A. de troon in de hemel (4: 1-11) 4: 1



Dovnload 104.26 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte104.26 Kb.
Het hemelse tafereel - Openbaring 4 en 5

Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling (1977 of HSV)


Samenstelling door M.V.

A. DE TROON IN DE HEMEL (4:1-11)

4: 1

1 Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.

Met “Na dezen” (meta tauta = na deze dingen) komen we terecht in de tijd ná de opname van de Gemeente en tevens in het derde en grootste gedeelte van het boek Openbaring (zie 1:19). Hier begint ook de “zeventigste jaarweek” van Dn 9:25-27. Bedenk dat het Gemeente-tijdperk in het Oude Testament een verborgenheid was (Rm 16:25; Ef 3:3-6; Ko 1:24-27) zodat de berekening van de 70 jaarweken daar geen rekening mee houdt. Zie: De 70 jaarweken in het boek Daniël.

Johannes moest opkomen (in de Geest, vs. 2) door een geopende deur in de hemel. Dat “de deur was geopend” wil zeggen dat er een open, vrije toegang is waardoor je naar binnen kunt. In Mattheüs lezen we van een gesloten deur, namelijk voor de dwaze maagden: “…en de deur werd gesloten” (Mt 25:10).

Het is de Heer Jezus die hier spreekt met “een stem als van een bazuin” (vgl. 1:10). Dit doet denken aan de “laatste bazuin” uit 1Ko 15:52 (zie ook 1Th 4:16, 17). De laatste bazuin zal als “een bevelend roepen” (1Th 4:16) weerklinken bij de opname van de Gemeente. De roep “kom hier op” en “een deur was geopend in de hemel” doen hier ook aan denken. Dit alles is een zinvolle heenwijzing naar de opname van de Gemeente. De opname vindt plaats, tussen Op 3 en 4 in.

De zevende bazuin en de laatste bazuin

De “zevende bazuin” uit Op 11 mag men niet vereenzelvigen met de “laatste bazuin” uit 1Ko 15:52 (vgl. 1Th 4:16), alhoewel veel uitleggers dit doen. De “laatste bazuin” (Gr. eschate salpiggi) is een bevelend roepen van Godswege, bij de opname van de Gemeente, en dit vindt vroeger plaats, tussen Op 3 en 4 in.

Bij deze “laatste bazuin” mag niet gedacht worden aan ‘de laatste in het rijtje (van zeven) bazuinen’. Kantt. 158 van de Statenvertaling zegt: “de laatste bazuin; Dat is, met een groot en verschrikkelijk geluid, gelijk daar is der bazuinen of trompetten. Dit geluid wordt genaamd de stem des Zoons van God, Joh. 5:28; een geschrei en stem des Archangels en bazuin Gods, 1Thess. 4:16”. Een verwijzing naar Op 11:15 is dus misplaatst.

Evenmin kan er een identificatie plaatsvinden met het bazuingeschal van Mt 24:31 want daar betreft het een gebeurtenis ná de grote verdrukking (Mt 24:29), terwijl wij in Op 4 chronologisch net vóór de verdrukkingen staan. “Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden1” (Mt 24:31), aan het eind van de grote verdrukking, kan niet hetzelfde zijn als “in een punt des tijds, in een ogenblik …veranderd worden” (1Ko 15:52)2.



De toekomstige gebeurtenissen worden Johannes daar in de hemel getoond. Het is daar dat de opgenomen Gemeente de aardse oordelen aanschouwt, niet op aarde.

De Opname wordt hier als feit voorgesteld maar wordt verder niet besproken. Wij kunnen erover leren in 1Ko 15:51-53, 1Th 4:16-18, Jh 14:3 en Fp 3:20, 21. Daarom was het ook niet nodig daarop terug te komen, “de verstandigen zullen het verstaan” (Dn 12:10). In dit oordeelsboek is de Opname geen toepasselijk onderwerp, maar van een totaal andere orde dan de profetieën omtrent de aarde en de oordelen. Wegens die voor de deur staande oordelen zien we in Op 4 dan ook geen Vaderhuis, maar wel de hemelse troonzaal met de oordeelstroon.

Zie: De Opname vóór de 70ste jaarweek.

4: 2-6a

2 En terstond werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet3 in de hemel, en er zat Een op de troon. 3 En Die daarop zat, was in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, in het aanzien de steen Smaragd gelijk. 4 En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. 5 En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, welke zijn de zeven geesten Gods. 6 En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk.





Johannes zegt “terstond werd ik in de geest”. Hij wordt bevrijd van de beperkingen van zijn lichaam zodat niets van de mens meer de Goddelijke openbaring in de weg kan staan. De troon in de hemel is het onderwerp in Op 4. Deze troon “was … gezet”: die was er dus tevoren niet en dat duidt op een nieuwe situatie in de hemel. God wordt niet genoemd maar toch is het God die op de troon zit (zie vs. 11). Zijn heerlijkheid wordt gesymboliseerd door edelstenen. Op 21 leert ons dat het Nieuwe Jeruzalem de heerlijkheid van God weerspiegelt als door edelstenen (Op 21:11, 19). De regenboog is symbool van Gods trouwe verbond met deze aarde.

Wie zijn de 24 oudsten?

Wij moeten Schrift met Schrift vergelijken om dat te weten te komen. Er worden 24 oudsten (of ouderlingen) gezien. Het getal 24 duidt op volheid, totaliteit. In het Oude Testament waren er 24 klassen van priesters, levieten en zangers (1Kr 24 en 25). Koning David deelde de priesters in in 24 afdelingen. Die moesten om beurten dienst doen in de Tabernakel resp. in de Tempel. Maar dit was slechts een schaduw van het hemelse: Hebr. 8:5; 1 Kron. 28:19. De 24 waren representatief voor alle Levitische priesters. Er was slechts één hogepriester. In Op 4 zien we de 24 oudsten ook duidelijk als priesters voorgesteld, met hun witte kleren en met hun schalen vol reukwerk (5:8). Zij vormen dus een heilig priesterschap, waarbij het getal 24 de volledigheid ervan aanduidt, net zoals er in het Oude Testament 24 priesterklassen waren en niet meer.

Dit ligt dus reeds vast: het zijn 24 priesters. Maar welke klassen stellen zij voor?

Verder is het getal 24 tweemaal 12. Er zijn 12 stammen van Israël, 12 apostelen, 12 poorten in het nieuwe Jeruzalem en 12 fundamenten, enz. Het kan haast niet anders dan dat 24 als een dubbel 12-tal is bedoeld. Johannes ziet de verheerlijkte Gemeente, samen met de gelovigen uit het Oude Testament, voorgesteld in de gedaante van vierentwintig oudsten. Dat in de 24 oudsten, naast de Gemeente, ook de oudtestamentische heiligen begrepen zijn, kan verder aangetoond worden als volgt:



Hb 11:39-40 “En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen; Alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden”.

1Th 4:16-17 “die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht”.

1Ko 15:22-24 “Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. Daarna zal het einde zijn ...”.


Deze “doden in Christus” kunnen moeilijk alleen op de Gemeente slaan, maar zijn ook van toepassing op de oudtestamentische gelovigen. De oudtestamentische gelovigen zijn eveneens in Christus ontslapen en gewassen in zijn bloed. Alle gestorven gelovigen zullen opstaan en hun intrede doen in de hemel. Daarom stellen de vierentwintig oudsten de voltallige Gemeente voor, samen met de gelovigen van het Oude Testament. Zie verder: Waar zijn de Oudtestamentische gelovigen?

Dat de Gemeente dienst zal doen in de hemel als een heilig priesterschap, onder het hogepriesterschap van Jezus Christus, lezen we bij de apostel Petrus:



“Zo wordt gij ook zelf, als levende stenen, gebouwd [tot] een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus … Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom” (1 Petr. 2:5, 9).

En in Op 1:6 zegt de apostel Johannes:

“En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader”.


Onderscheid handhaven tussen Gemeente en oudtestamentische gelovigen

Niettegenstaande de 24 oudsten gevormd worden door de gelovigen van de Gemeente én de oudtestamentische heiligen, is er enkel Schriftuurlijke grond voor de gedachte dat alleen de Gemeente de Bruid is. Zie Wie is de Bruid van het Lam?. Sommigen menen echter dat de oudtestamentische gelovigen behoren tot de “geroepenen tot het avondmaal van de bruiloft des Lams” (Op 19:9 en Mt 22:3). In een poging om de oudtestamentische gelovigen ergens bij bruiloft en Bruid te plaatsen, lijkt die redenering wel aantrekkelijk. Maar ik meen dat deze “geroepenen” dezelfden zijn als de leden van de bruid, en niet noodzakelijk een aparte klasse. Zie Wie is de Bruid van het Lam? (Op 19:6-10) waar betoogd wordt dat er geen “genodigden” maar wel “geroepenen” zijn tot het bruiloftsmaal in Op 19:9. Niettegenstaande zij beiden hemelse koningen en priesters zijn, moeten wij de Gemeente (Bruid) en de oudtestamentische gelovigen van elkaar onderscheiden. Wij hebben geen vaste bijbelse grond om hen samen te voegen tot één Bruid.



Onderscheiden van de engelen

Deze 24 oudsten worden in Op 5 duidelijk onderscheiden van de engelen (Op 5:11). Van engelen wordt nergens in de Schrift gezegd dat zij op tronen zitten of dat zij gouden kronen4 dragen. Gelovigen ontvangen echter een kroon. 2 Tm 4:8; Jk 1:12; 1 Pt 5:4; Op 2:10, 3:11. De kronen zijn een teken van overwinning van de gelovigen. De tronen betekenen macht en heerschappij: de gelovigen zullen immers met Christus heersen (2 Tm 2:12; Op 1:6; 2:26; 5:10). Het “nieuw lied” [Gr. oden kainen] van de oudsten in 5:9 komt blijkbaar overeen met het “nieuw gezang” [eveneens Gr. oden kainen] van de heiligen in 14:2-3. Hierbij wordt gesproken van loskoping wat op menselijke gelovigen wijst.

De witte klederen duiden op gelovigen wier levens gereinigd zijn door het bloed van het Lam.

Opb. 3:4 “zij zullen met Mij wandelen in witte klederen”.

Opb. 3:18 “dat Gij van Mij koopt goud ... en witte klederen”.

Opb. 4:4 “de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen”.

Opb. 6:11 “en aan een ieder werden lange witte klederen gegeven”.

Opb. 7:9 “bekleed zijnde met lange witte klederen”.

Opb. 7:14 “hun lange klederen wit gemaakt in het bloed van het Lam”.

Deze witte klederen zijn geen “engelen-klederen”, omdat de context van het boek Openbaring geen aanleiding geeft dit te veronderstellen:

 In het boek Openbaring zijn “witte klederen” duidelijk verbonden met mensen (zie teksten hierboven).

 In Openbaring worden engelen niet in verband gebracht met “witte klederen”.

De 24 oudsten kunnen niet de martelaars zijn die omkomen tijdens de nog komende tijd van verdrukking. Die zien we pas in Op 6:9 als “zielen onder het altaar”, die nog op hun opstanding wachten (6:11; 20:4).

Conclusie: De 24 oudsten stellen duidelijk alle verheerlijkte heiligen voor, die als priesters dienst doen, en die worden opgenomen aan het eind van “hetgeen is” en vóór “wat hierna moet gebeuren”, tussen Op 3 en 4 in. Zie verder: De Opname vóór de 70ste jaarweek. De komst van de Heer gebeurt in 2 fasen: eerst komt Hij zijn heiligen in de lucht opnemen - hoogstwaarschijnlijk zonder dat de wereld daar iets van zal merken - terwijl de tweede fase van Zijn komst pas jaren later plaatsvindt, aan het eind van de Grote Verdrukking, wanneer Hij zichtbaar naar de aarde terugkeert (zie reeds Op 1:7) mèt zijn verheerlijkte heiligen (zie Op 19:11-14; 2Th 1:10; Jd 1:14-15; Zc 14:5).



We zien geen Vaderhuis (dat wat Jh 14 beschrijft) maar wel een hemelse troonzaal, waar geregeerd en recht gesproken wordt. Er is één troon want er is naast God geen andere. God woont, hoewel alomtegenwoordig, als een persoonlijke God in Zijn Hemels Paleis. In het Vaderhuis echter - de eigenlijke “privé-woning” van Gods familie - staat geen troon. De troon heeft te maken met de regering over de aarde. Dit is niet “de troon van de genade” (Hb 4:16) voor de gelovigen, maar de oordeelstroon voor de aarde, want er gaan “bliksemen, en donderslagen, en stemmen5” vanuit. Deze herinneren ons ook aan de verschijning van God op de berg Sinaï, toen Jahweh Zich openbaarde met donder en bliksem, een zware wolk en het geluid van een sterke bazuin (Ex 19:16-19; 20:18; Hb 12:18-21).

De Heilige Geest wordt zevenvoudig voorgesteld. Zeven geeft een volheid aan. Het oordeel is immers universeel. Het betreft zowel Israël als de volken. Hier is de Geest niet de éne Geest in één Lichaam, maar Hij is voorgesteld in zijn universele karakter. Hij is hier niet als een duif afgebeeld, maar als zeven vurige lampen6, het Goddelijk “vuur” dat de aarde verlicht, beproeft en oordeelt.

De zeven Geesten Gods zijn eveneens de “zeven ogen” van Het Lam (zie bij Op 5:6). De ogen van Jahweh doorlopen de ganse aarde (Zach. 4:10b en 2 Kron. 16:9), en de Geest doorzoekt alle dingen (1Ko 2:10-11). “Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?” (Ps 139:7). Dit is niet de Geest van genade, maar van rechtspraak en uitdelging. (Js 4:4; Zc 12:10; Jl 2:28-32).

De glazen “zee”: het wasvat in de tempel van Salomo werd “zee” genoemd (1Kn 7:23). Het werd door de priesters gebruikt om handen en voeten in water te wassen alvorens in te gaan in het heiligdom. In de hemel is die reiniging niet meer nodig, vandaar de “glazen zee, kristal gelijk”, een gestolde vaste massa (waarop gestaan kan worden - zie 15:2).



4: 6b-11

En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren7, zijnde vol ogen van voren en van achteren. 7 En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegende arend gelijk. 8 En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugels rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal. 9 En wanneer de dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem, Die op de troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft; 10 Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende: 11 Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

Er worden “vier” dieren gezien. Het getal vier staat in betrekking tot de aarde. Er zijn de vier elementen water, aarde, vuur en lucht en vier windrichtingen, noord, oost, zuid, west. Verder is 1+2+3+4 = 10, waarin het getal vier het rijtje perfect maakt.

De vier “dieren” zullen we in dit boek nog dikwijls tegenkomen (vs. 7-9; 5:6, 8, 14; 6:1, 3, 5-7; 7:11; 14:3; 15:7; 19:4). Het zijn geen (redeloze) “dieren” maar “levende wezens” (Gr. zóa) die de kenmerken van Gods bestuur symboliseren. Die kenmerken zullen culmineren in Zijn oordelen. Dat wordt duidelijk als we deze beschrijving vergelijken met Ez 1:4 -14, 18 en 10:12, 14.





Het woord “engel” komt hier niet voor. Door vergelijking van Schrift met Schrift blijkt uit Ez 1:4 -14; 10:8-17 en Js 6:2 de gelijkenis met Cherubs8 en Serafs.

“5 En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens; 6 En elk had vier aangezichten; insgelijks had elkeen van hen vier vleugels. 7 En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetzolen waren gelijk de voetzolen van een kalf, en glinsterden gelijk de kleur van glad koper. 8 En mensenhanden waren onder hun vleugels … 10 De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht van een mens, en het aangezicht van een leeuw hadden die vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier het aangezicht van een os9; ook hadden die vier het aangezicht van een arend”. (Ez 1:4 -14, uittreksel)

“8 Want er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van de hand van een mens onder hun vleugels … 12 Hun ganse lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugel, alsook de raderen, waren vol ogen rondom … 14 En elk had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht van eens cherub10, en het tweede aangezicht was het aangezicht van een mens, en het derde het aangezicht van een leeuw, en het vierde het aangezicht van een arend”. (Ez 10:8-17, uittreksel).

“De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugels; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij”. (Js 6:2).

De vier levende wezens uit Openbaring hebben elk zes vleugels, zoals de Serafs in Js 6:2. De vier Cherubs in Ez 10 staan ook vol ogen. God stelde Cherubs ten oosten van het Paradijs om de toegang te blokkeren naar de boom des levens (Gn 3:24). Twee Cherubs van goud staan aan de einden van het verzoendeksel. Ex 25:18-20. Volgens Ez 28:14-16 was ook Satan eens een “gezalfde, overdekkende Cherub”. Cherubs zijn hemelse wezens die de heerlijkheid en de heiligheid van God “beschermen”.

De vier levende wezens lijken dus op cherubs en serafs, maar komen er niet helemaal mee overeen. Het gaat hier dus om een aparte voorstelling of allegorie. We begrijpen echter dat de vier “dieren” verband moeten houden met cherubs, serafs, en de oordelen van God op aarde. Deze “dieren” of “levende wezens” (Gr. zóa) leiden de vier ruiters in van de eerste vier zegels. Het getal vier is kenmerkend voor de aarde: de vier winden en de vier hoeken van de aarde (Op 7:1; 20:7). Maar ook Jezus’ bediening op aarde is weergegeven in vier Evangeliën, die vier aspecten vertonen van Jezus’ aardse bediening die merkwaardig overeenkomen met de vier dieren (zie verderop). De vier “zóa” geen gewone engelen want in 5:11 staan de engelen (Gr. aggelón) er apart bij, “rondom de troon”.

Deze “dieren” worden ons zo voorgesteld om via symboliek een aardse referentie te geven van de eigenschappen die ze bezitten, en van hun onzienbare hemelse werkelijkheid. Overeenkomstig zulke toegepassing van symboliek wordt de Heer Jezus Christus voorgesteld als “de Leeuw” en “een Lam” in Op 5:5-6.

Deze concrete hemelse wezens zijn de oordeelsattributen van God. Dat zij “vol ogen” staan getuigt van hun oordeelsinzicht en opmerkzaamheid, en de zes vleugels de snelheid van optreden. Zij kennen geen rust, zoals de mens die nodig heeft, maar dag én nacht, gestaag zijn zij actief. Zij prijzen onophoudelijk de heiligheid van God: die heiligheid is namelijk het uitgangspunt van Gods oordeel over de aarde!! Hij die was en is, de God van de geschiedenis zal ook de God zijn die zal komen om de aarde te vervullen met Zijn heiligheid.

De oordelen worden gekenmerkt door vier aspecten van dieren (Vgl. met Ez 1). Om hun betekenis te kennen moeten wij Schrift met Schrift vergelijken en niet gaan fantaseren, of hedendaagse kenmerken gebruiken in plaats van Bijbelse:

Leeuw

De leeuw staat in de Bijbel als teken en symbool voor uitzonderlijke kracht: “wat is sterker dan een leeuw” (Re 14:18) en vreeswekkendheid: “De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen?” (Am 3:8).



Kalf

Het kalf11 staat in de Bijbel bijna altijd voor de offers in Israël. (Lv 1:5; 4:3, 14; enz.). Hieruit afgeleid kan het kalf dan symbool staan voor offervaardigheid en dienstbaarheid. Het kalf is in het Oude Testament ook een teken van welvaart; de rijkdom van de aartsvaders komt tot uitdrukking in het aantal runderen dat zij bezaten (Gn 24:35, 26:14, Jb 1:3).



Aangezicht van een mens

Het gelaat of aangezicht is de herkenbaarheid en de afstraling van het menselijk wezen, dat naar Gods beeld is gemaakt. Het drukt zijn gevoelens uit van liefde, blijdschap, verdriet en toorn. De Psalmist zoekt Gods aangezicht en bidt dat God zijn aangezicht niet voor hem verbergt (Ps 27:8-9).



Vliegende arend

God heeft Israël gedragen op arendsvleugelen (Ex 19:4). God heeft Zijn volk geleid als een arend dat over Zijn jongen zweeft (Dt 32:11-12). Vergelijk dit met Op 12:14. Een vliegende arend wijst ook op overrompelende snelheid (Dt 28:49) en scherpte van gezicht en waarneming (Jb 39:32). Dit zijn de eigenschappen van God, en dat zal in het bijzonder blijken wanneer Hij de laatste oordelen over de aarde brengt (vgl. Dt 28:49; Jr 48:40; Hs 8:1; Hk 1:8; Mt 24:28; zie de ).






De vier dieren en de vier Evangeliën

Al in de eerste eeuwen van christelijke kerk ging men de vier “dieren” vergelijken met vier kenmerken van Jezus Christus in de vier Evangeliën12. De overeenkomst is zeer merkwaardig. Ook is de volgorde in Op 4:7 dezelfde als die in de Evangeliën:






Kenmerken van de levende wezens

Leefgebied

Evangelist

Jezus in relatie tot het

Jezus als




Leeuw: macht, kracht

Aarde

Mattheüs

Aardse

Koning




Rund: dienend voor het offer

Aarde

Marcus

Aardse

Dienaar




Mens: menselijke wezenskenmerken

Aarde

Lucas

Aardse

Mens




Arend: waarneming vanuit de hoogte

Hemel

Johannes

Hemelse

God




In Gn 2:10 lezen we:

“En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden”.

In Eden was de rivier één, maar zodra ze “van daar” buiten de hof gaat wordt ze “verdeeld” tot “vier hoofden” . Hier zit een diepe betekenis in voor ons. Het is niet moeilijk om in Eden het hemelse Paradijs te zien. De “rivier” om te “bewateren” vertelt ons van Christus als het Licht en de Vreugde in de hemel. We leren dat in de hemel Christus wordt gezien in één hoedanigheid. Maar van zodra de “rivier” Eden verlaat wordt ze verdeeld tot “vier hoofden” en als zodanig bewatert ze de aarde. Zo ook was de aardse bediening van de Heer Jezus “verdeeld tot vier hoofden”, in vier evangeliën, die elk de specifieke kenmerken vertonen van Zijn viervoudige bediening.


Na de vier levende wezens buigen de oudsten zich finaal voor de troon en aanbidden, en werpen hun kronen13 neer. Zij vinden dat zij die kroon niet hebben verdiend. Alleen God is alle eer waardig, omdat Hij de schepper is van alle dingen. Hier zien we dus God op de troon.

B. HET LAM EN HET BOEK (5:1-14)

5: 1-5

1 En ik zag in de rechterhand van Hem, Die op de troon zat, een boek, beschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegels. 2 En ik zag een sterke engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegels open te breken? 3 En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch het inzien. 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch het in te zien. 5 En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegels open te breken.

H
et betreft hier een boekROL. Normaal is alleen de binnenkant beschreven, maar hier ook de buitenkant, wat het gewicht, de omvang en de volledigheid van de inhoud benadrukt.

De verzegeling van de rol betekent dat het om een bijzonder gewichtig en belangrijk document gaat. Er zijn zeven zegels, zoals bij Romeinse testamenten: op elk zegel schreef een getuige, die ook bij het openen vertegenwoordigd moest zijn, zijn naam. Het gaat om de uiteindelijke vervulling van Gods raadsbesluiten, Zijn verborgen “testament”, om alles onder één hoofd samen te brengen in Christus (Ef 1:9-11).

Vergelijk deze boekrol met Ez 2:9-10:

“Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks. En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee”.

Dit helpt om te begrijpen dat het openen van deze boekrol, vanaf Op 6, veel wee- en rouwklacht met zich meebrengt.

Wie is het echter nu waard de zegels te verbreken? Met andere woorden: Wie is de erfgenaam van de aarde? Een “sterke engel” stelde de vraag. Misschien is deze “sterke engel” Gabriël, want hij is meer dan alle anderen de mededelende engel (Dn 8:16; 9:21-27; Lk 1) en bovendien betekent zijn naam “sterke man van God”14. Volstrekt niemand van Gods schepselen was waardig het boek te openen. De erfgenaam is Gods “Zoon; Die Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft” (Hb 1:1-2), “de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen” (Op 5:5). Het is de leeuw uit Juda waarover Jakob geprofeteerd heeft in Gn 49:9v, en de wortel (= wortelscheut, -spruit, dus nakomeling) van David (vergelijk Js 11:1 met 11:10: wortel = wortelscheut). Hij heeft het recht van lossing van de aarde, om haar te reinigen.

Men kan ook het verband leggen met een verzegelde koopbrief waarbij de Heer Jezus de Losser is, de Goël15 (Lv 25 en 27, Ru 4 en Jr 32:6-12v). “Gij … hebt ons Gode gekocht met Uw bloed” (Op 5:9).

5: 6-8

6 En ik zag, en ziet, in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; welke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen. 7 En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter [hand] Desgenen, Die op de troon zat. 8 En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam [neer], hebbende elk citers en gouden schalen, zijnde vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen.

Hier zien we hoe “de Leeuw, Die uit de stam van Juda is” overwonnen heeft: als een Lam dat werd geslacht. Om “de Leeuw” te kunnen zijn, d.w.z. een overwinnaar, moest hij eerst dat geslachte Lam worden.

Het Lam wordt voorgesteld met “zeven hoornen, en zeven ogen; welke zijn de zeven geesten Gods”. Die zeven horens en zeven ogen symboliseren de “zeven geesten Gods” waarover het Lam beschikt.

“Zeven” is in de Schrift het getal van de volheid, compleetheid, totaliteit. Het Lam beschikt dus over de volheid van Gods Geest.

“Hoornen”16 betekenen in de Schrift macht en kracht. In Op 3:1 is het de Heer Jezus die de “zeven Geesten” heeft, Hij bezit alle macht en heerschappij om de oordelen uit te voeren door de Geest van God.

“Ogen” betekenen dat de Heer Jezus door de Geest alle dingen ziet, want “dat zijn de ogen van Jahweh17, die het ganse land doortrekken” (Zc 4:2-10; vgl. 2Kr 16:9 en Zc 3:9).

Het Lam van Golgotha is de almachtige, alomtegenwoordige God.

Hier worden de oudsten beschreven als lofprijzers en aanbidders. Dit wordt uitgebeeld door de citers. De gouden schalen18 wijzen op priesterschap (vgl. Op 1:6). De oudsten treden in de hemel op als vertegenwoordigers van de heiligen, want de reukwerken in de schalen zijn de gebeden van de gelovigen op aarde, tijdens “de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen” (Op 3:10). Wij vinden deze heiligen terug in Op 13:7-10, in de Grote Verdrukking (vgl. 7:14).

In dit tafereel, waar het om de verheerlijking van het Lam gaat, scharen de vier levende wezens zich bij de vierentwintig oudsten.

Opgelet bij de schalen: Niet de vier dieren maar de 24 oudsten zijn priesters (vgl. 1:6). Zij zijn de vertegenwoordigers van alle losgekochte heiligen en gebruiken als priesters de gouden schalen met daarin “de gebeden der heiligen”. Dit zijn niet de gebedsoffers van hen die al in de hemel zijn; zij danken en aanbidden wel maar verder zijn hun gebeden al verhoord; het gaat hier om de gebeden van de heiligen die nog op aarde zijn en daar de strijd van het geloof voeren.

Opgelet bij de citers: in Openbaring is er sprake van drie groepen van citerspelers. De eerste groep vinden we in Op 5:8-10 als de 24 oudsten die de Gemeente en de gelovigen uit het Oude Testament voorstellen. De tweede groep vinden we in Op 14:2-3 als de verheerlijkte martelaren. De derde groep vinden we in 15:2 en 14:13 en zijn de martelaren die in de Grote Verdrukking om het leven komen. Zie: hieronder Drie groepen citerspelers in Openbaring.



Drie groepen citerspelers in Openbaring

In Op is er sprake van drie groepen van citerspelers. Bij hun voorstelling worden ze allen in de hemel gezien.

De eerste groep vinden we in Op 5:8-10 als de 24 oudsten die de Gemeente en de gelovigen uit het oude verbond voorstellen.

De tweede groep vinden we in Op 14:2-3 als de verheerlijkte martelaren, uit Israël en volken, van de eerste 3,5 jaren van de verdrukkingstijd, dus van vóór de eigenlijke Grote Verdrukking.

De derde groep vinden we hier in 15:2-3. Het zijn de martelaren uit de volken die om het leven komen in de Grote Verdrukking (de Joodse gelovigen zijn dan verzegeld en blijven leven). We lezen van hen in Op 14:13. Chronologisch worden ze pas opgewekt in Op 20:4, maar zij staan aan (of op) de glazen zee en dit symboliseert dat hun thans niets meer kan overkomen.

Alle drie groepen citerspelers van Openbaring zingen verlossingsliederen. De laatste groep, in 15:2, zingt “het lied van Mozes, de slaaf van God, en het lied van het Lam” (15:3). Merkwaardig is dat het eerste lied in de Bijbel dat van Mozes is (Ex 15 of Dt 32), en dat het laatste lied in de Bijbel eveneens dat van Mozes is. Het gaat in wezen om hetzelfde verlossingslied, gezongen door mensen die door de dood zijn heengegaan, zoals het volk van Mozes als het ware door de dood (Rode Zee) heen is gegaan (vgl. 1Ko 10:1v) en zo verlost werd van de Farao, een beeld van Satan. Zij zingen naast het lied van Mozes ook het lied van het Lam. Zij hebben hier de hele heilsgeschiedenis achter de rug en hebben een nieuw lied geleerd: dat van het Lam. Het Lam was eigenlijk het middel waardoor Israël verlost werd (Ex 12), en waardoor ook àlle gelovigen verlost worden.



Van belang voor ons is:

1. Alle drie groepen citerspelers van Openbaring zijn mensen zijn die verlossingsliederen zingen en die gekocht zijn door het Lam.

2. Het citerspel gaat altijd samen met het zingen van verlossingsliederen

Niet de vier dieren maar de menselijke gekochten spelen de citer en zingen. Door Schrift met Schrift te vergelijken komen we tot een juist begrip van moeilijke passages!



5: 9-14

9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegels te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; 10 En Gij hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde. 11 En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; 12 Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. 13 En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen [neer], en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid.




Welke vertaling van Op 5: 9-10 is correct?

De NBG-vertaling (en de meeste andere moderne bijbelvertalingen) geeft een andere vertaling van de verzen 9 en 10. Omwille van de context voeg ik er ook vers 8 bij:

Op 5:8 “En toen het de boekrol nam, wierpen de vier dieren en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neder, hebbende elk een citer en gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen. 9 En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; 10 en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde”.

Wat is nu correct: ons en wij volgens de Statenvertaling19 (“us” en “we” in de KJV), óf hen en zij volgens de NBG-bijbel? We gaan nu de weergave in de Statenvertaling onderzoeken:

Op 5:9a “En zij zongen een nieuw lied20, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegels te openen; want Gij zijt geslacht …”

Dit “zij” slaat niet op de vier dieren maar enkel op de 24 oudsten. Zij alleen hebben een citer en schalen (vs 8) want in Openbaring zijn citerspelers altijd menselijke zangers van verlossingsliederen, die gekocht zijn door het bloed van het Lam. Door hen wordt een nieuw lied gezongen, in tegenstelling tot de oude liederen van het Oude Testament, waarin geen sprake kon zijn van een volbrachte verlossing en van een met Christus delen in zijn heerlijkheid.

In Op 14:3 wordt er ook een “nieuw lied21” gezongen waarvan gezegd wordt: “en niemand kon dat gezang leren, dan …” dan wie? “… de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren”. Enkel zij die “gekocht” zijn door het bloed van het Lam kunnen een “nieuw lied” leren, zowel in 5:9 als in 14:3 (in 15:3 “het gezang van het Lam”).

Enkel losgekochten, en alle losgekochten, kunnen op grond van het offer van het Lam een “nieuw lied” zingen. De 24 oudsten zijn de vertegenwoordigers van alle losgekochte heiligen die tot dan toe verheerlijkt zijn. Zij prijzen het Lam waardig de zegels te openen want Hij werd geslacht ...

Op 5:9b “… en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie”.

1. In de betrouwbare Textus Receptus22, de Griekse grondtekst voor het Nieuwe Testament van de Reformatiebijbels, staat èmas (Strong’s 2248: our, us, we): ons.

2. De 24 oudsten zijn “gekocht” en gered en komen uit alle volkeren, uit Jood en heiden, vermits zij de heiligen voorstellen uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Dus ons is correct.

Op 5:10 “En Gij hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde”.

1. In de betrouwbare Textus Receptus staat “ons” en “wij”.

2. De 24 oudsten zullen als koningen en priesters “heersen op de aarde”. De Gemeente is daarbij inbegrepen want het “nieuw lied” dat zij zingen komt sterk overeen met de lofbetuiging van Johannes in Op 1:6 “Die [= Jezus] ons gemaakt heeft tot koningen en priesters”. En Petrus zegt in 1Pt 2:9: “Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk”. Dus ons en wij.

Dit “ons” in het nieuwe lied slaat op de losgekochte gelovigen van het Oude Testament en de Gemeente maar eigenlijk ook hen die zich nog op de aarde bevinden. De zielen van hen die de marteldood sterven tijdens de verdrukkingstijd, zullen volgens Op 20:4 opgewekt worden en zij zullen net als de eerder opgenomen heiligen duizend jaren regeren, als koningen en priesters, met Christus over de aarde:

“en [ik zag] de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en zijn beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren. Maar de overigen der doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren” (Op 20:4-6).


Wij onderscheiden dus drie groepen van mensen die met de Heer Jezus als priesters en koningen over de aarde zullen regeren:

1. de gelovigen uit het Oude Testament.

2. de gelovigen die tot de Gemeente behoren.

3. de gelovige martelaars die ná de Opname en tijdens de verdrukkingstijd tot bekering komen.

De derde groep komt tot bekering als gevolg van de prediking door de gelovige Joden (Mt 24:14). Degenen die als martelaar omkomen zullen na de Grote Verdrukking, aan het begin van het Vrederijk opgewekt worden. Zij vormen de laatste fase van de eerste opstanding (Op 20:4 -6), waarvan Jezus de eersteling is (1Ko 15:20).

Wat nu de eerste groep betreft, de oudtestamentische gelovigen, die nemen ook deel aan de eerste opstanding. In Openbaring wordt nergens iets over hen gezegd, maar ik meen dat ze zullen opstaan bij de opname van de Gemeente. Zie Waar zijn de Oudtestamentische gelovigen? en verder: De Opstanding.

De Heer Jezus is de ware losser uit het Oude Testament, degene die het recht heeft te lossen door terugkoop. Hij is degene die het land (de aarde) van zijn broeders heeft losgekocht (Lv 25:23-25; vgl. Jr 32:7-12). Hij is ook degene die zich uit alle volken een groot volk losgekocht heeft uit de slavernij (vgl. Lv 25:47-48; Tt 2:14).

Door de betaalde prijs heeft de Heer Jezus ook het recht verworven op alle óngelovigen. In 2Pt 2:1 is zelfs sprake van valse profeten en valse leraars die “de Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende”. Hoe zal de Heer dit recht doen gelden? Door een oordeel te brengen over alle mensen die op aarde wonen en niet in Hem geloofd hebben (vgl. 2Th 2:11-12).

Ook de ontelbaar “vele engelen” loven het Lam. Het Lam wordt in hun lofprijzing zeven kwaliteiten waardig geacht: kracht (1Ko 1:24) en rijkdom (2Ko 8:9; Ef 3:8) en wijsheid (1Ko 1:24) en sterkte (Lk 11:22) en eer (Fp 2:11) en heerlijkheid (Jh 1:14) en dankzegging (Gr. eulogia23, hetzelfde woord als “zegen” in Rm 15:29).

En elk levend schepsel, in zijn breedste betekenis, in hemel en aarde, doet aan de lofprijzing mee. De tijd zal komen dat de vloek van de aarde wordt weggenomen en dan zal al wat leeft hun lofklanken laten horen, “allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben” (2Tm 4:8).

De vier levende wezens, de uitvoerders van Gods oordelen, bevestigen met hun “Amen” dat dit alles het Lam rechtens toekomt. De zeven zegels van het boek mogen door Hem geopend worden. De oordelen die dit openen met zich mee zal brengen, vormen een verschrikkelijk vooruitzicht, maar we mogen er ons toch in verblijden omdat de aarde daardoor gereinigd zal worden, zodat de Heer Jezus door haar verheerlijkt zal worden.

E-mail: verhoevenmarc@skynet.be

Homepage: www.verhoevenmarc.be of users.skynet.be/fa390968

Ga hier naar de Nieuwste Artikelen



1 Bedoeld wordt: de vier windstreken.

2 De KJV zegt het zo: “In a moment, in the twinkling of an eye, at the last trump: for the trumpet shall sound, and the dead shall be raised incorruptible, and we shall be changed” (1Ko 15:52).

3 Gr. ekeito: was gezet. Die troon was er tevoren niet.

4 Kronen: Gr. stephanous, enk. stephanos: krans; kring (Prisma G/N). De stephanos-kroon is een overwinningskroon die gegeven werd aan iemand die de overwinning behaalde in oude Griekse wedstrijdspelen. Deze is te onderscheiden van de ‘diadèma’, de koninklijke- of heerserskroon.

5 Gr. phónè: stem, klank, geluid. Men kan phónai (meervoud van phónè) hier ook vertalen met ‘geluiden’.

6 Gr. lampades: lampen of fakkels.

7 Gr. zóa: levende wezens; van zóon: levend wezen, schepsel, dier (Prisma G/N).

8 Cherubs zijn heel andere wezens dan engelen. Dit onderscheid blijkt in de hele Bijbel tot in Openbaring. Terwijl engelen tot de dienst van God worden uitgezonden, vinden de cherubs hun plaats alleen waar God Zelf is, daar waar zijn heerlijkheid zich openbaart. Engelen worden in het Oude Testament ongevleugeld voorgesteld en vertonen zich in de gestalte van een mens. In het Nieuwe Testament komt slechts tweemaal (Op 8:13; 14:6) een “vliegende” engel voor. Daartegenover zijn de cherubs altijd van vleugels voorzien en hebben zij vaak nog meer attributen van dieren.

9 Strong’s 7794: showr, bull(-ock), cow: stier, os of koe. De NBG-vertaling geeft “rund”. Het gaat in Ez 1 en 10 om de vier aangezichten van het éne hoofd van elke cherub. Dan kan je enkel van “het aangezicht van een rund” spreken, want elke cherub heeft verder een lichaam met kenmerken (buiten vleugels, kalf-zolen en de vele ogen) van een mens (Ez 1:5, 8; 10:8).

10 Het is eigenaardig dat in plaats van “rund” of “kalf” (Ez 1:7, 10; Op 4:7) hier in Ez 10:14 “cherub” staat. Sommigen menen daarom dat de overgeleverde tekst hier een fout vertoont en dat daar oorspronkelijk “rund” stond. Dat kan wel zijn, maar wij weten het niet en dus moeten wij het daar bij houden.

11 Tijdens de Exodus aanbaden de Israëlieten een “gouden kalf” (Ex 32). Het stierkalf was in Egypte bekend als een symbool van kracht, potentie, macht en energie. Zo was er de Apis-stiergod van Memphis, de Bakha-stiergod (incarnatie van Menthu), en de Mnevis-stiergod van Heliopolis. Mischien was het “gouden kalf” wel een voorstelling van een van deze Egyptische stier-goden. Deze band met afgoderij heeft echter niets te maken met de algemene bijbelse betekenis van het kalf of rund voor de offers.

12 Meer hierover: http://www.bijbelstudie.org/herschepping/01sr/gkar_godsaspecten.htm; http://www.fbinstitute.com/gospels-pink/intro.html.

13 Kronen: Gr. stephanous, enk. stephanos: krans; kring (Prisma G/N). De stephanos-kroon is een overwinningskroon die gegeven werd aan iemand die de overwinning behaalde in oude Griekse wedstrijdspelen. Deze is te onderscheiden van de ‘diadèma’, de koninklijke- of heerserskroon.

14 De naam Gabriël (Strong’s 1403) is een samenstelling van Geber (dapper man of krijger - Strong’s 1397) en El (God of god, Strong’s 410) en heeft in zijn samenstelling de betekenis van “sterke man van God”. Dat is dus ook zo het geval in b.v. de naam van de aartsengel Michaël: “wie is als God?” (Strong’s 4317).

15 Goël: in het Hebreeuws het deelwoord van het werkwoord gaäl, “loskopen”. (Easton Bible Dictionary).

16 De horen is in de Schrift altijd een symbool van macht en kracht. Zie Dt 33:17; 1Sm 2:1, 10; 1Kn 22:11-12; Ps 75:5-6; 92:11; 112:9; 148:14; Jr 48:25; Kl 2:3; Dn 7:7; Zc 1:18-21.

17 Het substituut (HEERE) heb ik hier vervangen door de vertaling van het Tetragram (JHWH): Jahweh. Jezus = Jahweh!

18 Gouden schalen (= fiolen), volgens kantt. 19 Statenvertaling: “Citeren en gouden fiolen, Namelijk gelijk de priesters en levieten in den tempel plachten te gebruiken. Van de citers, als instrumenten van muziek, waarmee zij hun harten verhieven en God loofden, is alom te lezen in de psalmen van David. Van de fiolen, schalen of kruiken van reukwerk, zie 2 Kron. 4:22; Zach. 14:20; door welk reukwerk, de gebeden, die tot God opklommen en Hem in Christus aangenaam waren, werden betekend, gelijk te zien is Ps. 141:2”.

19 De eerste druk van de Statenvertaling verscheen in 1637. Het bijzondere van deze reformatorische Bijbelvertaling is vooral dat zij direct uit de grondtalen Hebreeuws, Aramees en Grieks vertaald werd - net als de King James Version (1611) - en niet meer gebaseerd was op de Vulgata, de algemeen gebruikte Latijnse vertaling (382-405) van Hiëronymus. De zgn. Jongbloed-editie kwam er in 1750 omdat de oude versie haast onleesbaar was geworden door de evolutie van het Nederlands. In de uitgave van 1977 werd het Nederlands opnieuw een beetje aangepast. De vertaling als zodanig bleef altijd behouden. Moderne vertalingen (sinds 1881) kan men beter mijden omdat deze mishandeld werden door vrijzinnigen en schipperaars. Zo zijn Bijbels die gebaseerd zijn op teksten van Westcott en Hort en Nestlé-Aland, corrupt te noemen. In het bijzonder de ‘bijbels’ in de omgangstaal, zoals bv. de ‘Groot Nieuws Bijbel’, zijn dóór en dóór besmet en beslist te weren; maar ook de bekende ‘Nieuwe Vertaling’ (NBG 1951) werd niet getrouw overgezet. Lees over deze corrupties bij De Bijbel is Gods Woord.

20 Gr. oden kainen: “nieuw lied” (lett. “lied nieuw”).

21 Gr. oden kainen, dezelfde uitdrukking als in 5:9 dus.

22 De Textus Receptus (= Aanvaarde Tekst), volgens de uitgave van de Parijse drukker Robert Etienne (Stephanus) in 1550, heeft als basis gediend voor de Reformatiebijbels, zoals de King James Version 1611 en de Nederlandse Statenvertaling 1637.

23 Eulogia: lof(prijzing); roem; schone taal; zegen(ing), weldaad (Prisma G/N).







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina