Aardewerkvondsten Kota Radja, op het terrein aan het Groot Schavernek, Leeuwarden



Dovnload 22.88 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte22.88 Kb.
Aardewerkvondsten Kota Radja, op het terrein aan het Groot Schavernek, Leeuwarden

In mei 2009 is door de werkgroep Archeologie van Aed Lewerd een vervolgonderzoek gedaan op de plaats van de voormalige keuken van het afgebrande restaurant Kota Radja. De reden hiervoor was dat er een gedeelte van de voormalige steeg naar de Messenmakerstraat bloot kwam te liggen.


Deze rapportage is gemaakt naar aanleiding van de grote hoeveelheid scherven die toen gevonden is. Om de bewoning op deze plaats in de tijd te plaatsen heeft Akkie Hiemstra, lid van de werkgroep, een selectie gemaakt van de scherven en deze gedetermineerd.


V.l.n.r. Rob Ferwerda, Wiebe Baanstra, Akkie Hiemstra-Visser en in de put, Erwin Boers.

1. Fragmenten van een kookpot van Jyde aardewerk.
Het meest opvallend, zo dachten we eerst, was de vondst van drie scherven van een bolpot. Het donkergrijs gesmoorde met de handgevormde aardewerk deed qua structuur en kleur sterk denken aan een middeleeuwse bolpot. Bij nadere beschouwing bleek het te gaan om Jyde aardewerk. Dit aardewerk werd geïmporteerd uit Jutland, Denemarken. Jyde aardewerk wordt vaak aangetroffen bij stadsopgravingen in Nederland en duid op handel met de Scandinavische landen rond 1650 tot 1800. Opmerkelijk is dat dit aardewerk niet op de draaischijf gemaakt werd, maar met de hand gevormd, wat een grote vaardigheid vereiste omdat de potten vaak groot van formaat waren.
Deze ongeglazuurde potten waren een belangrijke bron van neveninkomsten voor veel landelijke Deense boerenfamilies uit de achttiende tot de late negentiende eeuw. De ‘Jyddepotter’ zoals dit aardewerk genoemd wordt in Denemarken, werd hoofdzakelijk gemaakt door vrouwen. Een ervaren pottenbakster kon wel 2000 tot 3000 potten per zomerperiode vervaardigen. Dit relatief goedkope aardewerk werd daarna op de markten in de steden verkocht en vond zo de weg, vaak als scheepsballast, naar grote delen van Europa. Een onderzoeker noemde Jyde aardewerk zelfs het Tupperware van de achttiende eeuw.
Rond 1850 daalde de productie snel en was rond 1880 vrijwel verdwenen, de weinige pottenbaksters die overbleven maakten hoofdzakelijk nog decoratieve waar voor de plaatselijke bevolking.

Totdat rond de jaren 60 van de vorige eeuw er een nieuwe belangstelling naar de traditionele levensstijl van het Deense volk ontstond. Hierdoor kwam er opnieuw belangstelling naar de productie wijze van dit ambachtelijke aardewerk. Tot op de dag van vandaag word er weer Jyde aardewerk geproduceerd in kleine ateliers.




Randfragment jyde kookpot Afbeelding jydepot



2. Roodbakkend aardewerk
Er is een grote hoeveelheid scherven van roodgebakken aardewerk gevonden. De meeste scherven zijn te dateren in de periode 17e tot begin 19e eeuw. Maar ook uit het laatste kwart van de16e eeuw, zijn er scherven gevonden. Het betreft onder andere een buik of wand fragment van een kan of pot van dunwandig, roodgebakken aardewerk. Dit aardewerk kenmerkt zich, doordat het glazuur niet de gehele pot bedekt. Ook de opbouw van ringen op de schouder doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een vroeg exemplaar.
Uit de 17e eeuw is een fragment van een steelpan, of koekenpan gevonden. Deze heeft veel kenmerken van roodbakkend aardewerk uit Bergen op Zoom. Zoals de duimindrukken op de aanzet van de steel en de omgeslagen randen van de steel zelf. Het kan zijn dat dit in die tijd bekende aardewerk plaatselijk is nagemaakt, of we hebben te maken met een product wat echt gemaakt is in Bergen op Zoom. Helaas is het merkteken ‘BOZ’, niet aanwezig, zodat er inderdaad gedacht moet worden aan namaak. Het is heel goed mogelijk dat dit zelfs in Leeuwarden is geproduceerd.
Ook uit de 17e eeuw is een bovenkant fragment met een gedeelte van het handvat van een vuurklok gevonden. Een vuurklok diende om een smeulend haardvuurtje af te dekken voor de nacht, zodat het in de vroege morgen weer opgerakeld kon worden. De binnenkant van deze scherf heeft roetsporen.
Opvallend is dat er veel aardewerk is gevonden met slibversiering en groene koperoxide versieringen, zoals borden, grape’s en schalen. Deze versieringen, vaak in lichtgele tot witte slib, werden aangebracht met een koehoorn waarvan de punt was afgezaagd. We noemen deze techniek ringeloren.

Roodbakkend aardewerk van na 1650 heeft meestal rondom glazuur. Vanaf deze tijd werd het aardewerk namelijk ondergedompeld in een bad van loodoxide en kwarts zodat de potten, borden, po’s enz. volledig voorzien werden van een glazuurlaag. Dit maakte het gebruiksaardewerk waterdicht.


Naast het roodbakkend aardewerk komen we ook scherven tegen van geel en groen geglazuurd aardewerk. Dit aardewerk was iets duurder in de aanschaf omdat de gebruikte klei aangevoerd moest worden uit de zuidelijke Nederlanden of uit Duitsland. Dit soort aardewerk werd gemaakt uit de witte, zogenoemde pijpklei. Hierdoor kwam de kleur groen en geel beter tot zijn recht. Scherven van dit soort aardewerk zijn gevonden met zowel gedeeltelijke glazuur, als gehele onderdompeling.

Friesland is in de achttiende en negentiende eeuw de belangrijkste producent van het roodgebakken aardewerk van Nederland geweest. In veel dorpen en steden in Friesland waren wel een of meerdere pottenbakkers gevestigd. Naast Friesland waren er ook belangrijke centra in Bergen op Zoom, Gouda en Oosterhout. Het potgoed vond zijn weg naar grote delen van Nederland via de potvaarders en andere schippers.




Laat 16e eeuws roodbakkend aardewerk 18e eeuws roodbakkend met slibversiering
3. Majolica
Naast de vele tegelfragmenten te dateren van 1630 tot 1780 werden ook scherven gevonden van borden en schotels, welke we rekenen tot Majolica aardewerk. Majolica aardewerk kenmerkt zich door het witte tinglazuur, dat met veel kleur beschilderd kon worden en daarna met een tweede glazuurlaag (loodglazuur) werd afgebakken. Een van deze scherven van polychrome (gekleurde) majolica is bijna met zekerheid afkomstig uit Harlingen rond, 1650.
De schilders van deze schotels gebruikten vaak dezelfde motieven waardoor het gemakkelijker wordt de herkomst te achterhalen en te dateren.

Het schilderen gebeurde met gekleurde fijngemalen glaspoeder aangelengd met water. Hierdoor ontstond een papje waarmee met verschillende kleuren op de schotel of tegel een afbeelding of tafereel werd aangebracht.

Het beschilderde bord of schotel ging daarna opnieuw de oven in voor de zogenoemde afbrand.

Van een scherf, zeer waarschijnlijk uit Harlingen, gevonden bij Kota Radja, is er een bord bekend dat te vinden is in Keramiekmuseum Princessehof te Leeuwarden. Dit bord kan gedateerd worden rond 1630.

Ook werd een scherf gevonden van ‘namaak’ Chinees porselein. Deze faience, meestal blauw beschilderd, werd gemaakt naar voorbeeld van het Chinese porselein dat na 1602 in Nederland ontzettend gewild was. Het was behoorlijk duur in die tijd, dus probeerden de Friese pottenbakkers dit te imiteren. De witte import klei werd aan beide zijden voorzien van tinglazuur en daarna beschilderd. Maar hun schotels en kommen waren veel dikker en minder verfijnd. Omdat men hier de grondstof voor het vervaardigen van porselein nog niet kende was dit product het beste wat men lokaal te bieden had. De majolica en faiencebakkerijen in Bolsward, Harlingen en Makkum beleefden gouden tijden. Faience aardewerk was een luxe product, waarvoor behoorlijk in de buidel getast moest worden.



Gevonden scherven op bestaand bord uit Harlingen


Majolicabord Keramiekmuseum Princessehof Scherf gevonden bij kota Radja


Faience fragment van een kom
4. Kinderspeelgoed.
Tussen al het scherfmateriaal kwamen we ook miniaturen tegen van onder andere een zeefje en een grape. De scherven van dit materiaal kunnen we dateren in de 18e eeuw.

Het gaat hier om een aantal scherven van witbakkende klei, met een gele en/of groene glazuurlaag. Dit materiaal werd vaak als neven product gebakken in de productiecentra. Dat er vraag naar was blijkt wel uit de vele fragmenten die tijdens stadsopgravingen worden gevonden.


5. Geimporteerd Duits aardewerk
Opmerkelijk is een tweetal scherven van Wezer aardewerk, eentje afkomstig van een bord of schaal en de andere van een bierpul. (zie afbeelding)

Dit aardewerk is afkomstig uit het Hessische Werragebied in Duitsland en te dateren ongeveer 1575-1630. Kenmerkend voor Wezer aardewerk is de radstempel versiering, zoals op de buik van de bierpul is te zien. Voor Leeuwarden duidelijk een importproduct en dus duur.




Scherven Wezer aardewerk Wezer bord Wezer bierpul
Veel voorkomend binnen stadsopgravingen zijn de baardman kannen. Bij Kota Radja is een halsscherf gevonden van dit soort kan, het betreft hier de onderkant van de baard. Hierdoor kan deze scherf gedateerd worden rond 1650. (zie afbeelding) Dit soort kannen werden gemaakt in Siegsburg of Frenchen Duitsland. We noemen dit aardewerk Duits steengoed, omdat het bij een hoge temperatuur gebakken werd waardoor de klei ging sinteren en hierdoor waterdicht werd. Door ook nog een afdekkende zoutglazuur aan te brengen was deze kan vrijwel geheel waterdicht. De afbeelding van de baardman op de hals van de kan werd gemaakt met behulp van een mal. De afbeelding werd als het ware op de leerharde klei gedrukt en daarna afgebakken. Duits steengoed was in die tijd een groot exportproduct. Duitsland kende veel steengoedbakkerijen onder andere in Siegsburg, Frenchen en Raeren.


Fragment baardman Baardmankruik
Zeldzamer dan de baardmankannen zijn medaillon kannen. Deze werden gemaakt in het Schwartzwald en Westerwald in Duitsland. Net als bij de baardman, werden de kleine medaillonnetjes op de leerharde kan gedrukt en daarna werd het geheel afgebakken. De fragmenten gevonden bij Kota Radja zijn afkomstig van een bierpul en zijn te dateren rond 1650-1675. Deze bierpullen hadden meestal een tinnen deksel.



Medaillonkan Scherven gevonden bij Kota Radja

6. Waldglas of verre de fougere.
Dat glaswerk in het verleden een luxe product was blijkt uit het kleine aantal glasscherven dat werd gevonden. Opmerkelijk is wel, dat het heel oude scherven zijn. Zo zijn er een kleine en iets grotere scherf gevonden van het zogenoemde Waldglas, gemaakt in Duitsland. Het gaat hier om twee scherven van verschillende glazen. Bij de ene kunnen we aan de vorm en ronding van de scherf zien dat het hier gaat om een lage drinkbeker met horizontale ribben. Deze ondiepe cylindrische kommetjes staan in de Duits sprekende gebieden bekend als maigelein. Deze naam is weer afgeleid van het Italiaanse miolo of mucolo, deze laatste is weer afkomstig van het Latijnse modiolus, wat maatglas betekent. De tweede redelijk grote scherf is afkomstig van zo’n maatglas. Deze meestal hoge cilindrische glazen hadden een horizontale versiering van omgewonden glasdraad op regelmatige afstand van elkaar. We noemen ze ook wel pasglas. Het verhaal wil dat men bij drinkgelagen van cirkel tot cirkel moest drinken en deze in een teug achterover moest slaan…Gelukkig werd er vooral bier of wijn uit gedronken. Vaak zie je op oude schilderijen nog afbeeldingen van dit soort glazen. Meestal staan verschillende soorten van dit glaswerk door elkaar op de tafels, want een vast servies had men nog niet. We spreken hier over glas uit het eerste kwart van de 17e eeuw gemaakt in Duitsland. In Nederland bleef dit glaswerk in de mode tot het midden van de 17e eeuw.


Scherven van drinkbeker en pasglas Drinkbekertje maigelein

Conclusie

Vooral uit het midden van de 17e eeuw is er veel luxe waar gevonden. We noemen hier het

Wezer aardewerk, Majolica en faience schalen of borden en de medaillonkan. Maar ook het glaswerk valt hieronder, niet iedere burger had dit op de tafel staan. We kunnen dus concluderen dat er in de periode van ongeveer 1630 tot 1700 een welgesteld persoon heeft

gewoond. De gouden eeuw weerspiegeld op het Schavernek te Leeuwarden.



Akkie Hiemstra-Visser 12-07-2009



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina