3 Algemene achtergrond 1 Europees 1 Havens en mer-plicht



Dovnload 181.99 Kb.
Pagina1/5
Datum17.08.2016
Grootte181.99 Kb.
  1   2   3   4   5




3. HAVENS EN VLAREM

3.1. Algemene achtergrond

3.1.1. Europees

3.1.1.1. Havens en mer-plicht

1. In Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten1 zijn ‘Zeehandelshavens alsmede waterwegen en havens voor de binnenvaart, bevaarbaar voor schepen van meer dan 1350 ton’ opgenomen in Bijlage I, punt 8 bij deze richtlijn als projecten die aan milieu-effectboordeling onderworpen zijn.


De ‘aanleg van (…) havens (met inbegrip van visserijhavens) (projecten die niet zijn opgenomen in Bijlage I)’ is als ‘infrastructuurproject’ opgenomen in Bijlage II, punt 10, d) bij de richtlijn als project dat aan milieu-effectbeoordeling kan worden onderworpen wanneer de Lidstaten van oordeel zijn dat de kenmerken van het project dit noodzakelijk maken.

2. In Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten2 zijn ‘Waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1350 ton’ en ‘Zeehandelshavens, met het land verbonden en buiten havens gelegen pieren voor lossen en laden (met uitzondering van pieren voor veerboten) die schepen van meer dan 1350 ton kunnen ontvangen’ opgenomen in Bijlage I, punt 8 bij deze richtlijn, als een project dat aan milieu-effectbeoordeling onderworpen is.


De ‘aanleg van (…) havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens (niet onder bijlage I vallende projecten)’, alsook de ‘aanleg van waterwegen (projecten die niet zijn opgenomen in Bijlage I, werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen ( = floodrelief werken)’ zijn als ‘infrastructuurprojecten’ opgenomen in Bijlage II, punt 10, e) en f) bij de richtlijn als project waarvoor de Lidstaten door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door de Lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria bepalen of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een milieu-effectbeoordeling.3


3.1.1.2. Havens en vergunningsplicht

1. Artikel 2, lid 1, Richtlijn 85/337/EEG luidde als volgt: ‘De Lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.’


In artikel 1, lid 2, Richtlijn 85/337/EEG werd/wordt het begrip ‘project’ gedefinieerd als:


  • de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken

  • andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten

Het begrip ‘vergunning’ werd/wordt in artikel 1, lid 2, Richtlijn 85/337/EEG, omschreven als:


Het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren
Artikel 6, lid 1, Richtlijn 85/337/EEG bepaalde op het vlak van de adviesverlening naar aanleiding van de vergunningsprocedure:
De Lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheid inzake het milieu, met het project te maken kunnen krijgen, de mogelijkheid hebben advies uit te brengen over de aanvraag voor een vergunning. Te dien einde wijzen de Lidstaten in het algemeen of per geval bij de indiening van de vergunningsaanvragen de te raadplegen instanties aan. Deze worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. De wijze waarop deze raadpleging plaatsvindt, wordt door de Lid-staten vastgesteld.’

2. De inhoud van artikel 2, lid 1 Richtlijn 85/337/EEG werd door Richtlijn 97/11/EG als volgt gewijzigd:


De Lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden, alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.’
De inhoud van artikel 6, lid 1, Richtlijn 85/337/EEG werd door Richtlijn 97/11/EG als volgt gewijzigd:
‘De Lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheid op milieugebied met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag om een vergunning. Te dien einde wijzen de Lidstaten in het algemeen of per geval de te raadplegen instanties aan. Deze worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. De gedetailleerde regeling van deze raadpleging wordt door de Lidstaten vastgesteld.’


3.1.2. Vlaams

1. De Europese Richtlijn 85/337/EEG werd op het punt van de havens in het Vlaamse Gewest geïmplementeerd in het Besluit dd. 23 maart 1989 van de Vlaamse Regering houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen waarvoor een milieu-effectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning.4


Zo is in artikel 2 van het Besluit van 23 maart 1989 van de Vlaamse Regering bepaald: ‘Voor de volledigheid van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning dient voor volgende categorieën van projecten, voor zover dit project of een gedeelte ervan het voorwerp van een vergunning moet uitmaken in uitvoering van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw een milieu-effectrapport opgesteld: 5° aanleg en/of ingrijpende wijzigingen van zeehandelshavens alsmede waterwegen en havens voor de binnenvaart, bevaarbaar voor schepen van meer dan 1350 ton’.
Opgemerkt moet worden dat bij de implementatie via het Besluit van 23 maart 1989 van de Vlaamse Regering een combinatie is gemaakt van de in Bijlage I en Bijlage II bij de Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten: het woord ‘aanleg’ is toegevoegd aan het project ‘Zeehandelshavens alsmede waterwegen en havens voor de binnenvaart, bevaarbaar voor schepen van meer dan 1350 ton’. Het gaat bovendien niet uitsluitend om ‘aanleg’ maar ook om ‘ingrijpende wijzigingen’.
In 1989 was men in het Vlaamse Gewest klaarblijkelijk de mening toegedaan dat ook met het in Bijlage I bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde project ‘Zeehandelshavens alsmede waterwegen en havens voor de binnenvaart, bevaarbaar voor schepen van meer dan 1350 ton’ niet anders kon zijn bedoeld dan de ‘aanleg’ van de genoemde havens en waterwegen, dit naar analogie met wat terzake havens in Bijlage II bij Richtlijn 85/337/EG was bepaald.

Het in artikel 6, lid 1, Richtlijn 85/337/EEG opgelegde advies over de vergunningsaanvraag (in casu over de aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning) door een ‘instantie die op grond van haar specifieke verantwoordelijkheid inzake het milieu met het project kan te maken krijgen’ lijkt te zijn geïmplementeerd door de in het Besluit dd. 23 maart 1989 van de Vlaamse Regering opgenomen bepalingen terzake de conformverklaring van het milieu-effectrapport door een gespecialiseerd milieu-overheidsorgaan (het Bestuur voor Leefmilieu van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu van de Diensten van de Vlaamse Regering, thans de cel MER).5


In laatstgenoemd verband rijst de vraag of de procedure van conformverklaring van het milieu-effectrapport door de cel mer wel degelijk kan worden beschouwd als het in Richtlijn 85/337/EEG en in Richtlijn 97/11/EG gevraagde ‘advies over de vergunningsaanvraag’ door een ‘instantie die op grond van haar specifieke verantwoordelijkheid inzake het milieu met het project kan te maken krijgen’.
Het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 werd op vandaag op geen van de genoemde punten door de Europese Commissie in vraag gesteld.6

2. In 1999 is men in het Vlaamse Gewest tot het besluit gekomen om de reeds naar aanleiding van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag aan mer-plicht onderworpen havens ook aan de milieuvergunningsplicht te onderwerpen.


Hoewel op het vlak van de (zeehandels)havens geen wezenlijk verschil lijkt te bestaan tussen de formulering opgenomen in de (reeds via het Besluit dd. 23 maart 1989 van de Vlaamse Regering geïmplementeerde) Richtlijn 85/337/EEG en Richtlijn 97/11/EG, werd op het punt van de havens klaarblijkelijk een verdere implementatie van Richtlijn 97/11/EG noodzakelijk geacht.7
Ingevolge het Besluit dd. 12 januari 1999 van de Vlaamse regering (B.S. 11 maart 1999) wordt de reeds langer in de indelingslijst van hinderlijke inrichtingen (i.e. Bijlage 1 bij Vlarem I) opgenomen rubriek 48 ‘Zeehavengebieden’ uitgebreid tot een nieuwe rubriek 48 ‘Zeehavengebieden en havens’, met de volgende twee nieuwe subrubrieken:


  • Subrubriek 48.2. heeft betrekking op ‘Zeehandelshavens, met het land verbonden en buiten havens gelegen pieren voor lossen en laden (met uitzondering van pieren voor veerboten) die schepen van meer dan 1350 ton kunnen ontvangen’




  • Subrubriek 48.3. heeft betrekking op ‘Havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens, 1° voor schepen van 1.000 tot 1.350 ton en 2° voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1.350 ton’

3. Het mag daarbij opmerkelijk heten dat de introductie van de milieuvergunningsplicht voor zeehavens, die haar rechtvaardiging klaarblijkelijk vindt in de zogenaamde implementatie van de Europese mer-richtlijn 97/11/EG, nochtans niet gepaard ging met een – in deze redenering nochtans evidente – wijziging van het besluit dd. 23 maart 1989 van de Vlaamse regering houdende organisatie van de milieu-effectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen.8


De exploitatie van een (zeehandels)haven is met andere woorden op basis van de Europese mer-richtlijn 97/11/EG milieuvergunningsplichtig, maar niet mer-plichtig geworden.9

4. Opgemerkt moet ook worden dat, niettegenstaande ook de ‘(aanleg van) waterwegen’ uitdrukkelijk wordt/worden genoemd in Richtlijn 85/337/EEG en in Richtlijn 97/11/EG, dit binnen het Vlaamse Gewest op vandaag niet heeft doen besluiten tot een milieuvergunningsplicht resp. een mer-plicht voor de ‘exploitatie’ van de waterwegen.


Deze vaststelling doet de vraag rijzen of niet én voor waterwegen én voor havens een keuze moet worden gemaakt tussen de hiernavolgende standpunten:
ofwel moet uit de gelijktijdige vermelding van ‘waterwegen’ en ‘havens’ in Bijlage I bij Richtlijn 85/337/EEG en Richtlijn 97/11/EG alsook uit de vermelding van de ‘aanleg van niet onder Bijlage I vallende waterwegen en havens’ in Bijlage II bij Richtlijn 85/337/EEG en Richtlijn 97/11/EG worden afgeleid dat de mer-plicht voor de waterwegen, net als de mer-plicht voor de (zeehandels)havens, enkel zinvol kan worden gekoppeld aan de aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning voor de ‘aanleg’, nu bezwaarlijk kan worden gesproken van een (milieuhygiënisch relevante) ‘exploitatie’ van een waterweg, evenmin als van een (milieuhygiënisch relevante) ‘exploitatie’ van een haven (zie ook infra).
Dit laatste impliceert dat de introductie van de milieuvergunningsplicht voor (zeehandels)havens in het Vlaamse Gewest niet (langer) kan worden gerechtvaardigd door een verwijzing naar een verplichte implementatie van Richtlijn 97/11/EG, en dat niet naar deze richtlijn kan worden verwezen om te stellen dat voorafgaandelijk aan de milieuvergunningsaanvraag voor een (zeehandels)haven een mer moet worden opgemaakt.
ofwel moet uit de vermelding van ‘waterwegen’ in Bijlage I bij Richtlijn 85/337/EEG en bij Richtlijn 97/11/EG en uit de afwezigheid van de vermelding van het woord ‘aanleg’ worden afgeleid dat voor de exploitatie van de ‘waterwegen’, net als voor de exploitatie van de (zeehandels)havens, een milieuvergunningsaanvraag en een daaraan voorafgaand milieu-effectenrapport dient te worden opgemaakt.
Het antwoord op deze (vooralsnog open) vraag is niet zonder belang, nu in laatstgenoemde hypothese derden-belanghebbenden op vandaag, onder verwijzing naar de mer-richtlijnen, gerechtelijke akties kunnen ondernemen tegen de exploitanten van de waterwegen, die geen mer (lees: geen milieuvergunning annex mer) kunnen voorleggen.

5. Gelet op het bovenstaande moet worden besloten dat het, louter tekstueel, niet zonder meer evident is te stellen dat de in het Vlaamse Gewest ingevoerde milieuvergunningsplicht voor (zeehandels)havens gerechtvaardigd wordt door een noodzaak tot implementatie van mer-Richtlijn 97/11/EG.



6. Zonder op dit moment te (kunnen)10 verwijzen naar de details van de desbetreffende wetgeving van elk van de overige EG-Lidstaten, kan wel worden vermeld dat een mondelinge rondvraag bij correspondenten leert dat geen enkele EG-Lidstaat tot de milieuvergunningsplicht voor zeehavens blijkt te hebben besloten, en dat de mer-plicht voor zeehavens in alle EG-Lidstaten aan de vergunning voor de aanleg en/of ingrijpende wijziging van de zeehaven blijkt te zijn gekoppeld11, net zoals dit in het (vooralsnog12) huidige artikel 2 van het Besluit dd. 23 maart 1989 van de Vlaamse Regering het geval is.
Een onderzoek van de Franse, Duitse en Nederlandse milieuvergunningenwetgeving bevestigt dit gegeven. In Nederland wordt de afwezigheid van milieuvergunningsplicht voor zeehavens bijkomend gemotiveerd vanuit de kwalificatie als openbare weg/terrein/water, wat neerkomt op wat in ons rechtsstelsel onder ‘openbaar domein’ wordt verstaan. Hoewel de vraag van de eventuele nood aan een milieuvergunningsplicht voor zeehavens bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Nederlandse Raad van State nog niet expliciet aan de orde is geweest, wordt de huidige afwezigheid van milieuvergunningsplicht voor zeehavens in Nederland (mede) gerechtvaardigd onder verwijzing naar de reeds gevestigde rechtspraak dat milieubelastende activiteiten die op openbare weg/terrein/water worden verricht niet als ‘inrichting’ kunnen worden aangemerkt omdat geen (exclusieve) aanspraak bestaat op het betreffende terrein/water.13,14


3.2. Overzicht en evaluatie van milieurelevante wetgeving van toepassing op potentieel hinderlijke havenactiviteiten




  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina