A. Het Oude Testament en het Nieuwe Testament



Dovnload 26.99 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte26.99 Kb.
Het bijbelse kernwoord huisgenoot 1

A. Het Oude Testament en het Nieuwe Testament

De navolgende gegevens zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915 en Abr. Trommius, Nederlandse Concordantie (6e herz.dr.). Zie onder A.a



  • - Het Hebreeuwse woord voor huisgenoot (bijv. Job 19:15) is: בֵּיתִי גָּרֵי

- Een Grieks woord voor huisgenoot is: οἰκείos
A.a. Betekenis van de tekstgegevens
Job 19 : 15. Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.

Micha 7 : 6. Eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten.

Matth. 10 : 25. Hoeveel te meer Zijn huisgenoten

Matth. 10 : 36. En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn.

1 Tim. 5 : 8. Zo iemand zijn huisgenoten niet verzorgt.

Galaten. 6 : 10. Meest aan de huisgenoten des geloofs.

Efeze 2 : 19. Medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.


A.b. Samenvatting en toepassing



I. Over huisgenoten, d.i. allen die in een gezin bij elkaar horen 2 en ook de onderlinge vervreemding, c.q. ontwrichting





  • In het gezin in Bijbels perspectief zijn allen (ouders/kinderen en dienstpersoneel) als stenen in een huis die door cement met en aan elkaar zijn verbonden. Heel de samenleving is opgebouwd uit de kleine cellen van huisgezinnen.




  • Helaas is daar door de zonde, reeds in de val van Adam en Eva, ook de ontwrichting van deze samenlevings-verbanden. En zo kan het zijn, dat de leden van een gezin als vreemden worden voor elkaar.




  • Zo wordt In Job 19:15 gezegd door Job: Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen. We lezen in de commentaar van Keil- Delitzsch over deze woorden van Job in zijn lijden:

I am become a perfect stranger in their eyes. He calls his relations קְרֹובַי, as Psa_38:12. יֹדְעַי are (in accordance with the pregnant biblical use of this word in the sense of nosse cum affectu et effectu) those who know him intimately (with objective suff. as Psa_87:4), and מְיֻדָּעַי, as Psa_31:12, and freq., those intimately known to him; both, therefore, so-called heart-or bosom-friends. בֵּיתִי גָּרֵי Jer. well translates inquilinin domus meae; they are, in distinction from those who by birth belong to the nearer and wider circle of the family, persons who are received into this circle as servants, as vassals (comp. Exo_3:22, and Arabic jâr, an associate, one sojourning in a strange country under the protection of its government, a neighbour), here espec. the domestics. The verb תַּחְשְׁבוּנִי (Ges. §60) is construed with the nearest feminine subject. These people, who ought to thank him for taking them into his house, regard him as one who does not belong to it (זָר); he is looked upon by them as a perfect stranger (נָכְרִי), as an intruder from another country.




  • Over vervreemding en ontwrichting, ook in het gezin horen we eveneens in Micha 7:5v. Daar lezen we:: De zoon veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten. In dit verband gaat het over de verdorvenheid van Sion en de losbranding van het oordeel Gods. Niemand lijkt meer te vertrouwen. Zelfs zij die ‘in uw schoot ligt’, kunt u beter geen geheimen toevertrouwen (vs. 5 slot). In een woord: overal twist en tweedracht onder huisgenoten. Zo lezen we het ook in Matth.10:36: En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn. Vgl. Ook Luk.12:53. Keil-Delitzsch schrijven daarover

In Mic_7:5 the description of the moral corruption is continued, and that in the form of a warning not to trust one another any more, neither companion (רֵעַ) with whom one has intercourse in life, nor the confidential friend ('allūph), nor the most intimate friend of all, viz., the wife lying on the husband's bosom. Even before her the husband was to beware of letting the secrets of his heart cross his lips, because she would betray them. The reason for this is assigned in Mic_7:6, in the fact that even the holiest relations of the moral order of the world, the deepest ties of blood-relationship, are trodden under foot, and all the bonds of reverence, love, and chastity are loosened. The son treats his father as a fool (nibbēl, as in Deu_32:15). …




  • Daarentegen worden we in 1 Tim. 5:8 3 erop gewezen, dat we als christenen de roeping hebben om de onzen, vooral de leden van ons huis(gezin) te verzorgen: Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige. Het is dus in de wereld gelukkig niet zo, dat twist en tweedracht overal en bij iedereen het voor het zeggen hebben. Wie God vreest en zijn Heiland heeft leren belijden, verstaat ook zijn roeping om goede zorg te dragen vooral voor de mensen om hem heen. Doet wel aan alle mensen, en in het bijzonder aan uw huisgenoten. Anders verloochent hij zijn geloof en wordt in feite een ongelovige.

Aan een volgeling van de Heere Jezus werd eens gevraagd, of hij een christen was. En wat antwoordde hij? Vraag maar aan mijn vrouw of aan mijn buurman, of ik christen ben.




  • In ISBE (woordenboek in e-Sword) s.v. Household lezen we de behartigenswaardige woorden over het gezin, de huisgenoten van ėėn en hetzelfde gezin, die basaal zijn voor de gemeente van Christus.

Human life is not a conglomerate of individuals; the family is its center and unit. Nor is it different in the New Testament. The curse and the blessing of the apostles are to abide on a house, according to its attitude (Mat_10:13). A divided house falls (Mar_3:25). The household believes with the head thereof (Joh_4:53; Act_16:15, Act_16:34). Thus the households became the nuclei for the early life of the church, e.g. the house of Prisca and Aquila at Rome (Rom_16:5), of Stephanas (1Co_16:15), of Onesiphorus (2Ti_1:16), etc. No wonder that the early church made so much of the family life. And in the midst of all our modern, rampant individualism, the family is still the throbbing heart of the church as well as of the nation.



II. Over huisgenoten des geloofs/ huisgenoten der discipelen en huisgenoten Gods





  • In de hier genoemde uitdrukkingen wordt nog op een ander niveau gesproken over huisgenoten, nl. als discipelen van de Heiland. Zij zijn huisgenoten van elkaar in het geloof en ook huisgenoten Gods.4




  • We vinden die uitdrukkingen in Galaten. 6:10 (meest aan de huisgenoten des geloofs) en in Efeze 2:19 (medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods). We volstaan met een korte samenvatting van wat we daarover in commentaren vonden.




  • Het gaat in deze verzen over het wezen van de Christelijke gemeente als huisgezin van God. De leden van die gemeente vormen een ‘familia Deï.’ God is hun Vader en zij zijn kinderen van Zijn gezin. Dat gaat over grenzen van alle landen en talen heen, wereldwijd.

M. Henri schrijft in zijn commentaar op 1 Tim. 5:9 but fellow-citizens with the saints, and of the household of God, that is, members of the church of Christ, and having a right to all the privileges of it. Observe here, The church is compared to a city, and every converted sinner is free of it. It is also compared to a house, and every converted sinner is one of the domestics, one of the family, a servant and a child in God's house.




  • De leden van Christus’ gemeente zijn broeders en zusters van elkaar; wedergeboren tot een levende hoop in een oprecht geloof. Het zijn geloofsverwanten.5 Dat is de heerlijke status van de kerk des Heeren op aarde.




  • De levende lidmaten van die kerk delen hun geloofsgeheim met elkaar tot stichting van elkaar en getuigen ervan in de wereld. Van groot belang is het, dat gelovigen vooral voor de huisgenoten van het geloof het allerbeste zoeken. Laten we hen ook maar dicht bij huis, in ons eigen huis zoeken zo mogelijk. Hoe verkwikkend is het, als wij bijv ook met onze eigen vader, moeder en kinderen over de geestelijke zaken, en over hun verhouding tot God kunnen spreken. Zodat we, als we hen naar hun graf brengen, ook dan niet in het onzekere behoeven te zijn omtrent hun eeuwige bestemming.




  • Huisgenoten van God/ Christus doen intussen ook goed aan alle mensen 6; zij maken geen onderscheid in hulpverlening. Aan armen en hulpbehoevenden, aan heidenen en Mohammedanen, aan vriend en vijand. In onze tijd mogen wij dan ook goede zorg hebben voor de opvang van vluchtelingen die in stromen over Europa gaan. Is het niet ons aller dure roeping om hen gastvrij op te vangen?! En ligt hier ook niet een goede kans voor de verbreiding van het Evangelie (over missionaire bewogenheid gesproken)? Hebben wij ooit een woord tot hun behoud gezegd?

Dr. Greijdanus (Korte Verklaring/ Galaten, bij Gal.6:10) schrijft: ‘Geloofsgenoten zijn allen die met elkaar gelijk als ėėn gezin vormen, en alzo als gezinsleden, als huisgenoten, te beschouwen zijn. De gelovigen mogen nooit anders dan het goede werken, en dat jegens alle mensen. Doch de huisgenoten des geloofs, die immers door de wereld worden gehaat, Joh. 15:19; 1 Joh. 3:13, en vervolgd, Joh. 16:33, mogen niet de laatsten zijn, die door de gelovigen met goed doen worden verkwikt en geholpen..’




  • In Matth. 10 : 25 laat onze Heere Jezus ons echter ook weten, dat een discipel, die Zijn huisgenoot is, meer nog dan de Heere des huises een op en top duivel (Beëlzebul) zal worden genoemd. Een huisgenoot deelt immers met de smaad en laster die hem ten deel valt, in het lot van zijn Meester. Wees alert.




  • Maar intussen verheffen wij ons hart tot God en bidden:

Gedenk de smaad, die elk van Uwe knechten lijdt,

Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt,

De smaad, o Heer’, warmee Uw haters ons beladen.



….

Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen.



De Heer’ zij eeuwig lof en elk zegg’.amen, amen! (Ps.89:20 ber.).


1 Zie ook in mijn website onder voordrachten Praktisch Theologisch, sub: het gezin in de Bijbel.

2 Van Dale in het Groot woordenboek der Nederlandse taal geeft twee betekenissen van het woord huisgenoot: a) medebewoner van hetzelfde huis/ lid van hetzelfde gezin en b) (bijb) de huisgenoten des geloofs/ zij die deel hebben aan het christelijk geloof

3 1 Tim. 5:8 in de grondtekst luidt: εἰδέ τις των ιδίων καὶ μάλιστα των οικείων ου προνοει, τὴν πίστιν ἤρνηται καὶ ἔστιν απίστου χείρων.

4 De King James vertaling van Gal 6:10 luidt: As we have therefore opportunity, let us do good unto all men, especially unto them who are of the household of faith.


5 Daarom heten zij huisgenoten des geloofs. Vgl. Ef. 2:19; 1 Tim. 5:8; 2 Petr. 1:1.

6 Gr. 'pros' - aan (allen) betekent: in de omgang met (allen). Vgl. Rom. 12:17v; 14:18; 1 Thess. 5:15.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina