Aanspreking: de stereotiepe formulering van het begin van een Latijnse brief ziet er altijd uit als volgt



Dovnload 1.04 Mb.
Pagina1/6
Datum16.08.2016
Grootte1.04 Mb.
  1   2   3   4   5   6
Aanspreking: de stereotiepe formulering van het begin van een Latijnse brief ziet er altijd uit als volgt:

- in de nominativus staat de naam van de briefschrijver

- gevolgd door de naam van de geadresseerde in de dativus. Vaak wordt die naam nog

gevolgd door suo, wat wijst op de vertrouwelijke omgang die beide mannen (meestal)

met elkaar hadden (de weergave kan luiden "mijn beste").

- tot slot eindigt de aanspreking met de afkorting s.d., wat staat voor salutem dicit / dat:

groet, begroet

Het is duidelijk dat wij in een vlotte vertaling deze formulering niet letterlijk kunnen overnemen, maar moeten aanpassen aan ons moderne taalgebruik, een voorbeeld:

"Mijn beste Caninius," of: "Mijn goede vriend Caninius,"

Uit: Duurzamer dan Brons blz. 282-285, Amsterdam 1991
Inleiding epistolografie – Inleiding Plinius
DE BRIEF IN DE GRIEKSE OUDHEID

Al in de teksten van Homerus (5e eeuw v. Chr.) en Herodotus (5e eeuw v. Chr.) is er sprake van brieven. Van alle brieven die in de Griekse oudheid zijn geschreven, is maar een zeer klein deel bewaard gebleven. Alleen als de brief afkomstig was van een beroemd of historisch belangrijk persoon, werd hij bewaard en soms gepubliceerd:


1. Politieke brieven. De Atheense filosoof Plato (427-347 v. Chr.) kreeg de kans op Sicilië zijn ideeën omtrent de beste staatsvorm in praktijk te brengen. De onderneming mislukte. In brieven rechtvaardigde hij zich tegenover zijn opdrachtgevers voor de politieke opzet. De politieke brief werd ook gebruikt als een soort 'open brief', met adviezen aan leidende politici. De invloedrijke Atheense redenaar Isocrates (436-338) richtte zich in dergelijke brieven tot de vorsten van zijn tijd.
2. Filosofisch-wetenschappelijke brieven. In de filosofenscholen van de 5e en 4e eeuw v. Chr. ontstond de gewoonte dat de leider van de school door middel van brieven in contact bleef met zijn volgelingen die 'in het buitenland' verbleven. Plato schreef als leider van de Akademie dergelijke brieven. Van Epicurus (342-271 v. Chr.) zijn drie lange 'leerbrieven' bewaard gebleven.

In de retorenscholen van de Hellenistische tijd werd professioneel aandacht geschonken aan het schrijven van brieven. De retorenscholen waren wat wij universiteiten zouden noemen, met als voornaamste vak retorica. De bestudering van de regels en toepassingsmogelijkheden van de retorica ging vergezeld van talrijke oefeningen. Tot de oefenstof behoorde ook de brief. De studenten schreven brieven uit naam van politieke figuren (zoals Alexander de Grote) of liefdesbrieven uit naam van legendarische helden en heldinnen. Soms heeft de wetenschap er moeite mee een overgeleverde brief op naam van een bekend persoon (Plato bijvoorbeeld) als echt aan te merken of als een oefening uit Hellenistische tijd.

In de 1e eeuw v. Chr. (of de 1e eeuw n. Chr., dat is niet met zekerheid te zeggen) mondde de Griekse retorische traditie van het brieven schrijven uit in een tractaat van een verder onbekende auteur, Demetrius. In zijn verhandeling Over de stijl wijdde hij ook aandacht aan de brief. Hij onderscheidde liefst 21 soorten brieven en gaf van elk voorbeelden. 'De brief', aldus Demetrius, 'geeft een beeld van je persoonlijkheid. In een brief ben je als het ware in gesprek met de ander. Je moet dan ook gewone taal hanteren, als in een gewone conversatie. Je hebt het over simpele dingen in simpele bewoordingen'.
CORRESPONDENTIE IN HET ROMEINSE RIJK

In de Romeinse wereld was het aanvankelijk niet anders dan in het oude Griekenland. Er werden brieven geschreven en als ze afkomstig waren van bekende personen, werden ze bewaard en soms gepubliceerd. Historisch voorbeeld hiervan is de brief die moeder Cornelia schreef aan haar zoon Gaius Gracchus, de volkstribuun van 123 en 122 v. Chr.; in emotionele bewoordingen probeerde zij hem ertoe te bewegen met zijn politieke activiteiten op te houden. In de 1e eeuw v. Chr. hebben twee ontwikkelingen ertoe bijgedragen dat de brief een belangrijke plaats kreeg in het dagelijks leven van de (leidende) Romeinen. In de politieke machtsstrijd van die tijd fungeerde de brief als 'politiek pamflet'. Politici rechtvaardigden zich in hun privé-correspondentie voor hun daden. Voorbeeld hiervan zijn de brieven van M. Tullius Cicero, waarin hij zich verdedigde voor zijn consulaat van 63. Anderen gaven goede raad aan leidende politici. Aan de latere geschiedschrijver Sallustius worden twee van dergelijke 'open brieven' toegeschreven, waarin hij (in 49) Caesar suggesties aan de hand deed voor sociale en politieke hervormingen. Verder kreeg de brief in het steeds groter wordende rijk een steeds belangrijker functie als communicatiemiddel. De brief werd het transportmiddel bij uitstek voor alle officiële richtlijnen en orders, nodig voor het bestuur van Italië en de provincies.


BRIEVEN IN DE LATIJNSE LITERATUUR

Van M. Tullius Cicero (106-43 v. Chr.), groot politicus en redenaar, zijn ruim 900 brieven bewaard gebleven. Met zijn brieven had Cicero geen literaire pretentie. Ze zijn direct, openhartig en op conversatietoon geschreven, soms zelfs in telegramstijl. De brieven van Cicero geven een goed inzicht in de grote en kleine zorgen van een actief politicus in een woelige tijd. Aan het eind van zijn leven speelde Cicero met de gedachte een deel van zijn brieven voor publicatie te bewerken. Het kwam er niet van. Cicero werd in 43 wreed vermoord. Zijn secretaris Tiro wilde de herinnering aan zijn meester levend houden. Daartoe schreef hij een biografie van Cicero en hij begon de te brieven verzamelen die Cicero in de loop der jaren aan zijn familieleden en aan belangrijke Romeinen had geschreven. Kopieën van Cicero zelf en teruggevraagde exemplaren legden de basis voor de publicatie. Tussen 43 en 23 v. Chr. gaf Tiro de brieven uit; in de 5e eeuw n. Chr. werden ze in 16 boeken gebundeld, onder de titel Ad Familiares.

Ca. 60 n. Chr., een eeuw na de dood van Cicero, werd een tweede bundel gepubliceerd: 16 boeken Ad Atticum. Deze verzameling brieven bevatte de correspondentie die Cicero met zijn vriend, de bankier en uitgever T. Pomponius Atticus, had gevoerd. Na de dood van Atticus in 32 v. Chr. hadden diens nabestaanden de publicatie van deze privé-correspondentie lang tegengehouden. Wat de aanleiding tot de (late) publicatie was, is niet bekend.

De dichter Q. Horatius Flaccus (65-8 v. Chr.) verkeerde na zijn terugkeer in Italië in Epicureïsche kringen, bevriend als hij raakte met Octavianus' naaste medewerker Maecenas en met de dichter Vergilius. Toen Horatius de veertig gepasseerd was en zijn leven overzag, wilde hij als een wijze leermeester zijn levenslessen doorgeven. In 20 v. Chr. publiceerde Horatius de Epistulae, literaire brieven in dichtvorm, met bespiegelingen over het leven en met onder andere ook een 'wetenschappelijk essay' over de stand van zaken in de Latijnse letteren.

De dichter P. Ovidius Naso (43 v. Chr.-18 n. Chr.) was de grootmeester van de literaire fictie. Maar al te graag wendde hij zich tot het genre van de gefingeerde liefdesbrieven. Ca. 1 v. Chr. publiceerde hij de Heroides, literaire brieven in dichtvorm van legendarische en mythische vrouwen die allen één ding gemeen hebben: een wanhopige liefde. Aan het eind van zijn leven wekte Ovidius een nieuw genre tot leven: de brief in ballingschap geschreven. In 8 n. Chr. werd, volgens de traditie, Ovidius door keizer Augustus verbannen naar Tomi, het huidige Constanza aan de Zwarte Zee (Roemenië). Vanuit zijn verre ballingsoord schreef Ovidius brieven vol treurigheid: Tristia en Epistulae ex Ponto.

De Stoïsche filosoof-politicus Seneca (ca. 5 v. Chr.-65 n. Chr.) gebruikte de briefvorm (in proza) voor zijn moralistische adviezen. Aan het eind van zijn leven (in 63, dus zo'n drie jaar na de publicatie van Cicero's brieven Ad Atticum) publiceerde Seneca de Epistulae Morales, die waarschijnlijk meteen al voor een groter publiek bestemd waren. De briefvorm maakte het Seneca mogelijk gevarieerde gedachten in een beknopte en levendige vorm uit te werken. Als leerling en adressaat in deze schriftelijke 'cursus Stoa' fungeerde de jeugdige Lucilius.

PLINIUS
C. Plinius Caecilius Secundus (61 of 62 - kort vóór 114 n. Chr.) was een gevierd redenaar en een geslaagd politicus. Hij streefde niet alleen naar politieke successen en maatschappelijke waardigheid; bovenal wilde hij literaire roem. Op veertienjarige leeftijd schreef hij een tragedie, hij schreef gedichten en publiceerde redevoeringen. Na een rijke politieke carrière bundelde hij tenslotte de brieven die hij in de periode 97 tot 108 aan vrienden en bekenden had geschreven. Voordat de brieven - die aanvankelijk voor één persoon bestemd waren geweest - voor een breder publiek gepubliceerd werden, zorgde Plinius voor een zorgvuldige compositie en fraaie formuleringen.

Groot literair voorbeeld voor Plinius waren de brieven van Cicero, rijke tijdsdocumenten van een illuster man. Plinius betreurde het dat hij zich in zijn onderwerpen niet kon meten met Cicero, die deel had uitgemaakt van historische ontwikkelingen. 'Wij leven niet in dezelfde tijd als Cicero', verzuchtte Plinius. 'Hij had een enorm talent en een grote variëteit aan onderwerpen ter beschikking. Ik hoef je niet te vertellen binnen welke enge grenzen ik me moet bewegen', aldus Plinius aan zijn vriend Sabinus. 'Ik kan alleen maar stijloefeningen schrijven en brieven uit de luwte van het politieke leven'.

Zoals Plinius al aangeeft ('stijloefeningen'), vormen zijn brieven een typisch product van de universitaire cultuur van die tijd. Plinius' brieven zijn essays in briefvorm, waarvoor de basis werd gelegd in de lessen aan de retorenscholen. Daar leerden de studenten onder meer in het kader van de uitweiding (digressio) afgebakende thema's op een amusante manier te behandelen, om enige ontspanning te brengen in het strenge betoog van de redevoering. In de brieven van Plinius vinden we de geschikte onderwerpen voor dergelijke 'excursen' terug: anekdotes, behandeling van personen en gebeurtenissen, en beschrijvingen van bouwwerken en streken. Voordat Plinius zijn privé-correspondentie (bijna 250 brieven in negen boeken) publiceerde, zorgde hij voor een laatste redactie. Zoals het bij literaire brieven past, werden de antwoorden niet opgenomen - zo die er al geweest zijn.
Het leven van Plinius

P. Caecilius Secundus werd geboren in Comum, in het Noorden van Italië. Hij was de zoon van een rijke grootgrondbezitter, L. Caecilius Cilo, die stierf toen de kleine Caecilius nog heel jong was. Na de dood van vader namen moeder en zoon hun intrek bij een oom, C. Plinius Secundus, die tijdens de onzekere jaren van Nero's bewind Rome had verruild voor het rustige Comum. Daar wijdde hij zich geheel aan studie en aan wetenschappelijk werk.

Na de dood van Nero in 68 keerde de familie terug naar Rome, waar oom een vooraanstaande rol ging spelen in het bestuur van het rijk. Zo was hij in 79 vlootcommandant van het vlootstation in Misenum (bij Napels), toen zich de historische uitbarsting van de Vesuvius voordeed. Zijn zuster en haar toen zeventienjarige zoon maakten van nabij mee, hoe oom Plinius een hulpactie op touw zette en daarbij om het leven kwam. Bij testamentaire beschikking werd neef Plinius geadopteerd en hij werd naar zijn overleden oom genoemd: C. Plinius Caecilius Secundus. Later werd oom ook aangeduid als Plinius Maior, ter onderscheiding van zijn neef Plinius Minor. Overigens kreeg Plinius (Minor) niet alleen de náám van zijn oom; ook diens bezittingen werden zijn deel. Met het vermogen van zijn vader en dat van zijn oom, was Plinius op jeugdige leeftijd al zeer rijk.

Zoals gebruikelijk in de hoogste kringen, kreeg Plinius een veelzijdige opvoeding. In Rome bezocht hij een (Griekse) retorenschool, hij volgde de lessen van Stoïsche filosofen en hij werd student van Quintilianus, de beste leraar in de retorica die Rome in die dagen had.


Plinius als redenaar
Op achttien- à negentienjarige leeftijd kwam Plinius terecht in de juridische wereld. Lang werkte hij voor de speciale rechtbank van de centumviri, eerst als advocaat, later als rechter. De centumviri vormden een rechtbank van (ruim) honderd leden, die zich vooral bezighield met erfenissen en eigendomskwesties. De processen waren voor publiek toegankelijk, zodat Plinius' vaardigheden op retorisch gebied niet onopgemerkt bleven. Hij werd bekend en beroemd in de stad. Met trots vertelt Plinius in één van zijn brieven, hoe hij zeven uur aan één stuk sprak, terwijl een grote menigte aandachtig luisterde; een jongeman wiens kleding in het gedrang gescheurd was, bleef ondanks het mankement al die tijd op zijn moeizaam verworven plaats staan.

Plinius' politieke carrière voerde hem langs verschillende officiële functies. Door zijn benoeming tot quaestor werd hij lid van de senaat, waar hij (o.a. bij politieke processen) met evenveel verve zijn redevoeringen hield als bij de rechtbank van de centumviri. Plinius beschouwde zijn redevoeringen niet alleen als juridische of politieke bijdragen aan een debat; hij wilde vooral dat het literaire kunstwerken werden. Na afloop van een proces of een senaatszitting werkte hij zijn rede om en hield dan een voorlezing voor een kleine kring van kenners. Met behulp van hun kritische opmerkingen bracht hij wijzigingen in de tekst aan. Daarna werd de rede voor een groter publiek voorgelezen tijdens een zogeheten recitatio. Na een laatste serie wijzigingen ging Plinius over tot publicatie.

Politicus in Rome

Plinius behoorde tot de elite van Rome. Hij was puissant rijk en invloedrijk. Met zijn niet aflatende belangstelling voor kunst en (vooral de literaire) cultuur werd hij een echte 'Maecenas'. Hij nam enige minder vermogende dichters onder zijn hoede, zoals de Spaanse Romein Martialis. Martialis wijdde een epigram aan zijn weldoener, de 'welsprekende Plinius'. 'Zijn werk zal het nageslacht op één lijn stellen met dat van de man uit Arpinum, Cicero!'. Als dank voor deze loftuiting ontving Martialis van Plinius een geldbedrag dat hij goed kon gebruiken bij zijn terugkeer naar Spanje. Ook betoonde Plinius zich een behulpzaam vriend voor zijn oude leermeester Quintilianus; hij leverde met genoegen een bijdrage aan de bruidsschat van diens dochter. Voor zijn geboortestad Comum was Plinius een ideale patronus. Hij schonk de stad een openbare bibliotheek, hij liet beelden uit Griekenland halen om ze in Comum te plaatsen en hij deed een forse donatie aan de onderwijsbegroting van de stad om zo de beste leraren aan te kunnen trekken voor de plaatselijke scholen.

Plinius als consul

In de jaren negentig naderde Plinius de top van zijn politieke carrière. Hij was in de dertig en kennelijk soepel genoeg om onder de gevreesde keizer Domitianus het ambt van praetor te vervullen, een topfunctie in de rechtspraak. Helemaal ongevaarlijk waren Plinius' activiteiten niet, want toen Domitianus in 96 vermoord werd, vond men op zijn bureau een aanklacht tegen Plinius. Dit soort aanklachten leidde doorgaans rechtstreeks tot de dood. In de jaren daarna deed Plinius weer andere bestuurlijke ervaring op. Onder keizer Trajanus, in 100, werd Plinius consul. Bij het aanvaarden van zijn ambt sprak hij een lofrede (Panegyricus) uit op keizer Trajanus, die hij vervolgens op de voor hem gebruikelijke wijze voor publicatie bewerkte; de recitatio nam drie dagen in beslag.

Na zijn consulaat bleef Plinius actief in de (stedelijke) politiek. Hij kreeg het toezicht op de Tiber en de riolering van de stad en hij nam de verdediging op zich van twee ex-gouverneurs van de provincie Bithynië in Klein-Azië. De kennis van zaken die hij bij die zaak opdeed en zijn geweldige bestuurlijke ervaring, maakten hem geschikt voor de functie van legatus pro praetore in de provincie Bithynië en Pontus, waarvoor Trajanus hem in 111 uitkoos. Plinius werd gouverneur in het verre gebied. Kort voor 114 stierf hij, nog in Bithynië - of na zijn terugkeer in Rome.
De ambtelijke correspondentie van Plinius

De provincie Bithynië stond bekend als een roerige en opstandige provincie. Vanuit zijn verre standplaats schreef Plinius brieven naar zijn directe chef, de keizer van Rome. Per brief werden de keizer plaatselijke problemen voorgelegd en per brief maakte de keizer zijn oordeel en beslissing bekend. Plinius vroeg om advies in allerlei zaken. Opmerkelijk is hoe hij zelfs in weinig belangrijke aangelegenheden niet zonder het advies van zijn keizer wil opereren. Uit de antwoorden van Trajanus blijkt, dat die pijnlijk nauwgezet alles wat er in zijn rijk omging, in de gaten hield en beoordeelde. Ruim honderd brieven van de gouverneur Plinius kregen als Tiende Boek een plaats in de brievenverzameling; de antwoorden van Trajanus werden eveneens gepubliceerd.



Artikel Rudi van der Paardt, Rijksuniversiteit Leiden (zonder kritische noten)
Uit: Lampas 1991, 24.1, 54-65

Slechts weinig brieven uit de verzamelde Epistulae van C. Plinius Caecilius Secundus zijn in de loop der tijden zo vaak bestudeerd en vertaald en zoveel geprezen als de nrs. 6.16 en 6.20. Hierin geeft Plinius, op verzoek van zijn vriend Tacitus, een uitvoerige beschrijving van de uitbarsting van de Vesuvius op 24 augustus, 79 na Christus, waardoor de steden Pompeii, Herculaneum en Stabiae werden weggevaagd. De reden dat Tacitus, die in zijn Historiae, die de periode 69-96 zouden behandelen, dit 'Hiroshima van de oudheid' op enigerlei wijze uiteraard ter sprake wilde brengen, juist aan Plinius om informatie vroeg, lag hierin dat deze als jongen van zeventien jaar de ramp zelf had meegemaakt. In 6.16 geeft Plinius weer hoe zijn oom, Plinius Maior, die als vlootcommandant te Misenum aan de Golf van Napels vertoefde, ter plaatse reddingswerkzaamheden verrichtte, waarbij hij het leven liet; in 6.20 beschrijft Plinius zijn eigen wederwaardigheden tijdens de ramp: hoe hij met zijn moeder na een bange vlucht uit Misenum het leven wist te redden. Alleen al uit deze korte aanduiding van de inhoud van deze brieven blijkt dat ze elkaar spiegelen èn complementeren; ze vormen een perfecte eenheid en ze verdienen dan ook als zodanig gelezen te worden. Wat Tacitus er als bron mee heeft gedaan, weten we niet: het gedeelte van de Historiae waarin de gereleveerde gebeurtenissen aan de orde moeten zijn gekomen, is niet bewaard gebleven.

De aanduiding 'Hiroshima van de oudheid' is geen vondst van mijzelf: ik ontleen die aan Bertus Aafjes’ bekende reisverslag Dag van gramschap in Pompeji (1960). Tussen de vele populair-wetenschappelijke boekjes over de dodenstad (en alles wat daarmee samenhangt) valt het nog steeds op, in positieve zin, door de toon van sterk persoonlijke betrokkenheid. Dat geldt ook en misschien wel vooral voor Aafjes' bespreking van de genoemde brieven van Plinius, die hij in een eigen, soepele vertaling in zijn boekje heeft opgenomen. Hij noemt Plinius een 'verslaggever van grote allure' (p. 39), en met name 6.20 'een meesterstuk van antieke journalistiek' (p. 62). Plinius' beschrijvingen zijn soms 'bijna even realistisch als een moderne fotoreportage' (p. 60). Het projectiemechanisme speelt hier onmiskenbaar een rol en ik moet toegeven dat men moeite zal moeten doen ergens een grotere bewonderaar van Plinius te ontdekken dan Aafjes, die zijn verre voorganger en passant op ingenieuze wijze vrij pleit van de vaak geuite beschuldigingen van 'ijdelheid' en 'weifelmoedigheid' (men heeft bij dit laatste bijvoorbeeld zijn brief aan Trajanus over de christenvervolgingen op het oog; Epp. 10.97). Toch berust Aafjes' bewondering voor de genoemde brieven op toedichting van dezelfde kwaliteiten die anderen erin hebben ontdekt en nog steeds naar voren halen. Zo staat in een artikel, waarin de verworvenheden van de moderne vulkanologie worden gebruikt voor een doorlichting van Epp. 6.16 en 20, te lezen dat hun reputatie 'is due not only to the art which he (Plinius, dus, RvdP) describes the natural phenomena, but also to the fact that he was an eye witness of much that happened those memorable days'. Nu geldt dit laatste eigenlijk alleen voor 6.20, waarin Plinius verslag doet van wat hem en zijn moeder was overkomen. Voor 6.16 ligt de situatie anders: al krijgt de lezer door de levendige verteltrant de indruk van een ooggetuigenverslag van de ramp en de laatste dagen van Plinius Maior, uit het feit dat Plinius zelf te Misenum was achtergebleven volgt al dat het grootste deel van zijn relaas berust op mededelingen van anderen, de vrienden en slaven van Oom die hem het laatst hadden gezien. Aan het eind van zijn brief (§ 22) verklaart Plinius met nadruk tegenover Tacitus dat hij statim, cum maxime vera memorantur ('onmiddellijk na afloop, wanneer de gegeven informatie het betrouwbaarst is') zijn gegevens heeft ingewonnen; de brief is echter ruim een kwart eeuw na dato geschreven.

Is het in het licht hiervan al geraden enige reserve in acht te nemen, als men de brieven als historische bron wil gebruiken, er zijn meer redenen voor een kritische opstelling. De eerste is van principiële aard. Een antieke historiograaf - en als zodanig is Plinius in 6.16 en 6.20 bezig; de zelfdepreciatie aan het eind van beide brieven is volstrekt topisch - is niet primair uit op 'historische betrouwbaarheid'; in de eerste plaats maakt hij een leerzame literaire tekst. Plinius zegt in een andere brief aan Tacitus wel dat een geschiedschrijver de waarheid geen geweld mag aandoen (een allusie overigens op de befaamde brief van Cicero aan Lucceius over de principes van geschiedschrijving), maar verfraaien mag, ja moet. Het ligt dus a priori voor de hand, dat Plinius het optreden van zijn oom en ook wel degelijk zijn eigen avonturen zo heeft voorgesteld dat de lezers van zijn 'open brieven aan Tacitus' een zo gunstig mogelijke indruk daarvan zouden krijgen. Een tweede reden voor voorzichtigheid is dat bij zorgvuldige lezing de brieven - dit geldt speciaal voor 6.16 - een aantal onduidelijkheden en 'open plekken' bevatten. Het opsporen daarvan kan m.i. goed dienen als richtlijn bij de beantwoording van de vraag wat Plinius nu eigenlijk met deze brieven voorhad, d.w.z. hoe hij Oom (en zichzelf) in de Historiën geportretteerd had willen zien. Ik begin met de problemen die 6.16 bij kritische lezing oproept.

Plinius opent (na een nog ter sprake te brengen inleiding) met een vastlegging van personen, plaats en tijd: op 24 augustus, omstreeks het zevende uur van de dag, wijst Plinius' moeder haar broer - die aan de studie was in zijn huis te Misenum - op een enorme rookwolk die (naar later bleek, zegt Plinius) uit de Vesuvius kwam. Ooms wetenschappelijke belangstelling was onmiddellijk gewekt; hij wilde het fenomeen van dichtbij bekijken en liet een liburnica (een lichte, snelle boot) in gereedheid brengen. 'Aan mij', zegt Plinius, 'Vroeg hij of ik hem wilde vergezellen; ik antwoordde dat ik liever aan de studie bleef; hij had me zelf een onderwerp ter behandeling opgegeven.' E.T. Merrill merkt in het commentaar van zijn bloemlezing ter plaatse op: 'the reply is a good commentary upon the characteristics of the man to whose estate this boy of seventeen grew' - maar dit terzijde.

In dit fragment ontbreekt de vermelding van het jaar (79 dus) van de gebeurtenis. Dat komt uit een andere bron: Cassius Dio 66.21-24, uit het excerpt van Xiphilinus. Wie de twee beschrijvingen van het begin van de ramp naast elkaar legt, ziet trouwens een veel opvallender verschil: Dio/Xiphilinus begint met de vermelding van een enorme explosie en die zou men ook bij Plinius verwachten. Sherwin-White schrijft in zijn commentaar: 'None of Pliny's household appears to have noticed the noise' (p. 372) en Francis Sullivan, die op grond van vulkanologische gegevens berekent dat die explosie om ongeveer elf uur in de ochtend moet hebben plaatsgevonden, bekent: “why the Plinys did not hear the explosion we do not know.” Begrijpelijke, maar logisch gesproken volstrekt onverantwoorde reacties! Dat men in huize Plinius de explosie niet had gehoord, staat nergens; het is, aangenomen dat daar geen sprake was van collectieve doofheid, eigenlijk heel onwaarschijnlijk, dat niemand van de Plinii iets van die ontploffing zou hebben gemerkt. De vraag die zich opdringt is van een heel andere orde: waarom begon Plinius, die bovendien niet alleen was aangewezen op eigen waarnemingen, maar ook die van anderen had vergaard, zijn relaas met Ooms reactie op die befaamde wolk en niet met de donderende klap waarmee Dio/Xiphilinus z'n exposé opende? Alvorens die vraag te beantwoorden volg ik eerst Oom op z'n tocht.

Bij het verlaten van zijn huis kreeg Oom een briefje van Rectina, de echtgenote van Cascus of Tascius (dit tekstkritische en prosopografische probleempje laat ik voorlopig even liggen), wier villa subiacebat ('aan de voet van de berg lag'). Zij kon alleen per schip nog weg en vroeg Oom haar uit haar benarde positie te bevrijden. Die herzag onmiddellijk zijn plannen. Hij liet vierriemers gereed maken en voer om Rectina en anderen te redden recht op het gevaar af (§ 10: rectum cursum recta gubernacula in periculum tenet), zo verstoken van vrees, zegt Plinius, 'dat hij alle verschijnselen die zich bij de ramp voordeden liet noteren, dan wel zelf opschreef, - in een brief gewijd aan de carrière van zijn oom had Plinius al meegedeeld dat Maior altijd en overal een notarius bij zich had om opvallende zaken vast te leggen. As en stenen vielen inmiddels op de schepen; men bevond zich plotseling in ondiep water, de tocht voortzetten leek onmogelijk. De stuurman adviseerde om terug te keren, maar Oom riep (§ 11): 'Fortes fortuna iuvat. Pomponianum pete' ('Het geluk is met dapperen; op naar Pomponianus! '). Deze vriend van Plinius bevond zich te Stabiae, waar hij boten klaar had liggen om weg te komen; door tegenwind werd hij gedwongen in zijn villa te blijven. Oom had die wind mee en bereikte Pomponianus en de zijnen.

Ook deze passage vertoont een merkwaardige open plek. Ik denk hierbij niet in de eerste plaats aan de vraag die sommigen hebben gesteld hoe men zich de door Plinius aangenomen windrichting moet denken. Als Oom last had van vallende as en stenen op de boot, moet er een oostenwind hebben gestaan; als Pomponianus Stabiae niet uit kon en Oom vento secundissimo arriveerde, moet er sprake zijn geweest van een noordwestenwind. Alle deskundigen wijzen er op dat door de enorme hitte-ontwikkeling rond de Vesuvius inderdaad een storm vanuit zee moet zijn ontstaan, omdat de lucht vandaar werd weggezogen. Die ablativus van de begeleidende omstandigheden kunnen wij als lezers dus vrij gemakkelijk aanvullen. Maar veel opvallender is dat Rectina spoorloos uit het verhaal is verdwenen! Wat is er van haar geworden? De eerder genoemde Sherwin-White pakt in zijn commentaar (1966) deze kwellende vraag als volgt aan. Het zinloze recti netasci (M) in § 8 leest hij als Rectinae Tasci, 'Rectina, de echtgenote van Tascius'. Deze Tascius is z.i. dezelfde als Pomponianus, de zoon van Pompeius Secundus, vriend van Plinius Maior, 'who had changed his name by an act of adoption and become Tascius Pomponianus' (p. 373). Als deze suggestie juist zou zijn, betekent dit - tenzij Sherwin-White een lat-relatie aanneemt - dat Rectina bij Pornponianus in Stabiae zou moeten zijn en Pomponianum pete dus een voortzetting van de voorgenomen tocht zou impliceren, wat de eenheid van handeling uiteraard ten goede komt. Maar de veronderstelling kan onmogelijk juist zijn. Nog daargelaten dat er behalve as en stenen nu ook nog een naamsverandering uit de lucht komt vallen, zijn er op zijn minst twee gegevens in de tekst die niet kloppen met deze constructie. Uit de parenthese van § 8: nam villa eius subiacebat, nec ulla nisi navibus fuga blijkt dat Rectina's huis aan de voet van de Vesuvius lag, in of bij Herculaneum naar alle waarschijnlijkheid, maar in ieder geval niet in Stabiae; zij had ook geen boten ter beschikking en Pomponianus wel: hij had zijn bagage al aan boord gebracht (§ 12: sarcinas contulerat in naves). Men is tegenwoordig trouwens geneigd Rectinae Casci te lezen (in γ staat recti necasci) en deze Cascus is dan mogelijkerwijze een uit andere bronnen bekende consul suffectus uit 71. Hoe dan ook, de identificatie van de echtgenoot van Rectina met Pomponianus is onmogelijk.

In de noten bij zijn bloemlezing uit Plinius' Brieven heeft Sherwin-White zijn prosopografische suggestie achterwege gelaten. In plaats daarvan geeft hij bij het begin van § 12 (Stabiis erat diremptus sinu medio) de volgende aantekening (p. 129): 'An inner bay, now filled in by the advance of the coast, separated Pomponianus at Stabiae from Secundus at or near Herculaneum. Pliny does not make it clear whether Secundus abandons the attempt to help Rectina at this point, or whether she bas heen already picked up by a detachment without further mention.' Van de twee hier gedane suggesties is de laatste helaas alweer in strijd met de context. Hoe men ook de lang niet onproblematische wending uit § 11: iam vadum subitum ruinaque montis litora obstantia wil interpreteren, een ding is duidelijk: Plinius Maior kon ter plekke (in de buurt van Herculaneum, ook volgens Sherwin-White) niet landen, dus ook dat eventuele 'detachment' van de vloot niet! Ik vrees dat inderdaad de enige zinnige invulling van de open plek is: kennelijk heeft Oom de poging om Rectina te redden opgegeven. Wat er van haar geworden is, laat zich wel raden.

Maar Pomponius dan? Bij hem heerste paniek die Oom tegen ging door securitas te demonstreren. Hij nam een bad en een diner. In de verte spuwde de Vesuvius vuur, maar Oom zei dat het brandende boerenhoeven waren, door boeren bij hun overhaaste vlucht achtergelaten. Hij trok zich terug om te gaan slapen en men hoorde zijn gesnurk. Maar omdat de plaats waar zijn kamer op uit kwam vol as en puimsteen was komen te liggen, zodat hij opgesloten zou raken, werd hij wakker gemaakt. Men besloot de villa te verlaten en via het open veld te ontsnappen - in paniek, zegt Plinius, maar bij zijn oom was het een kwestie van zorgvuldige afweging van de gevaren (§ 16: apud illum quidem ratio rationem, apud alios timorem timor vicit). Inmiddels werd het ochtend, maar het bleef duister als de nacht, met fakkels lichtten zij zich bij. 'Toen men ging kijken of de zee inmiddels bevaarbaar was, bleek die nog te onstuimig. Oom werd op het strand onwel en ging liggen. Vuur en zwaveldampen joegen de anderen op de vlucht, maar brachten hem weer op de been. Meteen stortte hij weer neer. Toen hij werd teruggevonden, had hij nog steeds zijn kleren aan; hij deed meer denken aan een slapende dan aan een dode’. Het verslag in eigenlijke zin is hiermee ten einde.

Ook dit fragment vertoont bij nader inzien een aantal merkwaardigheden. Opvallend is de manier waarop Plinius de dood van zijn oom en de vondst van zijn lijk ter sprake brengt. Ut ego colligo, zegt hij, crassiore caligine spiritu obstructo, clausoque stomacho qui illi natura invalidus et angustus et frequenter aestuans erat. ('Naar mijn mening is door de dichte rook hem het ademhalen onmogelijk geworden; zijn luchtpijp was zwak, nauw en vaak geprikkeld en moet verstopt zijn geraakt.') Oom, kennelijk een cara-patiënt, is dus volgens Plinius gestikt. Dat iemand die op zo'n manier aan zijn einde komt, de dag daarop, als in vredige doodsslaap verzonken, wordt gevonden, is nauwelijks waarschijnlijk. Wat dat betreft zou als doodsoorzaak 'kolendampvergiftiging' veel meer voor de hand liggen, maar de vraag die dan rijst is waarom er geen andere slachtoffers zijn gevallen - Plinius noemt ze althans niet. In de literatuur van medische zijde over deze passage wordt vooral aan een hartaanval gedacht; een der auteurs stelt, nogal cynisch: 'ein Herzschlag hätte Plinius an demselben Tage und zu derselben Stunde auch in seiner Villa in Misenum ereilt.' Wat hier ook van zij, Plinius vond het kennelijk geraden met een eigen diagnose te komen en nadruk te leggen op de ongeschondenheid van Ooms lichaam.

Nu wijst Sherwin-White er in zijn commentaar (p. 374) op, dat Suetonius een traditie kent dat Maior zich op het strand van Stabiae door een van zijn staven had laten doden. In het licht hiervan krijgen Plinius' opmerkingen extra kleur: men moet die dan mede begrijpen als bestrijding van de later door Suetonius geboekstaafde geruchten, die in de Historiae geen plaats mochten krijgen. In het kader van de brief als geheel is de betekenis van de laatste paragrafen duidelijk genoeg. Plinius legt een ondubbelzinnig causale relatie tussen de uitbarsting van de Vesuvius en de dood van zijn oom: hij tekent hem als slachtoffer van zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid en daadkrachtige menslievendheid.

Door zich aan het einde van zijn relaas geheel op de ervaringen van zijn oom te concentreren, maskeert Plinius dat er van diens reddingswerkzaamheden niets is terechtgekomen. Evenals Rectina verdwijnen Pomponianus en de zijnen geheel uit beeld: als ze aan de ramp zijn ontkomen (en er moeten overlevenden zijn geweest anders had Plinius geen 'bronnen'), kan dit toch moeilijk op het conto van Oom worden geschreven. Maar zijn gedrag was toch voorbeeldig? In de belichting van zijn neef wel, ja. Van wat hij echter werkelijk te Stabiae deed: eten en snurken, terwijl de wereld om hem heen in brand stond; opzettelijk verkeerde interpretaties geven van natuurwetenschappelijke fenomenen; gaan liggen op het strand, als anderen wegrennen - daarmee zou men ook een portret kunnen schetsen van een recalcitrante man met een wat merkwaardig gevoel voor humor. Hoezeer Plinius retorisch manipuleert blijkt bijvoorbeeld uit het genoemde zinnetje apud illum quidem ratio rationem, apud illos timorem timor vicit, met zijn flonkerende stijlfiguren.

Maiors keuze voor ontsnapping aan het gevaar, de vlucht over land, was dezelfde als van de anderen ter plaatse, maar volgens Plinius stond wat psychologen zijn motivatie noemen haaks op die van Pomponianus en de zijnen. Een narratoloog (uit de school van Stanzel) zal hier fronsend opmerken dat de grenzen van het gelimiteerde perspectief worden doorbroken en de ik-verteller auctoriale trekken krijgt. Zonder dit jargon: Plinius kon natuurlijk helemaal niet weten wat Oom had bewogen Pomponianus' villa te verlaten. Maar hij gebruikte de tegenstelling ratio - timor om Oom als de sapiens die in alle gevallen zijn temperantia demonstreert, te kenschetsen.

Ik kom nu terug op de vraag die ik eerder stelde: waarom begon Plinius niet á la Cassius Dio met een vermelding van de explosie van de Vesuvius. Welnu, met een dergelijke inzet zou Plinius de ramp centraal lijken te stellen. Dat het hem daar niet om ging, blijkt alleen al daaruit, dat in de loop van het verhaal de Vesuvius zelf, net als andere 'bijfiguren', uit het beeld verdwijnt en er maar één slachtoffer van de ramp met name wordt genoemd: Plinius Maior ! Met hem zet de narratio dan ook in, en wel op het moment dat zijn zuster hem uit de studie haalt: dan komt hij in actie. Dat is geen irrelevant detail, maar een aankondiging van het leidmotief van de brief, de unieke combinatie van de vita contemplativa en de vita activa, die het fraaist wordt verbeeld in de beschrijving van de tocht van Oom naar Rectina: regelrecht voer hij het gevaar tegemoet (het polyptoton van rectus in § 10 heeft een expressieve functie), maar hij bleef zijn stiel trouw door wetenschappelijke notities te (laten) maken. Daarom zegt Plinius in het exordium van zijn brief, dat zij beati mogen heten, aan wie het door de goden gegeven is aut facere scribenda aut scribere legenda, maar acht hij hen beatissimos (....) quibus utrumque ('te doen wat het schrijven of te schrijven wat het lezen waard is, maar het allergelukzaligst acht ik hen aan wie het een zowel als het ander is vergund'). Op de immortalis gloria die Plinius van Tacitus' behandeling van de figuur van zijn oom verwachtte (§ 1) heeft hij aan het eind van zijn brief, die qua beeldend vermogen en manipulatie-techniek wel taciteïsch mag heten, geanticipeerd: corpus inventum integrum inlaesum (.....): habitus corporis quiescenti quam defuncto similior. Een beter symbool voor het beoogde voortleven van Plinius Maior is nauwelijks denkbaar.

Interim Miseni ego et mater - sed nihil ad historiam: zo luidt het begin van de peroratie van brief 6.16. Op verzoek van Tacitus heeft Plinius in 6.20 de aposiopesis doorbroken en wederwaardigheden van de in Misenum achtergeblevenen geschetst. Aan het eind van zijn vervolgbrief verklaart hij opnieuw dat het materiaal ongeschikt is voor behandeling in een historisch werk. Als Tacitus zou vinden dat het zelfs niet in een brief thuishoort, moet hij zich daarvoor zelf verantwoordelijk stellen (§ 20).

Op het eerste gezicht is Plinius er in deze brief op uit geweest de heroïsche daden van Maior extra te accentueren door het oproepen van een serie tegenstellingen. Hij begint met wat hij zelf deed toen zijn oom was vertrokken: hij bleef in zijn hoek lezen (§ 2), ging na het eten naar bed, sliep kort en onrustig - activiteiten die haaks staan op respectievelijk het opgeven van de studie voor het verrichten van reddingswerkzaamheden en het onbekommerd zagen in de villa van Pomponianus door Oom. Tegenover diens altruïsme stelt Plinius het gedrag van een gast, een vriend van Maior uit Spanje, die met moeder en zoon en andere inwoners van Misenum het stadje verlaat, maar als het hem niet snel genoeg gaat, 'zich ijlings uit de voeten maakt om aan het gevaar te ontkomen' (§ 11). Tegenover Oom als sapiens perfectus, die in levensgevaar de ratio blijft hanteren, staat een angstige menigte, waaronder lieden, 'die het werkelijke gevaar vergrootten door allerlei schrikaanjagende leugens en verzinsels' (§ 15).

Plinius verbergt niet dat hij die gevoelens van angst ook had gekend, tijdens de omzwerving buiten Misenum (§17) en eenmaal weer in huis teruggekeerd (§ 19). Maar van een tweede keer het huis verlaten hadden zijn moeder en hij niet willen weten, men wilde eerst berichten hebben over Oom. Met het pregnante de avunculo nuntius sluit de narratio af, die met profecto avunculo was begonnen: de ring accentueert de grote rol die de afwezige Plinius Maior bij de achtergeblevenen had gespeeld.

Vormt het gedrag van de jonge Plinius, zoals beschreven in het begin van 6.20, een tegenstelling met dat van zijn oom, het slot getuigt toch ook van het bezit van constantia (ne tunc quidem abeundi consilium), een eigenschap die Plinius Maior - als stoïsche held beschikte hij trouwens over alle virtutes - in zijn laatste uren zozeer had gekenmerkt. Ook elders in de brief ontwerpt Plinius een niet ongunstig beeld van zijn optreden. Zo tekent hij bijvoorbeeld wat er volgde op het besluit van hem en zijn moeder Misenum te verlaten (§ 7): sequitur vulgus attonitum, quodque in pavore simile prudentiae, alienum consilium suo praefert ('De bevolking kwam in paniek achter ons aan. Men handelde niet naar eigen inzicht, maar volgde dat van een ander - wat bij angst het verstandigst lijkt.'). Daarmee wordt de jonge Plinius, ongewild, de leider van een willoze massa; de situatie lijkt precies op die bij de villa van Pomponianus te Stabiae, waar ook iedereen vertrok, maar slechts één dat deed op grond van rationele overwegingen. Tussen de regels door moet dus blijken dat Plinius meer met zijn oom gemeen had dan hij zelf wel leek te beseffen.

Pas werkelijk tot Ooms-hoogte stijgt de jonge Plinius in het gedeelte van het relaas waarop de literator Plinius door de plaatsing in het geheel - in het midden, tussen twee massa-scènes in - en door verheven woordgebruik het volle licht laat vallen. Het volgt op het al ter sprake gebrachte moment dat de anonieme Spaanse vriend de familie in de steek heeft gelaten en vormt daarmee, zoals we zullen zien, een scherp contrast. Voor moeder en zoon begint het, in letterlijke en figuurlijke zin, er hoe langer hoe donkerder uit te zien. Op dat moment, vertelt Plinius (ik geef de vertaling van Bertus Aafjes): “begon Moeder te huilen, zij smeekte, bad, beval mij om te vluchten, nu het nog mogelijk was. Ik was jong, ik kon nog vluchten, meende zij. Maar zij was niet jong meer en kon zich moeilijk bewegen. Maar, zei ze, - ze zou een zachte dood sterven, als zij mijn dood maar niet op haar geweten had. Ik weigerde resoluut. Als ik gespaard wil blijven, zei ik, dan samen met U. Ik greep haar bij de arm en dwong haar harder te lopen. Ze gaf toe, maar onwillig. Ze verweet zich dat zij mij ophield. Toen kwam de asregen. Eerst licht. Een zware nevel volgde ons dreigend, als een waterval omlaag stortend. Kom, zei ik, laten we terzijde van de weg gaan, nu we nog iets kunnen zien. Want straks, als we in het donker vallen, worden we door de massa vertrapt. In deze dramatische scène manifesteert zich bij moeder en zoon de pietas, een eigenschap die de vriend des huizes volstrekt vreemd was geweest. Plinia, wier optreden, achteraf bezien, al was voorbereid in de eerste scène van 6.16, wil zich opofferen om het leven van haar zoon te kunnen redden - een spiegeling van de tocht van haar broer naar Rectina: hij moest die actie uiteindelijk met zijn dood bekopen, maar zij wordt door haar eigen zoon uit het gevaar gered. Plinius zelf slaagt er dus in dat te doen, wat zijn oom niet was vergund: het redden van een mensenleven!

Brief 6.16 is niet de enige tekst die de scène in herinnering roept: we worden geacht, zoals F. Lillge voor het eerst heeft opgemerkt, hier ook te denken aan de beroemde passage uit Vergilius’ Aeneis II, waar de oude Anchises zijn zoon maant hem achter te laten in het brandende Troje en zelf te vluchten. Tum mater orare hortari iubere quoquo modo fugerem, posse enim iuvenem (§ 12) komt inhoudelijk overeen met Aen. 2.638 e.v. 'vos, o, quibus integer aevi / sanguis,' ait, 'solidae suo stant robore vires / vos agitate fugam' (vert. M.A. Schwartz: 'Gij', zo sprak hij, 'nog jeugdig van bloed, nog krachtig van lichaam, gij moogt denken aan vlucht.'). Plinia wil liever sterven (se ... bene morituram) net als Anchises: ipse manu mortem inveniam (645) en het argument dat zij daarvoor geeft - ze is annis et corpore gravis - komt overeen met inutilis annos demoror (648/9: 'doelloos rek ik mijn jaren') bij Vergilius. De reactie van de jonge Plinius is die van Aeneas, als hij de woorden van zijn vader heeft aangehoord (657/8): mene efferre pedem, genitor, te posse relicto / sperasti? ('Dacht ge werkelijk, vader, dat ik het over me kon verkrijgen te vluchten en u achter te laten?'). Het brandende Troje, verwoest door toedoen van een paard zo groot als een berg (instar montis, Verg. Aen. 2.15), is in de parallel dus Misenum, door de Vesuvius bedreigd, dat men verlaat, maar opnieuw zal vinden. Het wat men tegenwoordig graag noemt 'intertekstuele' karakter van de brief had Plinius trouwens in het exordium zelf aangegeven. Quamquam animus meminisse horret, ... incipiam (Aen. 2.12/13), een rechtstreeks citaat, zijn de slotwoorden ervan en het daaraan voorafgaande cognoscere ... non solum metus verum etiam casus pertulerim ('te horen, niet alleen welke angst en vrees ik heb gekend, maar ook wat ik voor gevaren heb verduurd') is een variatie van een ander vergiliaans vers (Aen. 2. 10): sed si tantus amor casus cognoscere nostros ('maar als u zo zeer begeert te horen wat wij hebben moeten verduren'). Zoals Vergilius zijn Aeneas Dido liet vertellen over rampzalige gebeurtenissen waarbij zijn held aanwezig was geweest en waarin hij een rol van betekenis had gespeeld (Aen. 2.5/6), zo schrijft Plinius aan Tacitus over dé dramatische gebeurtenis in zijn leven.

Wie deze twee brieven van Plinius puur 'referentieel' leest, als stukjes 'antieke journalistiek' om Aafjes' kenschets nog eens aan te halen, loopt het gevaar dat hij geen onderscheid maakt tussen 'feit' en 'versiering' en zo tot onjuiste conclusies omtrent de historische werkelijkheid van die beruchte augustusdagen van 79. Wie gefascineerd is door het retorisch-literaire spel van Plinius loopt ook een risico: dat hij het postmodernistische standpunt voor juist gaat houden, dat literaire teksten alleen naar andere teksten verwijzen en niet naar een buitentalige realiteit. Hij zou dan de visie van H.L. Gokel kunnen gaan delen dat hier sprake is van 'fiktive Briefe mit dem Anschein aktueller Echtheit'. Dat is uitgesloten, alleen al vanwege de persoon van de adressaat. Voor het grensgebied tussen reportage en roman heeft de literaire kritiek in de jaren zestig een nieuwe term uitgevonden: 'faction'. Dat stempel lijkt me heel toepasselijk voor de Epistulae van Plinius.

Wat Plinius vóór alles wilde is ons bekend: hij wilde roem vergaren, door zijn daden en zijn werken. Uit een al eerder aangestipte brief aan Tacitus blijkt dat hij een plaatsje in de Historiae het aangewezen middel vond om die daden vereeuwigd te krijgen. Het eervolst zou voor hem zijn dat Tacitus hem in één adem zou noemen met zijn vereerde oom, die hem per testament tot zijn zoon had gemaakt, - niet als zijn gelijke, maar ook niet als zijn tegenpool. Er bestond maar een kleine kans dat Tacitus dat ook zou doen, maar we kunnen niet zeggen dat Plinius de hem geboden mogelijkheid niet met beide handen heeft aangegrepen.



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina