A oog 1 Inleiding



Dovnload 94.7 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte94.7 Kb.
H3 ANATOMIE EN HISTOLOGIE VAN DE ZINTUIGEN

A Oog

1 Inleiding


= sterk gedifferentieerd lichtgevoelig orgaan

 vrij nauwkeurige analyse - vorm

- lichtintensiteit

- kleur


Lichtgevoelige cellen  in retina (zintuigzenuwcellen)

 via zenuwcellen & zenuwvezels signalen nr hersenen


Retina = netvlies

=> 2beschermende lagen 1 vaatvlies = uvea

2 buitenste oogrok = sclera

2 Macroscopie

2.1 De orbita


- onregelmatig piramide

Basis nr voren

Punt nr mediaal achter

- voortzetting punt = canalis opticus  nr middelste schedelgroeve

- dak: pars orbitalis van os frontale

Ala minor os sphenoidale

Meestal uitbereiding sinus frontalis

Dun


- med wand: lat wand labyrinthus ethmoidalis

- voorzijde: os lacrimale

- achterzijde: ala minor os sphenoidale

- bodem: corpus maxillae

Processus orbitalis os palatinum

Os zygomaticum (lat)

Canalus & sulcus infra-orbitalis

- lat wand: os zygomaticum (voor)

Ala major os sphenoidale (voor)

Ala minor os sphenoidale (achter)

Fissura orbitalis sup = verb van orbita met middelste schedelgroeve

 tss ala major & ala minor

Fissura orbitalis inf = verb van orbita met fossa infratemporalis & fossa pterygopalat

 tss lat wand & bodem


Peri-orbita

= periost orbita

- rondom canalis opticus & med deel fiss orb sup => verdikt = annulus tendineus communis

- ° 4 rechte oogspieren

- erdoor in canalis opticus: - N opticus

- a ophtalmica

In FOS: - N oculomotorius

- N abducens

- N nasociliaris (V1)

- erboven dr FOS: - N trochlearis

- N lacrimalis

- N frontalis (V1)

- v ophtalmica sup

- eronder: - v opthalmica inf


Inhoud orbita:

1 oogbol


2 N opticus

3 uitw oogspieren

4 BV

5 zenuwen



6 traanapparaat

7 corpus adiposum orbitae => houdt alles op zijn plaats


Oogspieren

4rechte oogspieren:

1 m rectus med

2 m rectus lat

3 m rectus sup

4 m rectus inf


2schuine oogspieren:

1 m obliquus sup

2 m obliquus inf


  • insertie aan sclera oogbol

  • oorsprong: 4recti: voorzijde annulus tendineus comm

 nr voren  vast op voorzijde oogbol

M obl sup: os sphenoidale, boven & med van canalis opticus

 boven m rectus med  nr med ooghoek

 dunne ronde pees dr trochlea  nr lat, achter, beneden

 insertie achterzijde oogbol bovenste temp ¼

M obli inf: med voorzijde bodem orbita

 onder m rect inf schuin nr lat & achter  nr boven

 insertie achterzijde oogbol onderste temporaal ¼

=> fct: m rectus med zuivere adductor

M rectus lat zuivere abductor


Trochlea = ring in hyalijn kraakbeen  aan med wand van benige orbita
Bevloeiing

A ophtalmica

 onder N opticus dr canalis opt

Veneuze drainage: v ophtalmica sup via FOS nr sinus cavernosus

V ophtalmica inf via FOS mr onder annulus tendineus
Bezenuwing

- motorisch

- sensorisch

- autonoom


N oculomotorius

- via FOS

 r sup m rectus sup

M levator palpebrae sup

 r inf m rectus med

M rectus inf

M obliquus inf

PS vezels  ganglio ciliare



N trochlearis

- via FOS

 m obliquus sup

N abducens

- via FOS nr lat

 m rectus lat

N opthalmicus

- sensorisch

- splitst bij doorgang FOS

 n frontalis

 n lacrimalis

 n nasociliaris


2.2 Oogrokken


3lagen of rokken:

1 buitenste harde oogrok dura mater

2 middenste oogrok = vaatvlies = uvea pia-arachnoidea

3 binnenste oogrok = retina = netvlies = tunica int hersenparenchym


Buitenste oogrok

= harde fibreuze laag

 bescherming inw structuren oog

 vorm & stevigheid oog

- cornea doorzichtig deel

- sclera wit opaak deel

- limbus verbinding tss cornea en sclera
Middenste oogrok of vaatvlies


  • sterk gepigmenteerd

  • sterk gevasculariseerd

 voedend

 lichtaccomodatie

 reductie of exclusie binnenkomend licht

bepaalt kleur oog



  • choroidea

  • corpus ciliare

  • iris


Binnenste oogrok of retina

=> lichtgevoelige cellen & complexe neurale netwerken die lichtprikkels verwerken

& signalen nr hersenen dorosturen

- n opticus

- papilla/ discus nervi optici plaats waar n opt retina verlaat
Ora serrata = eindpunt lichtgevoelige retina vooraan

Ervoor: pars ciliaris retinae bekleedt binnenkant corpus ciliare

Erachter: pars iridis retinae bekleedt achterkant iris

=> beiden nt lichtgevoelig


2.3 Ooginhoud


1 kamervocht

2 lens


3 corpus vitreum

=> doorzichtige media (net als cornea)


1.Kamervocht

= waterhelder vocht

- vulling voorste & achterste oogkamer
Voorste oogkamer tss cornea & corpus ciliare/iris/lens

Achterste oogkamer tss iris/corpus ciliare & lens/corpus vitreum


2.Lens

= elastisch biconvex lichaam

- opgehangen aan corpus ciliare dr vezels zonula ciliaris

- vlak achter pupil

Tss voorste oogkamen & corpus vitreum
Breking lichtstralen:

Cornea: primair

Lens: secundair
3.Corpus vitreum

= gelei-achtige doorzichtige massa

- vulling grootste deel oogholte

- tss lens/corpus ciliare & retina

 begunstigt drdringen lichtstralen van lens nr fotoR cellen
Retina: doorzichtig

-> buitenste gepigm cellenlaag nt drzichtb = 1ste barrière tegen invallende lichtstralen


3 Histologie

3.1 Buitenste oogrok


a. Sclera

= laag fibreus BW cfr dura mater

- bundels collageen in verschillende richtingen

- tssin fijne elastische vezels

- platte uitgerokken fibroblasten

- melanocyten kleurlingen: bruinachtige sclera

- veel bloedvaten

- intercell substantie minder GAG dan cornea: glycosaminoglycanen

 opaciteit
Episclera = dunne laag losmazig BW

- talrijke spleten

- enkele BV

 uitw verbinding met kapsel van Tenon = capsula bulbi (dense BW laag)

- bevat ruimte van Tenon

laat bewegingen oogbol toe

- vooraan overgang in losmazig BW conjunctiva
Lamina cribrosa:

- plaats waar n opticus sclera doorboort

- sclera is er dun
b. Cornea

- iets dikker dan sclera

- brekingsindex = 2X brekingsindex lens

- zr grote doorzichtbaarheid

- regelm structuur

- rijkdom aan GAG

- avasculair

-> voeding: centraal: kamerocht

Perifeer: BV limbus (corneo-sclerale junctie)
Path: afw bloedvaten: allogenetische cornea transplantatie

 bescherming tegen immuunsysteem gastheer

Cornea ulcus  extreem pijnlijk

=> sterke regeneratiecapaciteit

Ontsteking cornea: keratitis - vaak viraal

- gevaar: vrijkomen cytokine’s: vorming littekenweefsel


5lagen: 1 voorste epitheel

2 membraan van Bowman

3 stroma

4 membraan van Descemet

5 endotheel
1 voorste epitheel = cornea epitheel

- meerl nt-verhoorn plaveiselcellig epitheel

- rust op dunne basale membraan

- losjes verbonden met membraan van Bowman

- basale cellenlaag - cilindrische cellen

- verbonden dmv talrijke hemidesmosomen met basale membraan

Intermediaire cellenlagen - veelhoekige cellen

- onder elkaar verbonden met talrijke desmosomen

Opp cellenlaag - grote afgeplatte cellen

- apicaal opp korte MV & cytoplasmaplooien

=> terplekke houden film van traanvocht

- avasculair

- talrijke sensiebele nt-gemyeliniseerde zenuwuiteinden

- enorme regeneratie capaciteit



2 membraan van Bowman

Gn echt membraan

= buitenste laag corneaal stroma (verschil ordening collageenvezels)

- gn elastische vezels

- bruusk einde aan corneosclerale junctie

- EM: netwerk willekeurig geordende collageenfibrillen


3 stroma = substantia propria

- 90% cornea

- BW lamellen parallel met elkaar en met opp

Collageenbundels opeenvolgende lamellen kruisen elkaar onder verschillende hkn

Stevig samengehouden dr uitwisseling vezels

- afgeplatte fibrocyten : tss lamellen keratocyten

- stroma tss vezelbundels & lamellen chondroïtinesulfaat

Keratosulfaat

- GAG: doorzichtbaarheid cornea

- gn BV gn lymfevaten

Mog migratie lymfoïde cellen vanuit BV limbus nr stroma
Path: ontsteking: groot # neutrofiele leucocyten & lymfocyten tss lamellen dringen
4 membraan van Descemet

= lichtoptisch homogene dikke membraan

- kleurt sterk met PAS

- perifeer: verder als dunne laag boven & onder trabeculae limbus

- EM: uniek type collageen

- fibrillen ingebed in amorfe substantie rijk aan GAG



5 endotheel

1 enkele laag afgeplatte hexagonale cellen

- begrenzing inw opp cornea

- cellen kenm mesotheel & endotheelcellen

- cytoplasma: talrijke vesikeltjes  actief transport ionen & vloeistoffen

Voeding uit voorste oogkamer

Afvak nr kamervocht

 synthese membraan van Descemet

- talrijke interdigitaties

- apicaal verbonden met elkaar: zonulae occludentes


c. Corneosclerale junctie of limbus

- 1.5 à 2mm breed


Voorste epitheel cornea  verder in epitheel conjunctiva

Membraan Bowman  conjunctivaal stroma (losmazif BW)

BV -> voeding perifeer deel cornea

Collageenbundels subst prop  collageenbundels sclera


Path: chron ontstekingen: BV uit conjunctivaal stroma dringen in stroma cornea
Membraan van Descemet  aan perifeer uiteinde: vorming trabeculair netwerk

- groot # platte, gevensterde BW trabekels

- bekleed met afgeplat epitheel: continu met endotheel cornea

- ruimten van Fontana = ruimten tss trabekels

- Verb met voorste oogkamer

- filteren kamervocht  drainage nr kanaal van Schlemm


Kanaal van Schlemm:

 drainage kamervocht

- circulair rond cornea

- drainage verder nr venen limbus & episclera


Path: drainage verhinderd: stijging intra-oculaire druk = glaucoma

Overdruk: afsterven oogelementen


3.2 Middelste oogrok of uvea


Meest gepigm & gevasc laag oog

1 choroidea

2 corpus ciliare

3iris
1 choroidea

Grootste deel uvea

- vanaf ora serrata

- tot aan papilla n opticus
4delen:

1 Suprachoroidea = lamina suprachoroidalis

- losmazig BW collageenbundels

Elastische vezels

- BW lamellen schuin van choroidea nr sclera

- talrijke stervormige melanocyten

- macrofagen


2 Lamina vasculosa = stroma

- groot # arteriolen en venulen

- losmazig BW

- rijk aan fibroblasten & melanocyten

- mastcellen

- macrofagen


3 Lamina choriocapillaris

- 1enkele lag capillairen met gefenestreerd endotheel

 afkomstig van arteriorel lamina vasculosa
4 Membraan van Bruch

- lamina densa van pigment epitheel retina

- rijk aan elastische vezels

- PAS positief


2 corpus ciliare

= fibromusc ring in verbinding met choroidea

- begin: ora serrata

- einde: wortel van iris

 aanhechtingsgebied ophangligamenten lens

- binnenkant bekleed met pars ciliaris retinae

- gladde spiervezelbundels  accommodatie

- rijk capillair netwerk  productie kamervocht

- vorm 3-hoek

- bouw cfr choroidea: gn lamina choriocap

M ciliaris

epitheel
Corona ciliaris = kroon

= voorste sterk geplooid deel

- 70à 80 radiaire uitstulpingen in achterste oogkamer = processus ciliares


Orbicularis ciliaris

= achterste deel

- brede ring tss ora serrata & corona ciliaris
1 M ciliaris

- In corona & orbiculus ciliaris (nt in processus ciliares)

- tss spierbundels: BW rijk aan elastische vezels

Rijk aan melanocyten

 contractie: daling lensspanning: meer kromming => accommodatie

= fine-tuning lichtbreking


2 Ciliair stroma

- aan binnenkant corpus ciliare

- centrale as van processus ciliares

- losmazig elastinerijk BW

- talrijke fibroblasten

- talrijke melanocyten

- talrijke mastcellen

- BV: vooral cap & venulen (cap: gefenestreerd)


3 Ciliair epitheel

= nt lichtgevoelig deel retina = pars ciliaris retinae

- begrenzing tss corpus ciliare & achterste oogkamer/corpus vitreum

- dubbele laag kubische cellen

- weerszijden: basale lamina
Binnenste cellenlaag:

- nt gepigmenteerd

- begrensd achterste oogkamer

- apicaal: zonulae occludentes => bmoedhersenbarrière

Buitenste cellenlaag:

- sterk gepigm

- tegen ciliair stroma
Processus ciliares:

 productie kamervocht

-> opstapeling in achterste oogkamer -> via pupil nr voorste oogkamer

-> ruimten Fontana -> kanaal Schlemm -> limbale & episclerale venen


3 iris

= meest vooraan gelegen deel uvea

- uitw rand: vast aan corpus ciliare = ciliaire rand

- inw rand: begrenst pupil = pupillaire rand

=> beide randen: dunst

* stroma met veel melanocyten

* gladde spiercellen

* pigm epitheel


Voorzijde onregelm – ruw

Achterzijde glad


1 Stroma

= grootste deel iris

- losmazig BW

- talrijke kleine BV & cap

- fibroblasten & melanocyten => dicht bij elkaar & voorkant iris

- voorkant iris: endotheel cfr binnenkant cornea


Oogkleur  bepaalt dr # melanocyten
2 Gladde spiervezels

M sphincter pupillae:

- in stromaal BW voorste rand

- gladde spiervezels

- circulair

- PS


 contractie: daling diameter pupil
M dilatator pupillae:

- radiair geordende myoëpitheliale elementen

- OS

 contractie: verwijding diameter pupil


Grote pupillen: aantrekkelijker

Atropine in oog = anti-cholinergicum

 blokkeren PS = inhibitie m sphincter pup

Plantje: atropa bella donna


3 Pigmentepitheel

Achterste epitheel iris: pars iridis retinae

= 2 lagen gepigmenteerde cellen
Achterste cellenlaag:

- begrenst achterste oogkamer

- kubische tot laagcilindrische sterk gepigm cellen

- junctionele complexen

- dragen bij tot oogkleur
Fct melanocyten & melanine => invallend licht enkel door pupil
Voorste cellenlaag:


  • gepigm myoëpitheelcellen

  • kubische

  • melaninekorrels

Uitw helft iris -> uitlopers vormen m dilatator pupillae

Inw helft iris -> ontbreken uitlopers


3.3 Binnenste oogrok of retina


A Algemene bouw

 foto receptor orgaan

- ° uit primair oogblaasje = bilat uitstulping prosencefalon

-> lokale invaginatie => secundair oogblaasje

Verbinding met hersenen blijft via N opticus
Sec oogblaasje -> volw: 2lagig

- nr buiten pigmentepitheel

- nr binnen neurale retina = echte retina

-> elementen cfr hersenen


Optische deel retina = functioneel deel retina

- bekleedt binnenzijde chroidea

- van papilla nervi optici tot oraserrata

Stevig aan chroidea: thv papilla

Thv ora serrata
Fovea centralis:

- lat vd rand vd papilla nervi optici

- indeuking binnenkant retina

- alleen dunne aa, vv & capp

Meest centrale deel: avasculair  grootste doorzichtbaarheid gn staafjes

- deel beeld op fovea = scherp deel beeld


Macula lutea: = gele vlek

= fovea & gebied errond

- geel pigment
Pigmentepitheel & neurale retina:

- 5 verschillende celtype’s

- 10 // lagen
B celtypes

1 pigmentepitheel

- 1lagig kubische epitheel

- op dikke elastische membraan = membraan van Bruch

- apicaal cytoplasma & uitlopers: melanine korrels

- apicale uitlopers interdigiteren met toppen buitenste segment fotoRcellen

- véél junctionele complexen onderling NIET met R cellen

- basale cytoplasma talrijke mito’s

Veel RER


Duidelijk supranucleair golgi

- residuele lichaampjes = gedeeltelijk verteerde stukjes staafjescellen


Path: retina loslaten => terug aan elkaar dr zwaartekracht inwerking
Fcts:

1 afscherming neurale retina van schadelijke metabolieten in stroma choroidea

2 absorptie licht dat drheen fotoRlaag is gedrongen  verhinderen diffusie na weerkaatsing

3 participatie in turnover fotoRcellen: opname & vertering top buitenste segment staafjes


2 fotoreceptorcellen

* staafjescellen

* kegeltjescellen

= gespecialiseerde neuronen:

- dendriet buitenste segm

- groot # // lamellen

- vis pigm

- distale topje: microvilli van pigmentepitheelcellen

Binnenste segm

Rijk aan - glycogeen

- polyribosomen

- mito’s


Buitenste staafjesvezel

= verbinding met soma

Dunne smalle steel

- soma cellichaam

- kern

- axon binnenste staafjesvezel



Verbinding cellichaam met peervormige sfeer vol synaptische vesikels

Terminale uitlopers  bipolaire cellen

 horizontale cellen
STAAFJES KEGELTJES

- 120miljoen - 6miljoen

- zeer lange smalle cellen - plombere cellen

- lange cilindrische buitenste segm - kortere conische buitenste segm

- vnl periferie - meer centraal

- rhodopsine - verschillende pigmenten

- top buitenste segm voortdurend nr epith - gn zulk hernemingsproces

- meest actief in donker - zicht bij licht

- kleurenzicht

Mogelijk nog soort pigment: melanopsine:

Transgene muis z ogen  niks zien/gn circ ritme

Transgene muis z staafjes/kegeltjes  wel circ ritme



3 Direct geleidende neuronen

Bipolaire cellen: verbinding Rcellen met ganglioncellen


Ganglioncellen: laatste schakel in neurale keten retina

Bipolaire cellen met N opticus

Axonen = N opticus (nt gemyeliniseerd)
4 Associatieneuronen

Horizontale cellen: - verbinden R cellen onderling

- verb R cellen met bipolaire cellen
Amacriene cellen: - verbonden met elkaar

- verbonden met axonale uiteinden bipolaire cellen

- verbonden met dendrieten ganglioncellen
5 Steuncellen

Radiale cellen van Müller

-> overspannen hele breedte retina

- zonulae adhaerentes aan kegeltjes & staafjes


Astrocyten: tss ganglioncellen & in n opticus zenuwvezellaag
C gelaagdheid

1 pigmentepitheel

2 dendrieten van staafjes en kegeltjes

3 lamina limitans externa

= juncties cellen Müller

4 uitwendige korrellaag

= soma staafjes & kegeltjes

5 uitwendige plexiforme laag

= synaps gebied R & bipol/horizontale

6 inwendige korrellaag

= soma bipolaire cellen & hor cellen & cellen Müller

7 inwendige plexiforme laag

= synapsen bipol & ganglioncellen/amacriene cellen

8 ganglioncellen

9 nervus opticus zenuwvezellaag

= axonen ganglioncellen

10 lamina limitans interna

= lamina densa cellen Müller


D centrale zone en fovea

Centrale zone = macula lutea

= zone scherpste zicht

- meer staafjes & kegeltjes

- betere ordening verschillende lagen
Fovea centralis:

- centraal in macula lutea

- enkel kegeltjes

- gn bv


- lagen binnen externe korrellaag –> lateraalwaarts verplaatst  vrije doorgang lichtstralen
E Papilla nervi optici

= blinde vlek

- verlaten zenuwvezels retina

- BV retina binnendringen & verlaten

- retina is onderbroken

- gn fotoRcellen


Retinale vaten: over binnenste retina opp

Cap: penetreren binnenste lagen retinea (uitz fovea)

Vaten choriocapillaris: voeden dr diffusie buitenste lagen retina

3.4 Ooginhoud


A kamervocht

- doorschijnend

- licht-alkalisch

-waterig


=> cfr CSV

- vulling voorste & achterste oogkamer

- voedingsbron lens & cornea
Bloed-kamervocht-barrière:

 verhinderen dat bep componenten uitgewisseld zouden w tss bloed en I ooàgkamers

- zonulae occludentes tss apicale delen nt-gepigm cellen corpus ciliare
B lens

= doorschijnend biconvex lichaam juist achter pupil

- opgehangel dmv zonula van Zinn = zonula ciliaris aan corpus ciliare

- vormverandering bij accommodatie:

spanning vezels  tegenwerken natuurlijke sferische vorm
1 lenskapsel

= homogene membraan

- collagene fibrillen

- amorfe glycoprot


2 Epitheelcellen

Voorste & equatoriaal opp lens

 1lagig epitheel

- vooraan afgeplat tot kubisch

- meer nr lens-equator  meer cilindrisch

- equator: nog delend  uitgerokken & transformatie tot lensvezels

=> vorming cortex lentis = lensschors
3 Lensvezels

- lange


- smal

- hexagonaal

- gespecialiseerd

- epitheliaal

- geranschikt in lamellen  ajuinpellen op elkaar

oudste centraal => nc lentis

jongere => cortex lentis

-> differentiatie: verlies kern

Opstapeling kristallines in cytoplasma

Ontwikkeling interdigitaties plasmamembraan

Ontwikkeling junctionele complexen
C Corpus vitreum

- heldere doorschijnende structuur

- opvulling ruimte tss lens & retina
- water

- EC fibrillen

- hyaluronzuur

- vrije cellen (hyalocyten) fibroblasten

Macrofagen

Secretoire cellen

Synthese collageen & hyaluronzuur
Kanaal van Cloquet:

= hyaloïd kanaal

- vanaf pailla nervi optici tot aan lens

- ° hyaloïd a


4 Hulporganen oog

4.1 Oogleden en conjunctivae


Conjunctiva :

= slijmvliezen

- bedekken achterste opp oogleden & voorste opp oogbol tot aan corneosclerale junctie

Conjunctiva palpebrae:

- bedekt binnenkant ooglid

- opp cellenlagen worden geleidelijk dikker

- # cellagen vermindert geleidelijk

- geleidelijk verschijnen muceuze cellen

- meerl cilindrisch

Conjunctiva bulbae:

- bedekt oogbol zelf

- meerl plaveiselcellig


Tss oogbol & oogleden => diepe inham = bovenste/cran & onderste/caudale fornix
Ooglid:

- centrale as van dens BW = tarsus

Buitenste laag huid: dun

Dermis weinig papillen

Kleine haren

Sebumklieren

Zweetklieren

Wimpers grote haren - schuin ingeplant langs rand oogleden

- 3à4 rijen

Klieren Moll: - achter & tss follikels

- apocriene zweetklieren

- afvoergangen in follikels wimpers

M orbicularis oculi dwarsgestreept

M tarsalis sup van Müller bundels glad spierweefsel

Vast op bovenrand tarsus

Klieren Meibom - sebumklieren

- ingebed in BW tarsus

- openingen lozingsgangen 1rij op grens huid & slijmvlies

 verhindert onderlinge verkleving oogleden

- verhindert verdamping traanvocht


4.2 Traanapparaat


Systeem van klieren:

- in verb met conjunctivale ruimte

 bevochtigen- smeren- spoelen opp oogbol & oogleden
Traanklier:

- samengestelde tubulo-acineuze sereuze klier

- onder conjunctiva

- in lat bovenste deel oogholte

- monding: 10à20 afz lozingsgangen thv bovenste fornix

Goed ontwikkelde myoepitheelcellen


Conjunctivale ruimte  binnenste commissuur:

 tijdelijke opslag in lacus lacrimalis  dr puncta lacrimales

 nr 2 canaliculi lacrimales  komen samen in saccus lacrimalis

 ductus nasolacrimalis  neusholte


Binnenste commissuur = binnenste commissuur

  • oogleden gescheiden dr 3hoekige ruimte lacus lacrimalis

  • sebumklieren: witachtig secreet

Puncta lacrimales = traanpunten

- twee kleine openingen

Canaliculi lacrimales = traankanaaltjes

- meerl plaveiselvormig

Saccus lacrimalis = traanzak

- pseudomeerl cilindercellig

Ductus nasolacrimalis = neustraankanaal

- pseudomeerl cilindercellig

=> wand excretiegangen BW bedekt met epitheel
Caruncula lacrimalis:

- tss beide traankanaaltjes

- vormt bodem lacus lacrimalis

- uitpeuilende weefselmassa

- bedekt met dik nt-verhoornd plaveiselcellig epitheel muceuze cellen

Geleidelijk over in epi conjunctiva



B Oor

1 Inleiding


Oor = gehoororgaan

1 uitwendig oor => ontvangen geluidsgolven

- oorschelp

- uitwendige gehoorgang

2 middenoor => omzetten geluidsgolven in mechanische trillingen van ossicles

3 binnenoor = labyrint

=> met vocht gevulde ruimten

 overbrengen ontstane zenuwimpulsen nr CZS via n acusticus

=> sterke verbinding met evenwichtsorgaan

2 Uitwendige oor

2.1 Oorschelp


- onregelm vorm

Plaat elastisch kraakbeen omgeven dr perichondrium met elastische vezels

- huid: - kleine haartjes met sebumklieren

- kleine & schaarse zweetklieren


2.2 Uitwendige gehoorgang


Buitenste deel -> ondersteund dr kraakbeen

Binnenste deel -> kanaal in slaapbeen: S vorm

Nr binnen afgesloten dr trommelvlies
Cerumen = oorsmeer

= bruin wasachtig secreet

 bescherming tegen uitdroging

 bescherming tegen invasie micro-organismen

=> mengsel van secreet sebumklieren en cerumenklieren (cfr apocriene zweetklieren)
Zweetklieren  afwezig

3 Middenoor


Benige trommelholte  gescheiden van uitw gehoorgang dr trommelvlies

- drie gehoorbeentjes  verbinding trommelvlies met ovale venster

Buis van Eustachius  verbinding middenoor met nasopharynx

3.1 Trommelholte


= onregelm ruimte in slaapbeen

- gevuld met lucht

- lat wand trommelvlies

Med wand lat deel benige wand binnenoor

Achterwand via antrum in verbinding met holten/cellen in mastoïd
Inhoud: 1 gehoorbeentjes

2 pezen van m tensor tympani verbonden met ossicles

M stapedius

3 n chorda tympani

4 BW

Epitheel trommelholte => meestal 1lagig plaveiselcellig


3.2 Gehoorbeentjes


1 hamer malleus

2 aambeeld incus

3 stijgbeugel stapes => voetplaat  fenestra vestibuli (foramen ovale)

=> keten tss trommelvlies & med wand trommelholte


- Verbonden via gewrichtskraakbeen

- ondersteund dr fijne BW lig

- mucosa trommelholte verder over ossicles => vast aan periost
Spiertjes: dwarsgestreept

- m tensor tympani op manubrium hamer  opspannen trommelvlies

- m stapedius bovenkant stapes  voetplaat iets nr buiten  daling druk labyrint
Buitenkomen uit fuif: m stapedius blijft nog gespannen  relaxatie kost tijd

Refractaire periode: tijd nodig voor contractie

=> schade dr akuut geluid
Path: Hyperaccusie: ‘harder’ horen  verlamming n facialis

Rotsbeentransplantatie  inhoud getransplanteerd

Databank

Mastoidcellen ontsteking: meestal secundair & zeer plijnlijk

Otitis media: vollopen binnenoor

Water: viraal

Etter: bacterieel

=> doorprikken trommelvlies: ° littekenweefsel = collageen

Nu buisjes plaatsen

Verkoudheid: moeilijk egaliseren druk trommelholte:

landing vliegtuig: Pinw < Puitw: soort vacuum

dr gezwollen tonsilla moeilijk te egaliseren



3.3 Trommelvlies


= ovale halfdoorzichtige membraan

- vorm zeer platte kegel

- punt mediaalwaarts

- bewaring vorm: steel hamer: aangehecht op binnenopp  trekt centrum nr binnen

- 2lagen collagene vezels & fibroblasten

- slappe zone in antero-sup kwadrant = pars flaccida: gn collageneuze vezels:

membraan van Shrapnell

- buitenkant: dunne huid z haren/andere

- binnenkant: bedekt dr slijmvlies trommelholte  1lagig plaveiselcellig epitheel

3.4 Buis van Eustachius


- ° voorwand trommelholte

-> nr achter & med

-> sluit posterolat aan op nasopharynx

- binnenste deel: kraakbeen pars cartilaginea

Buitenste deel: been (nr trommelholte toe) pars ossea

- slijmvlies: - variabele dikte

- aan 2uiteinden in plooien

- tubulaire amandel rond uitmonding buis Eustachius in nasopharynx

Lymfoïd weefsel
Slikken: openen lumen buis => gelijkstellen druk aan beide zijden trommelvlies

4 Binnenoor


2mechanoreceptoren: 1 cochlea gehoor

2 vestibulum evenwicht

Halfcirkelvormige kanalen

4.1 Algemene organisatie


Binnenoor => complex van benige holten & kanalen
Benig labyrint: bevat vliezig labyrint

1 vestibulum

2 halcirkelvormige kanalen

3 cochlea

=> onderling verbonden
Ruimte tss vliezig & benig => perilymfe cfr CSV

Vliezig labyrint => endolymfe cfr IC vocht


Delen vliezig labyrint:

- sacculus in vestibulum

- utriculus in vestibulum

- half cirkelvormige kanalen in halfcirkelvormige kanalen

- ductus cochlearis in cochlea
Vliezig labyrint  1lagig plaveiselcellig epitheel

Bep plaatsen: cil & sens


4.2 Vestibulair orgaan


Vestibulum => 2zakvormige vliezige labyrintcomponenten

1 utriculus

- grootste membraneuze component

- verbonden met semicirk kanalen via ampullae

- verbonden met sacculus via ductus utriculosaccularis

2 sacculus

- verbonden met ductus cochlearis via ductus reuniens

- verbonden met utriculus via ductus utriculosaccularis


Sens macula met sens cilindr epitheel

- in wand utriculus & sacculus

* haarcellen

- R cellen

- omgeven dr afferente zenuwuiteinden

- talrijke stereocilia & een echt cilium aan apicaal opp

* steuncellen

- productie glycoprot rijk gelatineus materiaal => bekleedt sens epitheel

Bevat otolieten = kleine kristalvormige structuren

=> verandering positie hoofd => verandering beweging endolymfe

=> beweging otolieten => beweging doorgegeven dr gelatineuze laag

=> haren R cellen bewegen => impuls afferente zenuwuiteinden


Kreeft gn otolieten: gooit zand in gelatine

Idee positie beïnvloeden dr Fe ipv zand en gebruik magneet


Ductus endolymphaticus:

= tubulaire evaginatie van utriculosacculaire ductus

 einde saccus endolymfaticus (blinde zak)

=> productie & zuivering endolymfe



Semicirculaire kanalen:

- gelegen in semicirc kanalen benig labyrint

- 3loodrecht op elkaar staande vlakken

- ampulla = verbreding aan uiteinde

- sens crista ampullaris  haarcellen

 steuncellen

- cupula = conische gelatineuze laag op elke crista
Astronaut terug op aarde: gevoel bij liggen versnelling nr boven

4.3 Cochlea


= slakkenhuis

  • spiraalvormig opgewonden kanaal rond modiolus (= benige as)

modiolus:

  • basis modiolus = diepe uiteinde meatus acusticus internus

  • ganglion spirale: soms neuronen gehoorszenuw

  • draad schroefvorm => lamina spiralis ossea

    • rustpunt orgaan Corti

ductus cochlearis

= buis in benige buis

- buitenste buis = scala vestibuli & scala tympani (grens = helicotrema)

- begin foramen ovale

- einde foramen rotundum

* bevat perilymfe

- binnenste buis = scala media

- bevat orgaan van Corti

=> doorsnede: rechthoekige driehoek

-schuine zijde: vestibulaire membraan = membraan van Reissner

= scheiding tss scala media & scala vestibuli

- rechtopstaande zijde: stria vascularis

 epitheel dat talrijke cap bedekt

 productie endolymfe

- basis: lamina spiralis:

- benig deel

Membraneus deel

Centrum: dunne fibreuze membrana basilaris

 hierop rust het orgaan van Corti

- scheiding tss scala media en scala tympani
Orgaan van Corti:

 rust op membrana basilaris

 vastgehecht aan lamina spiralis ossea dr limbus spiralis

= periostaal BW uitpuilend aan binnenhoek scala media

 zeer gevoelig aan trillingen


  • steuncellen

  • haarcellen (OHC en IHC)

- apicale stereocilia  tippen bekleed dr membrana tectoria
Membrana tectoria:

  • vertrekt uit limbus

  • overspent organ van Corti

vibratie trommelvlies  ossicles  foramen ovale  perilymfe scala vestibule



 scala tympani

  • beweging lamina spiralis membranacea & dus ook org Corti tov membr tectoria

 bew stereocilia haarcellen  AP in afferente zenuwuiteinden



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina