Aan: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer



Dovnload 9.8 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte9.8 Kb.
Aan: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Directoraat-Generaal Milieubeheer, RB/IPC 645

Postbus 30945

2500 GX Den Haag



Betreft: Ontwerpbeschikking Urenco 4950 ton
L.S.
Ondergetekende tekent bezwaar aan tegen de ontwerpbeschikking die door de ministeries van VROM, EZ en Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verleend aan Urenco Nederland B.V. in Almelo. Als belangrijke wijzigingen die in de beschikking staan kunnen worden aangemerkt de uitbreiding van de verrijkingscapaciteit van 4.500 naar 4.950 ton SWU (scheidingsarbeid) per jaar; ontsmettingwerkzaamheden bij de sloop van oude centrifuges; verticale uitbreiding van de opslag van UF6-containers (dubbellaagse opslag); en de bouw van een additioneel gebouw (CRD-C) voor laden en lossen van UF6-containers van vrachtwagens en treinwagons.
Ondergetekende vindt het verontrustend dat bij iedere uitbreiding van de verrijkingscapaciteit geen MER wordt verlangd van de volledige inrichting. Voor de aanstaande uitbreiding wordt zelfs een ‘beperkte’ MER overbodig geacht, omdat “is bepaald dat de grens waarboven een m.e.r. beoordelingsplicht geldt, is gesteld op een uitbreiding met tenminste 500 ton SW/jaar.” Feitelijk betekent dat dat Urenco tot in het oneindige met 450 ton SW per jaar zou kunnen uitbreiden zonder dat het een MER hoeft te overleggen. Werknemers en omwonenden worden zo niet alleen een integraal overzicht van de veiligheid van de gehele inrichting onthouden, maar zelfs een beperkte variant daarvan.
Bij de ontwerpbeschikking voor de uitbreiding tot 4500 ton SW (2007) was de Commissie MER van mening dat een inschatting van de collectieve dosis achterwege kon blijven. Ondanks de toename van de collectieve werknemersdosis -veroorzaakt door de toename in het aantal malen dat handelingen aan UF6-containers (met verschillende verrijkingsgraden) moest worden verricht in verband met een toename van aan- en afvoertransporten – was de commissie van mening dat de doses voor werknemers beperkt en aanvaardbaar bleven. Maar bij de huidige uitbreiding blijkt dat met diezelfde MER in de hand het aantal handelingen aan UF6-containers nog verder wordt verhoogd door de bouw van een additioneel gebouw (CRD-C) voor laden en lossen van UF6-containers van vrachtwagens en treinwagons, hetgeen een toename betekent van de aan- en afvoer van UF6-containers. Daaronder vallen containers met voedingsmateriaal en product, respectievelijk met natuurlijk en verrijkt uraniumhexafluoride, maar ook de containers met tails die elders worden herverrijkt of, na omzetting van verarmd-uraniumhexafluoride (dUF6) naar verarmd-triuraniumoctoxide (dU3O8), bij de COVRA worden opgeslagen.
Van de commissie MER mag worden verwacht dat ze een volledig beeld van de risicoanalyse nastreven. De commissie schiet tekort als ze in haar risicoanalyse wel de toename van transporten op het bedrijfsterrein meeneemt, maar niet de toename van transporten van en naar Urenco; en die is significant gelet op de toename van de doorstroomhoeveelheden per jaar. De commissie gaat er vanuit dat die transporten niet in het MER hoeven te worden behandeld omdat die veiligheidsaspecten al worden behandeld in de noodzakelijke vervoersvergunningen. Deze versnippering van veiligheidsaspecten komt niet ten goede aan de waarborging van de veiligheid van de werknemers en de omwonenden. Het bevestigt nogmaals om in het MER een risicoanalyse te geven van de gehele installatie en van de activiteiten die hier extern aan verbonden zijn. Tot op heden is er geen duidelijk overzicht beschikbaar waarin alle risico’s zijn geïntegreerd. Een voorschrift waarin Urenco wordt opgedragen nader onderzoek te doen naar de stralingsbelasting van werknemers met betrekking tot werkzaamheden met UF6-containers en in hoeverre deze nog verder teruggedrongen zou kunnen worden in verband met de twee-laagse opslag van de containers is niet toereikend. Bovendien zou de uitvoering van deze taak moeten toebehoren aan een onafhankelijke instantie.
In de MER van 2007 is ten onrechte niet ingegaan op de gevolgen voor de marktpositie van Urenco van de verrijkingscapaciteit, waarover concurrerende bedrijven in de nabije toekomst zullen beschikken. De MER geeft bovendien geen inventarisatie van geplande capaciteitsuitbreidingen of bouw van nieuwe verrijkingsfabrieken. Vanuit milieuoogpunt behoort de commissie zich af te vragen of de bouw van nieuwe of uitbreiding van bestaande uraniumverrijkingsfabrieken niet beter kan worden voorkomen zodat de bestaande capaciteit en de reeds geplande bouw van nieuwe capaciteit veel beter kan worden benut.
Samen met AREVA, AtomEnergoProm (Tenex) en USEC behoort Urenco thans tot de vier grootste uraniumverrijkers van de wereld. Ze vertegenwoordigen 95% van de totaal geïnstalleerde verrijkingscapaciteit. De dochteronderneming Louisiana Energy Services (LES) van Urenco heeft verklaard dit jaar een verrijkingsfabriek in de Amerikaanse staat New Mexico in bedrijf te nemen en verwacht dat in 2013 de volledige capaciteit van 300 ton SWU zal worden bereikt. LES heeft bevestigd dat ze in de periode 2014-16 de capaciteit verder wil uitbreiden tot 570 ton SWU. AREVA gaat haar totale capaciteit de komende jaren flink uitbreiden. De nieuwe verrijkingsfabriek George Besse II (Tricastin, Frankrijk) is inmiddels in bedrijf genomen. In 2016 zal deze fabriek naar verwachting een totale capaciteit bereiken van 750 ton SWU, met daarna een geplande uitbreiding tot 1100 ton SWU. Daarnaast bouwt AREVA (Areva Enrichment Services LLC) een kopie van deze fabriek in de VS (Eagle Rock, Idaho Falls) die naar verwacht in 2014 in bedrijf zal komen.
In het licht van deze ontwikkelingen betwist ondergetekende dat er sprake is van een groeiende vraag naar verrijkt uranium. Ook de verwijzing naar de groei van klanten in het Verre Oosten kan geen reden zijn voor uitbreiding van de vestiging van Urenco in Almelo. De Russische verrijkingsfabrieken van Tenex, niet zo heel ver verwijderd van deze regio, beschikken over een capaciteit die de totale scheidingsarbeid van Urenco ver overtreft.
Een ander aspect dat niet in het MER wordt behandeld is het risico van kernproliferatie. Dat is zacht uitgedrukt opmerkelijk. Uraniumverrijkingsfabrieken behoren tot één van de meest proliferatiegevoelige schakels in de kernketen. ‘Almelo’ heeft een voorname rol gespeeld bij de totstandkoming van het Pakistaanse kernprogramma. Je zou verwachten dat alleen al daarom proliferatie een voornaam aandachtspunt hoort te zijn. In reactie op de zienswijze van Greenpeace maakt de Commissie MER zich in 2007 er gemakkelijk vanaf: “De voorgenomen uitbreiding van de verrijkingscapaciteit met dezelfde technologie als die van de bestaande draagt niet wezenlijk bij aan additionele proliferatiegevoeligheid.” Eigenlijk is er sinds de Khan-affaire, ongeveer dertig jaar geleden, niet zo heel veel veranderd in de gemakzuchtige houding van de beleidsmakers ten aanzien van Urenco en het risico op kernproliferatie. Er zijn geen concrete maatregelen genomen die afdoende zijn om een nieuwe Khan-affaire te kunnen voorkomen.
Ondergetekende, naam, adres, woonplaats, handtekening



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina