7. Sterren in de nacht Fil. 2: 12-18



Dovnload 80.01 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte80.01 Kb.
7. Sterren in de nacht

Fil.2:12-18


De zon stond hoog aan de hemel. En elke dag zat zij daar. Aan de zijde van de weg. De verkoopster van fruit. Achter haar kisten met appels en pruimen. En als er geen klanten waren in haar tentje, nam zij haar Bijbel en studeerde daarin.
Toen kwam daar op een dag iemand voorbij, die haar zag stude­ren in haar boek. Hij vroeg: 'Wat leest u daar?' 'De Bijbel, mijnheer', antwoordde zij, 'het Woord van God.'
'Het Woord van God? Maar hoe weet u, dat dat boek het Woord van God is?' Een moeilijke vraag. 'Mijnheer', zei ze. 'Kijkt u eens omhoog. Hoe weet u, dat dat daarboven de zon is?'
'Dat is niet moeilijk', was het antwoord van de heer. 'Dat kan men voelen. De zon geeft licht en warmte.'

'Goed', antwoordde de verkoopster. 'Zo weet ik ook, dat dit boek het Woord van God is. De Bijbel geeft licht en warmte. Als u daarin leest, voelt u het.'


De Bijbel is het Woord van God. Een energiebron. Daardoor ontsteekt de levende God in ons een zon die licht en warmte verspreidt.

Als de Heere door Zijn Woord en Geest in ons hart werkt, wordt als het ware het knopje van het electriciteitslicht omge­draaid. Licht dat de duisternis verdrijft. Een hand draait de kraan van de geiser open en er komt warm water.


Een paradox?
Wellicht, dat dit (voor)beeld ons helpen kan om te verstaan wat Paulus bedoelt met de moeilijk verklaarbare woorden die we in onze perikoop vinden (Fil.2:12b en 13): Werkt uws zelfs za-ligheid met vreze en beven; want het is God Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbeha­gen.
Op het eerste gezicht is dit een paradox, een tegenstelling in zichzelf. Hoe kunnen wij - duister, koud en 'onbekwaam tot enig waar geestelijk goed' - opgewekt worden om onze eigen zaligheid te bewerkstelligen? Dat is met een handomdraai bepaald niet gebeurd. Daar begint geen sterveling van huis uit ooit aan. Zijn wij niet veeleer uit op onze eigen ondergang in plaats dat wij aan onze redding werken? Wie zichzelf ook maar enigermate kent, weet, dat hij niet eens even zijn hart voor Jezus openstelt.
Een tweede probleem, dat wij met de woorden van Filippensen 2:12, 13 kunnen heb­ben, is: hoe kan de apostel schrij­ven: want het is God, Die in u werkt...Vooral dat woord­je 'want' levert vragen op. Wordt er hier dan soms van uitgegaan, dat er in ieder mens, ook na de zonde­val, zekere wer­kingen van God, van Zijn Geest zijn en dat de mens, als hij daartoe door 'de zachte aanrading van de predi­king' wordt opgeroepen, zelf wel zo wijs zal worden om zich vroeg of laat aan de Heere over te geven? Zoiets leerde vroe­ger Pelagi­us. En de Remon­stranten, vroeger en nu leren dat ook. Het is de leer van de vrije wil: ik doe mijn best en God doet de rest.
Eerlijk gezegd lijkt het een onontwar­bare kluwen, als Paulus aan de ene kant schrijft: werkt...en anderzijds: want God werkt.
Oproep tot gehoorzaamheid en ootmoed
Laat ons eerst letten op het verband. Dat is altijd wijs. Een tekst uit zijn verband rukken, levert dwaalleer op.
Welnu, als Paulus de brief aan Filippi schrijft, zit hij in de gevangenis (Efeze?). Aanleiding tot het schrijven van deze brief is: de komst van Epafrodítus bij de apostel in zijn gevangenis. Epafrodítus is een jonge man uit Filippi die Paulus goede gaven breng­t; een blijk van hartelijk meele­ven.
Paulus wordt er klein onder. Hij ziet het als een bewijs, dat de Heere Zijn werk in Filippi, eenmaal begonnen, ook heeft voortgezet. En dan schrijft hij zijn brief. Epafrodítus, ziek geworden, is inmiddels weer wat hersteld en zal die brief naar Filippi meenemen.
Een recht hartelijke brief. Dankbaar­heid en vreugde voeren de boventoon daarin. Het zijn trefwoorden. Dankbaarheid en vreug­de, midden in het lijden. Paulus steekt de Filippensen een hart onder de riem. De Heere heeft grote wonderen onder hen gedaan. Had Hij in Filippi niet het hart van Lydia geopend, een gevangenbewaarder en zijn gezin uit het heiden­dom ge­trok­ken en een vrouw van een kwalijke geest ver­lost?

Fil.­1:15; 4:2


Maar de apostel bindt de gemeente van Filippi nu vooral op het hart om op de ingeslagen weg voort te gaan. Blijk­baar zijn er in de gemeente ook ver­keer­de geesten bin­nengeslopen, mensen die twist en twee­dracht z­aaien, 'Streb­ers' die de eersten zoeken te zijn.
Laat u niet van de wijs brengen, Filippi. Bewaar de eenheid. Blijf bij elkaar. Wees de minste van elkaar. Buig, wees oot­moedig.

Maar de apostel vermaant niet scherp. Zijn verhou­ding met de gemeente is kennelijk goed gebleven. Hij legt de arm om de schouder van de gemeente, zoals een vader dat doet met zijn kind.



Fil.1:19, 27; 2:23


Spoedig hoopt hij weer op vrije voeten te komen en de gemeente te kunnen bezoe­ken. Dan hoopt hij haar aan te treffen, zoals hij het wenst. In de gestalte van de oot­moed, van nederigheid. Hoe rijk, als de één de ander voor­rang geeft. Daarom heet het vanaf Filippensen 1:27vv: wan­delt waar­diglijk het Evangelie van Christus.
Achter de Heere Jezus Christus aan. En dan (Fil.2:5vv): de zg. christologische hymne, waarin Paulus Christus als het grote Oerbeeld en Voor­beeld van gehoor­zaamheid/ nede­rig­heid aan de ge­meente voorstelt. Hij is de aan­bid­delijke Heere. Filippen­sen, wandelt in dat spoor, evenals ik, Paulus, dat zelf ook mag doen. Daarover ging het in het onmiddellijk aan onze perikoop voorafgaan-de.

­R­om.1:­5; 15:18; 16:19, 26; 2 Kor.7­:15; 10­:5v


Paulus stapt in onze perikoop derhalve niet abrupt over op een nieuw thema. Het is veeleer een vervolg op of samenvatting van wat hij schreef in hoofdstuk 1:27-2:18 en een toepassing van wat hij zo­juist schreef over Jezus Christus, de Vernederde en Ver­hoogde. De Gekruisigde, Zijn nederigheid en gehoorzaamheid domineren hier. Tot onderwij­zing en bemoedi­ging. Horen van en daadwerkelijk gehoorzamen aan het Evangelie liggen in elkaars verlengde. Onderwerpt u in alles daaraan.
Naar de gulden regel: Wie zichzelf verne­dert, zal ver­hoogd worden.

2 Kor.7:15; 1 Petr.1:17


En dan schrijft de apostel: Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezigheid, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven (vs.12).

Fil.2:8; 2:12


Daarom dan, mijn geliefden...1. Als een bewogen pastor spreekt Paulus de gemeente als zijn geliefden aan. U was steeds ge­hoorzaam naar het grote voorbeeld van Jezus Christus. Laat ik u straks, als ik bij u ben, 2. zo ook aantref­fen.
In gehoorzaamheid en ootmoed bukken voor elkaar. Draag in heel uw dage­lijkse leven het stempel van de verne­der­de en verhoog­de Christus. 'In line' met het voorbeeld van de Heere. Kritisch luisteren mag, maar dan wel vanuit het diepe besef, dat Hij het voor het zeggen heeft.
Blijven werken aan de zaligheid
En dan volgt vs.12b: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven. Nogmaals, dat klinkt vreemd. Het woord werken op zich is reeds iets dat in strijd lijkt met de leer van 'vrije gena­de'. Laat staan: werken aan je eigen zaligheid. 3.

Rom.4:5; 5:1; 11:6


Onze werken voegen toch aan de zaligheid niets toe? De zalig­heid ligt vast in het werk van Chris­tus. Wij worden niet gerecht­vaardigd op grond van enig werk van onszelf, ook niet door een heilige levenswandel in ge­hoorzaam­heid en ootmoed. Wordt de mens niet zalig op kosten van een Ander, van het Lam dat voor ons stierf? Zalig­heid is redding van het eeuwig verderf en dat is een eeuwig Godswon­der, uit vrije gunst en onver­diend op de dag van het grote oordeel aan Gods uitver­korenen gege­ven.
Waarom dan toch dit apostolisch vermaan om te blijven werken aan onze eigen zaligheid? Een groot aantal verklaarders legt dit als volgt uit. De gemeente van Filippi - aldus deze uitleg - was verdeeld. De relaties waren verstoord. Het geestelijk welzijn was niet op peil. Daarover heeft Paulus het hier. Hij roept op tot herstel van die onderlinge relaties. Werk eraan om die te 'saven'. Bewerk uw onderlinge genezing van het gemeenteleven. 4.
Naar mijn inzicht echter is dit geen goede verklaring. De apostel heeft het hier wel degelijk over het eeuwig behoud van de gelovigen te Filippi in individuele zin. 5. Die staat op het spel, als men zich niet houdt aan zijn oproep tot ootmoed en eenheid. Het geestelijk welzi­jn van de gemeente hangt daar­mee samen. Paulus gaat ervan uit, dat met de heili­ging van het leven van alledag ziel en zalig­heid, het eeuwig behoud ge­moeid zijn. En zo kan hij schrijven, dat zij moeten 'werken aan hun eigen redding' (A.F.J. Klijn, a.w. blz.60).
Dat is een zaak van 'to be or not to be'. Het gaat om een zalig­heid, waarvan de vruchten hier en nu zicht­baar worden. Geen zaligheid voor het sterfbed alleen. Zaligheid is iets van het eind van de levensweg. Maar het is net zo goed ook iets voor onderweg.

2 Petr.1:­10v


De weg waarlangs gelovi­gen tot hun eeuwig behoud komen, is de weg van ener­giek wer­ken, van 'strijden om in te gaan'. Dat heeft alles te maken met onze 'way of life', ook met onze houding tegenover elkaar. Zo maken wij onze 'roeping en ver­kie­zing vast'.

Vandaar de oproep: werkt uws zelfs zaligheid. Heel persoon­lijk. U allemaal. U en ik. Werkt alsof uw zaligheid ervan afhangt. Ze is er in elk geval mee gemoeid.


De apostel bedoelt hiermee dus ook net iets meer dan: werkt aan uw persoonlijkheid. Het is zeker - psychologisch bezien - goed, dat u en ik ons leven lang, aan onszelf blijven werken, onze persoonlijkheid blij­ven ontwikkelen. Laat ons ernaar staan om uitge­balanceerde, energieke persoon­lijk­heden te worden.
Maar het gaat om meer. Het gaat erom, dat wij ook leesbare brieven van Christus worden. En om dat te worden, moeten we gedurig waakzaam en werk­zaam zijn. Aan slap gedoe heeft nie­mand iets. Het reddingswerk van Christus moge blijken uit uw dage­lijkse handel en wandel.
Werk aan uw eigen zaligheid. Maar klinkt ons dit toch niet wat activistisch in de oren? Wellicht is het daarom goed om aan wat we zojuist zeiden, nog het vol­gende toe te voegen.

Het zijn chris­tenen aan wie de apostel dit schrijft. Denk aan Lydia, aan de gevangenbewaar-der, aan de vrouw die verlost was van haar kwade geest, aan Epafrodítus. Welnu, God is een goed werk in hen begonnen. En Hij blijft ook in hen doorwerken (vs. 13).


Juist daarom kunnen zij ook met grote klem opgeroepen worden om werk­zaam te zijn. Want juist zij moeten door vermaningen en aanspo­rin­gen opge­wekt worden om te volhar­den in gehoorzaam­heid en ootmoed. Alle begin is moei­lijk. Maar om iets vol te hou­den, is moei­lijker.
Zijn er niet juist ook in het leven van hen die door God getrokken zijn uit de duisternis van het zonde­leven, na de ontvangst van Zijn genade, duizend 'onderscheiden twijfelingen des vleses en zware aan­vechtingen'? (Dordtse Leerregels, V.11). In het prille genade­leven, als de Heere zojuist met ons begon, komt het ons wel voor, alsof we nooit meer kunnen zondigen. Zo lief is ons de dienst des Heeren geworden.
Maar verderop op de weg des heils, leren wij ons­zelf vaak dieper kennen en wordt het leven van het geloof een dagelijkse strijd met ons trotse, dwarse bestaan, waarin we elkaar soms het licht in de ogen niet gunnen. 'Graaf dieper, mensenkind, en u zult groter gruwelen vinden.'
Daarom is van groot be­lang, dat wij gedurig worden aange­moe­digd en aangespoord. Werkt...Een oproep tot le­vens­heili­ging, tot een ootmoe­dige levenswandel.
De Dordtse Leerregels (V.14) zeggen terecht: 'Gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te begin­nen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan mitsga­ders (en tevens) door vermaningen, bedreigingen, belof­ten en het ge­bruik der Heilige Sacramenten'.

Hebr.12:1


Werk...! 'Welkom in de strijd.' 'Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal.' Het geloof (zelfstandig naamwoord) is gave van God. Maar geloven (werkwoord) is iets daadwerkelijks.
Genade maakt actief, juist ook de genade van gedu­rige opwek­kin­gen en vermaningen die ons vanuit Gods Woord worden toege­voegd. Het is door die genade, dat ons willen (doelbewust) en ons doen (daad­werkelijk) worden beïnvloed. Dus niet alleen onze wil. Ook niet alleen ons doen. Genade werkt onweerstaan­baar van binnenuit naar buiten toe.

De Dordtse Leerregels zeggen, dat de mens die genade ontving, zich met­terdaad be­keert. Het is een bezig zijn vanuit de rust in God. Het is aan je zaligheid werken, juist omdat Jezus zei: 'Het is vol­bracht'.


Werkt uws zelfs zaligheid. Daarom is het voor een gelovige niet mogelijk, dat hij in vals passivisme Gods water maar over Gods akker laat lopen. Wie eenmaal bij het kruis van Golgotha heeft gestaan, kan niet meer met de handen in de schoot door het leven gaan. De Heere heeft hem wat beloofd, daarom mag Hij hem ook alles beve­len. 'Geef Heere, wat Gij beveelt en beveel dan maar wat Gij wilt' (Au­gustinus).
Een christenmens is geen 'stok en blok'. Hij laat zich niet in apa­thie willoos als een drijfhout op de stroom meevoeren. Hij moet werken. Hij zegt niet: 'God moet het doen; dus kan ik voorlopig doen, waar ik zin in heb'. Een christen moet altijd weer door. Stil­stand in het geestelijk leven is achter­uitgang.
Neem 'gestaag' uw toevlucht tot het bloed en de Geest van Christus. Hecht u steeds als een klimop­plant aan Hem. Wees een gouddel­ver. Delf het goud van de genade elke dag op uit de goudmijn, Christus. Wees een waterputter. Put dage­lijks uit de bron, Christus. Haal eruit wat erin zit (in het Woord, in de Heere Zelf). Haal wat er te halen is. Dat is was­sen, toene­men in het rechte geloof en de zalige ge­meen­schap met Chris­tus.
Ga aan het werk, mens en zie daaruit, of God in u werkt. Vraag uzelf: hoe is de stand, de stand van uw gees­telijke leven? Is uw staat goed? Is uw stand goed? Werkt uws zelfs zaligheid.

Wat dat praktisch inhoudt, maakt de apostel in het tekstver­band duidelijk. Het betekent, dat wij ons dagelijks oefenen in de oot­moed. Ootmoed is niet iets dat we in de binnen­zak heb­ben. Het wordt door strijd verkregen. Wij hebben er onze natuur niet in mee. 'Van God en alle mensen de minste zijn' is iets dat ons niet ligt. De (A)ander voorrang geven is ook al in het verkeer op de weg iets dat ons moeilijk valt.


Maar het luie zweet moet eruit. De zweep over de luie ezel van ons vlees. Ootmoed. Altijd weer ons inleven, hoe groot het wonder is, aan mij, zondaar bewezen. Altijd weer besef­fen, dat wij van onszelf nietig en zwak zijn. 'Wij zullen terstond vallen, zo Hij Zijn hand een weinig af­trekt' (J.Cal­vijn, a.w. blz.132).
Ootmoedig wandelen met uw God en met uw naaste. Als bij David in Psalm 51. Hij mocht geloven, dat de Heere ook in zijn droevig vallen, Zijn Geest niet van hem weggenomen had. Daarom kon hij in zijn worsteling om weer op zijn plaats te komen voor God, b­idden: 'En neem Uw Heili­ge Geest niet van mij' (vs.13 b).
Matth.7:20

U bent misschien een mismoedig mens. U denkt, dat God om u niet geeft. Ga aan het werk. Wees trouw op de nederigste plaats die God u geeft. Al doende zult u bemerken, dat God in u werkt. 'Zo zult gij dan dezelve aan hun vruch­ten kennen.' Het willen en het werken naar Gods welbeha­gen.


Werk... En dan voegt de apostel er nog iets aan toe. Werkt uws zelfs zaligheid met vrees en beven. 6.Wie een werkzaam geloof heeft, zoals boven omschreven - geen dood en werkeloos geloof -, staat in de spanning. Hij voert zijn strijd 'coram Deo' - voor het aange­zicht van God. Hij heeft het zeker in zijn Heiland. Maar hij beeft, als hij denkt aan zichzelf. Soms voelt hij zich als David die in Psalm 51:10 bidt: 'Dat de beenderen zich verheugen, die Gij ver­brijzeld hebt'.
Zonder heiligmaking zal niemand God zien. Wees heilig, want de Heere is heilig. Dat maakt het christenleven tot een leven vol ontzag voor Gods majesteit. Dat doet ons steeds vragen: 'Ben ik de Heere aangenaam? Loop ik mijn naaste niet voor de voe­ten?' U houdt uw hart vast.
Ja en toch is dat wat de apostel hier schrijft geen oproep om levenslang onzeker en angstig te zijn met het oog op het laatste oordeel. U behoeft geen mens te zijn, die nooit verder komt dan een zucht en een traan.
Want werken aan uw zaligheid doet u - als het goed is - niet, omdat er anders wat voor u opzit. U doet het in vrees en beven, maar tegelijk in het vaste vertrouwen, dat de Heere het goede werk, in u begonnen, zal voleindigen.
Werkt uws zelfs zaligheid met vrees en beven. Altijd e­en onwaardi­ge in onszelf, maar noch­tans niet waarde­loos in Gods ogen. Want een mens die zijn eigen zaligheid werkt, mag er in Gods ogen zijn.
Frank Thielman (a.w. p.145) vertelt in zijn ver­kla­ring van deze verzen, dat sommige leiders van de 'Second Great Awake­ning' in de negentiende eeuw een tweede bekering noodza­kelijk acht­ten voor elke gelovige na hun eerste bekering. Een gewel­dige ervaring (een 'second blessing'), waardoor de Heili­ge Geest heel bijzonder controle kreeg over het leven van de gelo­vigen en hen op een hoger plan van gehoorzaam­heid en Chris­te­lijke toewij­ding bracht.

Rom.8:9; Gal.5:1­6


Deze leer had echter - aldus Thielman - tot gevolg, dat de zgn. gewone gelovigen hun gehoor­zaam­heid gingen uitstellen, totdat hun die ervaring van de bij­zonde­re werking van de Geest over­kwam. Maar dat is wel geheel in strijd met wat we bij Paulus lezen. Elke gelo­vige heeft de Geest en Gods Woord beveelt iedere gelovige te leven door de Geest.
Het fundament (God werkt)
Tot nu toe ging het over de uitwerking van het geloof. Dat is wat anders dan activisme. Maar dan nu wat de apostel schrijft in vs.13: want het is God Die in u werkt beide het willen en het wer­ken, naar Zijn welbehagen. 7. Dat is wat anders dan passivisme. Letterlijk staat hier: want God is de bewerkende in u (Gr.'ener­goon'; denk aan ons woord energie), zowel het willen alsook het bewerken naar het welgevallen.
De apostel kan de Filippensen oproepen om te werken, omdat hij weet, dat God in hen werkt. Anders zou hij dit niet hebben kunnen doen. Hij doet geen beroep op de vrije wil: doe uw best en God doet de rest.

Ez.11:1­9b, 20 a; 2 Kor.8:10v; 1 Thess.2:13


In ons woont geen goed, geen enkele beweging naar God toe. Maar als de Heere ons door Zijn Geest weder­baart - eens voor het eerst en daarna steeds weer - , wordt onze wil ver­nieuwd. Er komen 'God­delijke genegenheden in ons' (J.Calvijn, a.w. blz.131). Onze daden worden gezui­verd. Hij volbrengt in ons het willen en werken. Want Hij doet geen half werk. Hij werkt van de prilste bewegingen des Geestes tot de volle uitbloei in werken van het geloof. En dat geeft ons doorzet­tings­kracht. Wij vallen niet halverwege uit. 'Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen en zal hun een vlesen hart geven, opdat zij wandelen in Mijn inzet­tingen, en Mijn rech­ten bewaren en de-zel­ve doen.'

Ps.138:8a


Ziedaar de troostrijke ervaring van al Gods kinde­ren. 'De Heere zal het voor mij voleindigen'. 'Want zo God in ons werkt, waarom zouden wij niet gerust en zonder zorg leven?' (J.Calvijn, a.w. blz.131).

Fil.1:6


De apostel ver­trouwt erop, dat het goede werk van God in Filippi is gebleven en dat hij straks, als hij weer bij hen mag zijn, zich daarover kan verheugen. Nu hij afwezig is, is dat ook zijn troost. De Heere werkt. Het geloof van de Filippensen is meer dan een strovuur dat slech­ts enkele minu­ten brandt.

2 Kor.3:5


Want het is God Die in u werkt...Het is Gods eigen werk, geen mensenwerk, ook niet van een apostel als Paulus.
Het ware en werkzame geloof rust niet in iets van ons. Het wordt niet geboren uit een vlaag van opwin­ding. Het is niet gefundeerd in iets van de mens, ook niet van een inspirerende voorgan­ger, ook niet van een identificatie-, een vader­figuur, ook niet van een godvrezende moeder en ook niet van een goede vriend of van een lieve echtge­noot of echtgenote.

Zij kunnen het middel voor mijn bekering zijn geweest. 'Dank u, Heere.' Maar mijn geloof kan er niet op rusten. Waar geloof is niet gegrond in enige hoop die mensen voor ons hebben kunnen. Waar geloof is geen napraterij. Geen imiteren van ande­ren. Het bestaat ook niet uit mensen­vrees of behaagzucht van men­sen. Dat is op zijn best een slaafs geloof. Beproeft uzelf, of u in het geloof bent.


Het is God die in u werkt.
Andere mensen (een voorganger, een vader/ moeder, een vriend of echtgenoot/ echtgenote kunnen het middel voor ons zijn. Maar als het geloof eenmaal is gegroeid, kan het ook zonder hen alleen staan en gaan.
Er blijft zeker een grote leegte achter, als mensen die veel voor ons betekenden wegvallen. Ongewild alleen blijven maakt ons soms depressief. Maar daarmee is de Heere die in ons werkt, toch nog niet weggeval­len?
Ds.Jose­ph Par­ker (van 1874 - 1902 predikant van de City Temple/ Londen) schrijft in zijn autobiografie, dat hij tot zijn 68e jaar nooit godsdienstige twijfels kende. Maar toen zijn vrouw wegviel, stortte zijn geloof in. Hij werd bijna atheïst. Aldus John R.W. Stott in Het kruis van Christus (Novapres 1997; blz.347).
Het gaat er soms onbegrijpelijk diep doorheen met Gods kinde­ren. Nochtans...het is God Die in u werkt. Naar Zijn welbeha­gen laat Hij op Zijn tijd Zijn Woord spreken en werken Zijn belof­ten in ons ener­giek door. De Bijbel is onze energiebron. Gods Woord zorgt voor licht en warmte. Denk aan de fruitver­koopster aan het begin van deze bijbelstudie.

Rom.9:16


Naar Zijn welbehagen. Uit vrije goedheid en te Zijner tijd. ‘Zo is het dan niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods.' Dus niet uit kracht van ons werken en op Gods tijd - als het Hem be­haagt - werkt Hij in ons. 8.
Leggen we dan nu maar de verbinding met vs.12b: werkt uws zelfs zaligheid...Hoe kan de apostel ons oproepen om te wer­ken? Omdat hij weet, dat God in ons werkt. En leggen we nu ook maar het verband met het vervolg.
Opnieuw kunnen wij ons afvragen, wat dit concreet voor ons heeft te betekenen. Welnu, dat wordt ons duidelijk uit wat er op vers 13 volgt.Genade maakt geen luie men­sen, geen hom­mels, maar bezige bijen. Gehoor­zaamheid en ootmoed leiden tot opoffe­rings­ge­zindheid en gewil­ligheid. Dat is groeien in Hem en zo toenemen in heilig­ma­king.
Wij hebben niet te klagen
Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspre-ken (vs.14).

In deze weg is het, dat wij onze zaligheid bewerken. Het gaat hier om een attitude tegenover God en elkaar, een houding die getuigt van spontane gewilligheid, vrucht van gehoorzaamheid en ootmoed. Uit niets blijkt, dat de apostel hier deze dingen schrijft, omdat men in Filippi opstond tegen zijn gezag. Ook schrijft hij deze dingen niet, omdat heel de gemeente van Filippi bestond uit klaagzieke mensen. 9.



1 Petr.4:9; 1 Tim.2:8


Maar God wil niet al mopperend en met tegenzin gediend worden. Zoals een kind dat wel doet wat moeder vraagt, maar niet van harte. Met zo'n manier van doen is ook de naaste niet gebaat. Er zijn klaagzieke christe­nen die altijd eerst steen en been klagen over alles en nog wat. Zij hebben altijd wel wat te klagen over God en over hun naasten. Daar wordt een mens ziek van.
Geen 'ja maars', geen eindeloze disputen: zou ik het wel doen, moet ik dat doen? Daar wordt een mens halfslachtig van.
Wat dan? Spontane bereidwilligheid om God en de naaste ten dienste te staan. Niet met tegenzin/ weerzin en gezeur. Rebels en met lange disputen. Hoe nodig, dat wij dit elkaar steeds op het hart binden. Het kwaad zit diep in ons allen. 10.
Wij zijn allemaal van huis uit mopperaars en daarin bewij­zen wij minder van genade te leven dan wij wel willen weten.
Herinner u Israëls gemopper in de woestijn. De gemeente van Filippi (al waren er weinig Joden) kende de geschiedenissen van Israëls ongehoor-zaamheid wellicht goed. 11.

Ps.108­:2; 110:3


Een mopperend en klaagziek christendom voert geen goede PR (public relations) naar de wereld toe. Zeker, ieder mens doet weleens dingen die hij liever niet doet. Maar als het geloof een levende relatie met de Heere heeft, wil het Hem ook van harte die­nen. Dat is het wonder­baarlijke werk van God in ons. 'Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heer­kracht...' 'O God, mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalm­zingen, ook mijn eer.' Wij hebben niet te kla­gen.
Wees erom verlegen. Bid met David in Psalm 51:12 mee: 'Schep mij een rein hart, o God en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest'.
Licht der wereld
En dan in vers 15 de positieve kant. Een moppe­rend en klaag­ziek christendom levert een negatief beeld op bij hen die buiten zijn. Maar wie de Heere oprecht mag dienen en ootmoedig door het leven gaat, is een lichtba­ken, een vuurto­ren, een ster. Daar moeten alle film-, sport- en popsterren het tegen afleg­gen.

Matth.10:16; 1 Thess.3:13


Opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn (vs.15 a). 12.

Een heilige levenswandel moet de validiteit van het Evan­gelie aantonen tegenover de buiten­wacht. Een 'way of life' waarin niemand de vinger op ons kan leggen, vlekkeloos en gaaf. Leden van Gods huisgezin die oprecht zijn als duiven en onver­dacht eerlijk; 24 karaats goud; niet gemixt met bijbedoelin­gen; sereen, door­zichtig, spontaan, onzelfzuch­tig.



Matth.12:39; 2 Kor.11:2


Kinderen Gods zijnde, onbestraffelijk 13. in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lich­ten in de wereld (vs.15b). Als een gaaf offerdier; als een onbevlekte bruid. En dat te midden van een perverse we­reld.
Het mag ons wel opvallen, dat Paulus hier meteen ook denkt aan de plaats van de gemeente in de wereld (kosmos). Een gemeente die leeft in afzondering, maar die tegelijk werfkrachtig is, waar aan­trekkings­kracht van uitgaat.
Deut.32:­4v; Jes.42:6v; 49:6; Joh.12:36; Hand.2:­40; Ef.5:8; 1 Thess.5:5; 1 Petr.­2:18

Er mag wat van ons uit­gaan. Wees geloof­waar­dig (door ootmoed/ een­heid). Wees kinde­ren van het licht. Niet als Israël oud­tijds: een krom en verdraaid geslacht, maar als Israël naar Gods roeping: licht der heidenen. 14.

Welk een verantwoordelijkheid voor de gemeente. En tegelijk:

hoe donker wordt ons hier de situatie van de wereld getekend.



15. Paulus geeft een typering van het wereldleven die er niet

om liegt. Een donkere wereld, een krom en verdraaid geslacht, waarin alles uit is op 'bezit', op seks en geld. 'Incurvatus in se' (L­uther­), vol­strekt in zichzelf ge­keerd. Of als die hond waarvan Luther vertelt. Dat dier had een stuk vlees tussen zijn tanden. Maar wat deed hij? Toen hij bij een ri­vier­tje kwam en zichzelf in het water weerspie­geld zag, liet hij zijn prooi vallen. Hij hapte naar het dier dat hij daar zag en dat een nog groter stuk vlees in zijn mond leek te hebben.


Een krom en verdraaid geslacht dat als in een doolhof rond­gaat; nergens een uitgang. Geheel pervers.
In Duitsland - zo las ik ergens - wordt er in minstens één op de drie huwelijken (seksueel) geweld gebruikt. De oorzaak van deze agressiviteit lijkt te liggen in de werkeloosheid, in het verlies van 'status'. Of is misschien de maatschappij verziekt door egoïsme?
In zo'n wereld - zou men zeggen - kan een kind van God wiens leven op de Heere geöriënteerd is, geen kant op. En toch..., al is er 'bijna geen huis dat niet van alle zijden omringd is met ongelovigen' (J.Calvijn, a.w. blz.133), toch zijn kinderen van God kinderen van het licht.

'Op de aarde leven wel de gelovi­gen met de goddelozen ver­mengd

, dezelfde lucht inademend en van dezelfde zon genie­tend' (J.Cal­vijn,a.w. blz.133), het­zelfde brood etende, dezelfde ver­keers­weg gebruikende, net als ieder­een eenmaal geboren en net als ieder mens weldra ster­vend, en toch zijn zij kinderen van het licht.

Als u kind van God bent, bent u een lamp, een luchter. Beter gezegd: een vuurtoren­licht. Nog liever: een licht­drager als de zon, de maan, de ster­ren in het firma­ment. 16.



Dan.12:3 LXX; Jes.60­:1-3; Matth.5:14-16


Laat uw licht schijnen. 'Wij zijn', aldus J.Calvijn (a.w. blz.134) 'kandelaren, de leer des Evan­ge­lies is een kaars'.
Een vreugde-offer
En dan nu nog de slotverzen van onze perikoop. Werk, want God werkt. Ootmoed, ootmoed, ootmoed. Wees geen klaagzangers, maar lichtdragers.

Houd dat maar vast. Het is het woord des le­vens. 'Ik houd vast, want ik word vastge­hou­den ('teneo et teneor').


Voorhoudende het woord des levens, mij tot een roem tegen de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gearbeid (vs.16). 17.
1 Kor.1:8; 3:12v; 4:3vv; 2 Kor.1:1­4; 2 Kor.5:10; Fil.1:6, 10; 1 Thess.2:19; 3:5

Zo nadert de dag van het grote oordeel, de dag van de weder­komst van Christus. Of Paulus die dag nog tijdens zijn leven zal meemaken? Als dat niet zal zijn, dan is het ook goed. Als hij maar roem mag hebben. Als Filip­pi maar als een smette­loze bruid van Christus mag zijn; Paulus' roem. Een be­wijs, dat hij niet voor niets gelopen en gearbeid heeft. Dat is zijn hartenwens.


Niet tevergeefs gelo­pen. Hoe teleurstellend voor een atleet in de sportwereld, als hij ver­liest en de eindstreep niet op tijd be­reikt. Hij wordt gediskwalificeerd. Hoe teleur­stellend voor een wever die nauwgezet aan een kleed weeft en er bij de verkoop geen cent voor krijgt. 18.
Jes.4­9:4; 53:1; 65:23 LXX

Laat Filippi voor Paulus in zijn apostolische loop geen strui­kel­blok zijn. Het zou hem frustreren. Tevergeefs gelopen/ gearbeid. Als de Knecht des Heeren van wie Jesaja spreekt.



Fil.2:24; 2 Kor.12:15; 2 Tim.4:6


Maar neen, het juicht in Paulus' binnenste. Het loopt zeker goed af. Hij heeft fiducie in het werk van God in Filippi en hij is blij, dat hij als apostel voor de zaak des Heeren lijden mag. Daarom schrijft hij: Ja, indien ik ook 19. tot een

drankoffer geofferd word over de offerande en bediening van uw geloof, zo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen (vs. 17). De apostel ervaart zijn bediening als lijden. Ook los van een mogelijke martelaarsdood. Maar dat lijden is niet iets ne

gatiefs. Het is een pleng- en drankoffer, gegoten over het offer en de bediening van het geloof van de gemeen­te. 20.



2 Kor.8:2; Hebr.­9:11vv; 24vv


Zo ziet hij ze samen opgaan. Zijn apostolische bediening vloeit over het geloof en de geloofsdaden van Filippi heen als een plengoffer over het offer. Gode tot eer. Christus bracht het enige en algenoegzame zoenoffer. Maar Zijn volge-lingen offeren ook : een lof- en dankof­fer. In heel het leven, in (alle daden van) het geloof.

1 Petr.­2:5


Opvallend is, dat hier geloven en alles wat daaruit mag voort­komen, een offer- en priesterdienst heet. 21. De 'liturgie' van het geloof, onze geestelijke eredienst van dag tot dag. Geen offerdienst als een zaak van een specia­le klasse (pries­ters), maar van de gehele gemeente. Geen 'litur­gie', een orde van dienst alleen voor de zondagse ere­dienst, maar een ere­dienst van elke dag.
Fil.1:18; 3:1

Zo gaat de apostel de dag des oordeels met vreugde tegemoet, delend in de vreugde van de gemeente. Het kan niet op. 'Ik ben blij met u allen en u bent blij met mij.’ En om datzelfde verblijdt gij u ook en verblijdt ook u met mij (vs.18). 22. 'Rejoice in the Lord.'


Of om het te zeggen met een woord van Warren W. Wiersbe (a.w. p.80): 'Het voorbeeld komt van Christus, de energie komt van de Heilige Gee­st en het resultaat is: vreugde'.
Iemand stond eens voor de deur van een heiligdom. Boven de ingang stond geschreven: werkt uws zelfs zaligheid. Toen hij binnen was gegaan en omkeek, zag hij boven de binnenzijde van de deur de woorden staan: want het is God die in u werkt...
Laat dat de samenvatting zijn van de perikoop.

Luk.­17:­10


Het is God Die in ons werkt...Daarom kan het tenslotte nooit meer zijn dan: 'wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen'.
noten
1. Gr.'agapètoi' - beminden, geliefden (door God en mij). Vgl. o.a. Rom.1:7; 1 Kor.10:14; 15:58; Fil.4:1.
2. Paulus bedoelt waarschijnlijk: laat ik u zo straks, als ik u bezoek (Fil.2:24) aantreffen. Bedoeld kan ook zijn: toen ik bij u was. In elk geval: niet alleen bij mijn aanwezigheid (Gr.'paroesia'), maar ook nu ik afwezig ben (Gr.'apoesia').Zo Gerald F.Hawthorne, a.w. p.99 en Peter T.O'Brien, a.w. p.280f. Het Gr.woord 'hoos' = als (met het oog op mijn aanwe­zigheid bij u), dat door een aantal hss. is weggelaten (mis­schien om de zin gemakkelijker te maken) kan betekenen: alsof mijn tegenwoordigheid alleen u daartoe nood­zaakte. En wees zo ook, nu ik afwezig ben. Gehoorzaamheid, onderworpen zijn aan mij, de apostel des Heeren, aan de door mij u overge­lever­de tradi­tie, maar daarin ook aan God en aan Christus. Vgl. 1 Kor.4: 14-21; 2 Thess.3:14. Want wie een gevan­gene van het Woord is geworden, wil het niet beter weten dan de Hee­re: 'Spreek, Heere, Uw diens­tknecht (-maagd) hoort­'.
3. Het Gr. werk­woord 'katergadzomai' (vs.12) komt 22 x in het NT voor, waar­van 20 x bij Paulus. In vs.13 wordt het Gr.werk­woord 'energein (energiek/ effec­tief wer­ken)' gebruikt, ook een typisch paulinisch woord (20 x in het NT, waarvan 18 x bij Pau­lus). Zie o.a. Matth.14:2; Gal.2­:8; 3:5; 5:6; Ef.2:2. Zo Gerald F.Hawthorne, a.w. p.100.
4. Zo in een aantal nieuwe commentaren. In navolging van J.H. Michael, Work Out Your Own Salvation' (Expositor, 9th series, 12; 1924, p.439-450) zo o.a. Ralph P.Martin, a.w. p.115f en Gerald F.Haw­thorn­e, a.w. p.98v. Laatstgenoemde schrijft, dat het hier niet gaat om het eeuwig welzijn van de ziel in indi­viduele zin, maar om het geestelijk welzijn van de gemeen­te (corpora­tief): blijft werken (Gr.'kat­ergadzesthe') aan het herstel van uw (meervoud) geschonden relaties ('spir­itual fitness within your communi­ty'). Hij verwijst voor de beteke­nis van Gr.'sootèria' = redding in de zin van (geestelijke) gezond­heid/ welzijn naar het voorko­men van dit woord in die zin in de papyri (zie ook Mark.3:4; Hand.4:9; 14:9; 27:34; Fil.1­:19).
5. O.i. gebruikt Paulus het woord 'sootèria' (18 x in zijn brieven) bijna steeds in de zin van: redding in het gericht. Zie echter onder Fil.1:19. Aldus Frank Thielman, a.w. p.137. Zo ook Peter T. O'Br­ien, a.w. p.278f. Uw eigen zalig­heid = uw eeuwig behoud (op de dag des oor­deels). Vgl. Rom.13­:11; 1 Kor.5:5; 1 Thess.5:9). Eraan werken = door te leven in oot­moed. M.i. wordt de exegese van Filippensen in een flink aantal commentaren (bv.Ralph P. Martin, Gerald F.Hawthorne) al te zeer beheerst door de gedachte, dat nagenoeg de gehele gemeente van Filippi in tweeën lag (door verdeeld­heid). Dat is uit de brief zelf niet op te maken. Paulus wijst wel op het

verkeerde gedrag van 'Strebers', maar heeft overigens goed ver­trou­wen in de gemeente.


6. De uit­druk­king 'met vreze en beven' (alleen bij Paulus in het NT) is een uitdruk­king van een attitude (juist ook in de omgang met de naaste merkbaar) van bevend ont­zag 'coram Deo'; zo in de LXX; vgl.ook 1 Kor.2:­3; 2 Kor.7:­15; Ef.6:5). Gerald F.Haw­thorne, a.w. p.99f en Ralph P.Martin, a.w. p.116 zeggen het omge­keer­de. Zie echter C.den Boer, 1 Korinthe I-VI, deel 1; Kampen 1997/2; blz.7­7v (vooral­ noot 18).
7. Hier dezelfde verhouding tussen genade en werken als in 1 Kor.15:10.
8. Gr.'huper tès eudokias' = naar het welbehagen. Bijna overal waar Paulus dit woord 'welbehagen' gebruikt, gaat het over het welbehagen van God. In Fil.2:13 onderbouwt Paulus zijn oproep aan de Filippensen om te werken (vs.12), door hen op de bron en motor van al hun activiteit te wijzen. M.a.w.: u kunt, want God doet het vrijmachtig in u.

Omdat hier niet gezegd wordt, over wiens welbehagen het gaat, zou men ook kunnen verta­len: met het oog op/ ten dien­ste van (Gr.'huper') de 'good­will' (onder elkaar) (zo Gerald F. Haw­thor­ne, a.w. p.101 en Ralph P.Martin, a.w. p.117); zij ver­wijzen voor deze vertaling van het woord 'welbe­hagen' o.a. naar Rom.10­:1 en Fil.1:15. Er is echter niets op tegen in de uit­drukking een nadere omschrijving te zoeken van Gods vrije genade die Hem 'moti­veert' (Gr.'huper') om het willen en werken in het hart en leven van de Filippensen te bewerken. Peter T. O'Brien, a.w. p.289f vertaalt als volgt: opdat u moogt ver-vullen Zijn welbe­hagen. J.Calvijn, a.w. blz.131 om­schrijft met: 'uit onver­diende barmhar­tig­heid'.


9. Zie noot 5 (over de verdeeldheid in Filippi).
10. Gr.'goggusmos' = morren (meerv.); in het NT naast Fil.2:14 slech­ts driemaal: zie Joh.7:1­2; Hand.6:1; 1 Petr.4:9; alleen hier in Paulus' brie­ven. In de LXX wordt het woord voor Israël in de woestijn gebruikt (Ex.16:7, 8, 9, 12; 17:3; Num.11:1; 14:2). Gr.'dialogis­mos' = overleg, argumen­teren/ disputeren, twijfeling, twistge­sprek, gepraat (zo A.F.J. Klijn, a.w. blz.61; overwe­ging bij de indivi­duele mens zelf). Zie 1 Tim. 2­:8. Het gaat hier over morele en intellec­tuele rebellie tegen­over God en elkaar.
11. Ten onrechte schrijft Frank Thielman, a.w. p. 144: 'The Mosaic law, since it was intended to govern national and ethnic Israël, is no longer valid.' En even verderop (p.146): 'Christ himself and the writings of the apostles and their followers set the standard for our sanctity, not the Mosaic law.' Waar zulke onzinnige uitspraken die de verhouding Oude en Nieuwe Testa­ment volkomen scheeftrekken, op uitlopen, blijkt uit het ver­volg van wat Thielman schrijft (a.w. p.149):

'God's people in the land of Israël are those who, whe­ther Jew, Arab, or neit­her, belie­ve in Messiah Jesus'. Ik heb er geen bezwaar tegen, dat Thiel­man aandacht vraagt voor kwalijke behandelingen van (christen-) palestijnen in het land Israël. Maar van een dubbele solida­riteit blijkt uit zijn uitlatingen niets. Boven­dien ontkent hij, dat de huidige staat van Israël - terug in het land der belofte - Gods ver­bondsvolk is en beweert, dat deze staat van Israël geen rol kan spelen in ge­beurte­nissen van de eind­tijd. Dat lijkt mij geheel in strijd met wat de apostel Paulus over Israël schrijft in zijn brie­ven.


12. Een aantal hss. leest: Gr.'ète' = moogt zijn; uzelf ver­toont als... i.p.v. Gr.'genèsthe' = moogt worden als....Inhoudeljk maakt dit geen verschil.

Gr.'amemptos' = vlek­ke­loos, zonder dat men een blaam op ons werpen kan (= Gr.'a­moom­os'; als het offerdier dat volkomen/ gaaf (Hebr.'tamim') moet zijn; vgl. Ex.29:1; Num.6:14; 19:2; Luk.1:6; Fil.3:6; Hebr.9:­14; 1 Petr.1:19 o.a.). Vgl. verder 1 Thess.2:­10; 5:23.

Gr.'ake­raios' = zuiver van instelling; letter-lijk: on­ge­mixt/ onvermengd; als pure wijn; niet gele­geerd (metaal; geen dou­blee). Zie ook Matth.10:16.
13. I.p.v. Gr.'amooma' (zie noot 12) wordt in een aantal hss. en in de meerderheids­tekst gelezen: Gr.'amoomèta' (een woord dat herin­nert aan de uit­druk­king 'krom en verdraaid geslacht in de LXX van Deut.32­:5). Beide woorden hebben de­zelfde in­houd: onberis­pe­lijk, feilloos.
14. Het is onbegrijpelijk, dat Gerald F.Hawthorne, a.w. p.102

suggereert, dat Paulus hier zou bedoelen te zeggen, dat de kerk van nu 'has the privilege of replacing Israël (robbed of this privilege by its own lack of humility') as God's child­ren' en dat er dus alle reden toe is voor de kerk 'to divorce itself from Israël, from Judaism (cf.3:2).'


15. Gr.'skolios' = krom, verdraaid, slinks, corrupt. Gr.'dias­trephoo' = verdraaien, verkeren (de rechte wegen van God), perverteren (vgl.o.a. Hand.13:10). In Deut.32:5 van Israël gezegd, in Fil.2:15 van de (heiden)wereld.
16. Gr.'phoostèr = toorts, lantaarn, lichtboei (vuurtoren), ster; in het NT alleen nog in Openb.21:11; vgl. Gen.1:14, 16. In het Jodendom worden God, Adam, Israël, de Thorah, de tem­pel, Jeruzalem en rechtvaardigen lichtdra­gers genoemd; vgl. H.L.S­track-P. Billerbeck, a.w. I, S.236f. Gr.'phaino­mai' (med.) is hier: schijnen, niet verschijnen (gelet op de meta­foor van de licht­drager in de tekst). Zie Jes.60:1v; vgl.ook Matth.2:7; 24:27.
17. Gr.'epechoo' = vasthouden (tegen alle verdrukking en ver­lei­ding van de kant van de perverse wereld in). Dit is de gebruike­lijke betekenis van 'epechoo'; zo Frank Thielman, a.w. blz. 14­0. Anderen vertalen (gelet op vs.15 slot): als een lamp

dragen/ voor zich uit hou­den. Zo A.F.J. Klijn, a.w. blz.60: 'dragers van het woord van leven'. Gr.'logos dzooès' = Woord des levens (= het apos­to­lisch Woor­d).


18. Gr. 'trech­oo' = lopen als een atleet; vgl.1 Kor.9:24, 26; een beeld van apostolische arbeid. Zie ook Gal.2:2; 2 Tim.4:6­vv. Gr.'ko­piaoo' = zich vermoeien, moeite doen (zware ar­beid). Dit beeld voor Paulus' apostolische arbeid is waar­schijnlijk ontleend aan het vakkundige werk van een wever. Vgl. Rom.16:6, 12; 1 Kor.4:1­2; 15:10; 16:16; Gal.4:­11; 1 Thess.5:1­2.
19. Gr.'alla ei kai' = maar als (nu) ik zelfs...geofferd word (o.t.t.).
20. Gr.'spendoo' = een pleng- en drankoffer (van wijn of olijf­olie) uitgie­ten; vgl. Num. 1­5:5-10; 28:7, 14, 24; Lev.5 ­:11; in het NT alleen nog: 2 Tim. 4:6. Evenals in de hei­den­se cul­tus werd het plengoffer uitgego­ten over het offer(dier) of naast het al­taar. Het werd dus toegevoegd aan (Gr.'epi') het offer van een dier (Gr.­'thu­sia' = offer­dier, niet offer­hande­ling).

Vol­gens Gerald F.Haw­thor­ne, a.w. p.105 wordt noch in de Griek­se Bijbel noch in de Hellenistische wereld het woord gebruikt voor een pleng­offer van bloed (= haimassein). Daarom zal Paulus hier niet denken aan een bloedig plengoffer van zijn moge­lijke marte­laarsdood (anti Ralph P.Martin, a.w. p.123). Peter T. O' Bri­en, a.w. p.305ff meent echter, dat Paulus (gelet op Gr.'alla ei' = ge­steld dat...), hier toch wel reke­ning houdt met de moge­lijkheid van zijn martelaarsdood, al ziet hij dit niet als een bloedig plengoffer.



21. Gr.'leitoergia' = priester­dienst; vgl.Hebr. 8:6; zie ook Rom.1­2:1; 15:16; 1 Petr.2:5. Hier - niet als een cultische zaak - van het geloof en de ge­loofsdaden (standvastigheid + gaven aan Paulus). F.J. Pop in Bijbelse woorden en hun ge­heim, Verklaring van een aantal bijbelse woorden; den Haag 1964 bl.113 schrijft: 'Het is een terugval naar het O.T. als wij de predikant op de kansel of aan de avondmaalstafel een liturg noemen. Hij is een diaken, en geen liturg. Maar de zendeling, die Papoea's bij de Heer brengt, is een liturg.'
22. Gr. 'to de auto kai' = en ook om hetzelfde (met het oog hier­op). Het tweemaal 'verblijdt' kan ook als een imperatief gelezen worden. Blijdschap is het trefwoord (16 x) in de brief aan de Filip­pensen. Het woordje 'met' (mede-) (Gr. prefix 'sun-') eveneens.

Gespreksvragen
1. Hoe kunt u het woordje 'want' waardoor vers 13 aan vers 12 van Filippensen 2 verbon­den wordt, verklaren? Betekent dit:

- God werkt in ieder mens de vrije wil om het goede te kiezen?

- God moet in u werken, maar u moet er zelf ook wat aan doen?

- u moet de middelen der genade gebruiken?

- als God Zijn genade in ons werkt, werkt die genade 'on­weerstaanbaar'?

- u hebt een 'second blessing' (tweede ze-gen) nodig?


2. Betekenen de woorden 'met vreze en beven' (vs.12):

- dat wij eigen­lijk altijd onzeker moeten leven?



- hoe kan daarentegen in vers 15 zo posi-tief geschreven worden over het christen-zijn (onberispe­lijk, oprecht, onstraffe-lijk)? Leidt dit niet tot perfectio­nisme?
3. Lees nog eens na wat de Dordtse Leerregels in hoofdstuk V, paragraaf 14 zeggen. Hoe ligt hier de verhouding tussen vol­harding (geen afval van heiligen) en vermaningen?
4. Geef enkele praktische voorbeelden van wat het betekent om 'uw roeping en verkie­zing vast te maken' (2 Petr.1:10v.)
5. Waar komt dat 'klaagziek en mopperend christendom' vandaan waarover u in vers 14 leest?









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina