Aangezien verdroging vaak de eerste (zichtbare) oorzaak is voor de achteruitgang van laagvenen is het niet verwonderlijk dat herstelmaatregelen over het algemeen starten met de restauratie van het waterpeil



Dovnload 47.3 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte47.3 Kb.

      1. Verdroging

Aangezien verdroging vaak de eerste (zichtbare) oorzaak is voor de achteruitgang van laagvenen is het niet verwonderlijk dat herstelmaatregelen over het algemeen starten met de restauratie van het waterpeil. Verdroging kan leiden tot (ongewenste) versnelde late verlanding en tot verlies van gewenste laagveenvegetaties en faunagemeenschappen. Vegetatie en fauna die gebonden zijn aan een nat of drassig milieu zal direct last krijgen van een chronisch tekort aan water. Kraggevegetaties zullen, zolang ze het sediment niet raken, de waterstandsdaling kunnen volgen en daarmee minder gevoelig zijn dan vegetaties op ‘vast’ veen.

Doordat verdroging van veenbodems altijd leidt tot verzuring (verlies van de buffercapaciteit; 5.2.3), kan de pH dalen waardoor basenminnende planten in de problemen komen. Dit is echter sterk afhankelijk van de buffercapaciteit van de bodem, geleverd door basische kationen aan het bodemadsorptiecomplex (Roelofs, 1993). Problemen treden echter met name pas op wanneer er sprake is van chronische sterke verdroging. Bij kortdurende drogere perioden is de basenverzadiging van veenbodems veelal voldoende om te beschermen tegen negatieve effecten.

Chronische verdroging leidt tot een irreversibele (sterke) inklinking en veraarding van veen, zoals al genoemd werd in 2.1. Afhankelijk van de duur en intensiteit kan droogte stimulerend werken op de decompositie en daarmee ook op de mineralisatie. Grootjans et al. (1986) lieten bijvoorbeeld zien dat de N-beschikbaarheid in laagveenbodem toenam als gevolg van verdroging. De P-beschikbaarheid nam daarentegen af, doordat de capaciteit van bodems om P te binden sterk toeneemt door de oxidatie van ijzer. Deze tegengestelde effecten van verdroging op de beschikbaarheid van beide nutriënten leidt, in combinatie met directe droogte-effecten, tot drastische veranderingen in de vegetatiesamenstelling. Karakteristieke zeggen verdwijnen en snelgroeiende grassen als Gestreepte witbol (Holcus lanatus) en Moerasstruisgras worden dominant (Grootjans et al., 1986). Door verzuring als gevolg van de oxidatie van ijzersulfiden kan deze stimulerende werking van verdroging op de decompositie en mineralisatie echter tenietgedaan worden (Lamers et al., niet gepubliceerde gegevens).

Met name in laagveenwateren met mesotrofe waterkwaliteit is soms nog sprake van grondwaterkwel of oppervlakkige toestroom van grondwater. Door de grote hydrologische ingrepen in het landschap van de afgelopen decennia is het aantal laagveenwateren met een dergelijke grondwateraanvoer sterk afgenomen. Het is nog zeer de vraag of compensatie met oppervlaktewater hier soelaas biedt. Grondwater bevat vaak hoge concentraties aan opgelost ijzer, waardoor het een de-eutrofiërende (‘oligotrofiërende’) en sulfide-ontgiftigende werking heeft (Fig. 36). Doordat oppervlaktewater over het algemeen zuurstof bevat, is de ijzerconcentratie vrijwel altijd erg laag. Daarmee mist dit water de genoemde positieve karakteristieken van grondwater (Lamers et al., 1997).

Ook met betrekking tot avifauna zijn er duidelijke effecten zichtbaar bij verdroging van laagveenvegetaties. Langdurige daling van het waterpeil in laagvenen leidt tot versnelde verlanding en verlies van de aquatische en semi-terrestrische vegetatietypen. Voor die vogelsoorten waarvoor deze typen een belangrijk habitat vormen (fourageren, nestelen) is verdroging daardoor mede de oorzaak voor achteruitgang (Van Turnhout & Hagemeijer 1999; Van Turnhout & Hagemeijer, 2001). Voorbeelden hiervan zijn Roerdomp, Purperreiger, Woudaapje, Grote karekiet, Zwarte stern en Bruine kiekendief.

Om verdroging te bestrijden zien laagveenbeheerders zich vaak genoodzaakt om ter compensatie water van buiten het gebied (‘gebiedsvreemd water’) in te laten. Een groot deel van Nederland wordt in droge tijden gevoed met water dat (indirect) afkomstig is van de Rijn. Het inlaten van gebiedsvreemd water leidt veelal tot eutrofiëring (Fig. 38; Roelofs, 1991; Roelofs & Smolders, 1993; Koerselman & Verhoeven, 1993; Smolders, 1995; Lamers et al., 1996), zoals uitgelegd in 5.2.1. Een belangrijke beheersvraag in laagveengebieden lijkt dan ook een keuze tussen twee kwaden: het gebied verdrogen of vermesten?




Figuur 38. Het inlaten van gebiedsvreemd water om verdroging te compenseren leidt vaak tot eutrofiëring, zoals in dit petgat in De Weerribben. Draadalgen domineren, terwijl de laatste Krabbescheerplanten wegkwijnen (inzet). Foto L. Lamers.

5.2.3 Verzuring


Zoals in 4.2 al gezegd, wordt verzuring gedefinieerd als een afname van de buffercapaciteit (Van Breemen et al., 1983). Het zuurbufferend vermogen wordt in laagveenbodems in eerste instantie geleverd door bicarbonaat en vervolgens door basische kationen (Ca en Mg) aan het kation-bindingscomplex. De sterkte van het laatste buffermechanisme wordt bepaald door het totaal aantal bindingsplaatsen voor kationen per eenheid bodem (de kation-uitwisselingscapaciteit, CEC in het Engels) en de basenverzadiging (basenbezetting; de hoeveelheid bindingsplaatsen, in ladingseenheden, bezet door basische kationen). In zeer kalkrijke venen, bijvoorbeeld met een kalksediment, zal bovendien het oplossen van kalk voor zuurbuffering zorgen.

Verzuring van het oppervlaktewater, zoals in zwakgebufferde vennen, lijkt in laagveenwateren geen rol te spelen door de relatief hoge alkaliniteit, geleverd door bicarbonaat. De grootste problemen, die reeds onder leiding van het OBN-deskundigenteam Natte Schraallanden worden onderzocht, spelen in kraggevegetaties.

Natuurlijke verzuring van kraggen treedt op door kooldioxide in de neerslag, oxidatieprocessen, ademhaling van bodemorganismen en zuurafgifte van planten zoals veenmossen. Een tijdelijke daling van de waterstand leidt in veenbodems met een hoge basenverzadiging tot geen, of slechts een lichte pH-daling. Van een aantal vegetatietypen, zoals blauwgraslanden, is bekend dat de lichte verdroging in de zomer juist noodzakelijk is, ondermeer doordat de planten een voorkeur hebben voor nitraat (aerobe bodem) in plaats van ammonium (anaerobe bodem). In de winter en het voorjaar wordt de bodem telkens opnieuw ‘opgeladen’ met basen (Roelofs, 1993; De Graaf et al., 1994; Jansen & Schipper, 1997; Lamers et al., 1997). Wanneer de basenverzadiging in laagvenen niet hersteld wordt, doordat de minerotrofe aanrijking met grond- en/of oppervlaktewater afgenomen of zelfs weggevallen is, verliest de bodem zijn bufferend vermogen en neemt de pH snel af. De toename van veenmossen die vaak daarmee gepaard gaat, versnelt dit proces sterk. Een belangrijk natuurlijk verzuringproces in laagvenen treedt op wanneer het gevormde veen steeds minder in contact staat met het tellurische water (Fig. 26). Hierbij vormt zich een laag regenwater boven het minerotrofe water, met daartussenin een mengwaterlaag. Dit proces, door Van Wirdum (1991) atmotrofiëring genoemd, leidt tot een langzaam verlies van minerotrafente planten en een toename van ombrotrafente (regenwatergevoede) planten. In deze overgangsvenen houden diepwortelende laagveensoorten, die de onderste laag kunnen bereiken, nog lange tijd stand.

Door de verhoogde atmosferische depositie van verzurende stoffen worden bovenstaande processen versneld. In de loop van de jaren tachtig is er een drastische verandering in de soortensamenstelling van veel trilvenen opgetreden, waarbij de kenmerkende mossen vrijwel volledig zijn vervangen door zuurtolerante veenmossen en Gewoon haarmos (Polytrichum commune). Dit is zeker ten dele te wijten aan de verzurende (en eutrofiërende) werking van de depositie in Nederland (Kooijman 1993). Waarschijnlijk was daarbij met name de depositie van ammonium, in deze terreinen destijds 25-40 kg N ha-1 jr-1, doorslaggevend (verzuring door nitrificatie).

Een pH-daling tot ongeveer 4.5 heeft vrijwel geen effect op de binding van fosfaat, maar verdere daling naar 4 en lager leidt onvermijdelijk tot het oplossen van ijzerfosfaten, waarbij de beschikbaarheid van fosfaat toeneemt (Stumm & Morgan, 1981). Tegelijkertijd neemt de concentratie aan (vrij) ammonium sterk toe, doordat het ion verdrongen wordt door zuur-ionen van het kation-adsorptiecomplex. De chemische binding van beide nutriënten verandert bij verzuring dus alleen significant bij een pH van ongeveer 4 of lager. Dit werd mooi geïllustreerd door onderzoek van Beltman et al. (1996a), die vonden dat zowel de N als de P-beschikbaarheid plotseling sterk toenamen beneden pH 4.1

Een ander indirect effect van pH-daling door verzuring is het in oplossing gaan van metalen (zie 5.2.6). Bij verzuring treedt bovendien een verschuiving op in de verhouding waarin beide stikstofvormen, ammonium en nitraat, in de bodem voorkomen (zie 5.2.6).

Over effecten van verzuring op fauna in laagvenen zijn maar weinig gegevens. Van Zwarte stern op zandgronden (zwak of niet gebufferde wateren) is bekend dat gebrek aan vis, mogelijk door verzuring, kan lijden tot kalkgebrek en achteruitgang van lokale populaties (Beintema, 1997). Het is echter onwaarschijnlijk dat er in laagveenplassen een zodanige verzuring optreedt dat dit leidt tot visgebrek (Van Turnhout & Hagemeijer, 1999).

5.2.4 Verharding (alkalinisering)


Hoewel een groot deel van de laagveenliteratuur gefocust is op anti-verzuringsmaatregelen, moet ervoor gewaakt worden dat de balans niet de andere kant uitslaat. Laagveenwateren die van oorsprong gekarakteriseerd werden door matig gebufferd water, kunnen sterk aangetast worden door aanvoer van alkalisch water zoals rivier- en kanaalwater (Roelofs, 1991; Roelofs & Smolders, 1993; Lamers et al. 1996). Verharding (alkalinisering) leidt in dit geval tot een toename van de decompositie- en mineralisatiesnelheid (zie 4.2), waarbij niet alleen meer nutriënten vrijkomen (Fig. 39), maar bovendien de troebelheid van het water toeneemt als gevolg van slibopwerveling door gasproductie in de bodem. Dit zal zeker ook gevolgen hebben op de samenstelling van de detritivore (macro)faunagemeenschap.


Figuur 39. Correlatie tussen fosfaat danwel ammonium, en alkaliniteit in het sedimentvocht voor een groot aantal Nederlande laagveenwateren. Duidelijk te zien is dat een hogere alkaliniteit gepaard gaat met een hogere concentratie aan beide voedingsstoffen. Een concentratie van 300 µmol PO43- L-1 komt overeen met 9.3 mg PO4-P L-1, 1400 µmol NH4+ L-1 met 19.6 mg NH4-N L-1. Uit: Smolders (1995).


      1. Verstarring (van het waterpeil)


De waterhuishouding in Nederlandse venen is al sinds de Middeleeuwen gereguleerd door mensen, waardoor er al lange tijd sprake is van een ‘onnatuurlijke’ situatie. De laatste eeuw is echter door de extreme mate van regulatie van de Nederlandse polderpeilen in veel laagveengebieden een volstrekt onnatuurlijke situatie ontstaan, waarbij waterpeilen ‘s winters niet langer hoger zijn dan ’s zomers. De peilen worden het hele jaar door op een vrijwel constant peil gehouden, of zelfs ’s zomers hoger gehouden dan ’s winters (Coops, 1992; Graveland & Coops, 1997; Graveland 1999; Wienk et al., 2000). Dit heeft te maken met de gewenste versnelling van de afvoer van het neerslagoverschot in de winter, en een (deels daardoor veroorzaakt) watertekort in de zomer. Bovendien wordt in een groot aantal plassen en vaarten het water in de zomer hoog genoeg gehouden om pleziervaart mogelijk te maken. Dit leidt ertoe dat de waterdiepte in het groeiseizoen van de vegetatie relatief groot blijft, wat ongunstig is voor de vegetatieontwikkeling. Ondergedoken waterplanten en oeverstroken kunnen onvoldoende profiteren van goede lichtcondities. Veel helofytensoorten, waaronder Riet, hebben periodiek lage waterpeilen nodig (Coops, 1996; Armstrong, 1996ab; Graveland & Hosper, 1999). Het droogvallen van delen van de bodem is zeer gunstig voor de kieming en vestiging van een groot aantal soorten uit de laagveensuccessiereeksen. Bij een vast waterpeil treedt bovendien het probleem op dat golfwerking zich concentreert op een kleine zone, waardoor de schade aanzienlijk toeneemt. Ongestoorde helofytenbegroeiingen van Mattenbies (Schoenoplectus lacustris), Riet en Kleine lisdodde langs groter open water en aan de loefzijde van kleinere plassen zijn schaars geworden, waardoor ook de verlanding geremd wordt. Door windwerking geeft aanspoelend drijfvuil en draadwier een mechanische belasting op de oevervegetaties, die daardoor snel in vitaliteit achteruit kunnen gaan. De losse beworteling in het veen maakt de vegetaties extra kwetsbaar. Bovendien is er langs veel oevers van bevaarbare laagveenwateren een voor helofytenbestanden desastreuze invloed van recreatie (golfslag, aanmeren). Aangezien helofytenvegetaties in verlandingsreeksen een belangrijke rol spelen, zijn jaarlijkse peilfluctuaties met een maximum in de winter en een minimum in de zomer zeer waarschijnlijk essentieel. De laatste jaren is steeds meer vast komen te staan dat met name waterriet een continu hoge waterstand slechts een aantal jaar kan verdragen (Coops et al., 1994; 1996). Continu anaërobe omstandigheden, leidend tot de vorming van sulfide en giftige organische zuren beschadigen de rhizoomweefsels en doen de planten uiteindelijk afsterven (Armstrong, 1996 ab; zie ook 5.2.6). Aan de andere kant lijken rietvelden voor rietteelt wel goed te gedijen onder een vast peilregime. Afname van rietvelden door peilverstarring leidt, net als bij eutrofiëring en verdroging, ook tot een afname van rietvogels (Van Turnhout & Hagemeijer, 1999). Voor de Lepelaar is bekend dat een te hoog of te laag waterpeil negatieve gevolgen kan hebben voor het fourageren (Van der Hut, 1992).

Verstarring van het waterpeil heeft nog een ander ongunstig gevolg. Onder permanent natte omstandigheden wordt fosfaat moeilijk gebonden in de bodem en blijft er zelfs continu fosfaat vrijkomen. Periodieke peildaling, zoals die in minder sterk gereguleerde laagveengebieden optreedt, zorgt ervoor dat een deel van het ijzer in de bodem geoxideerd wordt, waardoor fosfaat daarna aanmerkelijk beter gebonden wordt (Lamers et al. 1997, 1998a). Meer natuurlijke fluctuatie van het peil heeft dus een de-eutrofiërende werking, terwijl continu hoog peil, ook bij nutriëntenarm water, leidt tot eutrofiëring. Daar komt bij dat eventuele kwel door de grotere waterlaag afneemt, waardoor ook de ijzeraanvoer vermindert. In elzenbroekbossen is aangetoond dat een te hoog waterpeil, in het kader van vernattingsbeheer, leidt tot ernstige eutrofiëring en sterke achteruitgang van de karakteristieke vegetatie (Boxman & Stortelder, 2000; Lucassen et al., 2000., Fig. 40). Doorstroming (met afvoer van nutriënten en toxines) wordt sterk bemoeilijkt, de kweldruk neemt sterk af, en het waterpeil is zelfs zo hoog dat zelfs de vitaliteit van de elzen sterk aangetast wordt.

Bij verdroging bestaat er risico voor toegenomen stikstofmineralisatie, fosfor wordt echter sterk gebonden (zie boven). Het lijkt er echter op dat alleen langdurige constante verdroging (jaren) kan leiden tot een verhoogde beschikbaarheid van stikstof (Grootjans et al. 1986; Berendse et al. 1994; Oomes et al. 1997). Bij kortdurende verlaging van de waterstand (maanden) lijkt dit niet op te treden (Lamers 2001). Oomes et al. (1997) vonden bijvoorbeeld pas na twee jaar peilverlaging tot 30 cm onder maaiveld een stimulering van de N-mineralisatie.

Het toelaten van peilfluctuatie zal echter in sterke mate beperkt worden op locaties waar het waterpeil in de wateren belangrijk is in verband met andere functies: wonen (tuinen, huizen), infrastructuur (wegen, dijken) en recreatie (bevaarbaarheid).









Figuur 40. Interne eutrofiëring door verstarring in een elzenbroekbos in Limburg; links voor uitvoering van vernattingsmaatregelen; rechts na peilverhoging. Door de ingreep vindt waterstagnatie plaats, wordt fosfaat gemobiliseerd (kroos- en algenontwikkeling) en wordt de kweldruk verlaagd. Bovendien accumuleert het giftige sulfide in de bodem (Uit Boxman & Stortelder, 2000).

5.2.6 Vergiftiging


Verschillende processen die tot de vorming of het vrijmaken van toxines leiden, werden reeds behandeld. Sulfide wordt gevormd bij sulfaatreductie en is alleen toxisch in vrije vorm, dat wil zeggen als het niet (langer) gebonden kan worden door (vrij) ijzer of andere metalen. Bij hoge aanvoer van sulfaat wordt bovendien de vorming van methaan sterk geremd doordat methaanvormende bacteriën slecht kunnen concurreren om substraat met sulfaatreduceerders (Lovley & Klug, 1983; Fowler et al., 1995). Voor hoogveenkraggen is bekend dat hierdoor ook het drijfvermogen van veenmateriaal sterk afneemt (Lamers et al., 1999). Het is erg aannemelijk dat sulfaatverontreiniging ook in laagveenwateren de vorming van kraggen verstoort. Uit experimenten is verder gebleken dat sulfide giftig is voor de wortels van een aantal zeggen die in laagveen voorkomen (Koch et al., 1990; Janssen, 1999; Antheunisse, 2000). Onder continu waterverzadigde omstandigheden zou naast sulfide ook de ophoping van bepaalde organische zuren kunnen leiden tot de aantasting van helofytenwortels (Armstrong et al., 1996a).

Van macrofauna, waaronder watervlooien is bekend dat ze gevoelig zijn voor allerhande organische microverontreinigingen, waaronder landbouwvergiften (Koeman & Strik, 1975; Brink et al., 1999). Hoewel de concentraties van deze toxinen in het oppervlaktewater (zoals in het voedende Rijnwater) gelukkig sterk afgenomen zijn gedurende de laatste decennia, zijn er nog steeds locaties met te hoge concentraties in het sediment. Toxische stoffen kunnen via drie wegen een negatief effect op fauna hebben: door directe effecten, door accumulatie in de voedselketen en door afname van het voedselaanbod. Van zowel anorganische als organische verontreinigingen (bijv. PCB’s) is bekend dat ze zich ophopen in de voedselketen, waarbij met name top-predatoren vergiftigd worden (Koeman & Strik, 1975). Mogelijk speelt bij de achteruitgang van soorten als Lepelaar, Waterral (Rallus aquaticus) en Zwarte stern ook vergiftiging met zware metalen een rol. Voor de Grote karekiet is het aannemelijk dat verontreiniging van het water heeft geleid tot een afgenomen beschikbaarheid van evertebrate prooien, waardoor karekietpopulaties kleiner geworden zijn (Graveland, 1996).

De bloei van cyanobacteriën in geëutrofieerde laagveenwateren leidt ook tot een toename van de productie van giftige substanties, waaronder een aantal eiwitten, door deze organismen. Het is bekend dat dit problemen op kan leveren voor onder andere watervlooien.

Bij verzuring kan er naast protontoxiciteit (pH-daling), door verhoogde mobilisatie sprake zijn van metaaltoxiciteit (De Graaf et al., 1997). Dit betreft zowel zware metalen, zoals cadmium en zink, als andere potentieel giftige metalen zoals (met name) aluminium. Uit experimenten met Spaanse ruiter (Cirsium dissectum) is gebleken dat niet alleen de concentratie van aluminium, maar ook die van calcium in de bodem bepalend is voor het al dan niet optreden van vergiftiging. Dit ion blijkt namelijk beschermend te werken tegen aluminiumvergiftiging (De Graaf et al., 1997). De negatieve effecten van een afname van de calciumvoorraad en een toename van de concentratie opgelost aluminium lijken elkaar dus te versterken.

Minder bekend is het optreden van ammoniumvergiftiging bij laagveenplanten. Dit is voor een aantal terrestrische soorten aangetoond (De Graaf et al., 1998). Bij verzuring wordt de nitrificatie geremd, waardoor ammonium gaat ophopen. Voor blauwgraslandvegetaties is bekend dat dit heeft geleid tot achteruitgang van karakteristieke soorten die afhankelijk zijn van nitraat (De Graaf et al., 1994; Jansen & Roelofs, 1996; De Graaf et al., 1998). Voor nattere laagveen-vegetaties lijkt dit een minder groot probleem, aangezien deze aangepast zijn aan ammonium als belangrijkste stikstofbron onder anaerobe omstandigheden. Van Krabbescheer is echter bekend dat deze soort wel degelijk ook gevoelig is voor hoge ammoniumconcentraties (Smolders & Roelofs, 1996).



      1. Verzoeting

De afsluiting van de Zuiderzee en het wijzigen van het boezembeheer heeft geleid tot een steeds verdere daling van de chlorideconcentratie in brakwatervenen. Door deze verzoeting, gecombineerd met eutrofiëring, is een aantal brakwater-gemeenschappen, inclusief de brakwaterfauna, sterk achteruit gegaan of zelfs verdwenen. Waterplantenvegetaties met Snavelruppia (Ruppia maritima) en Brakwaterkransblad (Chara canescens) komen hierdoor vrijwel niet meer voor. Karakteristieke jonge verlandingsstadia met Ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani) zijn wel nog aanwezig, zij het in kleine oppervlakten. Enigszins stabiel zijn de brakke ruigten met Echte heemst (Althaea officinalis) en Echt lepelblad (Cochlearia officinalis ssp. officinalis). Een chlorideconcentratie hoger dan 55 mmol L-1 (2 g L-1), nodig voor optimale ontwikkeling, is echter door het overwegend agrarische gebruik van brakwaterveengebieden moeilijk haalbaar. Als minimale waarde wordt een chlorideconcentratie van 28 mmol L-1 (1 g L-1) voorgesteld (Van ’t Veer & Giesen, 1997).

5.2.8 Versnippering
Laagveenplassen die in het verleden onderdeel uitmaakten van grote moerascomplexen, maar nu geïsoleerd zijn geraakt, herbergen in het algemeen niet meer de vele soorten planten en dieren die karakteristiek zijn voor het scala aan successiestadia in ongestoorde laagveenwateren. Wanneer deze gemeenschappen en soorten ook niet meer in kleine refugia in het gebied aanwezig zijn, kan hun terugkeer ook bij volledig herstel van de abiotische voorwaarden zeer lang op zich laten wachten. Dispersie van laagveenplanten geschiedt via waterstroming, wind of vogels. Uit literatuuronderzoek bleek voor soorten uit het Knopbiesverbond dat 60% van de soorten via het water verspreid kon worden en ongeveer 20% water per se nodig had als verspreidingsmedium (Sollie, 2000). Dit laatste betrof ongeveer 15% van de zeldzame soorten, wat aangeeft dat een aantal zeldzame soorten alleen terug zullen keren als ze ofwel in de zaadbank voorkomen, of een natte corridor hebben vanaf de donorpopulatie. Restpopulaties zijn echter veelal te ver weg voor rekolonisatie. Bij de dispersie van zaden van laagveensoorten via het water is gebleken dat de drijfduur, en daarmee de dispersie-afstand, verlengd wordt door de aanwezigheid van vegetatie aan de oevers (T. van den Broek, pers. comm.). Hierdoor neemt de golfslag af en zinken de zaden minder snel. Dit betekent dus dat dispersie over een (groot) open en ondiep water, met veel golfwerking, bijzonder moeilijk is.

Over de vitaliteit van de diasporenbank in laagveenplassen is vrij weinig bekend (voor methodiek zie bijv. Delaunay, 1999). Over het algemeen lijkt te gelden dat laagveensoorten, en met name de karakteristieke soorten, een relatief kortlevende zaadbank hebben (T. van den Broek, pers. comm.). Dit kan daarmee een belangrijke bottleneck vormen bij herstelbeheer. Een uitzondering vormen de kranswieren, waarvan de sporen langlevend zijn. Ook russen en grassen hebben een langer-levende zaadbank, waardoor deze groepen vaak snel terugkeren na herstelmaatregelen.

Bij bemonstering van het sediment in een aantal laagveenplassen bleek de zaadbankbiomassa te variëren tussen 0.1 en 100 g m-2, met een gemiddelde waarde van 5-10 g m-2 (Van den Berg, ongepubliceerd). Opmerkelijk was het feit dat meren met een kleine zaadvoorraad een hoger kiemingspercentage vertoonden (60% versus 10-50%). Fonteinkruiden bleken het beste te kiemen .

Voor een aantal rietvogels is bekend dat habitatfragmentatie geleid heeft tot een snellere afname van de aantallen tijdens ongunstige omstandigheden. Het voortplantingssucces van de Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus) lijkt sterker af te nemen in gefragmenteerde moerassen tijdens droge perioden (Foppen et al., subm.). Mogelijk gaat dit negatieve effect ook op voor andere rietvogels (Van Turnhout & Hagemeijer, 1999).


5.3 Overige knelpunten


5.3.1 Erfenissen uit het verleden
Zelfs indien de waterkwaliteit zich herstelt, kan het herstel van een laagveenwater als systeem worden tegengehouden door de aanwezigheid van ‘erfenissen’ uit vroegere situaties. Voorbeelden hiervan zijn de ophoping van bodemslib met ongunstige eigenschappen en de ophoping van nutriënten, zwavel of chloride in de bodem. Steile oevers door langdurig constant peilbeheer kunnen de ontwikkeling van een helofytenzoom bemoeilijken. Het opsporen en terugdringen of elimineren van dergelijke erfenissen kan dan ook een belangrijke voorwaarde voor herstel zijn.



      1. Nauwelijks vorming van nieuw open veenwater

Het economisch vervenen van laagveen, waarbij nieuwe petgaten gevormd worden, komt nauwelijks meer voor. Een van de weinige uitzonderingen hierop is een deel van De Rottige Meenthe. Hierdoor ontstaan er nauwelijks meer nieuwe veenwateren, waardoor de mogelijkheden voor de initiatie van verlanding gering zijn. Binnen het kader van OBN worden echter op een aantal plaatsen verlande en geëutrofieerde/verzuurde petgaten opnieuw uitgegraven (zie hoofdstuk 6). Daarnaast worden op steeds meer locaties nieuwe petgaten gegraven in het kader van natuurontwikkeling.





      1. Formaat van de wateren

Windwerking kan in relatief ondiep water, zeker bij een lange strijklengte, de vorming van drijftillen, kraggen en onderwatervegetaties belemmeren. In grote veenwateren, zoals in plassen, zal dit effect belangrijker zijn dan in kleine petgaten. Voor verlanding kan het daarom noodzakelijk zijn om plassen, waarin deze successie gewenst is, te compartimenteren. Een extra aanwijzing voor dit probleem is de observatie dat verlanding veel sneller optreedt in ongeschoonde veensloten dan in (grotere) petgaten.





      1. Muskusratten

De Muskusrat (Fig. 41; Ondatra zibethica, ook wel Bisamrat of Waterkonijn genoemd) is bij grotere aantallen in staat om helofytenzones terug te zetten, door het aanvreten van de rhizomen en andere plantendelen. In De Deelen wordt de ontwikkeling van rietzomen hierdoor duidelijk gehinderd, waarbij de dieren het verlandingsfront op een aantal locaties tot enkele meters teruggezet hadden. Met behulp van vallen wordt getracht het aantal muskusratten terug te brengen.





Figuur 41. Muskusrat (Ondatra zibethica). Bron: Connecticut Dpt. Environ. Prot.

    1. Samenvatting knelpunten





Erfenissen: Karakter sterk veranderd: oeverafslag, slibafzetting, nutriënten
Intern beheer: (o.a. maaien) eenvormig, te weinig variatie, te veel bodemverdichting,

te duur, tegenstrijdige beheersvisies





Formaat: te groot voor verlanding (wind, erosie, eutrofiëring);

te diep voor verlanding (lichtklimaat vegetatie, losslaan veen);



Waterbeweging: stroming, golfslag (waterverkeer, recreatie, vee)
Waterpeil: te hoog en stabiel peilbeheer, omgekeerd peilbeheer,

eutrofiëring, toxiciteit, geen kiemingsmogelijkheden (anaerobie)


Dynamiek: geen (nauwelijks) meer vorming van open (laagveen)water


Trofiegraad: eutrofiëring: extern/intern, algen, kroos, afbraak veen,

structuur detrtitus, P-erfenis, atmosferische N-depositie,

verandering hydrologie (P, N, Fe, S), hysterese,

rol visfauna (verbraseming), guanotrofiëring


Zuurbuffering: alkalinisering: aanvoer hard water; interne eutrofiëring,

veenafbraak


verzuring: te weinig gebufferd water (natuurlijk/antropogeen)
Sulfaat: verrijking: interne eutrofiëring, afbraak veen, ijzerbinding,

sulfide-ophoping, verstoring drijftilvorming


Chloride: verrijking: interne eutrofiëring, chloride-toxiciteit (?)

verarming: verzoeting brakwatervenen,

verdwijnen brakwatergemeenschappen
Toxines: verrijking: effecten op bodemfauna, waterfauna, vegetatie


Trofische relaties: verstoring: verschuiving tussen trofische groepen,

hysterese troebel water






Diasporen: diasporenbank slecht, isolatie gebieden/dispersieproblemen, rol fauna
Voortplanting/

dispersie fauna: isolatie (kolonisatieproblemen): macrofauna, vis, herpetofauna, vogels




Muskusratten: terugzetten helofytenzomen, aantasting legakkers
Rust: verstoring: recreatie-effecten op vogels, herpetofauna







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina