27 maart 2009. Koninklijk besluit betreffende de verwarmingstoelage toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in het kader van het Sociaal Stookoliefonds



Dovnload 16.27 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte16.27 Kb.




27 MAART 2009. - Koninklijk besluit betreffende de verwarmingstoelage toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in het kader van het Sociaal Stookoliefonds













Artikel 1. § 1. Het bedrag van de verwarmingstoelage voor de aankoop van een in aanmerking komende brandstof in bulk wordt berekend in functie van de prijs per liter volgens de regel bepaald in paragraaf 2.
  Per verwarmingsperiode kan maximum 1 500 liter in aanmerking komende brandstof in aanmerking genomen worden voor de toekenning van de verwarmingstoelage.
  § 2. De eerste dag van de verwarmingsperiode van ieder jaar worden de referentiedrempel en de bijhorende bedragen van de verwarmingstoelage als volgt aangepast :
  a) men bepaalt een referentiedrempel volgens de volgende formule : 1,30 X de gemiddelde maximumprijs van gasolieverwarming van de laatste vijf kalenderjaren.
  De aldus bekomen referentiedrempel wordt tot op twee decimalen naar beneden afgerond.
  De referentiedrempel wordt enkel aangepast wanneer de afwijking ten aanzien van de vorige referentiedrempel hoger is dan 0,0500 EUR.
  b) Het bedrag van de verwarmingstoelage wordt als volgt bepaald :
  indien de gefactureerde prijs per liter lager is dan de referentiedrempel verhoogd met 0,200 EUR, bedraagt de toelage 14 cent per liter;
  indien de gefactureerde prijs per liter hoger of gelijk is aan de referentiedrempel verhoogd met 0,200 EUR, maar lager dan de referentiedrempel verhoogd met 0,225 EUR, bedraagt de toelage 15 cent per liter;
  indien de gefactureerde prijs per liter hoger of gelijk is aan de referentiedrempel verhoogd met 0,225 EUR, maar lager dan de referentiedrempel verhoogd met 0,250 EUR, bedraagt de toelage 16 cent per liter;
  indien de gefactureerde prijs per liter hoger of gelijk is aan de referentiedrempel verhoogd met 0,250 EUR, maar lager dan de referentiedrempel verhoogd met 0,275 EUR, bedraagt de toelage 17 cent per liter;
  indien de gefactureerde prijs per liter hoger of gelijk is aan de referentiedrempel verhoogd met 0,275 EUR, maar lager dan de referentiedrempel verhoogd met 0,300 EUR, bedraagt de toelage 18 cent per liter;
  indien de gefactureerde prijs per liter hoger of gelijk is aan de referentiedrempel verhoogd met 0,300 EUR, maar lager dan de referentiedrempel verhoogd met 0,325 EUR, bedraagt de toelage 19 cent per liter;
  indien de gefactureerde prijs per liter hoger of gelijk is aan de referentiedrempel verhoogd met 0,325 EUR, bedraagt de toelage 20 cent per liter.

  Art. 2. Het bedrag van de verwarmingstoelage voor de aankoop van huisbrandolie aan de pomp of verwarmingspetroleum (type c) aan de pomp bedraagt 210 EUR per verwarmingsperiode.

  Art. 3. De toekenning van een verwarmingstoelage voor één van de brandstoffen als bedoeld in artikel 1, sluit de toekenning van een verwarmingstoelage voor één van de brandstoffen als bedoeld in artikel 2, uit, en omgekeerd.

  Art. 4. Wanneer de factuur meerdere woongelegenheden betreft, worden de per woongelegenheid aan te rekenen liter berekend met de volgende formule :


  het totaal aantal liter in aanmerking komende brandstof/het aantal woongelegenheden in het gebouw waar de factuur betrekking op heeft.

  Art. 5. § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gaat op basis van een sociaal onderzoek na of alle voorwaarden vervuld zijn.


  § 2. De aanvrager moet ten minste de volgende bewijsstukken aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voorleggen :
  a) zijn identiteitskaart en in voorkomend geval, van de persoon die in zijn naam de aanvraag indient;
  b) de factuur bij levering van een in aanmerking komende brandstof;
  c) indien hij in een gebouw met meerdere woongelegenheden woont, een bewijs van de eigenaar of beheerder van het gebouw waarin hij het aantal van de woongelegenheden vermeldt waarop de factuur betrekking heeft.
  § 3. Met het oog op het verifiëren van de bedragen voorzien in artikel 251 van de programmawet van 22 december 2008, hebben de openbare centra voor maatschappelijk welzijn elektronische toegang tot de gegevens van de federale overheidsdienst Financiën. Bij gebreke van deze gegevens, moet het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten minste volgende bewijsstukken opvragen :
  1° voor de eerste categorie van verbruikers met een laag inkomen zoals omschreven in artikel 251, § 1, 1°, van voornoemde wet :
  a) een bewijsstuk van het ziekenfonds waarin het attesteert dat een persoon die deel uitmaakt van het huishouden van de verhoogde tegemoetkoming in de zin van artikel 251 de programmawet van 22 december 2008;
  b) het meest recente aanslagbiljet van alle leden van het huishouden of, in geval het sociaal statuut of het inkomen gewijzigd is : de meest recente loonfiche of het meest recente bewijs van een ontvangen sociale uitkering. Bij gebreke hiervan, ieder bewijsstuk op basis waarvan het huidige bruto belastbaar inkomen op jaarbasis kan worden berekend.
  2° voor de tweede categorie van verbruikers met een laag inkomen zoals omschreven in artikel 251, § 1, 2°, van voornoemde wet :
  a) het meest recente aanslagbiljet van alle leden van het huishouden of, in geval het sociaal statuut of het inkomen gewijzigd is : de meest recente loonfiche of het meest recente bewijs van een ontvangen sociale uitkering. Bij gebreke hiervan, ieder bewijsstuk op basis waarvan het huidige bruto belastbaar inkomen op jaarbasis kan worden berekend;
  b) het meest recente aanslagbiljet van de onroerende voorheffing van alle leden van het huishouden.
  3° voor de derde categorie van verbruikers met een laag inkomen zoals omschreven in artikel 251, § 1, 3°, van voornoemde wet :
  hetzij de beschikking van toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling, als bedoeld in artikel 1657/6 van het Gerechtelijk Wetboek, uitgesproken ten opzichte van een lid van het huishouden; hetzij een attest van de persoon of de instelling als bedoeld in artikel 67 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, die de schuldbemiddeling verricht ten aanzien van een lid van het huishouden.

  Art. 6. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn maken de afgesloten rekeningen elektronisch over aan de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie. Deze rekeningen vermelden de volgende gegevens :


  1° de lijst van de begunstigden van de verwarmingstoelage. Deze lijst vermeldt :
  a) de naam van de begunstigden van de verwarmingstoelage;
  b) het adres van de hoofdverblijfplaats van de begunstigden;
  c) het bedrag van de verwarmingstoelage die aan elke begunstigde werd toegekend;
  d) de gebruikte in aanmerking komende brandstof;
  e) het leveringsadres van de in aanmerking komende brandstof dat moet overeenstemmen met het adres waar de begunstigde zijn hoofdverblijfplaats heeft.
  2° het totaal aantal begunstigden van de verwarmingstoelage en het volledige bedrag van alle verwarmingstoelagen die werden toegekend.

  Art. 7. Het koninklijk besluit van 9 januari 2005 tot het bepalen van de nadere regels voor de toekenning van de verwarmingstoelage in het kader van het Sociaal Stookoliefonds wordt opgeheven.

  Art. 8. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.

  Art. 9. Onze Minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie is belast met de uitvoering van dit besluit.


  Gegeven te Brussel, 27 maart 2009.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Maatschappelijke Integratie,
  Mevr. M. ARENA







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina