3. De Reformatie De kerk en parochie ná 1795



Dovnload 42.53 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte42.53 Kb.
De Martinuskerk en de Pastorie
1. De voorgeschiedenis
2. De Middeleeuwse oorsprong
3. De Reformatie
4. De kerk en parochie ná 1795
5. De stichting van de parochie van H. Martinus in 1854
6. De Tepekerk uit 1877
7. Pastoor Felix Roelofs
8. Pastoor Johannes Brugman (1874-1961)
9. De verwoestingen tijdens de oorlog
10. De na-oorlogse tijd
11. Lijst van parochieherders


1. De voorgeschiedenis

Pannerden rond het jaar duizend bestond uit een curtis of hof van de landheer (Heuekelomshof), een kerkje met woning voor de paap, waarschijnlijk een molen en een aantal huisjes van de horige boeren.

Vanuit Emmerich heeft ten tijde van Willebrord en zijn gezellen de kerstening van deze streken plaats gevonden. In die tijd, in ieder geval vóór 1000 was er al een houten kerkje in Pannerden. Ze stond op een fundering van zwerfstenen en de wanden bestonden uit vlechtwerk, bestreken met leem.

2. De Middeleeuwse oorsprong

Tot ongeveer 1300 bouwde men ook al stenen kerkjes van tufsteen in Romaanse stijl, dikke muren, kleine ronde boogvenster en met een betrekkelijk lage toren. Zo moet ook de kerk van Pannerden er uit gezien hebben. Bij de restauratie in 1967 ontdekte men de resten van die oude tufstenen toren. In de 14e en 15e eeuw moeten er belangrijke bouwkundige veranderingen zijn aangebracht. Waarschijnlijk werd de kerk te klein voor de groeiende bevolking. De Romaanse toren is dezelfde maar de rest van de kerk werd daarna opgetrokken van baksteen in gotische stijl.



3. De Reformatie

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) heeft met de Staatse Opstand ook de Reformatie in Pannerden gebracht. De gevechten spitsten zich toe op de beheersing van het splitsing van Rijn en Waal, waar in 1588 door Maarten Schenk van Nydeggen een fort (Schenkenschans) werd gebouwd. Toen de Staatsen hier de overhand kregen, werd het Calvinisme tot staatsgodsdienst verklaard en de kerken overgenomen. Altaren, beelden, schilderingen werden verwijderd, alleen de preekstoel bleef staan. De katholieke eredienst werd middels plakkaten verboden. Dat moet voor Pannerden rond 1600 zijn geweest. In 1601 werd ds. Johannes Rougius, afkomstig van Herwen in Pannerden benoemd. Omstreeks 1624 werd Pannerden gecombineerd met Doornenburg.

De Reformatie had toen echter haar wervende kracht verloren en de overgrote meerderheid van de Pannerdense gemeenschap bleef de Moederkerk trouw. Voor hun zielenheil gingen zij naar Hulhuizen en ook hebben ze geruime tijd gebruik gemaakt van een schuilkerk op de Pannerdense waard. Deze werd bediend vanuit Hulhuizen. Enige namen zijn ons gebleven, zoals die van pastoor Immerman, die in de Pannerden de zielzorg uitoefende. En nam hem Rutger Bebber en kapelaan N. Ceulken. Pastoor De Bebber kreeg een meningsverschil met rentmeester Frans van der Veecken, die op ‘Boddestede’ woonde, en die liet toen dit kerkenhuis sluiten. Na drie jaar, in 1743 werd het weer geopend. Deze gedoogde schuurkerk stond op een perceel dat ‘den Insel’ (kadastraal A 567) werd genoemd. Op een kaart uit 1790 staat die schuurkerk ingetekend. In 1838 was het perceel eigendom van Hendrik Langen en in 1936 stond het op naam van Jan Sommers.

Het onderhoud van de oude kerk werd door de protestanten achterwege gelaten. Dat kon ook niet anders, want hun gemeente telde slecht een tiental lidmaten. Die konden de noodzakelijke herstellingen niet betalen. Op een prent van Jan de Beijer uit 1742 zien we hoe het verval zich heeft doorgezet. Het schip is geheel ingestort, alleen de toren en het voormalig priesterkoor staan nog overeind. In het middenschip had men tegen de muur een schamel schoolhuis gebouwd.

Bij de komst van de Fransen in 1795 onder maarschalk Pichegru vluchtte dominee Wiersen. De hervormde gemeente telde toen trouwens nog geen tien zielen, in Doornenburg idem. Op 14 november 1804 werd Pannerden samengevoegd met Herwen en Aerdt. De hervormde gemeente Doornenburg was reeds in 1802 gecombineerd met Gendt.

4. De kerk en parochie ná 1795

Na het uitroepen van de Bataafse Republiek werd bij de wet van 5 augustus 1796 de hervormde staatsgodsdienst afgeschaft en konden de rooms-katholieken weer openlijk hun geloof belijden en beleven. Voorts werd bij de grondwet van 1798 bepaald dat de meest kerken weer werden terug gegeven aan de katholieken. Zo ook de kerk te Pannerden. De oude Martinuskerk verkeerde in het begin van de 19e eeuw in zeer vervallen toestand. Het middenschip was geheel ingestort en de pastorie, waarin de dominee was gehuisvest, werd na de Bataafse omwenteling in 1795 door de katholieken van Pannerden geplunderd en brandde kort daarop af. De oude Martinuskerk verkeerde in zeer vervallen toestand. Het middenschip was geheel ingestort en de pastorie, waarin de dominee was gehuisvest, werd na de Bataafse omwenteling in 1795 door de katholieken van Pannerden geplunderd en brandde kort daarop af. De Fransen staken de half gesloopte pastorie in brand en sloopten ook het kostershuis. De Pannerdense ‘kerkengoederen’ werden echter vele decennia later na een langdurig proces door de protestanten terug gevorderd. Tot aan de bouw van een nieuwe kerk in 1878 moesten de parochianen zich veel moeite en kosten getroosten om het leven van hun pastoor enigszins dragelijk te maken.

Tot pastoor van de parochie Pannerden werd in 1797 Adrianus Jansen benoemd. Hij zorgde er voor dat in 1805 een nieuwe klok in de toren kwam. Deze had als inscriptie: ‘Ten dienste en op kosten der Gemeente Pannerden ben ik Gegoten. Alexis Petit me fecit anno 1805'. Deze klok werd in 1943 door de Duitsers geroofd. Pastoor Jansen leidde de parochie tot zijn dood op 16 augustus 1808. Hij werd in de kerk bij de Communiebank begraven.

Na pastoor Jansen kwam pastoor Gerardus ten Homberg. Hij werd in 1815 overgeplaatst naar Olburgen. Diens opvolger Johannes Antonius Godschalk was op 10 september 1782 te Didam geboren als zoon van Jan Godschalk en Aleida Hageman. De pastorie had in 1829-1840 het nummer 33. Op no. 31 woonde koster-schoolmeester Jacobus Diebels (*1788)

Het kerkbestuur van Pannerden stond tot 1834 sterk onder invloed van de adellijke familie Van Nispen tot Pannerden, die het opperbestuur van de kerk tot haar geërfde feodale rechten rekende. Bovendien waren de meeste kerkenraadsleden pachters van de in Zevenaar wonende jhr. Carel van Nispen tot Pannerden, dus drong zijn invloed door tot in de verst verwijderde kerkbanken.

In 1840 bestond het R.K. Kerkbestuur uit grootgrondbezitter jhr. Carel van Nispen, veerman en herbergier Roelof Verwaaijen, burgemeester en landbouwer Antoon Robbers, landbouwer Derk van de Sandt, smid Herman Pauwen, kribwerkbaas Lamert Alberts, molenaar-bakker Derk Verwaaijen en de landarbeider Hendrik Hendriks. De Kamer van Kerkenraad werd gevormd door de landbouwers Herman Pauwen, Jan Jurrius en Engelbert Verweijen, de gemeente-ontvanger Johan Hendrik van de Kamp, de tabaksplanters Piet Kamps en Derk Straatman en de keuterboeren Herman Beumer en Jan Overbeek.



Pastoor Godschalk begon met het herstellen van de sterk vervallen kerk. In 1817 werden er werkzaamheden verricht aan het dak en kreeg de toren een aantal nieuw leien. Ook moesten talrijke stenen uitgehakt en vervangen worden. Om alles een beetje toonbaar te maken, werd de kerk gewit. In 1820 werd een nieuwe sacristie gebouwd. Kosten ƒ 2.895,-. Jaarlijks zijn er in de kerkenrekeningen uitgaven voor herstel en onderhoud te vinden.

De inkomsten van de pastoor

‘Volgens eene hier gevondene aantekening van wijlen den WEW Heer J.A. Godschalk, gewezen pastoor van Pannerden vanaf 12 april 1815 tot 1 juli 1845 heeft de Hoog Eerw Heer Aartspriester van Gelderland, bij het oprichten van deze gemeente tot eene eigene Statie of liever bij het herstellen deze oude parochie, die filiaal was van Hulhuizen, toen hare kerk in het bezit was der protestanten aan deze gemeente dato 17 Februari 1797 den last opgelegd, welke zij heeft aangenomen tot onderhoud van hare pastoor jaarlijks te zullen betalen ƒ 350,- welke som in 1816 met goedvinden van den Kerkelijke overheid is vervangen geworden door het vruchtgebruik der pastoriegoederen van Pannerden groot 12 B, 76 R en 25 E en het recht van Tienden uit 16 B, 17 R en 85 E en opnieuw vervangen den 11 October 1831 door ƒ 400,- toelage uit 's Lands Kas voor het gemis der gemelde pastoriegoederen. Ook bepaald, dat de gemeentenaren biechtgeld en andere Jura Stolae, zooals in de parochie van Hulhuizen gebruikelijk is, zullen geven, mitsgaders aan den pastoor het voordeel te laten van de opbrengst der waskaarsen. Krachtens Kerkereglement van 1816 betaalt de Kerkekas het te kort komende was aan het offer op Maria Lichtmis voor 30 Ned ponden waskaarsen. Voorts heeft deze gemeente zich verbonden om op Paaschdag, Pinksterdag, Kerstmis en Kermis-Zondag in beide H. Missen met het bord en op alle Zon-, Feest- en Kerkdagen met den zak te laten collecteren voor het onderhoud van den pastoor. De voorschreven collecte echter met den zak heeft de Kerkeraad van Pannerden bij besluit van 19 September 1816 utque ad revocationem, bestemd voor de Armen van Pannerden en aan de pastoor voor dit gemis toegewezen ƒ 40,- betaalbaar elk jaar den 1 October. Overigens hebben de gemeentenaren beloofd te zullen geven victualia als brood, vleesch en boter. Op Allerzielendag wordt voor de Offergift onder de H. Missen gezogen H. Mis opgedragen ad intentionem dantium en eene gezongen H. Mis op Kermis-Maandag voor de overledenen van deze gemeente, nadat Zondag te voren eene Collecte in de kerk gehouden voor den pastoor. Volgens bepaling dato 11 October 1831 alzoo komen alle de kaarsen die worden bestelt om in de kerk opgestoken te worden, ten voordele van den pastoor. De kaarsen die bij een Uitvaart worden opgestoken laat men later niet afbranden, wel die welke na bestelling worden geplaatst in de kerk bij de catafalk of looze baar, tijdens het lijk boven aarde staat. Men laat deze later afbranden voor de beelden der H. Harten. De kerkekas draagt geheel de kosten van het aanschaffen der kaarsen en ontvangt dan de offergiften op Maria Lichtmis. De kerkebuil is sedert 19 September 1816 niet meer ten voordele van den pastoor, maar van de Armenkas, terwijl de pastoor voor dit gemis uit de opbrengst der bankenpacht eene vergoeding erlangt van ƒ 40,- sjaars, betaalbaar den 1 October. Deze som echter van ƒ 40,- is later door Mgr. J. Zwijsen, Aartsbisschop van Utrecht dato 10 Jan 1860 gebracht op 100 gulden sjaars. Bovendien uit de weinige overgebleven Pastoriegoederen ontvangt de pastoor uit de kerkekas vanwege die opbrengst jaarlijks uit Reindershof ƒ 3,-. Uit land vroeger bij de weduwe Verweijen, thans bij Evert de Ruiter in pacht ƒ 5,-. Uit het land van H. Schief ƒ 6,70, waarvan eene fundatie is verbonden en waarvan door den pastoor aan den organist moet worden uitgekeerd ƒ 1,20.-’.

Memoriaal Parochie Sint Martinus Pannerden vanaf 1874 Fundatieboek Pannerden Caput I


Fundatio, atiquitas, traditiones, circumscriptio et monumentta Parochiae S.Martini E.C. Pannerden



Onder dat bestuur bleven die goederen tot 1816, terwijl de tijdelijke pastoor van Pannerden bij omslag uit zijne Statie tot onderhoud ontving ƒ 350,-. In 1816 was het beheer dier goederen en dezer vruchten aan pacht ƒ 408,- en thiend ƒ 128,70 aan den tijdelijken pastoor overgegaan en de voorschreven omslag ƒ 350,- hield sedert dien op. Ofschoon onder voornoemde administratie de niet-Katholieken van Pannerden, tezamen negen personen, niet verzuimden onder de Bataafsche Republiek, zowel als onder koning Lodewijk Buonaparte en koning Willem I, de pastoriegoederen te reclameeren, wisten de Katholieken de teruggave dier goederen te ontwijken, zich steeds beroepende op de Staatswet art 1 aldus luidende: 'Elk Kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van hetgeen door hetzelve met den aanvang dezer eeuw werd bezeten', doch in 1819 werden, onder goedkeuring van de Koning, de gereformeerden, te samen vijf personen in Pannerden, gecombineerd met de protestantsche gemeente van Herwen en Aerdt en nu met Dominee Janssen aan het hoofd, spande de Kerkeraad alles in om de pastoriegoederen terug te krijgen, op grond dat hij predikant van Pannerden was en daar de pastoriegoederen miste, die zijne voorgangers reeds bezeten hadden en aan den laatsten willekeurig door de Katholieken waren ontnomen. Koning Willem I verwees hen naar de Rechtbank, doch eerste moest eene schikking beproefd worden. Dit geschiedde en de eis der gereformeerden was niet minder dan de goederen terug en een schadevergoeding van ƒ 12.000,- vanwege het geleden gemis der revenuen sedert 1795. De Katholieken weigerden dit; wilden wel in schikking treden, maar dit wilde de tegenpartij niet. De Rechtbank te Arnhem veroordeelde de Katholieken, aan wie het vonnis werd betekend den 18 December 1823. Nu appelleerden de Roomschen te 's Hage, maar ook daar verloren zij het proces en werden veroordeeld de pastoriegoederen af te geven en wegens onwettig gebruik derzelven en onkosten der procedure te betalen ƒ 21.000,- aan voornoemde protestantsche gemeente. Zulk eene aanzienlijke som kon slechts ten deele gevonden worden door verkoop van kerkegoederen wat natuurlijk moest vermeden worden. Er werd nu een list gebruikt en aan de Katholieken gevraagd hoeveel zij geven wilden voor de pastoriegoederen te behouden, dan zou de Koning het deficit betalen. De Roomschen beloofden ƒ 3000,- en evenwel besloot de Koning den 17 Juli 1830 dat de goederen aan den gereformeerde gemeente zouden toebehooren, terwijl Z.M. uit de kas van den kath. Eeredienst ter voldoening van genoemde som aan de gereformeerden zou uitbetalen ƒ 10.000,- en de Katholieken in 's Lands kas moesten storten ƒ 2000,-. De Katholieken klaagden over de teleurstelling en verklaarden tot die betaling niet in staat te zijn. Daarop volgde den 11 October 1831 het gunstige besluit dat de ƒ 2000,- zouden worden kwijtgescholden en bovendien aan den pastoor eene jaarlijksche tegemoetkoming van ƒ 400,- tractement uit 's Rijkskas werd toegekend. In het vonnis bovenvermeld was de pastorie, tuin en boomgaard niet vergeten; deze werden in Maart 1830 door het Gerecht van Zevenaar in beslag genomen, niettegenstaande dezelve bij het plan van Schikking den 12 Juli 1798, geregistreerd den 18 Maart 1799 door de protestanten op wettige wijze waren afgestaan met de Kerk, preekstoel en de bouwvallen van het pastoriehuis, getaxeerd destijds op ƒ 4930,- en waarvan aan de protestanten voor hun aandeel te Elst op het Ambtshuis was uitbetaald ƒ 72,47 door de Katholieken van Pannerden. Er stond echter achter het woord pastorie huis (.a.) waardoor noodzakelijk tuin en boomgaard moesten verstaan worde, weshalve de Koning aan de gereformeerde gelastte deze gratis aan de Katholieken terug te geven. Dit gebeurde: het bewijs hiervan berust in het Kerkelijk Archief en tevens het bewijsstuk, de quitantie dat de protestantsche Kerkraad niets meer te vorderen heeft. Wat voorts nog het bovenstaande vonnis betreft, dient voor notificatie dat twee perceelen, voor de helft pastoriegoederen, niet vermeld zijn, niet zijn opgevraagd en alzoo gequiteerd. Deze zijn volgens de Kadastrale legger: Sectie A 99 weiland, groot 17 R 40 Ellen op de Pannerdensche waard en Sectie B 37, erf en tuin, groot 13 R 70 Ellen aan de Westzijde van het Kanaal.

De kerkgoederen die aan de Katholieke gemeente van Pannerden zijn bleven kan men in het Kerkelijk Archief vinden. Ook de Kosterijgoederen. Wat de Vicariegoederen betreft, zijnde een stuk bouwland groot 28 R 70 Ellen, een wilgenpas groot 22 R 30 Ellen, een erf groot 5 R 30 Ellen en een tuin groot 12 R 10 Ellen te samen 68 Roeden en 40 Ellen, gelegen aan den zoogenaamde Ouden Waal met recht van opstal in gebruik bij Lambertus Alberts. Deze Vicariegoederen brengen jaarlijks op ƒ 35,- betaalbaar in December, waarvan als pachtgelden quitantie wordt gegeven door het Kerkbestuur, hetwelk betaalt de lasten van het Polder-district en van den Dorpspolder. De Zeer Eerw Heer J.H. Hofman, pastoor te Everdingen, hieromtrent gevraagd schrijft: 'Ik bezit een stuk van het jaar 1525 waarin Geryt van Herwen (Hern), priester, betuigt dat hij in een benificiumuo en tot Onser Lieven Vrouwe altair gelegen in de kerspelkercken tot Pannerden, overgedragen heeft 'eene stuck landt geheiten die Hall, in den kerspel van Herwen in den Ambt van Over-Betuwe gelegen, met zoodanig gevolg dat Onse Lieve Vrouwen altair vursch. en de sijne nacomelijnge erfflick dairan geërfft ende gerechtigt wezen'.

Voorts nog een giftbrief van 28 April 1647 waarbij Albert graaf van den Bergh, ‘seekere vicarie in onse kerkcke tot Pannerden gehorende welke voor lange jaren tot de sustensatie van de schole is gebruijckt geweest, eenige tijd vacant geweest, omdat nijmant daarvan de collatie versocht hadde, in gift verleend aan Derick Elberts, schoolmeester tot Pannerden’.

Die vicarius, schrijft pater A. van Lommel S.J., zal tevens wel schoolmeester geweest zijn. Bovengenoemde ƒ 35,- trok dientengevolge de schoolmeester alhier, die in den regel wel tegelijk koster zal zijn geweest, zoals gezegd werd, voor het leren van de arme kinderen. Doch nadat de schoolmeester A.J. Deenen in Augustus 1868 is afgetreden als koster-organist worden deze ƒ 35,- door het Kerkbestuur in ontvangst genomen.

Op 30 maart 1832 heeft Henricus Hanssen ƒ 40,- gefundeerd à 5% uitstaande bij Henricus Beumer te Pannerden voor het jaarlijks aflezen van zijn naam van de dodenlijst. Deze obligatie is overgenomen in 1843 door Gerardus Hendriks en bij diens overlijden 15 Febr 1878 door zijn schoonzoon Bernardus Bergervoet die tot in 1883 de ƒ 2,- rente heeft betaald en den 11 Mei 1883 voornoemde obligatie heeft afgelost.

In 1835 had men al besloten om de school af te breken en het middenschip van de kerk te herbouwen, maar door allerlei perikelen kon pas in 1841 met die werkzaamheden worden aangevangen. De oude ingang via de toren werd weer in ere hersteld. In september 1842 werd de herstelde kerk in gebruik genomen. Niet dat het nu gedaan was met herstellingen, want wat er van de oude kerk was blijven staan, had veel door vocht geleden. Pastoor Godschalk overleed na een langdurige ziekte op 1 juni 1845. Hij werd buiten naast de kerktoren ter aarde besteld. Hij werd pas op 7 augustus 1846 opgevolgd door pastoor Theodorus Brouwer, die de Pannerdense kudde nog geen drie jaren leidde en in 1848 tot pastoor werd benoemd van de Walburgisparochie te Arnhem.

Hij werd op 20 december 1848 opgevolgd door Johannes Fredericus Schlosser. Hij was in 1803 te Arnhem geboren. Hij bracht zijn zuster Maria Elisabeth Schlosser (*1799) mede, alsmede twee kinderen, namelijk Willem (*1835) en Wijnand Block (*1841). In 1859 ging zij met Wijnand terug naar Rotterdam, maar Willem die koperslager was bleef op de pastorie wonen. Als dienstbode kwam toen uit Loo bij Apeldoorn Maria Eikerman (*1821). De pastorie kreeg in 1850 het nummer 37. Pastoor Schlosser leidde tot 15 september 1872 de parochie. Na zijn emeritaat verhuisde hij naar Zevenaar waar hij op 21 maart 1875 op ruim 75-jarige leeftijd overleed.

5. De stichting van de parochie van H. Martinus in 1854

‘Johannes Zwijsen, enz., aan de geloovigen van Pannerden enz. Krachtens ons Kerkelijk gezag hebben wij goedgevonden te bepalen gelijk wij doen bij dezen: In de plaats der voormalige Statie te Pannerden worden canoniek opgericht eene Parochie van den H. Martinus te Pannerden, gelegen in het Dekenaat Doesborgh van het Aartsbisdom Utrecht, waarvan de grensscheiding is als volgt: de grenzen waardoor thans de burgerlijke gemeente van Pannerden is omschreven, zijn ook de grenzen der Parochie van den H. Martinus te Pannerden. Voorts verklaren wij tot Parochiekerk der aldus omschreven Parochie de kerk toegewijd aan den H. Martinus te Pannerden.
Wij maken echter deze bepalingen onder voorbehoud dat hetzij door ons, hetzij door onze opvolgers zoo ons of hun zulks heilzaam mocht toeschijnen en ten aanzien der grenzen en ten aanzien eener splitsing of verdeeling der Parochie gelijk zij thans is omschreven veranderingen kunnen worden gemaakt. En zal dit Ons besluit hetwelk wij voor God en met ter zake plaatselijke omstandigheden kundige mannen te hebben beraadslaagd genomen hebben aan de geloovigen van Pannerden door aflezing op den eerstvolgenden Zondag worden medegedeeld, alsmede deze in het parochiale archief bewaard. Gegeven op den Huize Gerra, onder Haaren onder Onze handteekening en ons Zegel, den 15 Augustus van het jaar Onze Heeren 1800 vier en vijftig’.
w.g. J. Zwijsen.

In 1874 kwam de zeer energieke pastoor Johannes Nicolaas van Wagenberg naar Pannerden. Hij was geboren te Gorinchem op 3 september 1830. Hij betrok de pastorie die in de periode 1880-1890 het nummer 61 had. In 1875 zorgde hij voor een tweede klok, die gegoten werd door A. Rodenkirchen uit Deutz bij Keulen. Ook deze klok werd door de Duitsers geroofd. Voort maakte hij plannen voor de bouw van een geheel nieuwe kerk. Hij stelde op kermisdinsdag de Schuttersmis in, want op kermismaandag was de kerk tijdens de H. Mis voor de overledenen van de parochie al tjokvol. Ten einde het kerkbezoek ook op dinsdag te bevorderen, besloot de pastoor een gezongen H. Mis te lezen voor de leden van het Schuttersgilde van Pannerden en niet zonder reden: ‘Deze toch sticht groot nut. Zij vereenigt de mindere Klasse met de meer gegoeden en zorgt voor een leiding en het ophouden van de muziek ‘s avonds ten 10 ure. Gedurende alle drie de dagen van de Kermis heb ik het altaar versierd gelaten en Maandag en Dinsdagmorgen voor de H. Mis de leden der Schutterij afgehaald met de Misdienaars voor aan het Kerkhof’.

Een jaar later voerde deze energieke parochieherder ook de Sacramentsprocessie in. Voor het eerst sinds de Reformatie gaf Pannerden weer openlijk blijk van haar religieuze gezindheid. Na een plechtige Heilige Mis trok men biddend en zingend, met bruidjes en vaandels naar een rustaltaar buiten het kerkgebouw. Maar alles speelde zich wel af op het besloten kerkhof rondom de kerk. Gezagsgetrouw zoals ze in Pannerden waren, wilde men zelfs de geringe kans op een confrontatie met de burgerlijke overheid voorkomen. Het houden van processies over de openbare weg was alleen toegestaan in de oude Kleefse enclaves, zoals te Lobith, die bij hun overgang naar Nederland, de vanouds gevestigde rechten, waaronder ook het recht van ommegang, meenamen.

Op 14 juli 1883 kreeg hij in de pastorie gezelschap van de rustend pastoor Wilhelmus van de Kraats (* Lopik 1829).



6. De Tepekerk uit 1877

De oude kerk van Pannerden had de tand des tijds niet doorstaan. Het muurwerk had zoveel van het vocht te lijden, dat zelfs voortdurend onderhoud achterstallig werd. Onder pastoor Wagenberg werd de grote stap gezet. Het bouwen van een nieuwe, grotere kerk voor het groeiend aantal parochianen. De keuze van een bouwmeester was snel gemaakt. In 1877 werd de oude kerk gesloopt en in 1878 vervangen door een neogotische kerk van de bekende bouwmeester Alfred Tepe. Alfred Tepe was een bekende architect uit Utrecht die al meerdere neo-gotische kerken in deze streek had gebouwd. Tepe liet zich inspireren door de laat-middeleeuwse Neder-Rijnse en Westfaalse gotiek. In de periode 1875-1905 bouwde hij zeventig kerken in Nederland, waaronder drie op het Gelders Eiland: Pannerden, Herwen en Lobith. Laatstgenoemde is echter door pastoor Veeger eind jaren dertig van zijn gotische kenmerken ontdaan.

Voor de bouw van het Godshuis in Pannerden droegen nagenoeg alle parochianen hun steentje bij. Sommigen zelfs heel veel. Zo schonk de landbouwer Jan Jurrius van de Kijfwaard een bedrag van duizend gulden. Steven Lemm, die een steenfabriek exploiteerde, stelde 31.250 stenen ter beschikking ter waarde van ƒ 344,62. Bernardus Bergervoet en Gerardus Hendriks deponeerden elk honderd gulden en Petrus Hendriks ƒ 78,-. Burgemeester Godefridus Verwaaijen, die ook een steenfabriek op de Kijfwaard had, wilde 50.000 stenen geven, maar onder voor het Kerkbestuur onaannemelijke voorwaarden, dus werd daarvan afgezien. Hendrik Burgers toonde helemaal geen compassie en gaf niets. Ook werden door diverse parochianen nieuwe kerkmeubelen en andere attributen geschonken. Begin juni 1878 was de kerk gereed en op 27 juni 1878 vond de plechtige consecratie plaats. Deze gebeurtenis trok veel belangstelling, ook van buiten de parochie. Natuurlijks was de schutterij present. Uit het kasboek blijkt dat er maar liefst honderd gulden was uitgegeven voor de muzikale omlijsting van dit feest.

Bijzondere bijdragen

Jan Jurrius, landbouwer Kijfwaard ƒ 1000,-


Stephanus Lemm, landbouwer 31250 steenen rood ƒ 344,62
Bernardus Bergervoet en Gerardus Hendriks ƒ 100,-
Petrus Hendriks ƒ 78,-
Burgemeester Verwaaijen wilde 50.000 steenen geven onder onaannemelijke voorwaarden
Henricus Burgers geeft niets
(enz)

1878
eene bidbank van eikenhout voor het priesterkoor en een gepolychromeerde ijzeren arm voor de Godslamp en een gepolychroomde klokketoestel, sacramentsklok in het priesterkoor, door Theodorus Hendriks te Rijssen ƒ 75,- en B. Bergervoet alhier ƒ 25,-

1878
een parquetvloer van mosaiktegels gelijk aan die van het priesterkoor in de Maria-kapel door B. Bergervoet c.s.

1878
hebben Theodorus Hendrikus te Rijssen en Bernardus Bergervoet te Pannerden gegeven ƒ 100,- de eerstgenoemde ƒ 75,- en de tweede ƒ 25,- tot aankoop van eenige kerkmeubelen en voor ten minsten 15 jaren lang ofwel twee gelezenen H. Missen of eene gezongene H. Mis voor hunne overleden ouders Gerardus Hendriks en Gijsberta Bruins

1878
twee koperen lichtkronen in het middenschip der kerk door de firma F.E. Terwindt, M.B. Terwindt, G. Bergervoet te Goes en B. Bergervoet te Pannerden, te zamen ƒ 160,-

1904
De familie B. Bergervoet heeft gegeven aan de kerk een prachtig wit Levietenstel en Kasuifel namelijk met 2 Dalmatieken.

1912
De familie Bergervoet heeft aan onze kerk geschonken een prachtige goudgele pluviale of choorkap ter waarde van circa ƒ 300,-

1926
De heer J. Bergervoet heeft geschonken drie altaarranden met opschrift: Geloofd zij Jesus Christus - Wees gegroet Maria - Gaat tot Josef.


De heer J. Bergervoet schonk aan de Kerk drie dekkleden voor de altaren alsmede een altaarrand voor het Hoogaltaar

1927
De heer E. Wortelboer, directeur van de scheepswerf 'De Hoop' schonk aan de kerk een beeld van de H. Theresia van het kindje Jezus.

Op zondag 5 juli 1885 werd pastoor J.N. van Wagenberg, die terugkeerde van een pelgrimage aan de Paus te Rome, feestelijk ingehaald. Hendrik Hoijinck was helemaal naar Huissen gegaan om daar het muziekgezelschap van Chris Kloppenburg te engageren voor dertig gulden. Elke schutter die met de optocht meegetrokken had, en dat waren er 112, kreeg uit de kas dertig cent uitgekeerd. In 1891 werd er ook een nieuwe pastorie gebouwd naar een ontwerp van H.J. Nass, timmerman te Pannerden en gebouwd door aannemer W.J. Otten uit Aerdt voor de som van ƒ 4.260,-. Deze pastorie werd in 1968 wegens bouwvalligheid gesloopt. Pastoor van Wagenberg werd in 1889 overgeplaatst naar Wapenveld bij Amersfoort en hij nam zijn beide huishoudsters mee.

7. Pastoor Felix Roelofs

Op 1 november 1889 kwam uit Heteren pastoor Felix Roelofs. Hij was geboren te Arnhem op 12 december 838. Hij bracht twee huishoudsters mee:


Johanna Nibbelink Veendam 22-10-1860
Johanna Maria Duthmers Appingedam 17-05-1831

Toen Pannerden op 9 november 1889 Felix Roelofs als nieuwe pastoor kreeg toegewezen, werd met eenparige stemmen besloten hem bij zijn komst in de parochie feestelijk te ontvangen en te escorteren, tenminste 'indien daartegen bij Zijn Eerwaarde geen bezwaar bestond'. Wel, een dergelijk eerbetoon door de parochianen werd door pastoor Roelofs zeer op prijs gesteld.

De inwonende emeritus-pastoor Wilhelmus van Kraats overleed te Elten, waarschijnlijk in het ziekenhuis, op 4 juli 1913.
Op 10 januari 1915 overleed in de pastorie (no.55) de huishoudster Johanna Nibbelink.
Op de pastorie was het ook een komen en gaan van kapelaans. Meestal kwamen ze rechtstreeks van het seminarie in Driebergen om enige ervaring op te doen in een rustige plattelandsparochie en daarna voor het grote werk naar elders te worden gestuurd.

- Bernard Herman Lammers, Winschoten, 03-04-1888


1908 uit Driebergen en 1910 naar Uithuizen
- Antonius Casper Tombroek, Frankeer ,05-06-1885
1910 uit Driebergen en 1913 naar Stad Doetinchem
- Bernardus Rouhorst, Lichtenvoorde,  19-12-1886
1913 uit Driebergen en 1915 naar Rijssen
- Willem Frederik Amse,  ?, 23-10-1891
1916 uit Driebergen en 1920 naar Aalten
- Gerardus Godefridus van den Hurk, Utrecht, 23-03-1894
1920 uit Veenhuizen

Onder pastoor Roelofs beleefde Pannerden een tijdperk van een haast feodale rust en orde. Zijn kerkelijke autoriteit was onaantastbaar, maar ook de invloed op het dagelijkse leven van zijn parochianen was onmiskenbaar. Er kon in Pannerden niets gebeuren of het geschiedde met medeweten of instemming van pastoor Roelofs. Voor de uitvoering van zijn wensen had hij het Kerkbestuur, waarin ook de meeste publieke functiedragers vertegenwoordigd waren. En om zijn kudde te leiden, hield hij zondags vanaf de kansel indrukwekkende preken.

Pastoor Felix Roelofs overleed op 25 december 1924 en hij werd en ook naast de toren begraven.

8. Pastoor Johannes Brugman (1874-1961)

Johannes Hermanus Albertus Antonius Brugman was op 1874 te Arnhem geboren. Hij volgde in januari 1925 pastoor Roelofs op, nadat hij pastoor in Varik was geweest. Pastoor Brugman zou de volgende decennia zijn stempel op het dagelijks leven drukken. Hij was de tweede parochieherder die zijn gouden priesterfeest in Pannerden vierde. Zijn voorganger Roelofs had deze heuglijke gebeurtenis in 1916 meegemaakt. Wijlen pastoor J.H. Breuking van Herwen typeerde zijn confrater als volgt:



'Pastoor Brugman was het type van een plattelandspastoor; pastoor van de bloeiende wijngaard. Hij leefde het leven in het dorp mee en had overal zijn zegje in. Zijn kracht lag niet in het organiseren van nieuwe dingen, maar het in stand houden van de oude gebruiken zowel kerkelijk als maatschappelijk. Tot op zijn oude dag liep hij tussen de officieren mee naar de vogel om er het eerste schot te lossen, na de slacht nam hij dankbaar de worsten, na de jacht de fazanten en konijnen en rond Pasen de verse eitjes in ontvangst. Uitgezonderd een varkensschuur voor de zusters heeft pastoor Brugman niets gebouwd in Pannerden. Er kon ook niets gebouwd of verbouwd worden, want eerst waren het de crisisjaren met hun armoede, toen kwam de tweede wereldoorlog en daarna was hij te oud om nog iets groots te ondernemen. Ook zijn beleid in de zielzorg bleef van begin tot eind van zijn pastoraat onveranderd. Wat vroeger goed was, is ook goed voor vandaag'.

Het feest van pastoor Brugman begon in de namiddag van 9 januari 1948. Traditiegetrouw werd hij door de schutterij met vaandels en vlaggen en veel muziek afgehaald bij het Berghse Hoofd en in optocht naar de pastorie en kerk begeleid. Frans de Groot junior, correspondent voor de ‘Liemers Lantaern’ bracht zijn gevoelens als volgt onder woorden: ‘Zacht stroomde ‘t troebel water van de Oude Rijn langs haar stille oevers. Straks zal ze de gouden herder dragen over haar kabbelende golven en Hem brengen naar de wachtende hunkerende kudde. De gouden pastoor, bemind en gezien om zijn eenvoud. Pastoor Brugman met zijn brede kijk, zijn glashelder verstand, en onuitsprekelijk godsvertrouwen. De goede herder, ogenschijnlijk streng, maar met een gouden hart, zo als slechts weinigen bezitten. Alles voor allen was hij, alles voor allen, in ‘t bijzonder voor zijn dierbare parochiekudde, als het niet raakte aan wat de Heer toekomt’.

De volgende dag was het kerkelijke feest met een plechtige gezongen H. Mis en 's middags een plechtig Lof. Tijdens de receptie werd hem door de parochianen het geschenk aangeboden, waarop hij zo vurig had gehoopt, namelijk een vervanger voor de geroofde klokken. Van de toegekende oorlogsschadevergoeding werd door het kerkbestuur een tweede klok aangeschaft. De voorzitter van de schutterij bood een prachtig met goud geïllustreerde oorkonde aan waarin de jubilaris het beschermheerschap van de Schutterij werd aangeboden. Piet Groenen had later kritiek op de officieren tijdens het feest van de pastoor. Een groot aantal vlaggetjes was op het kerkhof achtergelaten en er was mee geslagen. Als de schutters niet in de hand werden gehouden, dan moesten er maar strenge straffen volgen. Het bleef zoals gewoonlijk bij dreigementen.

Ruim tien jaar later, op 15 augustus 1959, vierde pastoor Brugman ook nog zijn 60-jarig priesterfeest dat een blauwdruk was van het gouden jubileum met optochten, kerkdiensten, toespraken en een receptie in het schuttersgebouw, die door het gilde gratis ter beschikking was gesteld. Maar met het grote verschil dat het feest grotendeels aan de herkenning van pastoor Brugman voorbij ging. Hij had zichzelf en zijn parochie overleefd. Enkele maanden later vertrok hij met emeritaat naar Elten, waar hij op 7 december 1961 overleed. Zijn opvolgers hebben nimmer meer zo'n grote invloed gehad op het dagelijkse leven van de mensen in Pannerden.

Maria Evers * 1899 en Christina Evers *1904, Duitsers uit Elten, huishoudsters. Een van het heeft zich verdronken bij het veer aan het PK.

9. De verwoestingen tijdens de oorlog

...


10. De na-oorlogse tijd

Op de senaatsvergadering van het schuttersgilde ‘Claudius Civilis’ van 3 augustus 1948 verscheen ook kapelaan W.Th. Boelens. Hij was gestuurd door pastoor Brugman, wiens wens het was dat Boelens als 'geestelijk adviseur' van de schutterij zou optreden, hoewel die hoedanigheid niet in de statuten was omschreven. Piet Groenen en Gijs Hendriks wisten niet goed wat ze ermee moesten. Waren hierover bisschoppelijke richtlijnen verschenen? Waren er al schutterijen met een geestelijk adviseur? Alles wees op een sterker wordende kerkelijke invloed op het verenigingsleven. Wegman wilde van de kapelaan weten of dan nog andersdenkenden lid van de schutterij konden zijn. Dat was geen bezwaar, alleen zij mochten geen bestuursfuncties vervullen. Groenen meende het nog op zijn eigen manier te kunnen regelen door de pastoor bij zijn aanstaande gouden jubileum het beschermheerschap van de schutterij aan te bieden. Over het adviseurschap kon later altijd nog gepraat worden. Hiermee ging iedereen akkoord. Het voorstel van pastoor Brugman werd zorgvuldig opgeborgen in een lade en kwam daaruit niet meer te voorschijn.



10.1. Pastoor Theodorus Scholten

Pastoor Brugman werd na zijn emeritaat opgevolgd door pastoor Theodorus Scholten, die het echter in 1962 al voor gezien hield.



10.2. Pastoor Mattheus A.M. Paanakker

Pastoor Paanakker kwam in 1962 en zij pastoraat kende alleen maar plannen, die niet tot uitvoering kwamen omdat hij in 1964 overleed.



10.3. Pastoor F.T. Effing (1964-1987)

Na het plotselinge overlijden van pastoor Paanakker kreeg Pannerden in 1964 te maken met nieuwe inzichten in de kerkviering en geloofsbeleving. Het was de periode van de invoering van de Nieuwe Katechismus en de Nederlandse taal in de liturgie. Tot nieuwe pastoor werd in 1964 Franciscus Theodorus Effing benoemd. De nieuwe zielenherder was lid van de Mariënburggroep en sympathiseerde met de oppositionele 8 Mei beweging in de Rooms-Katholieke Kerk. Hij kreeg al snel het stempel van een ’moderne’ pastoor, hetgeen voor tal van nog tamelijk conservatief denkende parochianen, geen aanbeveling was. Effing kwam overigens niet in een gespreid bed, want de kerk had achterstallig onderhoud opgelopen en met de bouw van de nieuwe pastorie was men net begonnen. De onder hem ingezette restauratie van de kerk leidde tot kaalslag en beeldenstorm, zoals overigens in die tijd in talrijke parochies plaats vond. Het Indiëmonument was inmiddels al verdwenen, omdat ter plaatse de nieuw pastorie gebouwd moest worden, maar uit de kerk verdwenen ook een Piëta van papier-maché en een vermolmd houten Antoniusbeeld, terwijl de liggende Christusfiguur in het graf en de oude altaarpanelen van het hoofdaltaar in bewaring werden gegeven bij het Bisschoppelijk Museum te Utrecht. Een echte hechte band tussen pastoor en parochianen is er nooit gekomen en na de viering van zijn 40-jarig priesterfeest verliet pastoor Effing op 11 januari 1987 enigszins opgelucht de parochie Pannerden, waaraan hij naar overtuiging zijn beste krachten had gewijd. De schutterij droeg hij een warm hart toe, zodat hij zelfs de heidense naam die zijn voorgangers zo verfoeid hadden, wist te vergoelijken.

Op 29 mei 1985 kwam door het vertrek van pastoor Effing kwam Pannerden zonder parochieherder te zitten.

11. Lijst van parochieherders

vóór 1797


- Jacob Wenraedt 1517, 1538
- Roeloff Hoeth 1570
- dominus Immerman 1740
- dominus Rutger Bebber 1741

na 1797
1. Adrianus Jansen 1797 - 1808


2. Gerardus ten Homberg 1808 - 1815
3. Johannes Antonius Godschalk 1815 - 1845
4. Theodorus Brouwer 1845 - 1848
5. Johannes Fredericus Schlosser 1848 - 1874
6. Johannes Nicolaas van Wagenberg 1874 - 1889
7. Felix Roelofs 1889 - 1925
8. Johannes H.A.A. Brugman 1925 - 1959
9. Theodorus Scholten 1959 - 1962
10. Mattheus Alphons M. Paanakker 1962 - 1964
11. Frans Th. Effing 1964 -
12. ... Schrijvers



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina