3 Zouten 4 Gehaltes 20 a b c



Dovnload 44.04 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte44.04 Kb.

3 Zouten


4 Gehaltes
20 a

b

c 0,035 mM is dus 10× zoveel als 3,5 μM.
21 ρ = dichtheid; Vm= molair gasvolume; M = molmassa; NA = getal van Avogadro; [A] = molariteit.

22 a T = 293 K

b

c In één liter water bevindt zich 998 gram water. Molmassa H2O =18,016 u. In één liter water bevindt zich

d De molariteit van water onder deze omstandigheden is 55,4 M.

e Bij een hogere temperatuur zitten de moleculen verder van elkaar af. Er bevinden zich dus minder moleculen water per volume-eenheid. De molariteit neemt dus af.

f Bij een hogere temperatuur zitten de moleculen verder van elkaar af. Er bevindt zich bij hogere temperatuur dus minder massa per volume-eenheid dan bij lagere temperatuur. De dichtheid neemt dus af bij een hogere temperatuur.
23 a

b

c Na 5× verdunnen is de concentratie van de oplossing . De formule van kaliumchloride is KCl. 0,90 mol KCl bevat 0,90 mol Cl-. [Cl-] = 0,90 M.

d De formule van aluminiumchloride is AlCl3


24 Massapercentage koper =
25 5 mol zuurstof heeft een massa van

De massa van 2 mol X komt dus overeen met

De molmassa van X bedraagt



X is Arseen.
26 (NH2)2CO is een molecuul. Het valt niet uit elkaar in oplossing. Een mol NaNO3 valt uiteen in twee mol ionen. Een mol Mg(NO3)2 in drie mol ionen en een mol Al(NO3)3 in vier mol ionen. De juiste volgorde is: (NH2)2CO, NaNO3, Mg(NO3)2, Al(NO3)3.

27 a Natrium is in water aanwezig als het Na+-ion.

b 11 000 lijkt een heel nauwkeurige waarde met vijf significante cijfers terwijl men eigenlijk bedoelt dat de waarde in de buurt van de 11 000 ppm ligt. Men zou beter kunnen spreken van een gehalte van 11‰ of 1,1%.

c In Binas tabel 11 is de dichtheid van zeewater te vinden. Deze bedraagt 1,024 kg L-1. De massa van 1,0 L zeewater bedraagt dus In 1,024 kg zeewater bevindt zich Dat komt overeen met De formule van natriumchloride is NaCl. Om tot dezelfde concentratie te komen is 0,490 mol NaCl per liter zuiver water nodig. Dit heeft een massa van Eindantwoord in twee significante cijfers, dus 29 gram NaCl.

d 1,0 L rivierwater heeft een massa van 1000 gram. 150 mg natriumionen komt overeen met De concentratie natriumionen in rivierwater ligt dus ruim onder de norm voor het drinkwater. Er hoeft geen natrium uit het rivierwater gezuiverd te worden.
+28 a u; M.

b μM; gram per liter = 27,6 mg per liter.

c Je kunt de gemiddelde afwijking uitrekenen (in procenten) en die achter het gemiddelde zetten: gemiddelde afwijking μM; het nitraatgehalte = 27,6 mg ± 7,4% of 27,6 mg ± 2,0 mg.

d Alle nitraatzouten zijn goed oplosbaar. Nitraat verwijderen met behulp van een neerslagreactie is dus geen optie. Bovendien zal dat de waterkwaliteit waarschijnlijk ook niet ten goede komen. De beste oplossing is een deel van het vijverwater te verversen met schoon, nitraatarm water.
29 a Het nitrietion komt niet voor in Binas tabel 45A. Toch kun je gemakkelijk afleiden dat de neerslag die ontstaat zinknitriet, Zn(NO2)2, moet zijn. In de opgave staat vermeld dat zinksulfaat en natriumnitriet oplosbaar zijn. Alle natriumzouten zijn goed oplosbaar, natriumsulfaat dus ook. Het enige overgebleven zout dat zou kunnen neerslaan, is dus zinknitriet.

b De natriumionen en de sulfaationen slaan niet neer en bevinden zich dus in het filtraat. Om te bepalen of het derde ion nitriet of zink is, moet je achterhalen welk ion in overmaat aanwezig was. Dat kan met behulp van een begin, Δ, eind tabel. De chemische hoeveelheid Zn2+ en SO42- mol. De chemische hoeveelheid Na+ en NO2- mol. De neerslagreactievergelijking is als volgt: .

Er is dus 2× zoveel mol Zn2+ nodig als NO2-.




in mol

Zn2+

SO42-

Na+

NO2-

Zn(NO2)2

b

0,07105

0,07105

0,0750

0,0750

0

Δ

-0,03750

-0

-0

-0,0750

+0,03750

e

-0,03355

0,07105

0,0750

0

0,03750

In het filtraat bevinden zich dus naast natrium- en sulfaationen ook zinkionen.



c De molmassa van zinknitriet bedraagt  g mol-1. De massa van 0,037 50 mol zinknitriet bedraagt  gram. Het minste aantal significante cijfers heeft de molariteit van de natriumnitrietoplossing. Het eindantwoord mag daarom in twee significante cijfers gegeven worden. Er ontstaat 5,9 gram zinknitriet.

d Het volume van de twee oplossingen tezamen bedraagt 350 + 500 = 850 mL. De chemische hoeveelheid van de ionen in het filtraat staat in de begin, Δ, eind tabel van onderdeel b. Hieruit volgt:

[Zn2+] M

[SO42-] M

[Na+] M



Alle antwoorden in twee significante cijfers.

e De concentratie van de ionen van het filtraat verandert niet omdat een deel van de oplossing is achtergebleven in het filter. Als je het filtraat in tweeën zou delen, zou elk deel immers ook nog steeds dezelfde concentratie hebben.
+30 a Van al deze ziekten is de veroorzaker inmiddels bekend. Dit is in geen van de gevallen een bacterie. Griep, waterpokken en mazelen worden veroorzaakt door een virus. Reuma is een auto-immuunziekte en kanker is wildgroei van de eigen lichaamscellen. Dat Joseph Roy in weefsels van patiënten van al deze ziekten dezelfde bacterie heeft aangetroffen is dus hoogst onwaarschijnlijk.

b 10 mL:

c 200 keer 100 keer verdunnen levert een verdunningsfactor op van

d 1 liter 1 M oplossing bevat deeltjes. Na keer verdunnen blijft daar deeltje van over. Je kunt gerust stellen dat er na zoveel verdunnen geen enkel deeltje meer aanwezig is.

e Het lijkt in eerste instantie een beschrijving van de vorming van waterstofbruggen. Door het water te schudden, worden er echter niet méér waterstofbruggen gevormd dan in stilstaand water. Dat zou namelijk betekenen dat je, door lang genoeg te schudden, water uiteindelijk zou kunnen laten stollen. Dat is nog nooit iemand gelukt.

f Daar is chemisch en biologisch gezien geen enkele zinnige uitspraak over te doen.

g Het blijkt dat vooral de toedieningsvorm anders is.

5 Bijzondere zouten
31 a

b

c
32 a

b De formule van Mohr's zout is (NH4)2Fe(SO4)2·6H2O. Het bestaat, naast het onbekende ijzerion uit twee NH4+-ionen en twee SO42--ionen. De lading van deze ionen bedraagt samen . Om de zoutformule neutraal te maken moet het ijzerion dus een lading hebben van 2+. In Mohr's zout bevinden zich Fe2+-ionen.

c ammoniumijzer(II)sulfaathexahydraat

d

e De formule van dolomiet is CaMg(CO3)2. In Binas tabel 45A is te vinden dat zowel calciumcarbonaat als magnesiumcarbonaat een slecht oplosbaar zout is. Het dubbelzout is dat dus hoogstwaarschijnlijk ook.

f De formule van enargiet is Cu3AsS4. De sulfide-ionen hebben gezamenlijk een lading van –8. Koperionen kunnen een lading kunnen hebben van +1 of +2; de lading van drie koperionen ligt dus tussen +3 en +6. Arseen moet dus ook positief geladen zijn om de negatieve lading van de sulfide-ionen te compenseren. In het geval van As3+ hebben de koperionen een gezamenlijke lading van . Dat kan als zich twee Cu2+-ionen en één Cu+-ion in het zout bevinden. In het geval van As5+, hebben de koperionen een gezamenlijke lading van . Er bevinden zich dan drie Cu+-ionen in het zout. Beide opties zijn theoretisch mogelijk, maar de laatste is waarschijnlijker omdat onder bepaalde omstandigheden meestal of Cu+ of Cu2+ aanwezig is.
33 a thiocyanaat, SCN-

b boraat, B4O72-

c tartraat, C4H6O62-

d thiosulfaat, S2O32-
34 a De lading van de ionen in de verhoudingsformule zou dan niet neutraal zijn: K+ + I- + 3 · O2- heeft een lading van 6–.

b IO3-
35 a Co2+, Al3+ en O2-

b Co2+ en AlO2-

c

d Aluminiumoxide en kobaltoxide moeten in een molverhouding 1:1 gemengd worden. 1 mol kobaltoxide heeft een massa van gram. 1 mol aluminiumoxide heeft een massa van 102,0 gram (Binas tabel 98). Massaverhouding CoO:Al2O3 :1:1,361.
36 a

b 55 ton komt overeen met 55·103 kg (Binas tabel 5). 10,47% van 55·103 kg =
+37 a CaSiO3, CaAlO2, CaCO3, Ca(OH)2

b Het aanwezige water zit gebonden in het kristal en kan niet meer vrij bewegen.

c Als het water verdampt voordat het gebonden is, wordt er te weinig kristalwater ingebouwd in het kristalrooster.

d Het teveel aan water kan ingesloten worden in het uitgeharde beton. Hierdoor ontstaan zwakke plekken in het beton.

e Door temperatuurschommelingen zetten materialen uit en krimpen ze weer. Dat kan scheuren tot gevolg hebben.

f Tijdens de winter wordt vaak portlandcement gebruikt, omdat de grote hoeveelheid warmte die het beton dan produceert tijdens het uitharden, voorkomt dat het water bevriest.
+38 a Fosfaat is een ion. Er is geen stof die uit louter fosfaationen bestaat. Fosfaat bevindt zich altijd in een zout.

b Men zou kunnen spreken over fosfaationen of fosfaatzouten.

c De stof stikstof heeft de formule N2.

d Het is een gas dat geen waterstofbruggen kan vormen. Het zal slecht oplossen in water, en zal dus vrijwel niet aanwezig zijn in urine.

e Men heeft het waarschijnlijk over stikstofverbindingen: stoffen die stikstofatomen bevatten.

f NH4+, Mg2+ en PO42-

g

h 17 gram ureum komt overeen met

In struviet zijn de ionen ammonium en fosfaat 1:1 aanwezig. De hoeveelheid fosfaat in de urine is dus beperkend. Uit 5 miljoen liter urine kan maximaal mol struviet gewonnen worden.



De molmassa van struviet bedraagt 245,418 u.

6 Zeep en hard water
39 a niet: geen lange apolaire staart

b wel: polaire kop en lange apolaire staart

c niet: geen polaire kop

d wel: polaire kop en lange apolaire staart
40 a

b

c calciumstearaat

d 1°D komt overeen met 7,1 mg Ca2+ per L. 17,9°D komt overeen met een calciumconcentratie van



e Uit het antwoord van opgave 34b blijkt dat uit één mol calciumionen één mol kalkzeep kan neerslaan. Uit één liter Wischer leidingwater kan dus 3,2·10-3 mol kalkzeep ontstaan. De molmassa van


41


+42 a Bij een sulfaatgroep bevindt zich tussen het C-atoom en het S-atoom nog een O-atoom.

b kaliummethaansulfonaat

c Het molecuul moet lineair zijn.
43 a

b 600 000 ton fosfaaterts bevat



c



Deze waarde komt overeen met de massa genoemd in het artikel.

d In de tekst worden genoemd: ijzerchloriden, aluminiumchloride en calciumhydroxide De formules van deze zouten zijn: FeCl2, FeCl3, AlCl3 en Ca(OH)2. Volgens Binas tabel 45A vormen de positieve ionsoorten uit deze zouten slecht oplosbare zouten met PO43–.

e Andere metaalionen die problemen opleveren zijn Cu2+ en Zn2+, afkomstig uit leidingen en goten.
44 eindopdracht – Calcium

a Calcium is een onedel metaal dat met water reageert. Het zullen dus alleen als Ca2+-ionen voorkomen in het menselijk lichaam.

b 20% van 1000 mg = 200 mg. In 200 mL melk bevindt zich dus 200 mg Ca2+.

c Ca3(C6H5O7)2

d



f Calciumionen vormen een onoplosbaar zout met fluoride-ionen. De opname van calcium wordt zo verhinderd.



g .

h

i

j





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina