnen bieden voor de versterking van de binnenlandse vraag, het scheppen van banen en groei. Wij willen het beleidskader uitvoeren dat tijdens de voorjaars­bijeenkomst van de Europese Raad is goedgekeurd.
Naast een gezond macro-economisch beleid moet er méér worden geïnvesteerd in menselijk en fysiek kapitaal, willen wij van Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken. In dit verband moeten de EU en de lidstaten de algemene voorwaarden creëren die investeringen in onderzoek en ontwikkeling en in infrastructuur vergemakkelijken. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat niets de toepassing van technologie in de gehele economie in de weg staat en dat koppelingen tussen de openbare en de particuliere sector een betere benutting van onderzoeksresultaten mogelijk maken. Verder moeten de lidstaten er bij voorrang werk van maken het MKB bij O&O te betrekken, door het aan geïntegreerde projecten te laten deelnemen. De voltooiing van de interne markt is tevens de sleutel tot een groter concurrentievermogen van de industrie, hetgeen de productiviteit en de bedrijfsdynamiek ten goede zal komen. Meer in het bijzonder zal een volledig geïntegreerde financiële markt helpen om besparingen efficiënt naar productieve investeringen te kanaliseren.
2) Hervormingen voor meer en betere banen
Meer werkgelegenheid in Europa vereist vergaande structurele hervormingen. Onze arbeidsmarkten moeten efficiënter, inclusief en aanpasbaar worden, met meer en betere kansen op werk voor ieder­een. Het is hoog tijd dat er iets wordt ondernomen om werken lonend te maken, zodat werk­zoekenden niet worden ontmoedigd door het vooruitzicht uitkeringen te verliezen en meer belastingen te moeten betalen. Voor de meeste lidstaten impliceert dit dat zij de belasting- en uitkeringenstelsels hervormen om de indirecte loonkosten te verlagen, en dat zij het toetreden tot de arbeidsmarkt sterker stimuleren. Door zekerheid te bieden en te voorzien in minimumnormen voor werkenden, moeten wij een evenwicht vinden dat het creëren van werkgelegenheid ten goede komt, door bedrijven in staat te stellen soepel in te spelen op veranderende economische omstandigheden. Een van de centrale doelstellingen is de vergroting van de arbeidsmarktparticipatie, met name van vrouwen, vijftigplussers, laaggeschoolden en langdurig werklozen. Levenslang leren en permanente bijscho­ling zijn de sleutels tot hogere productiviteit en betere banen. Verder moeten wij hechtere samen­werking op het gebied van vaardigheidsnormen in Europa aanmoedigen, zodat kwalificaties en ervaring algemeen worden erkend en mobiliteit wordt vergemakkelijkt.
3) Hervorming van de pensioen- en gezondheidszorgstelsels
Er staan Europa de komende jaren grote demografische veranderingen te wachten, die de overheids­financiën steeds meer onder druk zullen zetten. Om de toekomstige generaties niet met een lood­zware last op te zadelen, moeten de meeste lidstaten niet alleen hun overheidsfinanciën verder consolideren en de werkgelegenheidsgraad verhogen, maar ook nu reeds vergaande hervormingen doorvoeren in hun pensioen- en gezondheidszorgstelsels. De tijd die de demografische situatie nu nog laat om doeltreffende hervormingen geleidelijk door te voeren, verstrijkt snel. Het is van het allergrootste belang dat er hervormingen worden doorgevoerd. Deze kunnen gemakkelijker en met meer succes worden verwezenlijkt, indien zij over een breed front en gecoördineerd worden uitgevoerd."
Gememoreerd wordt dat de richtsnoeren dit jaar voor het eerst zijn opgesteld als onderdeel van een gecoördineerd "richtsnoerenpakket", naast de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Waar van toepassing, wordt in de GREB's voor meer details naar de werkgelegenheidsrichtsnoeren verwezen. In het kader van de stroomlijning zijn de GREB's korter en meer beknopt. Zij spitsen zich toe op de kern­punten van het economisch beleid en de prioriteiten voor een periode van drie jaar. Het aantal algemene richtsnoeren is drastisch beperkt en de landenspecifieke richtsnoeren zijn rond belangrijke uitdagingen voor het economisch beleid georganiseerd. Voor het eerst is een specifieke afdeling over de "eurozone" opgenomen.
FOLLOW-UP VAN DE CONFERENTIE VAN MONTERREY
De Raad nam nota van de ontwikkelingen betreffende de verbintenissen die in maart 2002 in Monterrey zijn aangegaan (Conferentie van de VN over ontwikkelingsfinanciering, met name het percentage van het bruto-nationaal inkomen dat aan overzeese ontwikkelingshulp moet worden besteed met het oog op de langetermijndoelstelling van 0,7%.
Gememoreerd zij dat de Raad Algemene Zaken/Externe Betrekkingen in zijn zitting van 19 20 mei 2003:


  • zijn voldoening heeft uitgesproken over de positieve tendens die merkbaar is in de acties en besluiten van de lidstaten om de in Barcelona aangegane verbintenissen na te komen, en de lid­staten heeft verzocht hun inspanningen in die richting voort te zetten;

  • de Commissie heeft verzocht regelmatig te blijven toezien op, en jaarlijks verslag uit te brengen over de follow-up van de verbintenissen van Monterrey, door in overleg met de lidstaten een verbeterde methode uit te werken teneinde een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de door de EU geboekte vooruitgang te krijgen.


ACTIEPLAN FINANCIËLE DIENSTEN


          1. Halfjaarlijks verslag van de Commissie over het Actieplan Financiële diensten

De Raad nam nota van het achtste halfjaarlijkse voortgangsverslag van de Commissie over het Actieplan Financiële diensten (FSAP).


Het verslag geeft een overwegend positieve beoordeling van de stand van uitvoering van het FSAP, terwijl tegelijkertijd een aantal gebieden wordt aangewezen waarop in de nabije toekomst snelle vooruitgang moet worden geboekt om de termijnen van het actieplan te halen.
Benadrukt wordt dat er nog negen maanden overblijven om de resterende wetgevingsvoorstellen te voltooien zodat het FSAP in 2005 daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. April 2004 is de eind­termijn voor de aanneming van alle maatregelen, indien men voor de omzetting 18 maanden wil uittrekken. De vooruitgang sinds het vorige verslag in december is indrukwekkend: tot nu toe hebben 34 van de 42 oorspronkelijke maatregelen hun beslag gekregen. Er is evenwel een laatste volgehouden inspanning nodig om nog enige belangrijke punten op te lossen en lopende besprekingen af te ronden.
Gememoreerd wordt dat de Commissie tweemaal per jaar (gewoonlijk in juni en december) een voortgangsverslag over de uitvoering van het FSAP indient.


          1. Richtlijn beleggingsdiensten

De Raad nam nota van een verslag van het voorzitterschap over de vooruitgang bij de richtlijn beleggingsdiensten, en kwam overeen dat de besprekingen moeten worden voortgezet teneinde onder het Italiaanse voorzitterschap een akkoord te bereiken.


Gememoreerd wordt dat de Commissie in november 2002 haar voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende beleggingsdiensten en gereglementeerde markten heeft ingediend. Het voorstel beoogt de vaststelling van een geharmoniseerde reeks van beginselen van een hoog niveau van vergunningverlening aan, reglementering van en toezicht op beleggings­ondernemingen en gereglementeerde markten, zodat:
a) er een betere bescherming van beleggers en een grotere marktintegriteit komt; en

b) de bevordering van eerlijke, transparante, efficiënte en geïntegreerde financiële markten kracht wordt bijgezet.


Voorgesteld wordt om deze doelstellingen te bereiken door basisregels op te stellen voor de onder­handelingen over en de uitvoering van transacties in financiële instrumenten in georganiseerde handelssystemen en andere handelsplatforms, met inbegrip van beleggingsondernemingen.


          1. Het volgen van de financiële integratie

De Raad nam nota van een tussentijds verslag over mogelijke indicatoren voor het meten van vorderingen bij het realiseren van economische voordelen, en verzocht het Comité financiële diensten dit verder te bespreken.


Gememoreerd wordt dat de Raad ECOFIN de Commissie in juli 2000 heeft verzocht mogelijke indicatoren voor te stellen voor het meten van vorderingen bij het realiseren van economische voor­delen van een geïntegreerde financiëledienstensector. Naar aanleiding hiervan heeft de Commissie een verslag met een eerste lijst van indicatoren opgesteld.
Met de indicatoren wordt beoogd een periodiek instrument voor beleidsoriëntatie te bieden, teneinde inzicht te krijgen in de leemten van het financiële integratieproces, en prioritaire gebieden voor corrigerend optreden aan te wijzen.
De aanbevolen indicatoren kunnen in drie groepen worden onderverdeeld:
Indicatoren van financiële integratie betreffende de convergentie van rentepercentages en de mate van grensoverschrijdende activiteit;

Indicatoren van efficiëncy betreffende kosteneffectiviteit, winstgevendheid en markt­macht, alsmede

Indicatoren van financiële stabiliteit betreffende consolidatie en sectordoorsnijdende koppelingen.

In verband met de zogenoemde Sarbanes-Oxley-wet, op grond waarvan alle Europese accountants­kantoren zich moeten laten registreren bij de United States Public Company Accounting Oversight Board (US PCAOB - toezichthouder voor de accountantsbranche), nam de Raad de volgende verklaring aan:


"De ministers van Financiën van de Europese Unie zijn ten zeerste gekant tegen de verplichte registratie van accountantskantoren uit de Europese Unie bij de United States Public Company Accounting Oversight Board (PCAOB - toezichthouder voor de accountants­branche).
Registratie bij de PCAOB is een omslachtige, dure en overbodige procedure, omdat in alle EU-lidstaten inmiddels regelgeving op het gebied van beter ondernemingsbestuur en regulering van de accountantsbranche beschikbaar of in voorbereiding is die de beleggers eenzelfde beschermings­niveau biedt als de Sarbanes-Oxley-Wet.
De Europese Unie verzoekt derhalve, haar accountantskantoren conform artikel 106, onder c), van de Sarbanes-Oxley-Wet volledig vrij te stellen van registratie bij de PCAOB.
De ministers constateren dat in de herziene registratieregeling van de PCAOB voor accountants­kantoren rekening is gehouden met een aantal vraagstukken die door de EU en andere betrokkenen elders in de wereld tijdens besprekingen terzake aan de orde zijn gesteld. Dit is positief. De moge­lijke gevolgen van de registratieprocedure voor accountantskantoren bij de PCAOB (bijv. toezicht door de PCAOB op accountantskantoren uit de EU, inspectie door de PCAOB, sancties van de PCAOB en toegang van de PCAOB tot vertrouwelijke accountantsdocumenten in de EU) daaren­tegen zijn, gelet op de aanzienlijke rechtsconflicten die eruit kunnen voortvloeien, onaanvaardbaar. De ministers dringen er bij de SEC (Securities and Exchange Commission – Amerikaanse beurs­commissie) en de PCAOB op aan, deze ontwerp-voorschriften met spoed geheel opnieuw te bezien en een moratorium te aanvaarden om te onderhandelen over een overeenkomst met de EU die gebaseerd zou zijn op toezicht door het land van herkomst – de enige manier om een efficiënt stelsel van overheidstoezicht in te voeren en beleggers te beschermen. De Raad ECOFIN verzoekt de Europese Commissie derhalve de besprekingen met de SEC en de PCAOB namens de Europese Unie voort te zetten."
De Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slowakije en Slovenië sluiten zich bij de verklaring van de Raad aan.
VERZOEK VAN ITALIË MET BETREKKING TOT EEN BESLUIT UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 88, LID 2
De Raad bereikte een politiek akkoord over een ontwerp-besluit van de Raad betreffende de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van steun die de Italiaanse Republiek wil verlenen aan melkproducenten. Denemarken en Ierland onthielden zich van stemming.
Door dit besluit wordt Italië de mogelijkheid geboden de door producenten voor overproductie in het verleden verschuldigde melkheffing zelf terug te betalen en de voorschotten van de producenten terug te vragen. De Italiaanse producenten moeten hun schuld over een periode van 14 jaar zonder rente terugbetalen. De terugbetaling geschiedt volledig in jaarlijkse termijnen van gelijke omvang.
De Raad droeg het Comité van permanente vertegenwoordigers op, de tekst van het besluit bij te werken zodat dit vóór eind juni kan worden aangenomen.
BELASTINGVRAAGSTUKKEN
De Raad nam het belastingpakket aan: daarbij
- nam de Raad de richtlijn van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en de richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten aan in de versie van respectievelijk document 7242/03 FISC 37 + COR 1 (it) + COR 2 (da) en document 5926/3/03 REV 3 FISC 13 + REV 3 COR 1 (it) + REV 4 (da) + REV 4 COR 1 (da) + REV 5 (sv),

- hechtte de Raad zijn goedkeuring aan de resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in het kader van de Raad bijeen betreffende belasting­heffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, in de versie van document 7248/03 FISC 38 + COR 1 (it) en


- nam de Raad nota van de volgende verklaringen voor de Raadsnotulen.
Verklaringen voor de Raadsnotulen:
"TEN AANZIEN VAN DE RICHTLIJN BELASTING OP DE RENTE VAN SPAARGELDEN:
1. De Raad bevestigt dat uitwisseling van informatie op een zo groot mogelijke schaal het uiteindelijke doel van de Europese Unie moet zijn, in overeenstemming met internationale ontwikkelingen.

2. De Raad is van mening dat voldoende waarborgen zijn verkregen met betrekking tot de toe­passing van dezelfde maatregelen volgens dezelfde procedures als de twaalf lidstaten of als Oostenrijk, België en Luxemburg, in alle betrokken afhankelijke en geassocieerde gebieden (de Kanaal­eilanden, het eiland Man, en de onafhankelijke en geassocieerde landen in het Caribisch gebied) en verzoekt de betrokken lidstaten om ervoor te zorgen dat alle betrokken afhankelijke en geassocieerde gebieden die maatregelen zullen toepassen vanaf de datum van inwerkingtreding van de richtlijn, met dien verstande dat indien en wanneer Oostenrijk, België en Luxemburg de automatische informatie-uitwisseling toepassen, elk gebied dat de bronbelasting toe­past ook de automatische informatie-uitwisseling zal toepassen vanaf dezelfde datum als die lidstaten.


3. De Raad verklaart dat hoofdstuk III van de richtlijn, met uitzondering van de artikelen 14 en 15, niet zal gelden voor de nieuwe lidstaten.
4. De Raad verzoekt de Commissie om, in nauwe samenwerking met de voorzitter van de Raad, de onderhandelingen voort te zetten met de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco, het Vorstendom Andorra, en de Verenigde Staten van Amerika, om duidelijk te maken dat uitwisseling van informatie de uiteindelijke doelstelling van de Europese Gemeenschap is, en voor 31 december 2006 aan de Raad te rapporteren over de voortgang van die onderhandelingen.


    5. De Raad verzoekt de Commissie ook tijdens de in artikel 10 van de richtlijn bedoelde overgangsperiode besprekingen te gaan voeren met andere belangrijke financiële centra om ervoor te zorgen dat in deze rechtsgebieden maatregelen worden aangenomen die gelijk­waardig zijn met die welke in de Gemeenschap worden toegepast.

    6. Oostenrijk verklaart dat voor de toepassing van de automatische gegevensuitwisseling en misschien ook voor de toepassing van een bronbelasting van 35% de Oostenrijkse grondwet moet worden gewijzigd. Het akkoord van Oostenrijk met die bepalingen heeft de instemming van het Oostenrijkse Parlement nodig.


TEN AANZIEN VAN DE ONTWERP-OVEREENKOMST MET ZWITSERLAND OVER BELASTING OP DE RENTE VAN SPAARGELDEN:


1. De Raad verklaart dat de door de Commissie op 28 mei 2003 voorgelegde ontwerp-overeen­komst met Zwitserland, met inbegrip van een bepaling over de bevoegde autoriteit in Gibraltar, het eindbod voor een overeenkomst tussen de EU en dit land is.
De vier elementen van deze overeenkomst betreffende de belasting op de rente van spaar­gelden vormen ook de basis voor overeenkomsten tussen de Europese Unie en Liechtenstein, Andorra, Monaco en San Marino.
2. De Raad merkt op dat de Gemeenschap geen exclusieve bevoegdheid heeft om een overeen­komst met Zwitserland te sluiten over de fiscale behandeling van dividenden en interesten en uitkeringen van royalty's, bedoeld in artikel 15 van de ontwerp-overeenkomst. De delegaties besluiten desalniettemin, bij wijze van uitzondering en zonder een precedent te willen scheppen, dat de lidstaten in dit speciale geval hun bevoegdheid niet zullen uitoefenen.
De Raad en de Commissie verklaren dat de uitoefening van communautaire bevoegdheid ten aanzien van artikel 15 van de overeenkomst met Zwitserland de bestaande bilaterale overeen­komsten met andere derde landen onverlet laat, en dat de lidstaten volledig bevoegd blijven om met andere derde landen bilaterale overeenkomsten te sluiten inzake de fiscale behande­ling van dividenden en interesten en uitkeringen van royalty's tussen ondernemingen.
De Nederlandse delegatie verklaart dat het volgens haar vanzelf spreekt dat de lidstaten hun bevoegdheid behouden om in de toekomst gunstiger bilaterale overeenkomsten met Zwitserland te sluiten inzake de fiscale behandeling van dividenden en interesten en uitkeringen van royalty's.
3. De Raad moedigt de Commissie aan om de ontwerp-overeenkomsten met genoemde Europese derde landen in nauwe samenwerking met het voorzitterschap van de Raad zo spoedig mogelijk af te ronden.
TEN AANZIEN VAN DE RICHTLIJN INTEREST/ROYALTY'S:

De Raad en de Commissie komen overeen dat de voordelen van de richtlijn inzake uitkeringen van interest en royalty's niet ten goede mogen komen aan ondernemingen die zijn vrijgesteld van de belas­tingen op inkomsten die onder die richtlijn vallen.


De Raad verzoekt de Commissie de nodige wijzigingen in deze richtlijn tijdig voor te stellen.
TEN AANZIEN VAN DE GEDRAGSCODE:
"De Raad
 verheugt zich over de door de Groep gedragscode (belastingenregeling voor onder­nemingen) gemaakte vorderingen, zoals die zijn weergegeven in het verslag van de Groep (doc. 7018/1/03 FISC 31 REV 1 (en)).
 neemt er nota van dat de beschrijvingen in bijlage 1 bij document 14812/02 FISC 299, als bijgewerkt door de beschrijving in bijlage A bij document 7018/1/03 FISC 31 REV 1 (en), een overeengekomen basis voor de evaluatie van de terugdraaiing vormen.
 neemt er nota van dat de Groep gedragscode de herziene of vervangende maatregelen die door de lidstaten en de afhankelijke en geassocieerde gebieden worden voorgesteld voor de in bijlage C bij document SN 4901/99 vermelde maatregelen, aan de in de gedragscode vast­gestelde criteria heeft getoetst, en, zoals uiteengezet in bijlage B bij document 7018/1/03 FISC 31 REV 1 (en), heeft vastgesteld dat geen van deze maatregelen schadelijk is in de zin van de gedragscode.
 komt overeen dat de voorgestelde herziene of vervangende maatregelen toereikend zijn om alle schadelijke aspecten van de 66 in bijlage C bij document SN 4901/99 vermelde maatregelen terug te draaien.
 stemt in met de verlenging van de voordelen tot na eind 2005, als uiteengezet in de punten 15 en 17 van het verslag van de Groep gedragscode (doc. 7018/1/03 FISC 31 REV 1 (en)) en in punt 10 van de bijlage bij document 5566/03 FISC 8.
 hecht zijn goedkeuring aan de voorstellen voor de uitwisseling van publieke informatie, die zijn gedaan op basis van de besprekingen van de Groep inzake transparantie en informatie-uitwisseling, als uiteengezet in de punten 21 en 22 van document 8848/02 FISC 129.
 hecht zijn goedkeuring aan de voorstellen voor de uitwisseling van informatie in individuele gevallen, die zijn gedaan op basis van de werkzaamheden van de Groep inzake transparantie en uitwisseling van informatie over verrekenprijzen, als uiteengezet in document 11077/02 FISC 208.
 bevestigt zijn verzoek aan de Groep om de standstill en de uitvoering van de terugdraaiing te volgen, en vóór het eind van het jaar verslag uit te brengen aan de Raad."
De Zweedse delegatie verklaart dat de terugdraaiingsvoorstellen betreffende de belasting­maatregelen waarnaar wordt verwezen in de voorbehouden van de Zweedse delegatie bij het verslag van de Groep Gedragscode (7018/03 FISC 31), onvoldoende zijn. Overwegende evenwel het belang van de aanneming van het belastingpakket, kan Zweden de overeenkomst in haar geheel aanvaarden.
De Raad stemt er, gezien de buitengewone omstandigheden, mee in een positief besluit te nemen uit hoofde van artikel 88, lid 2, derde alinea, van het Verdrag, in antwoord op het Belgische verzoek betreffende de Belgische regeling voor de coördinatiecentra. Dit verzoek werd op 26 mei 2003 aan de Raad voorgelegd. De Raad verzoekt het Coreper alle nodige maatregelen te nemen opdat de Raad dit besluit zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór eind juni 2003 kan aannemen.
De Oostenrijkse delegatie herinnert aan de noodzaak van een spoedige aanneming van het verwachte Commissievoorstel betreffende grensoverschrijdende leasing."

DIVERSEN

Na een mondelinge presentatie door Commissielid SCHREYER nam de Raad nota van de stand van zaken bij de lopende onderhandelingen met Zwitserland over fraude.


Gememoreerd wordt dat de EU en Zwitserland thans onderhandelingen voeren over een groot aantal onderwerpen, waaronder de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden, de deelname van Zwitserland aan het Schengen-Dublinacquis en de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschappen en Zwitserland schaden.
Het belangrijkste doel van de EU bij de onderhandelingen over fraude is te zorgen voor een maximale samenwerking tussen de EU en haar lidstaten enerzijds en Zwitserland anderzijds bij de bestrijding van fraude en alle andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de overeenkomstsluitende partijen schaden.


          1. Milieuaansprakelijkheid

Op verzoek van de Franse delegatie hield de Raad een gedachtewisseling over de ontwerp-richtlijn inzake milieuaansprakelijkheid.


Gememoreerd wordt dat de onderhandelingen over deze richtlijn na twee jaar thans een beslissende fase ingaan, kort voor de aanstaande zitting van de Raad Milieu op 13 juni 2003.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

ECOFIN
Geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake het verkeer van en de controle op accijns­goederen *

(Openbare beraadslaging)
De Raad hechtte zijn goedkeuring aan de in tweede lezing door het Europees Parlement voor­gestelde amendementen op een voorstel voor een beschikking betreffende geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake het verkeer van en de controle op accijnsgoederen, waarbij de Ierse en de Britse delegatie tegenstemden en de Luxemburgse delegatie zich van stemming onthield. (doc. 9147/03 ADD 1)
Ingevolge de goedkeuring door de Raad van alle amendementen van het Europees Parlement 1, wordt de beschikking, overeenkomstig artikel 251, lid 3, van het EG-Verdrag, geacht te zijn vast­gesteld in de vorm van het aldus geamendeerde gemeenschappelijk standpunt 2.
Na ondertekening van het wetgevingsbesluit door de voorzitter van het Europees Parlement, de voorzitter en de Raad en de secretarissen-generaal van de beide instellingen, wordt het wetgevings­besluit bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
EUROPESE AGENTSCHAPPEN *

(Openbare beraadslaging)
De Raad stelde vier gemeenschappelijke standpunten vast met betrekking tot de volgende Europese organen:
- het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie  en informatienetwerk

(doc. 8239/03 + ADD 1 + ADD 2)
- de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

(doc. 8240/03 + ADD 1 + ADD 2)
- het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart

(doc. 8241/03 + ADD 1 + ADD 2)
- het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

(doc. 8242/03 ADD 1 + ADD 2)

________________________



1 ▪ Wanneer de Raad verklaringen, conclusies of resoluties heeft aangenomen, wordt dat in de titel van het betrokken punt vermeld. De aangenomen teksten staan tussen aanhalingstekens.

▪ De documenten waarvan het nummer in de tekst wordt genoemd, staan op de internetsite van de Raad http://ue.eu.int.

▪ Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen zijn afgelegd die beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen staat op de bovengenoemde internetsite van de Raad en is ook verkrijgbaar bij de Persdienst.


1 PB L 34 van 11.2.2003.

1 Doc. 8292/03 CODEC 439 FISC 63.

2 PB C 64 E van 18.3.2003, blz. 1.

Internet: http://ue.eu.int/

E mail: press.office@consilium.eu.int

Voor meer informatie: tel. 32 2 285 95 48– 32 2 285 68 08

9844/03 (Presse 149)



NL


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina