Aard of gebrek van de verzekerde zaak en roekeloosheid



Dovnload 32.77 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte32.77 Kb.
Het nieuwe verzekeringsrecht

Aard of gebrek van de verzekerde zaak en roekeloosheid
Ook in het nieuwe verzekeringsrecht is schade veroorzaakt door een gebrek of de aard van de zaak van dekking uitgesloten, maar “eigen bederf” zult U daar niet meer in tegenkomen. De uitsluiting van “eigen schuld” in art. 276 WvK komt ook niet meer terug. Dit vertrouwde begrip is vervangen door “roekeloosheid”. In deze zevende bijdrage over het nieuwe verzekeringsrecht worden de verschillen nader toegelicht.

Gebrek en aard van de zaak

Volgens art. 249 WvK is de verzekeraar “voor schade of verlies uit eenig gebrek, eigen bederf, of uit den aard en de natuur van de verzekerde zaak zelve onmiddellijk voortspruitende, nimmer gehouden, ten ware ook daarvoor uitdrukkelijk zij verzekerd”.

Het nieuwe art. 7.17.2.8 zegt kort maar krachtig: “De verzekeraar vergoedt geen schade aan een verzekerde zaak indien die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van die zaak”. Inhoudelijk houdt de nieuwe bepaling geen wijziging in ten opzichte van art. 249 WvK, ook al ontbreekt het woord “bederf”, welk woord niet van praktisch belang was omdat bederf geen oorzaak van schade is, maar een vorm van schade.1

Wat is een gebrek ?


Een gebrek is een ongunstige of minderwaardige eigenschap die zaken van de verzekerde soort niet behoren te hebben. Voorbeelden: overrijpheid van fruit bij verzending2, een verkeerde samenstelling van beton waardoor corrosie optreedt, een constructiefout van een machine.3 Een gebrekkige staat van een verzekerde zaak die door een tijdelijk gebrek aan zorg van voorbijgaande aard is, is echter geen gebrek, zoals het ontbreken van een splitpen in een zuigerstangpijp4, het niet laten openstaan van de kraan in de toevoerleiding van koelwater5 en het ontbreken van anti-vries in koelvloeistof in vrachtauto’s die in de winterperiode naar Canada werden vervoerd.6

Een gebrek wordt als een onzeker voorval aangemerkt. In het geval van een CAR-verzekering heeft de Hoge Raad beslist dat wanneer schade is veroorzaakt door een eigen gebrek, het onzeker voorval dat de schade doet ontstaan, moet worden gezocht in het aan het licht komen van het eigen gebrek; het moment waarop dat gebeurt, geldt als het moment waarop de beschadiging plaatsvindt.7 In het nieuwe verzekeringsrecht komt in de definitie van verzekering het begrip “onzeker voorval” niet meer voor.8 De vraag wat het onzeker voorval is in relatie tot schade uit eigen gebrek, is daarmee volgens de memorie van toelichting niet meer relevant.9 Voldoende is in ieder geval dat de verzekeringnemer bij het afsluiten van de verzekering van het gebrek niet op de hoogte is. Asser-Clausing-Wansink acht ook een verzekering tegen een bij het sluiten van de verzekering bekend gebrek mogelijk, indien onzeker is dat het gebrek schade aan de verzekerde zaak zal veroorzaken.10




Wat is de aard van de verzekerde zaak?


De aard van de verzekerde zaak is juist een normale eigenschap van de verzekerde zaak. Zij kan niet als een onzeker voorval worden aangemerkt. Denk aan het bederf van verse vis of fruit of normale slijtage van een machine. Schade die uit de aard voortvloeit is een normaal te verwachten gebeurtenis, waartegen verzekering niet mogelijk is. 11 Volgens Scheltema-Mijnssen zou daarom ook zonder de uitsluiting van schade die zijn oorzaak vindt in de eigen aard van de verzekerde zaak, deze schade niet zijn gedekt. 12 Denkbaar lijkt toch dat een verzekeringnemer bij het sluiten van de verzekering niet in alle opzichten de aard kent of niet bekend is wat bepaalde omstandigheden, zoals bijv. een lange zeereis, voor invloed hebben op de verzekerde zaak.

Causaliteit


In het nieuwe wetsartikel ontbreken de woorden “onmiddellijk voortspruitende”. Ook dat heeft geen praktische betekenis, omdat algemeen wordt aangenomen dat onder art. 249 WvK de algemene causaliteitsregels bepalend zijn, dat wil zeggen dat de aard of het gebrek van de zaak de rechtens relevante schadeoorzaak moet zijn. Onder het nieuwe recht is dat niet anders. Wanneer tijdens een normaal verlopen zeereis het vervoerde fruit toch bedorven aankomt, is dekking op grond van een gebrek of de aard van het fruit uitgesloten. Treedt echter bederf op omdat de reis abnormaal lang heeft geduurd als gevolg van een storm of een motorstoring, dan is de storm of de motorstoring (en niet een gebrek of de aard van het fruit) de rechtens relevante oorzaak van het bederf. De schade is dan gedekt, mits uiteraard tegen de gevolgen van storm of motorstoring is verzekerd.13

Ook kan het gebeuren dat de schade wel het directe gevolg is van een verzekerd evenement, maar dat dit evenement veroorzaakt is door een gebrek van de verzekerde zaak. Vastgesteld moet dan worden of het gebrek als rechtens relevante oorzaak heeft te gelden. Is dat het geval, dan bestaat er geen dekking. Het klassieke voorbeeld hiervan is het schip dat schipbreuk lijdt, waartegen verzekerd was, maar de schipbreuk werd veroorzaakt doordat het schip ernstig lekte als gevolg van een gebrek van het verzekerde schip. Over die situatie oordeelde het Hof dat de schipbreuk was veroorzaak door een eigen gebrek waartegen de verzekering geen dekking bood.14



Geen dwingend recht


Het staat partijen vrij af te wijken van art. 7.17.2.8 en dus schade ten gevolge van eigen gebrek en de aard van de verzekerde zaak wel te verzekeren15. Zoals hierboven vermeld is Scheltema-Mijnssen evenwel van mening dat verzekering tegen schade voortvloeiend uit de aard van de zaak niet mogelijk is, omdat die schade nooit een onzeker voorval vormt.

De afwijking van art. 7.17.2.8 hoeft niet altijd uitdrukkelijk te geschieden. Inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst zijn doorslaggevend. In brandpolissen wordt eigen gebrek veelal meeverzekerd.16 Machinebreukverzekeringen geven eveneens dekking tegen de gevolgen van eigen gebrek. Ook in de CAR-polis is dit (volledig of gedeeltelijk) gebruikelijk. De bepaling dat dekking wordt verleend voor “schade hoe gering ook en hoe ook ontstaan”, zonder verwijzing naar art. 249 WvK, werd door de Rb. Rotterdam niet als een renunciatie aan art. 249 beschouwd en dus konden verzekeraars zich toch op dit artikel beroepen.17



Conclusie


Nu art. 7.17.2.8 inhoudelijk niet afwijkt van art. 249 WvK, is te verwachten dat de rechtspraak zoals die zich ten aanzien van art. 249 heeft ontwikkeld, haar gelding onder het nieuwe recht zal behouden.

Roekeloosheid




Eigen schuld


Volgens art. 276 WvK komt schade die door eigen schuld van de verzekerde is veroorzaakt, niet ten laste van de verzekeraar. Onder ‘eigen schuld” vallen alle gradaties van schuld, dus van lichte schuld tot opzet. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat de verzekeraar ervan mag uitgaan dat de verzekerde de normale voorzichtigheid in acht neemt, dus niet tekort schiet in zorg ter voorkoming van schade, of, anders gezegd, zich gedraagt als een goed huisvader.

Merkelijke schuld


Daarnaast kent art. 294 WvK voor de brandverzekering een regeling die de verzekeraar eerst ontslaat van zijn verplichting tot schadevergoeding in geval van merkelijke schuld van de verzekerde. Daarvoor is niet voldoende dat de verzekerde enige, al is het slechts lichte, schuld heeft; er moet sprake zijn van een ernstige mate van schuld18, maar merkelijke schuld is niet gelijk te stellen met schuld die aan opzet grenst.19 In een arrest van 4 april 2003 geeft de Hoge Raad wat meer houvast20:

“Bij de beantwoording van de vraag welke mate van zorg de verzekeraar van de verzekerde mag verwachten, kan als uitgangspunt dienen dat van de verzekerde mag worden verwacht dat hij zich onthoudt van gedragingen waarvan hij weet of behoort te weten dat een aanmerkelijke kans bestaat dat deze tot schade zullen leiden. Van merkelijke schuld in de zin van art. 294 WvK is derhalve ook sprake, indien het gaat om een gedraging die, al is de verzekerde zich daarvan niet bewust, naar objectieve maatstaven een zodanige aanmerkelijke kans op schade met zich brengt dat de betrokken verzekerde zich van dat gevaar bewust had behoren te zijn en door zich van die gedraging niet te onthouden, in ernstige mate tekort schiet in de zorg ter voorkoming van schade.”

De Hoge Raad voegt daaraan nog toe dat voor een geslaagd beroep van de verzekeraar op “merkelijke schuld” dus niet is vereist dat de verzekerde zich bewust was van het gevaar van zijn handelen en hem in zoverre in subjectieve zin een verwijt treft. Voldoende is dat naar objectieve maatstaven de betrokken verzekerde zich van dat gevaar bewust had behoren te zijn. Aandacht verdient daarbij dat het moet gaan om de betrokken verzekerde die zich van het gevaar bewust had behoren te zijn. Het objectieve criterium lijkt hiermee weer enigszins te worden gerelativeerd: als de verzekerde bijvoorbeeld een brandweerman of een chemicus is, zal die zich in vele gevallen eerder van het gevaar van zijn gedraging die brand kan veroorzaken, bewust behoren te zijn dan een willekeurige andere verzekerde.

In geval van een door een geestelijk gestoorde (opzettelijk) veroorzaakte brand, had eerder de Hoge Raad in 1987 beslist dat van merkelijke schuld niet kan worden gesproken indien de verzekerde op grond van een stoornis van zijn geestvermogens geen verwijt kan worden gemaakt van het veroorzaken van de brand.21 Niet geheel duidelijk is of deze uitspraak nog te rijmen is met die uit 2003. 22

In de praktijk geldt de voor de verzekerde minder strenge maatstaf van art. 294 WvK ook voor andere verzekeringen die naar hun aard het risico van alledag dekken, zoals het diefstal- en inbraakrisico, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen.23

Wat betreft de bewijslast verdient nog vermeld te worden dat het de verzekeraar is die in beginsel moet bewijzen dat een verzekerde de schade door eigen (merkelijke) schuld

heeft veroorzaakt.24

Om wiens schuld gaat het?


De uitsluiting van dekking geldt alleen wanneer het gaat om de eigen schuld van de verzekerde. Is de schade veroorzaakt door (merkelijke) schuld van de verzekeringnemer en is de verzekerde een ander dan de verzekeringnemer, dan kan de verzekeraar aan de verzekerde geen dekking weigeren met een beroep op de schuld van de verzekeringnemer.

Maar als er meerdere verzekerden zijn en door (merkelijke) schuld van een van hen schade ontstaat, kan die schuld dan aan de andere verzekerden worden toegerekend, met als gevolg dat de andere verzekerde(n) dan ook geen recht op uitkering hebben? Het antwoord is, dat niet als algemene regel geldt dat opzet of eigen schuld van een der verzekerden de verzekeraar ook jegens de andere verzekerde(n) bevrijdt. Maar de omstandigheden van het geval en in het bijzonder de omstandigheid dat tussen de verzekerden een rechtsband bestaat als gevolg waarvan het verzekerde belang als gemeenschappelijk belang moet worden aangemerkt, kunnen meebrengen dat dit wel het geval is.25



Artikel 7.17.2.9: opzet of roekeloosheid

De wetgever heeft in het nieuwe verzekeringsrecht willen aansluiten bij de hierboven geschetste praktijk dat ook het risico van alledag, waarbij de verzekerde zich gemakkelijk aan een nalatigheid of onvoorzichtigheid schuldig kan maken, hem niet wordt toegerekend. Er is voor gekozen alleen de zwaarste schuldgraden van dekking uit te sluiten, waarvoor in het Voorstel van 1986 de begrippen opzet en grove schuld werden gebruikt. Met de term grove schuld stond de wetgever voor ogen een “in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld”, waarbij van deze schuld ook sprake kan zijn indien de dader zich niet bewust is van de schade die zijn handeling kan meebrengen.26 Met het begrip grove schuld wordt op een zeer hoge schuldgraad gedoeld.27

Nadien is de term grove schuld vervangen door roekeloosheid, waarbij nadrukkelijk is aangegeven dat hiermee geen inhoudelijke wijziging is beoogd.28 De wetgever boogde slechts de terminologie in overeenstemming te brengen met die welke in het Burgerlijk Wetboek gebruikelijk is. 29 Roekeloosheid omvat dus zowel de bewuste als de niet-bewuste roekeloosheid.

Hoe verhoudt roekeloosheid (grove schuld) zich tot merkelijke schuld? In de rechtsliteratuur wordt algemeen aangenomen dat het bij grove schuld, dus ook bij roekeloosheid, gaat om een zwaardere vorm van schuld dan merkelijke schuld.30 Waar, in de woorden van Wansink, de lat voor een geslaagd beroep op merkelijke schuld al hoog ligt31, zou die voor een geslaagd beroep op roekeloosheid dus nog hoger liggen. Dit zou kunnen betekenen dat het - in het licht van voornoemd arrest van 4 april 2003 - moet gaan om een gedraging van de verzekerde die meer dan een aanmerkelijke kans op schade met zich brengt.

Het begrip opzet in art. 7.17.2.9 is volgens de Minister verwant met de begrippen opzet en voorwaardelijk opzet in strafrechtelijke zin, en omvat drie vormen van opzet, te weten opzet als oogmerk, opzet als zekerheidsbewustzijn en voorwaardelijk opzet.32

Om wiens opzet of roekeloosheid gaat het?


Ook onder het nieuwe recht geldt dat het moet gaan om de opzet of roekeloosheid van de

verzekerde, en niet de verzekeringnemer.

Wanneer er meerdere verzekerden zijn, geldt blijkens art. 7.17.2.9 de regel dat opzet of roekeloosheid van een van de verzekerden niet ook aan de andere(n) kan worden tegengeworpen. Voor een uitzondering ingeval van de bijzondere omstandigheid dat er een rechtsband tussen de verzekerden bestaat waardoor het verzekerd belang als gemeenschappelijk belang is aan te merken, lijkt geen plaats meer te zijn. Het gevolg kan zijn dat wanneer de ene echtgenoot een in de huwelijksgoederengemeenschap vallend schilderij met opzet vernielt, de verzekeraar wel een uitkering verschuldigd is aan de andere echtgenoot.33

Afwijking toegestaan


Art. 7.17.2.9 bevat geen dwingend recht. Partijen zijn dus vrij overeen te komen dat verzekeraars ook geen schade vergoeden in geval van een lichtere mate van schuld dan roekeloosheid.

Conclusie


Tussen art. 276 WvK (“schuld”) en het nieuwe art. 7.17.2.9 (“roekeloosheid”) bestaat een aanzienlijk verschil. Onder het “oude” recht is in principe lichte schuld al voldoende om het recht op uitkering te verliezen, terwijl onder het nieuwe recht dat pas het geval is wanneer er sprake is van roekeloosheid, waaronder waarschijnlijk een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld is te verstaan. Of de verzekerde zich bewust was van het gevaar dat zijn gedraging schade kan veroorzaken, is niet van belang.

In de praktijk gold echter behalve voor brandverzekeringen, ook voor andere verzekeringen die het risico van alledag verzekeren, al de norm van merkelijke schuld (art. 294 WvK), dat wil zeggen dat sprake moet zijn van een gedraging die een aanmerkelijke kans op schade meebrengt, en wel zodanig dat de verzekerde zich van dat gedrag had behoren te onthouden. Die norm ligt al een stuk dichter bij die van roekeloosheid in het nieuwe recht.34 Hoe dicht zal door de rechtspraak moeten worden uitgemaakt. Alle mooie formuleringen ten spijt, zal het ook dan vooral een kwestie van feitelijke waardering van alle omstandigheden blijven.



Mr. J.H.J. Teunissen


De serie artikelen staat onder redactie van mr. J.H.J. Teunissen en mr. W.G.B. Neervoort, Praktijkgroep Verzekering & Aansprakelijkheid, Van Traa Advocaten.

1 Kuiper, Onzeker voorval en onvoorziene omstandigheden in het verzekeringsrecht, VA 1996/4, p. 147.

2 MvT, p. 25.

3 Scheltema-Mijnssen, nr 5.21.

4 Rb. Rotterdam 9 december 1903, W 8098.

5 Rb. Rotterdam 7 maart 1930, NJ 1931, 971.

6 Rb. Rotterdam 9 februari 1990, S&S 1990, 94.

7 HR 4 januari 1980, NJ 1984, 305 (Monoliet-arrest), waar het ging om de vraag of de schade veroorzaakt was tijdens de dekkingsduur van de verzekering.

8 Art. 7.17.1.1, waarover meer in de Beursbengel van mei 2004, p. 4 e.v.

9 MvT, p 5-6.

10 A.w. nr 249.

11 Scheltema-Mijnssen, nr 5.22 en Asser-Clausing-Wansink, nr. 250.

12 Scheltema-Mijnssen, nr 5.22.

13 Asser-Clausing-Wansink, nr 253 en Scheltema-Mijnssen, nr 5.29.

14 HR 23 april 1982, NJ 1982, 520 en S&S 1982, 66 (“Che Guavara”), waarin het cassatieberoep werd verworpen. De HR oordeelde voorts dat voor een beroep op art. 249 WvK niet is vereist dat het gebrek reeds ten tijde van het sluiten van de verzekering bestond.

15 Dat volgt uit art. 7.17.2.25a .

16 Zie bijv. art 2.1 Nederlandse Beurs Brandpolis - 1990.

17 Rb. Rotterdam 3 juni 1952, NJ 1953, 157. Zo ook Dorhout Mees-Wachter 1967, nr 331 en 371 en Van Huizen, Het Transportverzekeringsbedrijf, diss. (1988), p. 160.

18 HR 17 juni 1988, NJ 1988, 966.

19 HR 3 februari 1989, NJ 1990, 477.

20 RvdW 2003, 70. Over dit arrest zie o.m J.H. Wansink, AV&S 2004-2, p. 68 en R. Feunekes, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2004-2, p. 47-48.

21 HR 27 maart 1987, NJ 1987, 658.

22 Volgens Asser-Mijnssen, nr 5.36, gaat het blijkens een tweede arrest van 27 maart 1987 (NJ 1987, 659), eveneens brandstichting, om een gebrek aan inzicht van de gestoorde verzekerde in de gevolgen van zijn handelen, zodat subjectief van een tekort schieten in zorg niet kan worden gesproken.

23 HR 17 juni 1988, NJ 1988, 966 inzake een kostbaarhedenverzekering ; zie ook Asser-Clausing-Wansink, nr. 254.

24 HR 12 januari 2001, NJ 2001, 419.

25 HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 224. Daarover J.H. Wansink, AV&S 2004-2, p. 71 e.v., die als voorbeelden van zo’n bijzondere omstandigheid noemt de huwelijksgemeenschap, de maatschap, v.o.f. en c.v. en de gemeenschap van een in appartementsrechten gesplitst gebouw.

26 MvT, p. 25. De term “in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld”ontleende de wetgever aan het bekende Codam-Merwede-arrest van 24 maart 1954, NJ 1955, 386.

27 Memorie van Antwoord n.a.v. het Voorlopig Verslag van de vaste commissie voor Justitie van 31 oktober 2003, p 16.

28 Toelichting op Nota van Wijziging nr 5, p. 31 en Memorie van Antwoord, p. 16.

29 In het Burgerlijk Wetboek wordt gesproken over “bewuste roekeloosheid.” Daaruit mag evenwel beslist niet worden geconcludeerd dat in art. 7.17.2.9 de roekeloosheid is beperkt tot bewuste roekeloosheid.

30 Zie Asser-Clausing-Wansink, nr. 261 en de aldaar genoemde schrijvers. Het standpunt van de wetgever is niet geheel eenduidig, waarover Van Ardenne-Dick en Blom, Eigen schuld en opzet in het verzekeringsrecht in Bewuste roekeloosheid in het privaatrecht (2004), p. 103-104.

31 J.H. Wansink, AV&S 2004-2, p. 67.

32 Memorie van Antwoord, p. 16.

33 De Toelichting op de Nota van Wijziging nr. 5, p. 31 wijst daar uitdrukkelijk op. Ingevolge art. 7.17.2.4 lid 2 is in een gemeenschap van goederen iedere echtgenoot voor zijn belang verzekerde.

34 Van Ardenne-Dick en Blom, Eigen schuld en opzet in het verzekeringsrecht in Bewuste roekeloosheid in het privaatrecht (2004), p. 103, achten het verschil tussen deze twee schuldgraden erg subtiel.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina