30 juni 2006 Eerste Kamer



Dovnload 64.42 Kb.
Pagina1/3
Datum19.08.2016
Grootte64.42 Kb.
  1   2   3
Uitspraak

30 juni 2006


Eerste Kamer
Nr. C05/154HR (1436)
JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:



[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh,

t e g e n

DE GEMEENTE 's-GRAVENHAGE,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) heeft bij exploot van 10 december 2004 eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en ten behoeve van het stadsvernieuwingsplan "Schilderwijk-centrum, zevende herziening (Poeldijksestraat)" gevorderd ten name van de Gemeente vervroegd uit te spreken de onteigening van het in de dagvaarding omschreven perceel ter grootte van 10 are 18 centiare (grondplannummer [001]) met de kadastrale aanduiding gemeente 's-Gravenhage, sectie [A], nummer [002], plaatselijk bekend als [a-straat 1], waarvan [eiseres] als eigenaresse is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling vast te stellen op € 437.000,--, althans, indien dit door de Gemeente aan [eiseres] aangeboden bedrag niet zou worden aanvaard, het voorschot op de schadeloosstelling vast te stellen op 90% van het aangeboden bedrag, te weten op € 393.300,--.
[Eiseres] heeft de gevorderde onteigening bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Gemeente in haar vordering, althans tot afwijzing van die vordering.
Bij vonnis van 27 april 2005 heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken.
Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[Eiseres] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 27 april 2005 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Gemeente mede door mr. M.W. Scheltema, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis met zodanige verwijzing als de Hoge Raad geraden zal achten.
Namens de Gemeente heeft mr. M.W. Scheltema bij brief van 30 maart 2006 op de conclusie gereageerd. Deze reactie heeft de advocaat van [eiseres] een - bij brief van 31 maart 2006 ter kennis van de Hoge Raad gebrachte - reactie ontlokt, die de Hoge Raad terzijde heeft gelegd, omdat ingevolge art. 44 lid 3 Rv. na de conclusie geen plaats meer is voor debat door partijen.

3. Beoordeling van het middel

3.1 [Eiseres] heeft voor de rechtbank in de eerste plaats het verweer gevoerd dat de Gemeente in haar vordering tot onteigening niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij stelde daartoe dat in het ter griffie van de rechtbank gedeponeerde exemplaar van de Staatscourant, waarin het Koninklijk Besluit van 26 april 2004 tot goedkeuring van het onteigeningsbesluit is gepubliceerd, het te onteigenen perceel onjuist is aangeduid met het huisnummer [2] in plaats van [1], en dat deze fout weliswaar is gerectificeerd in een latere Staatscourant, maar dat die Staatscourant niet ter griffie van de rechtbank is gedeponeerd. De rechtbank heeft dit verweer verworpen, kort gezegd, omdat zij van oordeel was dat de Gemeente heeft voldaan aan de vereisten bedoeld in art. 88 in verbinding met 54h Ow, nu de rechtbank zich overeenkomstig het met het deponeringsvereiste gediende doel aan de hand van de gedeponeerde stukken ervan heeft kunnen overtuigen dat de juiste persoon is gedagvaard met betrekking tot de onteigening van het juiste perceel. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is geenszins onbegrijpelijk, zodat het hiertegen gerichte eerste onderdeel van het cassatiemiddel faalt.

3.2.1 [Eiseres] heeft in de tweede plaats tegen de vordering tot onteigening aangevoerd dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun als bedoeld in art. 87 EG-Verdrag. Volgens [eiseres] wordt het negatieve plansaldo van € 1.700.000,-- ter zake van de realisatie van de circa 40 tot 47 studenteneenheden ten laste van het Investeringsbudget Stedelijke vernieuwing (ISV) 2004 gebracht, en zal de realisatie daarvan vervolgens geschieden door een woningbouwvereniging of projectontwikkelaar. Omdat onduidelijk is hoe en onder welke criteria de te onteigenen onroerende zaak te zijner tijd zal worden uitgegeven, is sprake van marktregulering door middel van staatssteun, hetgeen aan de gevorderde onteigening in de weg staat, aldus [eiseres].

3.2.2 De rechtbank heeft dit verweer verworpen op de grond dat dit bezwaar, waarin wordt geklaagd over een onjuiste belangenafweging, in de administratieve onteigeningsprocedure had kunnen en dus had moeten worden aangevoerd, terwijl niet is gebleken dat het bezwaar feiten of omstandigheden betreft die zich na het onteigenings-KB hebben voorgedaan (rov. 12).

3.2.3 Het hiertegen gerichte onderdeel 2 is in zoverre gegrond dat de rechtbank op het verweer, dat klaarblijkelijk ertoe strekte dat het (besluit tot goedkeuring van het) onteigeningsbesluit in strijd met de wet is omdat sprake is van ongeoorloofde staatssteun, een gemotiveerde beslissing had moeten geven, ongeacht of de in het kader van dat verweer aangevoerde argumenten ook reeds tijdig in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure naar voren zijn gebracht (vgl. HR 2 april 1997, nr. 1231, NJ 1997, 730). Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden, omdat de rechtbank het verweer blijkens het hierna volgende slechts had kunnen verwerpen.

3.2.4 Het verweer van [eiseres] komt hierop neer dat in het kader van de financiering van het stadsvernieuwingsplan ten behoeve waarvan onteigend wordt, in strijd met art. 87 EG-Verdrag, staatssteun zal worden verleend doordat het negatieve plansaldo ten laste van het ISV - welk investeringsbudget kennelijk bestaat uit overheidsmiddelen - wordt gebracht, en vervolgens te zijner tijd bij de uitgifte van het perceel aan een projectontwikkelaar of woningbouwvereniging mogelijk dusdanige voorwaarden zullen worden gehanteerd dat deze laatsten een als staatssteun te beschouwen voordeel genieten.

3.2.5 De regeling inzake staatssteun in art. 87 e.v. EG-Verdrag strekt evenwel niet tot bescherming van de private eigendom, maar tot bevordering van een eerlijke mededinging op de gemeenschappelijke markt. De omstandigheid dat in het kader van de uitvoering van het stadsvernieuwingsplan ten behoeve waarvan de onteigening plaatsheeft mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, is in het onteigeningsgeding derhalve op zichzelf niet van belang en kan niet afdoen aan de rechtsgeldigheid van het onteigeningsbesluit. De onteigeningsrechter moet dan ook voorbijgaan aan een tegen een vordering tot onteigening gevoerd verweer op basis van de stelling dat bij de uitvoering van het werk waarvoor onteigend wordt, mogelijk sprake zal zijn van ongeoorloofde staatssteun.

3.2.6 Het voorgaande betekent ook dat de onteigeningsrechter zich niet dient te verdiepen in de vraag, of, indien de onteigenende partij niet erin zou slagen het plan ten behoeve waarvan onteigend wordt uit te voeren zonder zich aan de toekenning van verboden staatssteun schuldig te maken, de kans bestaat dat de ongeoorloofde staatssteun zal worden teruggevorderd. De rechtbank heeft dan ook terecht niet onderzocht of, zoals in het onderdeel onder 8 nog wordt aangevoerd, de kans aanwezig is dat de op basis van het ISV verleende subsidie wordt teruggevorderd indien sprake zou zijn van verboden staatssteun met als gevolg dat het stadsvernieuwingsplan niet zou kunnen worden uitgevoerd.

3.2.7 Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.3 Onderdeel 3 keert zich tegen rov. 14 tot en met 18, waarin de rechtbank het standpunt van [eiseres] verwierp dat de Kroon in het Koninklijk Besluit van 26 april 2004 ten onrechte het verweer dat [eiseres] de door de Gemeente gewenste bestemming zelf zou kunnen realiseren heeft verworpen. Het onderdeel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.18 tot en met 3.20.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.381,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 juni 2006.


Conclusie

Rolnr. C05/154HR


Mr. D.W.F. Verkade
Zitting 17 maart 2006

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen


Gemeente 's-Gravenhage

1. Inleiding

1.1. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als '[eiseres]' respectievelijk 'de Gemeente'.

1.2. In deze onteigeningszaak zijn in cassatie drie aspecten van toetsing van de onteigeningstitel aan de orde: (i) de ontvankelijkheid van de Gemeente i.v.m. een foutieve huisnummervermelding in de Staatscourant; (ii) rechtmatigheidstoetsing in verband met de mogelijkheid van verboden overheidssteun; en (iii) rechtmatigheidstoetsing in verband met volgens [eiseres] mogelijke zelfrealisatie van de bestemming.


Ik meen dat een klacht in verband met het tweede onderwerp dient te slagen.

2. Feiten(1) en procesverloop

2.1. Bij Koninklijk Besluit van 26 april 2004, nr. 04.001625 - zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant nr. 105 van 7 juni 2004 - is goedgekeurd het besluit van de raad van de Gemeente 's-Gravenhage, d.d. 4 september 2003 (nr. 151), houdende de onteigening ingevolge Titel IV van de Onteigeningswet (Ow) ten name van de Gemeente 's-Gravenhage, van het perceel plaatselijk bekend als [a-straat 1], kadastraal bekend als Gemeente 's-Gravenhage, sectie [A], nummer [002], groot 10 a 18 ca (grondplannummer [001]).(2)

2.2. Op 17 augustus 2004 heeft de Gemeente een afschrift van het eerder genoemde KB van 26 april 2004, zoals dat in de Staatscourant van 7 juni 2004 (nr. 105) bekend is gemaakt, bij de griffie van de rechtbank gedeponeerd. In dit gedeponeerde exemplaar van de Staatscourant (nr. 105) is het te onteigenen perceel onjuist plaatselijk aangeduid, in die zin dat daarin wordt vermeld [a-straat 2] in plaats van [a-straat 1]. Een rectificatie hiervan is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 november 2004 (nr. 219).(3) Deze rectificatie is niet door de Gemeente bij de griffie van de rechtbank gedeponeerd.(4)

2.3. Bij dagvaarding van 10 december 2004 heeft de Gemeente gevorderd bij vervroeging de onteigening van de onroerende zaak van [eiseres] uit te spreken alsmede het bedrag van de schadeloosstelling vast te stellen op € 437.000,-, althans, indien dit door de Gemeente aan [eiseres] aangeboden bedrag niet zou worden aanvaard, het voorschot op de schadeloosstelling vast te stellen op 90% van het aangeboden bedrag, te weten op € 393.300,-.

2.4. [Eiseres] heeft zich tegen de gevorderde onteigening verweerd; zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Gemeente in haar vordering, althans tot afwijzing van die vordering. [Eiseres] voerde daartoe aan (i) dat de Gemeente in strijd met art. 23 Ow heeft gehandeld door niet een kopie van de hiervoor in nr. 2.2 bedoelde rectificatie (Stcrt. nr. 219) ter griffie van de rechtbank te deponeren; (ii) dat er sprake was van ongeoorloofde staatssteun en (iii) dat de Kroon in het onteigenings-KB van 26 april 2004 ten onrechte het verweer, dat [eiseres] de door de Gemeente gewenste bestemming zelf had kunnen realiseren, heeft verworpen. Voor het geval de rechtbank de onteigeningsvordering van de Gemeente zou toewijzen, gaf [eiseres] de rechtbank voorts te kennen dat zij de door de Gemeente aangeboden schadeloosstelling verwierp. [Eiseres] verzocht de rechtbank in dat verband een voorschot te bepalen op de aan haar te betalen schadeloosstelling tot een bedrag van tenminste 90% van het aangeboden bedrag alsmede de reeds benoemde deskundigen op te dragen de rechtbank te adviseren over de toe te leggen schadeloosstelling.

2.5. [Betrokkene 1] heeft op de in de onteigening betrokken onroerende zaak sinds 19 april 2001 een eerste recht van hypotheek voor een totaalbedrag van NLG 4.900.000,-. Daarom heeft hij de rechtbank bij conclusie houdende verzoek tot interventie d.d. 12 januari 2005 verzocht in de onteigeningsprocedure te mogen tussenkomen. De aan [betrokkene 1] aangeboden schadeloosstelling (van nihil) staat in cassatie niet ter discussie. Ik laat deze hier dan ook verder buiten bespreking.(5)

2.6. Op 27 april 2005 heeft de rechtbank vonnis gewezen. In rov. 5 van dat vonnis gaat de rechtbank in op het (hierboven onder 2.4 als eerste weergegeven) niet-ontvankelijkheidsverweer van [eiseres]:

'5. In dit gedeponeerde exemplaar van de Staatscourant 105 is het te onteigenen perceel onjuist plaatselijk aangeduid, immers [a-straat 2] in plaats van [a-straat 1]. Een rectificatie daarvan is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 november 2004 (219). Anders dan [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat, nu deze onteigening plaatsvindt met toepassing van artikel 77 Ow (Titel IV) in samenhang met de artikelen 31 en 32 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, deze rectificatie niet ingevolge het bepaalde in (de rechtbank gaat er van uit, nu het in casu een bestemmingsplanonteigening betreft, dat [eiseres] bedoeld heeft:) artikel 89 Ow(6) bij de rechtbank behoefde te worden gedeponeerd. In artikel 89 Ow is immers bepaald dat tenminste drie dagen voor de eerst dienende dag bij de rechtbank wordt gedeponeerd een exemplaar van de Staatscourant, waarin het Koninklijk Besluit mét het daarbij goedgekeurde raadsbesluit ingevolge art. 86 lid 2 Ow openbaar is gemaakt. Volgens vaste jurisprudentie is de strekking van art. 89 Ow dat de rechter zich ter toetsing van de onteigeningstitel (te weten het Koninklijk Besluit, waarbij het raadsbesluit tot onteigening wordt goedgekeurd) zich er van kan overtuigen dat aan alle wettelijke waarborgen, voor de administratieve onteigeningsprocedure gesteld, is voldaan, en in welk kader tevens moet kunnen worden geverifiëerd dat de juiste persoon is gedagvaard met betrekking tot de onteigening van het juiste perceel. In het raadsbesluit van de Gemeente Den Haag wordt de te onteigenen onroerende zaak aangeduid als "de percelen, zoals aangegeven op het bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte grondplan nummer [003] en lijst, vermeldende de grootte en kadastrale nummers van de te onteigenen percelen alsmede de namen van de eigenaars volgens de registers van het kadaster. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de grootte en de kadastrale aanduiding van de te onteigenen onroerende zaak en de naam van de eigenaar in het bij de rechtbank gedeponeerde exemplaar van de Staatscourant juist zijn vermeld, heeft de rechtbank in casu met juistheid kunnen vaststellen dat [eiseres] is gedagvaard ten aanzien van de onderhavige onroerende zaak, zijnde bordeel/plaats/lokaal te (kadastrale) Gemeente 's-Gravenhage, sectie [A], nummer [002], ter grootte van 10 are en 18 centiare. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gemeente 's-Gravenhage hiermee heeft voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 88 juncto artikel 54h Ow. Aan dit verweer van [eiseres] zal derhalve worden voorbijgegaan.'

Ten aanzien van [eiseres]'s verweer dat er sprake zou zijn van verboden staatssteun, respectievelijk haar zogenaamde zelfrealisatieverweer (vgl. hierboven nr. 2.4), heeft de rechtbank in rov. 11 e.v. overwogen:

'verboden staatssteun
11. In de eerste plaats voert [eiseres] aan dat er sprake is van ongeoorloofde staatssteun (ex artikel 87 EG-Verdrag). Immers, de staatssteun ligt in casu ruim boven de minimissteun van € 100.000,00 en blijkens het besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente 's-Gravenhage ("Besluit van het college inzake herziening projectdocument Poeldijksestraat") van 23 november 2004 wordt het negatieve plansaldo ten bedrage van € 1.700.000,00 terzake de realisatie van de circa 40 tot 47 studenteneenheden ten laste van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) 2004 gebracht, waarna de realisatie daarvan vervolgens zal geschieden door een woningbouwvereniging of projectontwikkelaar. Omdat volgens haar onduidelijk is hoe en onder welke criteria de te onteigenen onroerende zaak tezijnertijd zal worden uitgegeven, is er sprake van marktregulering door middel van staatssteun. Dit staat volgens [eiseres] - onder verwijzing naar het zogenaamde Scala-arrest (NJ 2002/11) - aan de gevorderde onteigening in de weg en zou er toe hebben moeten leiden dat aan het bestemmingsplan indertijd door Gedeputeerde Staten goedkeuring had moeten zijn onthouden wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (AB Rechtspraak Bestuursrecht, aflevering 39-23.10, bladzijde 1772, AB 2004/342, toevoeging rechtbank).

12. De rechtbank kan [eiseres] hierin niet volgen.


Ter toetsing ligt voor de onteigeningstitel, dat wil zeggen het besluit om de daarin aangewezen onroerende zaken te onteigenen in het belang van de ruimtelijke ordening en van de volkshuisvesting. Deze toets dient zich te beperken tot beantwoording van de vraag of de Kroon bij de afweging van de bij het onteigenings-KB betrokken belangen al dan niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het in de dagvaarding bedoelde perceel ter uitvoering van een (onherroepelijk geworden) stadsvernieuwingsplan (in casu: het stadsvernieuwingsplan "Schilderswijk-Centrum, zevende herziening (Poeldijksestraat)") dient te worden onteigend. Naar vaste jurisprudentie(7) dient, voorzover er geklaagd worden over een onjuiste belangenafweging van de onteigeningstitel, dat bezwaar al in de administratieve procedure kenbaar te zijn gemaakt, tenzij het bezwaar feiten en/of omstandigheden betreft die zich na de datum van het onteigenings-KB hebben voorgedaan.

13. Dit is volgens de rechtbank niet het geval. Hoewel volgens [eiseres] eerst in november 2004 bekend is geworden dat het negatieve plansaldo terzake de realisatie van de circa 40 studenteneenheden ten bedrage van € 1.700.000,00 ten laste van de ISV 2004 zal worden gebracht, was - zoals de gemeente 's-Gravenhage terecht heeft aangevoerd - reeds bij de vaststelling van het onderhavige stads- en vernieuwingsplan sprake van een exploitatietekort, hetwelk zou worden opgenomen in de Meerjarenprogramma's Wonen 1999-2002 en 2000-2003. Dit blijkt onder meer uit de ter gelegenheid van de 25 november 2004 gehouden descente overgelegde toelichting op het bestemmingsplan (pagina 10 onder punt 9) als vastgesteld bij raadsbesluit 97 van 13 april 2000). Om die reden had [eiseres] dit bezwaar al bij de Kroon kunnen en moeten inbrengen.

zelfrealisatie
14. Voorts heeft [eiseres] aangevoerd dat het Koninklijk Besluit van 26 april 2004 onjuist is (en dus niet geslagen had mogen worden) wat betreft het door [eiseres] (met [betrokkene 1]) aangevoerde beroep op zelfrealisatie. De Kroon heeft volgens [eiseres] het beroep op zelfrealisatie ten onrechte afgewezen, op de grond dat de door [eiseres] (met [betrokkene 1]) ingediende bouwaanvraag ter zelfrealisatie van de studenteneenheden door de gemeente 's-Gravenhage buiten behandeling is gelaten. Die buitenbehandelingstelling is echter op puur formele gronden geschied, waartegen [eiseres] dan ook bezwaar heeft aangetekend en uiteindelijk beroep heeft ingesteld. Bovendien heeft de Kroon zich ten onrechte gebaseerd op een beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage tegen [eiseres] aangespannen verzoekschriftprocedure op grond van artikel 26 Wet voorkeursrechten gemeenten (Wvg) en de daarin gegeven overweging ten overvloede dat [eiseres] (en [betrokkene 1]) financiëel niet in staat zouden zijn om het onderhavige bouwplan uit te voeren. Deze beschikking zou immers ná de datum van het Kroonbesluit zijn vernietigd, terwijl [eiseres] - zoals zij ook altijd heeft aangegeven - wel degelijk in staat is om, in samenwerking met derden, de plannen van de gemeente 's-Gravenhage ten uitvoer te doen brengen. Tenslotte heeft de Kroon volgens [eiseres] ten onrechte overwogen dat de hoek Poeldijksestraat/Hoefkade een zichtlocatie zou zijn, omdat er (ook) blijkens artikel 10a sub (h) onder 3 van het voormalige bestemmingsplan "Schilderswijk-Centrum" (eerste herziening) geen vitrines aanwezig zijn op de directe hoek van de Poeldijksestraat/Hoefkade.

15. Vooreerst overweegt de rechtbank dat de Kroon, anders dan [eiseres] stelt, in zijn besluit van 26 april 2004 in aanmerking heeft genomen de omstandigheid dat de beschikking van de rechtbank alhier van 16 juli 2003 op 25 maart (!) 2004 door het gerechtshof alhier (requestnummer 03/913) is vernietigd.

16. Indien in een onteigeningsgeding het verweer wordt gevoerd dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt op grond van de stelling dat de betrokken partij, al dan niet samen met anderen, bereid en in staat is de beoogde bestemming zelf te realiseren, heeft de rechtbank slechts de vraag te beantwoorden of de onteigenende partij bij het nemen van het onteigeningsbesluit - dan wel de Kroon bij de goedkeuring daarvan - in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat die bereidheid of mogelijkheid niet bestaat, en dient de rechter bij de beantwoording van die vraag alleen acht te slaan op feiten die in de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding tijdig naar voren zijn gebracht. De noodzaak tot onteigening doet zich voor wanneer de grond niet langs minnelijke weg te verwerven is, en het zonder verwerving van de grond niet zeker is dat het bestemmingsplan wordt uitgevoerd in de vorm waaraan de gemeente 's-Gravenhage het meest behoefte heeft.
Bij de beoordeling van het noodzaakvereiste betrekt de Kroon ook de kwaliteit van de zelfuitvoerder, omdat een deugdelijke uitvoering van het plan immers moet zijn gewaarborgd. Ook kan van de zelfuitvoerder worden verlangd dat hij zich tegenover de gemeente 's-Gravenhage op de één of andere manier verbindt, zodanig dat zekerheid wordt verkregen dat het werk in de door de gemeente 's-Gravenhage gekozen vorm wordt gerealiseerd.

17. De Kroon heeft in casu overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat [eiseres], na intensieve onderhandelingen, niet bereid was zich jegens de gemeente 's-Gravenhage te verbinden tot het maken van afspraken over de verwezenlijking van de nieuwe bestemming in overeenstemming met de door de gemeente 's-Gravenhage voorgestane vorm van uitvoering, en dat voor [eiseres] (en [betrokkene 1]) met name de ontruimingsdatum het belangrijkste struikelblok is geweest de afgelopen twee jaar. Volgens [eiseres] stelde de gemeente 's-Gravenhage daarbij onredelijke eisen, welke niet golden voor andere projectontwikkelaars, en diende het einde van het gebruik van het perceel voor prostitutiedoeleinden te worden afgestemd op het redelijkerwijs te verwachten einde van het gebruik van andere prostitutiepanden in de Poeldijksestraat. De omstandigheid echter dat de gemeente 's-Gravenhage zich op grond van het bepaalde in het Plan van Aanpak Raamprostitutie (raadsvoorstel 67 van 23 maart 1999) heeft verbonden om de raamprostitutie zo spoedig mogelijk uit de Poeldijksestraat te verwijderen, heeft de Kroon tot het oordeel geleid dat de gemeente 's-Gravenhage gehouden is om de ter plaatse ernstige overlast veroorzakende prostitutie op zo kort mogelijke termijn te beëindigen, hetgeen te meer zou gelden, omdat het betrokken pand zich op een zogenaamde "zichtlocatie" bevindt. Ook heeft de Kroon overwogen dat de door Architectenburo [A] bij brief van 15 oktober 2003 in opdracht van [betrokkene 1] (dus: [eiseres]) ingediende bouwaanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) buiten behandeling is gesteld en dus nog niet tot verlening van een bouwvergunning heeft geleid. Tenslotte heeft de Kroon overwogen dat reclamanten ([eiseres] en [betrokkene 1]) in het kader van het onderzoek ook niet voldoende zouden hebben aangetoond financiëel in staat te zijn een deel van het stadsvernieuwingsplan te verwezenlijken.

18. De rechtbank overweegt dat de Kroon destijds op bovengenoemde gronden in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het publieke belang van de gemeente 's-Gravenhage ter voorkoming van verdere stagnatie in de realisering en voltooiing van het ter uitvoering staande stadsvernieuwingsplan "Schilderswijk-Centrum, zevende herziening (Poeldijksestraat)" zwaarder diende te wegen dan het particuliere belang van de reclamanten ([eiseres] en [betrokkene 1]). De gemeente 's-Gravenhage was op grond van meergenoemd Plan van Aanpak Raamprostitutie gehouden een einde te maken aan de ter plaatse bestaande raamprostitutie en was in dat kader gerechtigd om met [eiseres] in het kader van het minnelijk overleg bindende afspraken te maken omtrent de beëindiging daarvan. De omstandigheid dat - zoals [eiseres] terecht heeft gesteld - de vitrines zich niet op de betreffende hoek, zijde Hoefkade, bevinden, doet niet aan af aan het oordeel, dat de rechtbank met de Kroon deelt, dat het pand zich op een zogenaamde "zichtlocatie" bevindt. Naar de rechtbank ambtshalve bekend is en overigens ook blijkt uit de ter gelegenheid van de op 25 november 2004 gehouden descente overgelegde stukken, bevinden de vitrines zich immers direct om de hoek van het pand aan de zijde van de Poeldijksestraat. Ook valt niet in te zien dat de overweging van de Kroon dat [eiseres] onvoldoende zou hebben aangetoond financiëel in staat te zijn de bestemming zelf te realiseren, komt de rechtbank niet onjuist voor. Immers, dit is niet af te leiden uit de enkele omstandigheid dat in opdracht van [betrokkene 1] een bouwaanvraag is ingediend, die wellicht op formele gronden buiten behandeling is gelaten, en waarvan onzeker is of deze, indien deze alsnog in behandeling wordt genomen, tot verlening van de gevraagde bouwvergunning zou hebben geleid. En ook de omstandigheid dat, zoals [eiseres] in punt 17 van de conclusie van antwoord en bladzijde van de op 14 maart 2005 overgelegde pleitnota stelt, zij in staat en bereid is om, in samenwerking met derden, de plannen van de gemeente 's-Gravenhage ten uitvoer te doen brengen, geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om te overwegen dat thans sprake is van feiten en/of omstandigheden, die zich ná het onteigenings-KB hebben voorgedaan, en die ertoe zouden moeten leiden dat gevorderde onteigening zou moeten worden afgewezen. Van [eiseres] mag worden verwacht dat zij dit feitelijk nader had onderbouwd. Ook dit bezwaar van [eiseres] treft om die reden geen doel.'



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina