A didactische wenken



Dovnload 33.12 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte33.12 Kb.
KAARTLEZEN
A DIDACTISCHE WENKEN

1 De juiste weg





  • Doel

De leerlingen kunnen een kaart of plattegrond gebruiken om hun weg te vinden.





  • Aanpak

De leerlingen krijgen een plattegrond voorgeschoteld waarop drie routes zijn aangeduid: route A, route B en route C. Elke route is de weg die een leerling ’s morgens aflegt om naar school te gaan. De drie leerlingen (Stijn, Tom en Karen) geven in een korte tekst hun routebeschrijving weer. De teksten worden door een leerling luidop voorgelezen. De leerlingen gaan op de kaart op zoek naar de overeenkomstige route.


Na het verbeteren van de opdracht activeert de leerkracht de voorkennis van de leerlingen over dit onderwerp. De leerkracht verdeelt de klas in zes groepjes. Elk groepje krijgt een A3-papier met één van de volgende kernwoorden: ATLAS, WINDROOS, PROVINCIE. Elk woord komt dus tweemaal voor. De leerlingen zoeken in hun groepje zoveel mogelijk associaties bij het kernwoord. Ze noteren die woorden rond het kernwoord, zodat je een ‘spin’ bekomt. Bijvoorbeeld: ATLAS  kaarten, titels, symbolen, legenda, werelddelen, enz.

Om het spel leuker te maken, kan je de rol van de spion gebruiken. De spion is belangrijk in het spel. Deze mag op een bepaald teken van de leraar bij het groepje met hetzelfde kernwoord gaan kijken of spieken. Zo komt hij misschien nieuwe woorden tegen die zijn/haar groep kan verder helpen. Voor de start van het spel duidt de leraar in elk groepje een spion aan. Achteraf verzamel je alle papieren en overloop je met de leerlingen de woordenschat die ze rond dit thema verworven hebben.


INTERACTIEVE WERKVORM: SPIN EN SPION
SAMENWERKEND LEREN

Toepassing

Bij het aansnijden van een nieuw concept om de voorkennis van de leerlingen aan te spreken.

Bij het afsluiten van een les of hoofdstuk zodat de nieuwe leerstof nog eens extra wordt vastgezet.


Duur

Lesdeel
Werkwijze

Stap 1 De leerkracht verdeelt de klas in groepen van vier of vijf.
Stap 2 De leerkracht verdeelt papier en stiften en legt de opdracht uit. De leerlingen moeten associërend brainstormen rond een onderwerp. Zowel algemene begrippen als specifieke begrippen kunnen aan de orde komen. De brainstorm verloopt volgens de wijzer van de klok zodat elke deelnemer aan bod komt.
TIP: Je kan met een taakverdeling werken (een voorzitter en een secretaris). De voorzitter zorgt dat de wijzerzin gerespecteerd wordt zodat iedereen aan bod kan komen. De secretaris noteert in spinvorm (zie tekening). De voorzitter kan ook meer uitleg vragen (bv. Wat bedoel je met …?) zodat iedereen alle associaties begrijpt.
Stap 3 Als de brainstorming verslapt, legt de begeleider de activiteit

even stil en voegt de rol ‘spion’ toe. De spion krijgt als opdracht te gaan kijken naar de resultaten van de andere groepen (bv. 1 minuut) en daaruit over te nemen wat in de eigen groep ontbreekt. Ondertussen kunnen de groepen verder brainstormen. De spion komt terug en vult aan met wat hij in de andere groepjes heeft gelezen.


2 De windrichtingen



  • Doel

De leerlingen kunnen zich, in voor hun zinvolle situaties, situeren in de ruimte

door gepaste termen te gebruiken
De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.


  • Aanpak

De les start met het begrip windrichtingen. De leraar kan een onderwijsleergesprek starten waarin volgende vragen aan bod komen: welke windrichtingen ken je? Uit welke windrichting komt koude wind? En warme wind?

Vervolgens worden de windrichtingen op de windroos aangebracht. Om de windrichtingen in de juiste volgorde te kunnen onthouden, bekijken we de ‘lerenleren-kader’. Het ezelsbruggetje Nooit Oorlog Zonder Wapens kan hen vast op weg helpen.

Op de volgende pagina gaan de leerlingen oefeningen maken om de namen van de windrichtingen te onthouden. De leerlingen werken met de kaarten van België en Europa. De oefeningen bouwen op naar moeilijkheidsgraad. In de laatste oefening moeten de leerlingen twee landen ten opzichte van elkaar situeren. De leerlingen ontdekken hier dat de windroos telkens op het tweede land moet liggen. Op het einde wordt alles nog eens vastgezet via de ‘kennen-kader’.




  • Tips

- De leraar kan de windroos uit het boek overtekenen op het bord of eventueel kopiëren op transparant en via de overheadprojector laten zien.

- Breng een kompas of een gps-toestel mee naar de klas, zodat de leerlingen zien hoe een windroos werkt in heel wat gebruikstoestellen.

- De leerlingen kunnen met kompas en windroos naar buiten gaan en van op de speelplaats de verschillende schoolgebouwen, sporthal, fietsenstalling, enz. oriënteren ten opzichte van elkaar.


3 De gemeente

3.1 Stratenplan





  • Doel

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.

De leerlingen kunnen een kaart of plattegrond gebruiken om hun weg te vinden.

De leerlingen zijn bereid hun gedrag aan te passen aan de gevaarlijke punten in de buurt van de school.

De leerlingen kunnen aan de hand van eenvoudige bronnen / materialen het dagelijks

leven van mensen uit een andere tijd vergelijken met hun eigen leven en daar

onder begeleiding conclusies uit trekken.



  • Aanpak

De leerlingen krijgen het stratenplan van Kortrijk in het boekje. Ze ontdekken dat er verschillende kleuren en symbolen op een stratenplan staan. Dit wordt met de buur opgelost. In een tweede stap geeft de leerkracht kaarten van de eigen schoolgemeente. De leerlingen gaan nu zelf de informatie uit het stratenplan halen. Achteraf kan de leerkracht met de leerlingen a.d.h.v. het stratenplan op weg gaan en hen een op voorhand aangeduide route laten volgen. De leerkracht wijst de leerlingen op gevaarlijke punten. De leerkracht laat de leerlingen zelf oplossingen bedenken voor deze gevaarlijke verkeerssituaties. Een eventuele uitbreiding is het maken van foto’s van bronnen uit het verleden die belangrijk zijn voor deze gemeente. Deze bronnen gaan over het leven vroeger in de gemeente. Ze kunnen ook een persoon in de gemeente interviewen. Een werkblad vind je terug in het bordboek. Dit kan een toevallige passant zijn of een handelaar. In het interview kan het gaan over het leven vroeger in de gemeente.


De ‘kennen-kader’ laat je de leerlingen eerst per twee in potlood invullen. Correcte zinnen kunnen dan door het desbetreffende duo op het schoolbord worden genoteerd.
ICT-opdracht: werken met Google Maps
Deze oefening leert de leerlingen werken met Google Maps. In het voorbeeld werken we met het adres van de eigen school. Nadat de leerlingen het adres van de school hebben gevonden, bekijken ze herkenningspunten vanuit de lucht. Nadien gaan ze zelf andere plekken, zoals Brussels Airport, Walibi, enz. bekijken. Ook eigen ideeën (eigen woonplaats, leuke vakantiebestemming, enz.) mogen de leerlingen nu opzoeken. Ze zoeken telkens leuke herkenningspunten vanuit de lucht.
Ten slotte volgt er nog een lerenleren-kader waarin de leerlingen aangemoedigd worden om zoveel mogelijk te oefenen met stratenplannen in het echte leven. Als leerkracht kan je stratenplannen voorzien bij uitstappen (theater, projecten, bibbezoek, …) of de plaatsen vooraf opzoeken via Google Maps.

3.2 Plattegrond





  • Doel

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.

De leerlingen kunnen een kaart of plattegrond gebruiken om hun weg te vinden.

De leerlingen kennen een beperkt aantal wegwijzers, pictogrammen en informatieborden die zij nodig hebben in hun dagelijks leven.





  • Aanpak

De leerlingen vinden in hun boekje een plattegrond van attractiepark de Efteling. Aan de hand van kleine opdrachten maken ze kennis met de verschillende onderdelen van een plattegrond: legenda, windroos, titel, enz. Na het individueel werken mogen ze hun oplossing met hun buur vergelijken. De leerkracht kan ook nog een verbetersleutel aan beide leerlingen geven om het verbeteren te vergemakkelijken. Nadien evalueren ze zichzelf met het evaluatiekader.

Belangrijk om klassikaal nog wat extra steekvragen te stellen over de plattegrond om te controleren of iedereen er mee kan werken.

In een volgende oefening leren de leerlingen de betekenis van verschillende symbolen die vaak op informatieborden (en plattegronden) voorkomen.



3.3 Elektronische kaarten



  • Doel

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.

De leerlingen kunnen een kaart of plattegrond gebruiken om hun weg te vinden.



  • Aanpak

De leerlingen gaan per twee aan één computer zitten en surfen naar de website van Mappy (www.mappy.be). Ze volgen stap voor stap de instructies in het werkboekje.

In de instructieoefening bereiden de leerlingen een daguitstapje naar Oostende voor. De leerlingen leren werken met bepaalde keuzemogelijkheden in de zoekopdracht: snelste/kortste route en voertuig/fietser/voetganger.

Bekijk zeker met de leerlingen de ‘kaartweergave’ tijdens de zoekopdracht. Op die manier wordt de route gevisualiseerd en kan je met de leerlingen een leuk onderwijsleergesprek voeren: welke steden passeren we onderweg? Welke namen van steden heb je al eens gehoord tijdens de verkeersinformatie?

Bij een tweede zoekopdracht kies je een andere bestemming, eventueel in samenspraak met de leerlingen of naar aanleiding van een project of schooluitstap. Aan het einde van de les mogen de leerlingen de website van Mappy en andere opties verder zelf ontdekken. Ze kunnen dan ook nog een eigen zoekopdracht ingeven.
De leerlingen lezen een artikel over het gebruik van een gps-toestel. Belangrijk is dat de leerlingen inzien dat een gps een handig hulpmiddel is, maar dat een klassieke wegenkaart zeker niet onmisbaar is. De leerkracht brengt een wegenkaart mee naar de klas en vertelt dat België heel wat drukke autosnelwegen heeft. De leerkracht toont op de kaart een aantal belangrijke verkeersassen (E40 – E19 – E313 – … ) en stelt hierbij enkele vragen. Bijvoorbeeld: welke steden verbinden ze? In welke windrichting lopen die wegen? Hoe worden de afritten aangeduid?

Nadien gaan de leerlingen terug naar hun plaats en lossen ze per twee de vijf korte vragen op. Die worden nadien klassikaal verbeterd. De namen van de autosnelwegen komen dagelijks op de radio in het verkeersoverzicht. De leerlingen gaan nu een fragment beluisteren. Nadien vullen ze de vraag aan.

Op het einde focust de ‘kennen-kader’ nog eens op oriënteren en bijhorende hulpmiddelen.


4 België

4.1 Tien provincies





  • Doel

De leerlingen kunnen zich, in voor hun zinvolle situaties, situeren in de ruimte door gepaste termen te gebruiken.

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.



  • Aanpak

De leerlingen krijgen 20 strookjes met daarop de naam van de provincie of de provinciehoofdplaats. De leerlingen gaan nu per twee de namen van de provincies combineren met de juiste provinciehoofdplaats. Als hulpmiddel bij deze oefening mogen de leerlingen hun atlas gebruiken. Het lijkt ons wel aangewezen om snel te herhalen hoe een atlas werkt (gebruik register, overzicht kaarten, enz.).

Na de combinatieoefening wordt de oplossing aan bord gebracht en noteren de leerlingen de correcte antwoorden in de tabel. Nadien moeten de leerlingen de provincies en provinciehoofdplaatsen situeren op een blinde kaart met behulp van de atlas.


  • Tips

Om deze leerstof regelmatig te herhalen, kan je de blinde kaart van België op A3-formaat afdrukken en in de klas omhoog hangen. Telkens bij het begin van een les kan je dan een leerling een provincie met provinciehoofdplaats laten benoemen.



4.2 Vlaanderen en Wallonië



  • Doel

De leerlingen kunnen zich, in voor hun zinvolle situaties, situeren in de ruimte door gepaste termen te gebruiken.


De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.


  • Aanpak

De leerlingen weten al dat België ingedeeld is in 10 provincies. Maar de indeling gaat nog verder. Via de 10 provincies wordt de link gelegd naar de begrippen Vlaanderen en Wallonië. De leerlingen moeten deze regio’s kunnen aanduiden op een blinde kaart. Achteraf volgt er nog een ‘kennen-kader’ waarin deze leerstof wordt herhaald.




  • Tips

We hebben er bewust voor gekozen om de begrippen ‘gewest’ en ‘gemeenschap’ niet aan te halen in 1B. Deze leerstof zal in de tweede graad nog aan bod komen.

België is een federale staat, dat wil zeggen dat vanuit de hoofdstad het hele rijk bestuurd wordt. Om ons land makkelijker te besturen werden er twee indelingen gemaakt. De eerste op basis van cultuur (de taal die de mensen spreken). Zo hebben we de Franstalige gemeenschap, de Vlaamse gemeenschap en de Duitstalige gemeenschap. Een andere indeling gebeurt op basis van het grondgebied (de plaats waar de mensen wonen). Zo zijn er: het Vlaamse gewest, het Waals gewest en het Brussels Hoofdstedelijk gewest.

5 De atlas

5.1 Kaart





  • Doel

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.





  • Aanpak

Plantyn Basisatlas van uitgeverij Plantyn sluit perfect aan bij de boekjes van Panorama. De kaarten zijn duidelijk en overzichtelijk en dus ideaal voor leerlingen van 1B. Aan het einde van dit boekje willen we de leerlingen toch een paar algemene principes meegeven: werken met coördinaten, werken met de legenda en werken met het register. Deze 3 aspecten kan je tijdens de les via hoekenwerk of groepswerk behandelen.

De leerlingen leren dat elke atlaskaart verdeeld is in rasters of vakken. De verticale kolommen hebben vaak een letter, de horizontale rijen zijn genummerd. Het vak waarin de verticale kolommen de horizontale kruisen noemen we een coördinaat. Hiermee kan je makkelijk een plaats of stad terugvinden op de kaart.

Merk wel op dat niet elke kaart dit systeem van letters en cijfers gebruikt. Een stadsplan of kleine kaart gebruikt soms enkel cijfers. Dit is zo op het stadsplan van de gemeente Eeklo in de volgende oefening. De leerlingen gaan de straten opzoeken op de kaart en noteren de cijfers van het vak waarin ze voorkomen.




  • Tips

Breng een eigen stadsplan van de woon- of schoolgemeente mee naar de klas. Je kan de kaart kopiëren en zelf straten en pleinen opgeven die de leerlingen moeten opzoeken.


5.2 Legenda



  • Doel

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.





  • Aanpak

Na de werking met de cijfer- en lettervakken, komt nu de legenda aan bod. De leerlingen krijgen opnieuw een stadsplan van Leuven. De leerlingen bekijken aandachtig de kaart. Het zal hen meteen opvallen dat het een vrij drukke kaart is, er staan vele kleuren en vele symbooltjes op. Een legenda kan bestaan uit kleuren of uit symbolen. Die gaan we dan ook overnemen van de kaart in de legenda boven de kaart.



5.3 Register



  • Doel

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.




  • Aanpak

De leerlingen hebben al bij het verkennen van de cijfer- en lettervakken verwezen naar plaatsen op de kaart waar steden of straten voorkomen. Achteraan in elke atlas staat een lijst met namen van landen, steden, bergketens, rivieren, enz. Achter elke naam staat een nummer (de kaart waar je dit terugvindt) en een cijfer/letter combinatie om het trefwoord snel terug te vinden op die kaart.

Klassikaal zoeken de leerlingen de drie voorbeelden uit het boekje op. Vervolgens gaan ze zelf in de atlas op zoek naar de kaart- en vaknummers. De eerste tien voorbeelden zijn Europese steden en landen. De laatste tien voorbeelden bevinden zich op verspreid over de wereld.

In de ‘kennen-kader’ worden de begrippen ‘atlas’, ‘legenda’ en ‘register’ herhaald.



5.4 Werelddelen



  • Doel

De leerlingen kunnen op een kaart van Vlaanderen, België of op een kaart van andere bestudeerde gebieden belangrijke plaatsen situeren die zinvol zijn bij het onderwerp, het thema of het project.




  • Aanpak


De leerlingen merken dat er in de atlas verschillende delen van de wereld aan bod komen. De leerlingen van 1B kennen vaak de werelddelen niet en kunnen ze moeilijk situeren op een kaart. Daarom willen we hier de zes werelddelen aan bod laten komen. Via een korte atlasoefening worden de zes werelddelen aangebracht.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina