Aansprakelijkheid zie ook



Dovnload 46.64 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte46.64 Kb.

AANSPRAKELIJKHEID

Zie ook :


Vrancken, P., De deontologie van de griffiers, secretarissen en het personeel van griffies en parketsecretariaten, Brugge, die Keure, 2001, XI en 129p. (BG)
Vrancken, P., La déontologie des greffiers, des secrétaires et du personnel des greffes et des secrétariats des parquets, Brugge, La Charte, 2001, XI et 129p. 

(BG) : te lenen in stedelijke bibliotheek van Genk ! Aan te kopen bij die KEURE !!!



Uit : P. Vrancken, De deontologie voor de griffiers, secretarissen en het personeel van de griffies en parketsecretariaten, Brugge, Die Keure, 2001 (voorbereidende tekst)

Pagina 26 : de aansprakelijkheid t.o.v. derden (algemeen)



D. De aansprakelijkheid1
Het overtreden van een deontologische regel kan de aansprakelijkheid ten opzichte van een derde tot gevolg hebben. Een fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid tegen de deontologie kunnen een veroordeling tot schadevergoeding tot gevolg hebben.
De materie van de aansprakelijkheid is ingewikkeld en evolueert. In verband met de aansprakelijkheid haalde H. De Page2 het citaat van Dante aan “hij die hier binnengaat, late elke hoop varen”3 en voegde hieraan toe “op het stuk van de burgerechtelijke aansprakelijkheid heerst de meest volstrekte anarchie”. Het kan dus onmogelijk deze materie in dit werk ten gronde uit te diepen. Wij geven enkel een summiere samenvatting.
Het is bovendien dikwijls moeilijk het terrein voor het begrip “verantwoordelijkheid” en voor het begrip “aansprakelijkheid” duidelijk af te bakenen. Alle personeelsleden moeten verantwoording afleggen voor hun beroepsdaden, maar zijn niet op dezelfde wijze aansprakelijk voor hun daden ten opzichte van derden.
Wij behandelen ook niet de aansprakelijkheid van de Staat voor zijn onrechtmatige daad of verzuim de algemene zorgvuldigheidsregels na te leven en te handelen als een “bonus pater familias”.
De schade waarvoor de personeelsleden aansprakelijk kunnen gesteld worden kan veroorzaakt zijn in de uitoefening van hun ambt of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt. Door schijnbare ambtelijkheid, die een redelijk en zorgvuldig persoon misleidt.4 De schade kan veroorzaakt zijn aan burgers die een beroep doen op het ambt, maar ook aan bezoekers, voorbijgangers of collega’s. De schadelijder kan ook de Belgische Staat zijn, het Ministerie van Justitie (meubilair, apparatuur), van Financiën (kastekorten) of van Openbare Werken (gerechtsgebouwen).
De eis tot schadevergoeding kan uitgaan van de schadelijder tegen de schadeverwekker zelf of tegen de Belgische Staat bij onrechtmatige daad. Het verhaal kan ook uitgaan van de Belgische Staat tegen haar personeelslid, rechtsreeks of als regresvordering.
De aansprakelijkheid is veelzijdig; er is de aansprakelijkheid van de Staat voor fouten van zijn organen en de persoonlijke civielrechtelijke aansprakelijkheid van die organen; de aansprakelijkheid van de Staat voor zijn aangestelden; de contractuele of buitencontractuele overheidsaansprakelijkheid; de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad; de aansprakelijkheid bij bedrog, zware of lichte fout; bij onzorgvuldigheid of onvoorzichtigheid; de foutloze aansprakelijkheid. Ook de aard der schade is veelzijdig; de schade voor het aantasten van de subjectieve rechten en de wettige belangen, de materiële en morele belangen van derden; Men moet ook rekening houden met de evolutie van de overheidsaansprakelijkheid en van de orgaantheorie in het algemene leerstuk van de overheidsaansprakelijkheid.
Zoals reeds gezegd is deze materie uiterst complex.

Een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid voor elk personeelslid is aanbevolen.


Het statuut van het rijkspersoneel5 is op geen enkel van de categorieën van het personeel bij hoven en rechtbanken van toepassing. De algemene filosofie van dit statuut en bepaalde beschouwingen kan men in de studie van de deontologie per analogie niettemin best inpassen.
De aanwerving van personeel om dringende redenen op grond van een arbeidsovereenkomst stoelt op artikel 185 van het Gerechtelijk wetboek. Het is een arbeidsovereenkomst sui generis met haar eigen voorwaarden. Art. 18 van de wet op de arbeidsovereenkomsten is uitsluitend van toepassing op deze personeelsleden.
1. Burgerrechtelijke vorderingen
In verband met de beroepsaansprakelijkheid dient gewezen te worden op het verschil tussen personen die organen van de staat zijn en de personen die aangestelden van de staat zijn.6

Het wezenlijk gevolg van het onderscheid tussen orgaan en aangestelde is bekend: de onrechtmatige daad, begaan door de ambtenaar-orgaan binnen de uitoefening van de hem toevertrouwde functie, wordt de rechtspersoon van publiek recht (in casu de Staat) rechtstreeks aangerekend op grond van de artikelen 1382-1383 B.W..7 Wordt de onrechtmatige handeling daarentegen gesteld door een aangestelde van de overheid, dan zal dit krachtens art. 1384, lid 3 B.W. tot de onrechtstreekse aansprakelijkheid van de overheid leiden.8


Volgens sommige auteurs hangt de kwalificatie van orgaan of aangestelde af van de band tussen de agent en de administratieve overheid; indien deze band contractueel is, wordt de agent beschouwd als aangestelde, is deze band statutair, is de agent beschouwd als orgaan. Dit criterium is vandaag verlaten. Om te bepalen of een agent orgaan of aangestelde is, dient niet zijn hiërarchische graad in aanmerking genomen te worden, maar wel de functies die hij uitoefent en de werkelijke macht - hoe klein ook - deze functies impliceren.9
Enkel als orgaan van de Staat mag worden beschouwd diegene die krachtens de wet of de reglementen genomen ter uitvoering van de wet, een gedeelte van het staatsgezag uitoefent, hoe klein dit ook moge zijn, of die de bevoegdheid heeft de Staat tegenover derden te verbinden.10

De magistraat én de griffier11 worden uitdrukkelijk beschouwd als orgaan van de Staat.


Indien de ambtenaar optreedt als orgaan van de Staat én zijn handeling welke de schade veroorzaakt bestaat in “de gebrekkige uitvoering, de verkeerde of bedrieglijke uitvoering van een akte die het orgaan, in de uitoefening van zijn ambt, de macht en de plicht had te vervullen”, dan is de Staat medeaansprakelijk, ongeacht of de ambtenaar een lichte of een zware fout heeft begaan of bedrog heeft gepleegd. Indien deze twee voorwaarden niet vervuld zijn, dan is alléén de ambtenaar aansprakelijk voor zijn schuldige daad.
Om de Staat rechtstreeks te kunnen aanspreken moet de onrechtmatige daad van het orgaan gepleegd zijn in uitvoering van de opdracht zoals omschreven door de wet. Een misdrijf is altijd een onrechtmatige daad.
Een aangestelde leeft uitsluitend de richtlijnen en de directieven na, hem door het hoofd van het departement of zijn dienst opgelegd. Hij handelt ‘op bevel’ of ‘in opdracht’; zijn opdrachtgever blijft de jure 12 verantwoordelijk voor alle daden en handelingen van zijn administratie.13
De secretaris en de administratieve personeelsleden van de griffies en de parketsecretariaten worden beschouwd als aangestelden van de Staat.14 Deze laatste personeelsleden werken onder leiding en toezicht. De Staat is altijd aansprakelijk voor de daden van de secretaris en de administratieve personeelsleden van de griffies en de parketsecretariaten, die in elke taak optreden als aangestelde van de Staat, ongeacht of de gestelde daad in de uitoefening van de dienst of naar aanleiding van de dienst heeft plaats gehad.
Zoals reeds gezegd, kan een fout een veroordeling tot schadevergoeding tot gevolg hebben. Er moet dan wel een concrete fout zijn, een bewezen schade en een causaal verband tussen de fout en de schade. Er zijn heel wat ambtsfouten die schade kunnen veroorzaken. Het weigeren van zijn ambt kan een fout met nadelige gevolgen zijn; het overschrijden van zijn bevoegdheid, het opstellen van een nietige akte; het schriftelijk een ondubbelzinnige foutieve informatie verstrekken in de uitoefening van zijn ambt. Een fout met schadelijke gevolgen kan ook zijn het verzuim akte te verlenen van formaliteiten die door de wet voorzien zijn en waarvan de vervulling moet worden vastgesteld.
Voor de overheidsambtenaar leidt elke fout tot zijn persoonlijke aansprakelijkheid. De Staat kan de door haar betaalde schade dan ook in bepaalde gevallen terugvorderen van de veroorzaker (regresvordering).15 Dit kan het geval zijn bij een “grove” fout, bij het bewust handelen tegen uitdrukkelijke instructies, enz.
De schadelijder wendt zich met zijn eis tot de burgerlijke rechtbank.

Op elke procedure kan nadien nog een tuchtstraf volgen.


2. Strafrechtelijke vorderingen
De Staat kan nooit strafrechtelijk aansprakelijk gesteld worden voor de daden van zijn organen. De Staat kan ook niet als burgerrechtelijk aansprakelijke gedagvaard worden en moet desgevallend buiten zake gesteld worden.16 De overheid kan niet met een rechtspersoon worden gelijkgesteld voor wat betreft de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon (nieuw art. 5 Strafwetboek, wet 4 mei 1999, B.S., 22 juni 1999).

 

Wanneer een (bijzondere) strafwet, zoals art. 67 Wegverkeerswet, bepaalt dat zij die overeenkomstig art. 1384 B.W. burgerlijk aansprakelijk zijn voor schadevergoeding en kosten, ook aansprakelijk zijn voor de geldboeten, geldt dit niet voor de organen (cf. de orgaantheorie = rechtstreekse aansprakelijkheid van de staat, gemeente enz. 1382-1383 B.W.).


 Wij komen op de aansprakelijkheid terug onder “griffiers” en “secretarissen” , “hoofdgriffiers” en “hoofdsecretarissen”.

Pagina 42 : de aansprakelijkheid van de griffier

C. De aansprakelijkheid van de griffier17

Wij verwijzen naar hetgeen ter zake gezegd is voor alle personeelsleden.

De griffier oefent een gedeelte van het staatsgezag18 uit en is een orgaan van de Staat.

De griffier treedt in bepaalde zaken op als orgaan van de Staat, in andere als aangestelde van de Staat.19 Als orgaan van de Staat treedt de griffier op, wanneer hij een daad stelt, die hij kan en moet stellen naar aanleiding van de uitoefening van de dienst als griffier.


Volgens sommige auteurs is de griffier als orgaan van de Staat mede-aansprakelijk bij bedrog en zware fout ( Dembour, Cambier, Vauthier, Wigny; Cassatie, 4 oktober 1915, Pas. 1915, I, 450, enz.). Volgens andere auteurs is de griffier als orgaan van de Staat ook mede-aansprakelijk bij lichte fout (culpa levissima) (Mast, Dalcq, Goossens, Seeldrayers).
Treedt de griffier op als aangestelde van de Staat, ongeacht of de verrichte daad in de uitoefening of naar aanleiding van de dienst gesteld is, is de Staat eveneens aansprakelijk voor deze daad.
Leden van het administratief personeel van de griffie zijn beambten. Zij treden in alle taken op als aangestelden van de Staat.
Veel auteurs houden het met een algemene bepaling voor ambtenaren20 en beambten. Een distinguo is echter noodzakelijk en dit niet uitsluitend wat betreft de aansprakelijkheid.21
De griffier die de rechter heeft bijgestaan kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de verkeerde vermeldingen in een vonnis, daar de griffier niet instaat voor de inhoud van de arresten en vonnissen die hij in zijn bijstand aan de rechter authenticeert.22
Er dient aangestipt te worden dat de griffiers niet onder de toepassing vallen van de voorwaarden en de procedure van verhaal, zoals dit voorzien is voor de rechters, ten aanzien van akten opgenomen in de uitoefening van hun ambt, met het oog op schadeloosstelling voor het nadeel veroorzaakt door hun daad, op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (Art. 613, 1140-1147, Ger.W.).
In het raam van de orgaantheorie, poneert het ophefmakende en overvloedig gecommentarieerde, zogenaamde ANCA-arrest, onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen, de Staat de herstelplicht heeft voor een schadeverwekkende fout van een rechter of een ambtenaar van het O.M.23 Dit arrest is tot op een zekere hoogte eveneens van belang voor het bepalen van de voorwaarden en grenzen van de herstelplicht van de Staat bij fouten van de griffier, als orgaan van de Staat, bij daden die hij in de uitoefening van zijn ambt kan en moet verrichten.

De griffier is ook verantwoordelijk voor alle voorwerpen die onder zijn bewaring en bewaking gesteld zijn. Deze aansprakelijkheid blijft geheel bestaan, tenzij de griffier kan bewijzen dat de feiten waarvoor hij ter verantwoording geroepen is, toegeschreven worden aan overmacht.

Zie terzake ook bij “de hoofdgriffier”.

Pagina 67 : de aansprakelijkheid van de secretaris



C. De aansprakelijkheid van de parketsecretaris

Wij verwijzen naar hetgeen ter zake gezegd is voor alle personeelsleden en voor de griffier.



Pagina 75 : de aansprakelijkheid van de hoofdgriffier



D. De aansprakelijkheid van de hoofdgriffier

Wij verwijzen naar hetgeen gezegd is voor alle personeelsleden en voor de griffier.

De hoofdgriffier is bovendien persoonlijk aansprakelijk voor de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd en die hij moet bewaren. De hoofdgriffier staat in (is aansprakelijk) voor de voorwerpen onder zijn bewaring of bewaking en is tegenover partijen verantwoordelijk (aansprakelijk) voor de overgelegde stukken (art. 175 Ger.W.). Deze aansprakelijkheid kent een brede toepassing. 24
De hoofdgriffier van een rechtbank kan krachtens art. 1384, lid 3 B.W. niet aansprakelijk gesteld worden voor fouten en tekortkomingen vanwege het griffiepersoneel, ook al staan deze onder zijn hiërarchische toezicht. De griffiers en adjuncten-griffiers zijn immers niet zijn aangestelden.25
Pagina 79: de aansprakelijkheid van de hoofdsecretaris
D. De aansprakelijkheid van de hoofdsecretaris

Wij verwijzen naar hetgeen gezegd is voor alle personeelsleden en voor de secretaris.





1 Zie ook: P. Vrancken, De griffier van de rechterlijke orde, o.c., aansprakelijkheid: 260 en 545-623; verantwoordelijkheid: 174, 175, 280, 428, 475, 516-544.

2 H. De Page, Traité élémentaire de doit civil belge, II, III, La responsabilité civile, nr. 901, p. 857, Brussel, 1964.

3 “Laciate ogni speranza, voi ch’entrate”.

4 A. Van Oevelen, “De aansprakelijkheid van de Staat voor ambts- fouten van magistraten en de orgaantheorie na het ANCA-arrest van het Hof van Cassatie van 19 december 1991, R.W., 1992-93, 377-396 en voetnoten.


5 Art. 96 K.B. 2 oktober 1937, gewijzigd bij K.B. van 22 december 2000, B.S. 12 januari 2001.

6 “Distinction entre organe et préposé”, Les Novelles, V, 2de uitgave, nr. 1353 e.v., p.452, Brussel, 1967; Responsabilité des organes et de préposés des pouvoirs publics, T.S.R., Larcier, Brussel, 1988, 249-276.

7 Vb. Cass., 15 januari 1946, Pas., 1946, I, 25.

8 H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne, K. Geelen en S. Decoster, “Overzicht (1979-1984)”,T.P.R., 1987, nr. 141. B, 1488).

9 Responsabilité des organes et de préposés des pouvoirs publics, T.S.R., Larcier, Brussel, 1988, 252.

10 Cass., 25 december 1951, Pas., 1952, I, 101; Cass., 27 mei 1963; H. Vandenberghe, K. Geelen, “Aansprakelijkheid van ‘ziekenhuisorganen’ ”, Vl.T.Gez., 1989-1990, (113), nr. 16-17; A. Van Oevelen, De overheidsaansprakelijkheid voor het optreden van de rechterlijke macht, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu en Brussel, Ced. Samson, 1987, nr. 138, 161.

11 Responsabilité des organes et de préposés des pouvoirs publics, T.S.R., Larcier, Brussel, 1988, 254.

12 Ned. : Volgens het recht, rechtens.

13 C. Cambier, Droit judiciaire civil, Brussel, Larcier, 1974, 2, 654; P. Vrancken, De giffier van de rechterlijke orde o.c., 523.

14 Parl. Doc. 1-270/1, Senaat, 1995-1996, 27 febrauri 1996, aangestelde of orgaan.

15 Responsabilité des organes et de préposés des pouvoirs publics, T.S.R., Larcier, Brussel, 1988, 267.

16 Brussel, 19 mei 1990, R.G.A.R., 1991, nr. 11.767, noot; Brussel, 19 mei 1989, R.G.A.R., 1991, nr. 11.685.

17 Zie ook: P. Vrancken, de griffier van de rechterlijke orde, o.c., 556-560.

18 R. Van Lennep, Belgisch Burgerlijk Procesrecht, IX, Rechterlijke inrichting, Afd. IV, Griffiers, Hfst. I, Algemene begrippen, nr. 16, p. 238; P. Vrancken, De griffier van de rechterlijke orde, o.c., nr. 279, p. 80.

19 Dalcq klasseert de griffiers, naar voorbeelden uit de rechtspraak, steeds onder de organen, Les Novelles, V, 2de uitgave, nr. 1361, p. 455, Brussel, 1967; Brussel, 14 april 1961, J.T., p. 486; P. Vrancken, de griffier van de rechterlijke orde, o.c., 547.

20 A. Mast, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Story, Gent, 1977, I, par. 1, nr. 132.

21 Giron, Dictionnaire de droit administratif et de droit public, tome II, 84 ; Vauthier, M., Précis de droit administratif de la Belgique, 428, 38 ; P. Vrancken, de griffier van de rechterlijke orde, o.c., 260..

22 Antwerpen, 13 september 1989, zetel Spaas; A. Van Oevelen, “De aansprakelijkheid van de Staat voor ambts- fouten van magistraten en de orgaantheorie na het ANCA-arrest van het Hof van Cassatie van 19 december 1991, R.W., 1992-93, 402-405; R.W., 1992-93, 377-396.

23 Cass., 19 december 1991, 8970.

24 P. Vrancken, De griffier van de rechterlijke orde, o.c., D., Bewaring en bewaking, nr. 564-573.

25 Antwerpen, 20 april 1988, Pas., 1988, 193; H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne, en L Wynant, “Overzicht van rechtspraak - aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 1985-1993”, T.P.R., 1995/3, p. 1408-1419, nr. 139 - 142.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina