Aardrijkskunde



Dovnload 40.01 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte40.01 Kb.
CONCEPT

KERNDOELEN

AARDRIJKSKUNDE

BASISVORMING


Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap

december 2002





Inhoudsopgave


  1. Uitgangspunten 2

  2. Kerndoelen 4

  3. Samenwerking met andere vakken 6

  4. Aanwijzingen voor het derde leerjaar 6

  5. Reductie 7

  6. Hoe verder? 8




  1. UITGANGSPUNTEN


Aardrijkskunde is een boeiend vak, dat leerlingen een beeld wil bijbrengen van de wereld om hen heen. Aardrijkskunde is meer dan topografie. Aardrijkskunde gaat over actuele vraagstukken met een geografische dimensie. Een tiental voorbeelden van belangrijke thema’s:

    • het broeikaseffect en de zeespiegelstijging

    • aardbevingen en vulkanisme

    • mondiale vluchtelingenstromen

    • verpaupering en gettovorming in grote steden

    • grensoverschrijdende milieuvervuiling van rivieren

    • de gevolgen van de samenwerking tussen landen van de EU voor verschillende landen in Europa

    • de veranderende ruimtelijke inrichting van Nederland

    • Nederland distributieland

    • de strijd om en tegen het water in Nederland

    • de leefbaarheid van je eigen woonomgeving.

Door dit soort vraagstukken in het onderwijs aan te kaarten draagt aardrijkskunde bij aan burgerschapsvorming.

Leerlingen ontdekken hoe de wereld in elkaar zit door de bestudering van menselijke en natuurlijke factoren en de bestudering van relaties binnen en tussen gebieden. Ook verwerven leerlingen bij aardrijkskunde geografische vaardigheden als kaart- en atlasgebruik en veldwerk die onontbeerlijk zijn voor het zelfstandig ontdekken en onderzoeken van de wereld om hen heen.
Doelstelling van het aardrijkskundeonderwijs:

Aardrijkskunde draagt bij aan de vorming van jonge mensen tot zelfstandige en kritische burgers door ze systematisch kennis, inzicht en vaardigheden te laten verwerven waarmee zij zich een mening kunnen vormen over de dynamische regionale verscheidenheid in de wereld, Europa, Nederland en hun eigen omgeving.


Deze notitie wil een nieuwe koers uitzetten voor een nieuw kerncurriculum aardrijkskunde voor de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs.

Wat is die nieuwe koers?



Dat betekent weten ‘waar en waarom daar’ zich iets afspeelt. Goed om te weten als zakenman, toerist of als je het nieuws wilt volgen. Geen twee gebieden zijn gelijk. Bovendien veranderen gebieden voortdurend onder invloed van allerlei menselijke en natuurlijke factoren en processen. Naast ‘tijd’ is ‘plaats’ een zeer belangrijke aspect bij alles wat we doen. In de oude regionale geografie ging het om ‘kapen- en kustenkunde’. Het leren van veel feiten stond centraal. Moderne regionale geografie wil feiten in een ruimtelijke context plaatsen en gaat over verschillen, overeenkomsten en relaties tussen gebieden.

  • De nieuwe koers betekent ook op een bepaalde manier leren kijken naar gebieden en ontwikkelingen in gebieden. Dat is een kwestie van kennen en kunnen.

Enerzijds moeten leerlingen de basistopografie van de wereld kennen en de belangrijkste geledingen van de wereld, Europa en Nederland kunnen beschrijven en duiden. Dit biedt een kader voor het kunnen begrijpen van nieuwe ontwikkelingen.

Anderzijds moeten leerlingen een aantal vaardigheden ontwikkelen om zelf geografische informatie te kunnen verzamelen, ordenen en analyseren. Want alleen feiten leren heeft niet zo veel zin in een snel veranderende samenleving. Dat houdt in dat leerlingen beschikken over kaart- en atlasvaardigheden, een eenvoudig veldwerk kunnen uitvoeren en de geografische manier van kijken kunnen toepassen. De geografische manier van kijken houdt in dat leerlingen in staat zijn bij de bestudering van gebieden en verschijnselen in gebieden zowel menselijke als natuurlijke factoren in de beschouwing te betrekken als ook relaties binnen en tussen gebieden. Daarmee kunnen zij een beeld opbouwen van en zich een mening vormen over de wereld om hen heen.


In deze notitie worden alleen vakspecifieke vaardigheden genoemd omdat er van uit gegaan wordt dat vakoverstijgende vaardigheden elders in het nieuwe curriculum vermeld zullen worden. Ook ICT wordt niet expliciet genoemd daar het niet vakspecifiek is. Wat niet wil zeggen dat ICT niet belangrijk is. Integendeel, ICT biedt aardrijkskunde veel nieuwe mogelijkheden, onder andere via ‘internet’ en ‘remote sensing’.
In deze notitie wordt uitgegaan van een constructivistische opvatting over leren, dat wil zeggen het leerproces van de leerling staat centraal. Dat betekent aansluiten bij de beginsituatie van de leerling en de leerling via een moderne didactische aanpak uitdagen de wereld om hem heen verder te ontdekken. Leren door doen en kritisch leren denken zijn daarbij belangrijke noties. Overigens zal deze aanpak vooral blijken uit de uitwerking van de kerndoelen in schoolboeken en lessen aardrijkskunde.
Bij een nieuw kerncurriculum hoort een overkoepelende doelstelling waarin staat wat het schoolvak beoogt. Die doelstelling is hierboven geformuleerd. Het is een (gedeeltelijk) nieuwe formulering die opgesteld is na bestudering van eerdere formuleringen. Bij de doelstelling is een korte toelichting gegeven op de nieuwe koers die het aardrijkskundeonderwijs wil inslaan. Deze nieuwe koers wordt breed gesteund door aardrijkskundedocenten en moet een inhoudelijke leerlijn gaan vormen van basisonderwijs via basisvorming naar de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Ook het nieuwe programma voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs dat nu geschreven wordt gaat uit van deze koers. Hier beperken we ons tot een herziening van het programma aardrijkskunde voor de basisvorming,
De hieronder volgende kerndoelen vormen het concept kerncurriculum voor het schoolvak aardrijkskunde in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Na de kerndoelen is kort aangeven waar mogelijkheden liggen voor samenwerking met andere vakken en hoe het derde leerjaar aardrijkskunde ingevuld zou kunnen worden. Een nadere toelichting op de leerstof en een uitsplitsing voor vmbo en en havo/vwo zullen begin 2003 aan deze kerndoelen worden toegevoegd. Daarbij zal ook het differentiéle deel naast het kercurriculum aangegeven moeten worden.
De kerndoelen zijn opgedeeld in 5 domeinen:

    1. De geografische basis

    2. Een eigentijds beeld van de wereld

    3. Een eigentijds beeld van Europa

    4. Een eigentijds beeld van Nederland

    5. Een eigentijds beeld van de eigen omgeving

De geografische basis hebben leerlingen nodig om zich een beeld van de wereld, Europa, Nederland en Europa te kunnen vormen. In de kerndoelen wordt per ruimtelijk niveau aangegeven wat leerlingen in de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs zouden moeten kennen en kunnen. Bij de formulering van het leerlinggedrag in deze kerndoelen is standaard gekozen voor de werkwoorden ‘beschrijven’ en ‘verklaren’ vanuit het idee dat leerlingen op dit niveau in ieder geval moeten weten ‘wat waar’ is en ‘waarom daar’. Waar meningsvorming aan de orde is zoals bij ruimtelijke conflicten en milieuvraagstukken gaan wij er vanuit dat dat in de klas aan de orde komt ook al wordt het niet getoetst. Soms is verklaren noch meningsvorming aan de orde voor leerlingen op dit niveau, zoals bij de beschrijving van de ligging en kenmerken van het reliëf in Europa. Tot slot moet opgemerkt worden dat het bij ‘verklaren’ er om gaat dat leerlingen niet alleen inzicht verwerven, naar dat zij dat inzicht ook in nieuwe situaties kunnen toepassen.

  1. KERNDOELEN



A. DE GEOGRAFISCHE BASIS


  1. Leerlingen kunnen de geografische manier van kijken toepassen bij de bestudering van gebieden en verschijnselen in gebieden. Dat wil zeggen dat leerlingen in staat zijn bij de bestudering van gebieden en verschijnselen in gebieden zowel menselijke als natuurlijke factoren in de beschouwing te betrekken als ook relaties binnen en tussen gebieden. Daarmee kunnen zij een beeld opbouwen van en zich een mening vormen over de wereld om hen heen.

  2. Leerlingen beschikken over eenvoudige veldwerkvaardigheden.

  3. Leerlingen beschikken over eenvoudige kaart- en atlasvaardigheden en kennen de basistopografie van de wereld, Europa en Nederland.



B. EEN EIGENTIJDS BEELD VAN DE WERELD


  1. Leerlingen kunnen de ligging en enkele kenmerken van de belangrijkste klimaat-en vegetatiezones op aarde beschrijven en verklaren.

  2. Leerlingen kunnen de ligging en kenmerken van de hoofdlijnen van het reliëf op aarde en de processen die gebergtevorming, vulkanisme en aardbevingen veroorzaken, beschrijven.

  3. Leerlingen kunnen enkele belangrijke milieuproblemen op aarde zoals ontbossing, erosie, verwoestijning en het versterkte broeikaseffect beschrijven en verklaren.

  4. Leerlingen kunnen de spreiding en groei van de bevolking in de wereld en de veranderingen daarin beschrijven en verklaren.

  5. Leerlingen kunnen de ligging en enkele kenmerken zoals taal en godsdienst van de grote cultuurgebieden in de wereld beschrijven.

  6. Leerlingen kunnen de ligging en kenmerken van gebieden met een verschillende economische ontwikkeling en de handelsrelaties tussen die gebieden op mondiaal niveau beschrijven en verklaren.

  7. Leerlingen kunnen aan de hand van de gegrafische manier van kijken via een eenvoudig onderzoek een globale geografische beschrijving geven van de Verenigde Staten, China, Marokko of Turkije.



C. EEN EIGENTIJDS BEELD VAN EUROPA


  1. Leerlingen kunnen de ligging en enkele kenmerken van de belangrijkste klimaat- en vegetatiezones en het reliëf in Europa beschrijven.

  2. Leerlingen kunnen enkele belangrijke milieuproblemen in Europa zoals de grensoverschrijdende vervuiling van rivieren beschrijven en verklaren.

  3. Leerlingen kunnen de spreiding en groei van de bevolking in Europa en de veranderingen daarin beschrijven en verklaren.

  4. Leerlingen kunnen de ligging en kenmerken van gebieden met een verschillende economische ontwikkeling en de handelsrelaties tussen die gebieden op Europees niveau beschrijven en verklaren.

  5. Leerlingen kunnen gevolgen van de samenwerking tussen landen van de Europese Unie voor verschillende landen in Europa beschrijven en verklaren.

  6. Leerlingen kunnen aan de hand van de geografische manier van kijken via een eenvoudig vergelijkend onderzoek een globale geografische beschrijving geven van een West-Europees, een Zuid-Europees en een Midden/Oost-Europees land.



D. EEN EIGENTIJDS BEELD VAN NEDERLAND


  1. Leerlingen kunnen de strijd tegen en om het water in Nederland beschrijven en verklaren.

  2. Leerlingen kunnen het landschap van hoog en laag Nederland beschrijven en verklaren.

  3. Leerlingen kunnen enkele belangrijke milieuproblemen in Nederland zoals de vervuiling van lucht en bodem beschrijven en verklaren.

  4. Leerlingen kunnen de spreiding en enkele kenmerken zoals de leeftijdsopbouw en etniciteit van de bevolking in Nederland beschrijven en verklaren.

  5. Leerlingen kunnen de veranderende ruimtelijke inrichting van Nederland op het gebied van wonen, werken, recreëren en vervoer globaal beschrijven en verklaren.



E. EEN EIGENTIJDS BEELD VAN DE EIGEN OMGEVING


  1. Leerlingen kunnen uitgaande van een vraagstelling een eenvoudig fysisch-geografisch onderzoek (veldwerk) in de eigen omgeving uitvoeren en het verkende landschap beschrijven en verklaren.

  2. Leerlingen kunnen uitgaande van een vraagstelling een eenvoudig sociaal-geografisch onderzoek (veldwerk) in de eigen omgeving uitvoeren en het verkende gebied beschrijven en verklaren.

  3. Leerlingen tonen zich betrokken bij hun eigen leefomgeving. Dit blijkt uit het feit dat zij ruimtelijke conflicten in de eigen omgevingen kunnen beschrijven en verklaren en zich daarover een mening vormen.


  1. SAMENWERKING MET ANDERE VAKKEN

Uitgaande van bovengenoemde visie op aardrijkskunde en bijbehorende kerndoelen zijn er verschillende mogelijkheden voor samenwerking tussen aardrijkskunde en andere schoolvakken. Te denken valt aan de volgende thema’s:



  • Het thema multiculturele samenleving (kerndoel D4)samen met het vak geschiedenis.

  • Het thema Europese Unie (kerndoel C5) samen met het vak geschiedenis.

  • Het thema ontwikkelingsproblematiek (kerndoel B6) samen met het vak geschiedenis.

  • Het thema milieuproblematiek (kerndoelen B3, C2 en D3) samen met het vak ‘natuur’.

  • Veldwerk in de eigen omgeving (kerndoelen E1 en E2) samen met ‘natuur’ en/of geschiedenis.


  1. AANWIJZINGEN VOOR HET DERDE LEERJAAR

Het is wenselijk voor het derde leerjaar havo/vwo nieuwe doelen te formuleren die enerzijds voortbouwen op de bovenstaande kerndoelen voor de basisvorming en anderzijds rekening houden met de eindtermen voor de bovenbouw havo/vwo.

Het is noodzakelijk 15 jarigen op havo en vwo niveau zowel verbreding als verdieping van het curriculum van de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs aan te bieden en wel op zodanige wijze dat het een opstap vormt voor het aardrijkskundeonderwijs in de bovenbouw havo/vwo.

Daarbij zou uitgaande van de doelstelling van aardrijkskundeonderwijs, zoals die eerder in deze notitie geformuleerd is, gedacht kunnen worden aan verschillende thema’s en regio’s.

Het is goed leerlingen boeiende nieuwe thema’s en regio’s aan te bieden waarbij voortgebouwd wordt op eerder verworven kennis en de geografische manier van kijken weer het uitgangspunt vormt.

Gedacht wordt aan de volgende thema’s en regio’s:



    • Mondiale vorming waarbij aandacht besteed wordt aan de ontwikkelingsproblematiek en politieke geografie in één of meer wereldregio’s als Latijns-Amerika, Afrika, Zuid-Azië of het Midden-Oosten.

    • Europese vorming waarbij aandacht besteed wordt aan één of meer buurlanden van Nederland waaronder Duitsland.

    • Enkele vraagstukken ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland op het gebied van verkeer en waterstaat, ruimtelijke ordening en milieu zoals VINEX locaties, HSL lijn, de uitbreiding van Schiphol, de Betuwelijn, etc.

Deze opbouw sluit qua ruimtelijke niveaus en thema’s zowel aan bij de opbouw van het hier gepresenteerde kerncurriculum basisvorming als bij de voorgestelde opbouw voor het aardrijkskundeprogramma in de bovenbouw van havo/vwo.


Bij het thema Europese vorming ligt de mogelijkheid voor de hand gebruik te maken van excursies en uitwisselingsprogramma’s met scholen in buurlanden.

Ook bij het thema inrichtingsvraagstukken van Nederland is het mogelijk excursies en veldwerk in het onderwijsprogramma op te nemen.


  1. REDUCTIE

De opdracht was de omvang van het programma aardrijkskunde in de basisvorming te reduceren om overladenheid en versnippering tegen te gaan. Wie de oude kerndoelen vergelijkt met de nieuwe kerndoelen zal weinig overeenkomsten zien. Dat heeft alles te maken met de gekozen nieuwe benadering.

Het aantal kerndoelen is nauwelijks verminderd. Toch is een flinke reductie toegepast.

Die reductie is verkregen op verschillende manieren:



  1. Het aantal domeinen is teruggebracht van zeven naar vijf. Bovendien is de samenhang tussen de domeinen in de nieuwe kerndoelen vergroot door een vast patroon te volgen binnen de domeinen Wereld, Europa en Nederland. Op alle drie de ruimtelijke niveaus gaat het om een globale beschrijving en verklaring van de de fysisch-geografische en sociaal-geografische verschijnselen en processen. Daarbij wordt ingezoomd van het mondiale niveau via Europa en Nederland naar de eigen omgeving. Wat in het ene domein geleerd wordt kan worden gebruikt in het volgende. Dat levert tijdwinst op en leidt tot minder versnippering.

  2. Van leerlingen wordt in de nieuwe kerndoelen primair verwacht dat ze verschijnselen in gebieden kunnen beschrijven en verklaren. Dat lijkt ons op dit niveau het belangrijkste. Soms wordt in de nieuwe kerndoelen zelfs volstaan met beschrijven. Een enkele keer wordt meningsvorming expliciet vermeld. Het uitgangspunt is dat eerst basiskennis dient te worden opgebouwd. De nieuwe kerndoelen stellen minder hoge eisen aan het gedragsrepertoire van de leerling dan de oude. Ter illustratie:

“De leerlingen kunnen voor kenmerken van het ontwikkelingsvraagstuk oplossingsalternatieven aandragen” (kerndoel G24 in oude versie). Dit kerndoel is geschrapt omdat het te moeilijk is voor deze leeftijdsgroep

  1. Bij het domein vaardigheden – in de nieuwe versie geografische basis geheten - is het aantal kerndoelen gereduceerd van vijf naar drie. Alleen de belangrijkste vakspecifieke vaardigheden zijn opgenomen in de nieuwe kerndoelen. Ter illustratie:

“De leerlingen kunnen ICT toepassen bij de bestudering van gebieden, aardrijkskundige verschijnselen, vraagstukken en processen” (kerndoel A1 in oude versie). Dit kerndoel wordt belangrijk geacht maar is niet vakspecifiek en daarom uit de kerndoelen aardrijkskunde verwijderd.

“De leerlingen kunnen uitleggen hoe zij in het dagelijks leven te maken hebben met aardrijkskundige vraagstukken, met name op het gebied van herinrichting van stedelijke en landelijke gebieden, etnische en ruimtelijke segregatie en/of integratie, verkeersproblematiek, milieu en duurzame ontwikkeling, Europese integratie, ontwikkelingsproblematiek en –samenwerking” (kerndoel A4 in oude versie). Dit kerndoel is geschrapt omdat het te hoog gegrepen is; niet elke leerling heeft in het dagelijks leven met dit alles te maken.



  1. Last but not least is de omschrijving van de eindtermen vereenvoudigd en geconcretiseerd, waardoor de leerstof wordt beperkt. Ter illustratie:

“De leerlingen kunnen het ontstaan en de ruimtelijke spreiding van belangrijke landschapstypen in Nederland beschrijven en verklaren” (kerndoel A16 in oude versie) is in de nieuwe versie: “Leerlingen kunnen het landschap van hoog en laag Nederland beschrijven en verklaren” (kerndoel D2).



  1. HOE VERDER?

In de discussie met vertegenwoordigers uit het veld zijn twee wensen duidelijk naar voren gekomen.



  1. Maak 2 sets kerndoelen, één voor vmbo en één voor havo/vwo.

  2. Schrijf een nadere toelichting bij elk kerndoel om nog duidelijker de vakinhoud af te grenzen.

Differentiatie naar niveau zal plaats vinden door de hoeveelheid en complexiteit van de leerstof voor vmbo minder groot te maken dan voor havo/vwo. Dat kan door het aantal te bestuderen gebieden, kenmerken en factoren te variëren tussen beide niveaus.

Ter illustratie een idee over differentiatie bij de kerndoelen B1 en B7:



Kerndoel B1 op vmbo- niveau:

Leerlingen kunnen de ligging en enkele kenmerken van de vijf belangrijkste klimaat-en vegetatiezones op aarde beschrijven en verklaren aan de hand van breedteligging, hoogteligging en ligging t.o.v. water.



Toelichting: tropisch regenwoudklimaat, woestijnklimaat, landklimaat, zeeklimaat en poolklimaat.

Kerndoel B1 op havo/vwo-niveau:

Leerlingen kunnen de ligging en kenmerken van tien klimaat- en vegetatiezones op aarde beschrijven en verklaren aan de hand van breedteligging, hoogteligging en ligging t.o.v. water.



Toelichting: tropisch regenwoudklimaat, savanneklimaat, steppeklimaat, woestijnklimaat, gematigd zeeklimaat, Middellandse Zeeklimaat, landklimaat, toendraklimaat, sneeuw en hooggebergteklimaat.

Bij de verklaring worden ook windcirculatiesystemen en zeestromen in de beschouwing betrokken

Kerndoel B7 op vmbo-niveau:

Leerlingen kunnen aan de hand van de thema’s uit de bovenstaande kerndoelen B1 t/m B6 via een eenvoudig onderzoek een globale geografische beschrijving geven van de één van de volgende 4 landen:Verenigde Staten, China, Marokko of Turkije.

Kerndoel B7 op havo/vwo-niveau:

Leerlingen kunnen aan de hand van de thema’s uit de bovenstaande kerndoelen B1 t/m B6 via een eenvoudig onderzoek een globale geografische beschrijving geven van twee van de volgende vier landen: Verenigde Staten, China, Marokko of Turkije.

Het ligt in de bedoeling beide zaken begin 2003 in nauw overleg met vertegenwoordigers uit het veld nader uit te werken.


Belangrijk is dat er bij het nader invullen van het kerncurriculum en het differentiële deel van het curriculum voor de basisvorming rekening gehouden wordt met verschillende leerlijnen van basisonderwijs naar bovenbouw voortgezet onderwijs:

  • Een vakinhoudelijke leerlijn waarbij het geografisch wereldbeeld steeds verder wordt uitgebreid en verdiept.;

  • Een vakoverstijgende leerlijn waarbij leerlingen via beschrijven en verklaren ook komen tot meningsvorming.

  • Een vakoverstijgende leerlijn waarbij leerlingen leren steeds zelfstandiger de wereld om hen heen te ontdekken en te onderzoeken.

Het aardrijkskundecurriculum zou leerlingen tussen 8 en 18 jaar de mogelijkheid moeten bieden spiraalsgewijs hun wereldbeeld te verbreden en te verdiepen.

Daarnaast dient de toetsbaarheid van de kerndoelen een belangrijk punt van aandacht te zijn.

Recent verschenen publicaties over het aardrijkskundeonderwijs zullen daarbij als referentie dienen:


  • KNAG Commissie Tweede Fase (2001) Enkele hoofdlijnen van een nieuw programma voor aardrijkskunde in de Tweede Fase van het voortgezet onderwijs. Utrecht: KNAG.




  • H. Mennen en H. Kroon (2002) Vakdossiers Basisvorming 2002. Vooronderzoek reductie kerndoelen basisvorming. Enschede: SLO




  • H. Notté (red.) (2002) Aardrijkskunde voor de basisschool. Arnhem: Citogroep.




  • R. van der Vaart (2001) Kiezen en delen, beschouwingen over de inhoud van het schoolvak aardrijkskunde. Utrecht: Universiteit Utrecht, Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen (oratie)



Concept kerndoelen aardrijkskunde basisvorming december 2002






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina