Aardrijkskunde



Dovnload 349.12 Kb.
Pagina1/7
Datum23.07.2016
Grootte349.12 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7



AARDRIJKSKUNDE

dERDE graad ASO
STUDIERICHTINGEN MET
COMPONENT Wetenschappen





LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

september 2006

LICAP – BRUSSEL D/2006/0279/037





Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

Guimardstraat 1, 1040 Brussel






Aardrijkskunde

DERDE GRAAD ASO
studierichtingen met
COMPONENT wetenschappen





LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

LICAP – BRUSSEL D/2006/0279/037

september 2006
(vervangt leerplan D/2004/0279/027 met ingang van september 2006)

ISBN 978-90-6858-674-9





Inhoud

Inleiding 5

1Beginsituatie 8

2Algemene doelstellingen 8

2.1Het domein van de kennis 8

2.2Het domein van de vaardigheden 8

2.3Het domein van de attitudes 9

3Pedagogisch-didactische wenken 9

3.1Algemeen 9

3.2Specifieke aandachtspunten 11

3.3Zelfstandig leren 12

4Leerplandoelstellingen, leerinhouden en didactische wenken 14

4.1Themaoverschrijdende doelstellingen 14

4.1.1Maatschappelijke rol van geografie 14

4.1.2Cartografie 14

4.1.3Onderzoeks- en ICT-vaardigheden 15

4.1.4Leren leren 16

4.2Verstedelijking en ruimtelijke ordening 16

4.3Kosmografie 21

4.4Atmosfeer 25

4.5Draagkracht en mondiale verschuivingen 29

4.6Opbouw en afbraak van fysische landschappen 32

4.7Bodems 38

4.8Keuzethema’s leerplan 3 graaduren 39

4.8.1Cartografie 39

4.8.2GIS- toepassingen 41

4.8.3Onderzoeksvaardigheden en ICT- vaardigheden 42

5Evaluatie 43

5.1Evalueren van cognitieve inhouden en vaardigheden 44

5.2Evalueren van algemene vaardigheden 44

5.3Evalueren van attitudes en gedrag 45

6Minimale materiële vereisten 46

6.1Het didactisch materiaal 46

6.2De optimale inrichting van een vaklokaal 47

7Vrije ruimte 47

7.1Thema’s 48

7.1.1Sociale differentiatie en segregatie in grote steden 48

7.1.2Mobiliteit en het schoolvervoersplan 50

7.1.3De macro- en de microkosmos 51

7.1.4Mensen op reis: over migratie en vluchtelingen 52

7.2Bijkomende suggesties 53

8Bibliografie 53

8.1Overkoepelende websites 53

8.2Nuttige adressen 54

8.3Tijdschriften en reeksen 54

8.4Didactiek 56

8.5Handboeken uit de buurlanden 56

8.6Specifieke werken 57

8.6.1Verstedelijking en ruimtelijke ordening 57

8.6.2Kosmografie 58

8.6.3Atmosfeer 58

8.6.4Draagkracht 59

8.6.5Opbouw en afbraak van fysische landschappen 59

8.6.6Bodemkunde 60

8.6.7Oceanografie 60

9Lijst van de eindtermen 61

9.1Vakgebonden eindtermen 61

9.1.1Kennis 61

9.1.2Vaardigheden 61

9.1.3Attitudes 62

9.2Specifieke eindtermen 62

9.2.1Inleiding 62

9.2.2Structuren 63

9.2.3Interacties 63

9.2.4Systemen 64

9.2.5Tijd 64

9.2.6Genese en ontwikkeling 64

9.2.7Natuurwetenschap en maatschappij 64

9.2.8Onderzoekscompetentie 64

9.3Vakoverschrijdende eindtermen 64

9.3.1Leren leren (Lele) 64

9.3.2Milieueducatie (MIED) 65

9.3.3Opvoeden tot burgerzin (BUZI) 65



Inleiding

Visie op het aardrijkskundeonderricht in het secundair onderwijs

Geografie, als wetenschappelijke discipline is de wetenschap die de grenslaag bestudeert tussen aarde, water en lucht en dit tot enkele kilometers diep en tot enkele kilometers hoog. In de aardrijkskunde gaat men na hoe het aardoppervlak eruit ziet (beschrijvend deel), hoe het tot stand kwam (verklarend deel) en hoe het in de toekomst kan evolueren (prospectieve deel).

Schoolaardrijkskunde omvat meer dan de vakspecifieke kennis van de geografie: het omvat kennisinhouden en vaardigheden uit de verschillende disciplines van de aardwetenschappen en de ruimtelijke wetenschappen. Onder schoolaardrijkskunde verstaat men de aardrijkskunde die in een reële onderwijsleersituatie aan de leerlingen wordt aangeboden. In de schoolaardrijkskunde gaat het niet alleen om het bijbrengen van vakinhoudelijke aspecten maar ook om de integratie van algemene vormingsdoelen. Een belangrijk deel van de schoolaardrijkskunde blijft gaan naar vakinhoudelijke aspecten. Die kennis is belangrijk om problemen te kunnen analyseren en oplossen. De onderzoeksvragen kunnen worden samengevat als: "Wat?", "Waar?", "Waarom daar?", "Waartoe leidt dat?", "Is dat daar gewenst?" en "Wat kan daar?". Voor de leek is het beschrijvend deel (waar?, wat?, hoe?") vaak de aardrijkskunde bij uitstek.

Er bestaat een geografische dualiteit in de wetenschappelijke discipline tussen de fysische geografie en de sociaal-economische geografie.

In de fysische aardrijkskunde vormen de natuurwetenschappelijke wetten de basis om de vormen van het aardoppervlak te bestuderen. De geomorfologie, de klimatologie, de meteorologie, de oceanografie, de pedologie, de glaciologie, de lithologie, de hydrologie, de platentektoniek, de geologie enz. verklaren het fysisch milieu van de aarde.

De sociaal-economische aardrijkskunde bestudeert de wisselwerking mens-natuur. De menselijke aardrijkskunde onderzoekt zowel de ruimtelijke organisatie van bewoning als de spreiding van industrie, landbouw, verkeer, toerisme en recreatie als verklarende elementen van het landschap.

Maar de schoolaardrijkskunde staat ten dienste van de samenleving en moet daarom de relaties tussen mens en natuur verduidelijken. In de lessen aardrijkskunde worden raakvlakken tussen de humane en de positieve wetenschappen behandeld, zodat de aardrijkskunde een unieke plaats inneemt tussen de vakken van het secundair onderwijs.

Relevantie van de schoolaardrijkskunde

Wat is de relevantie van het vak aardrijkskunde voor de leerlingen van het secundair onderwijs en de toekomstige volwassene in onze maatschappij? Hiermee wordt bedoeld: "Wat hebben leerlingen aan het vak aardrijkskunde voor hun persoonlijke ontwikkeling en voor hun maatschappelijk functioneren? "Een aantal voorbeelden illustreren wat de schoolaardrijkskunde onder meer aan leerlingen op dat vlak te bieden heeft.

Aardrijkskunde zorgt voor een ruimtelijk referentiekader waarmee leerlingen iets of iemand kunnen lokaliseren t.o.v. iets of iemand anders. Hierdoor kunnen leerlingen ook in vreemde leefruimten vlot structuur aanbrengen en elementen kiezen om het eigen ruimtelijke referentiekader uit te breiden voor eventueel later gebruik.

Aardrijkskunde oefent leerlingen in het zich oriënteren en in het kiezen van reistrajecten en transportmiddelen om zich te verplaatsen.

Het vak draagt bij tot een toenemende bekwaamheid om mee oplossingen te zoeken voor spanningen en problemen in de wereld en de eigen maatschappij. Vele spanningsvelden hebben immers een aardrijkskundige dimensie en vragen een goed gefundeerde achtergrondkennis. In de derde graad worden thema’s behandeld uit de algemene aardrijkskunde zowel in een globale context als in een lokale context. Door het samenbrengen van diverse soorten geografische informatie (kaarten, weerberichten, krantenberichten, statistieken, foto's, teksten, film, ) leren leerlingen zich ook een beeld vormen van een bepaald gebied. Dat gebeurt in relatie tot specifieke persoonlijke behoeften zoals voeden, wonen, werken, recreatie, reizen. Het kan ook gebeuren met het oog op maatschappelijke noden zoals bijvoorbeeld ruimtelijke planning, verkeerssituaties, milieubeleid. Hierbij maken leerlingen gebruik van algemeen toepasbare inzichten m.b.t. ruimtelijk fysische processen zoals weersevolutie, erosieprocessen, seizoencycli, en m.b.t. ruimtelijk sociaal-economische verschijnselen zoals pendelen, suburbanisatie. Ook inzichten over de impact van het eigen gedrag en die van de samenleving worden mee in rekening gebracht.

Voorts leren leerlingen andere culturen beter begrijpen en respecteren omdat ze o.a. zicht krijgen hoe leefgemeenschappen zich aanpassen aan het natuurlijk milieu en aan elkaar en hoe die leefgemeenschappen op hun beurt het natuurlijk milieu en de geopolitieke context beïnvloeden. De schoolaardrijkskunde levert een grote bijdrage tot de ontwikkelingseducatie.

De schoolaardrijkskunde levert verder een bijdrage tot het beter begrijpen van aardrijkskundige fenomenen (bv. aardbevingen, overstromingen, tegenstellingen in ontwikkeling, ...) en tot het relativeren en het situeren van het eigen bestaan in tijd en ruimte door het beschrijven van de plaats van de aarde in het heelal en van de evolutie van de aarde tot haar huidige vorm.

Schoolaardrijkskunde draagt bij om een duurzame ontwikkeling van de wereld te waarborgen, om milieuschade beduidend te verminderen en in de toekomst te voorkomen. Jongeren kunnen via het vak bewust gemaakt worden van de impact van het menselijk handelen op het leefmilieu. Hierdoor kunnen zij een milieuethiek ontwikkelen die richting geeft aan hun handelen.

Krachtlijnen

Met bovenstaande algemene vormingsdoelen voor ogen kunnen de eigentijdse accenten van het aardrijkskundeonderricht tot drie grote krachtlijnen worden teruggebracht. Ze worden nagestreefd doorheen het hele curriculum aardrijkskunde van het secundair onderwijs.



  1. Een parate en functionele aardrijkskundige kennis meegeven

Een belangrijk deel van de schoolaardrijkskunde blijft gaan over vakinhoudelijke aspecten. Die kennis behoort tot het cultuurgoed van de moderne mens en is belangrijk om problemen te kunnen analyseren en oplossen: de leerlingen leren waarnemen, analyseren, relaties ontdekken, verklaren en waarderen. De kennis en het inzicht in aardrijkskundige begrippen en methoden zijn nodig om de leefruimten in hun verscheidenheid en relaties tussen natuurlijke en menselijke factoren te begrijpen. Het meest essentiële van de schoolaardrijkskunde in de derde graad bestaat uit het ontwikkelen van inzichtelijk leren van fysische processen en sociaal-economische verschijnselen in een ruimtelijke context.

Om die inzichten zo efficiënt mogelijk mee te geven worden de typisch aardrijkskundige vaardigheden die aangeleerd werden in de eerste en de tweede graad zoals landschapswaarnemingen en analyse van kaarten en andere informatiebronnen, verder ingeoefend. Deze vaardigheden zijn essentieel in het verwerven en verwerken van informatie in een ruimtelijke context. De snelle opkomst van multimedia en moderne communicatietechnologieën hebben hierin zeker een nieuwe inbreng.

Ook in de derde graad blijft het voortdurend werken met kaarten uiterst belangrijk. Het situeren van verschijnselen, regio's of plaatsen en het meegeven van geografische informatie om het actueel gebeuren in de wereld beter te begrijpen verdient de nodige aandacht.


  1. Het inzicht bijbrengen in de principes van duurzame ontwikkeling

Daarom is de studie van de relaties en de conflicten tussen het fysisch milieu en de menselijke handelingen en het streven naar een harmonisch samenspel tussen de economische evolutie en de ecologische gevolgen hiervan van groot belang.

Jongeren dienen bewust te zijn van de spanningen tussen tegengestelde belangengroepen die beslissen over het ruimtegebruik en die een weerslag hebben op de kwetsbaarheid van de aarde en op het welzijn van de bevolking.



  1. Waardegerichte denkpatronen in de leerplannen bevorderen de maatschappelijke, politieke, mondiale, multiculturele vorming en waardegerichte opvoeding

Via het vak aardrijkskunde kunnen de leerlingen worden aangezet tot een christelijk-ethische reflectie, tot een houding van verwondering en bewondering, van solidariteit, van eerbied en dankbaarheid. Ook in de derde graad is de aardrijkskunde aangewezen om:

  • de leerlingen te brengen tot inzicht in de natuur, het landschap en de hierin levende mens, in het besef dat hij deel uitmaakt van het ecosysteem;

  • de leerlingen te brengen tot bewondering en verwondering voor de unieke positie van de aarde en de mens in de kosmos;

  • een degelijke achtergrondkennis te geven voor de beperkte draagkracht van de aarde met de ethische problemen die voortvloeien uit de ongelijke bevolkingsgroei en -spreiding en de implicaties hiervan op de watervoorziening, de voedselvoorziening, de grondstoffenvoorziening, de milieu- en landschapszorg;

  • de leerlingen langs kritische benadering te brengen tot christelijk engagement met zin voor rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid, wereldsolidariteit en een antimaterialistische levensstijl. Diverse leerplanthema's bieden goede aanknopingspunten om aan waardegerichte opvoeding te doen, gebaseerd op een eigen christelijk geïnspireerd opvoedingsproject.

  • een genuanceerde achtergrondkennis en attitudes bij te brengen aangaande fundamentele waarden als landschapsbeleving, milieuzorg, ruimtelijke ordening en eerbied voor andere samenlevingen;

  • de leerlingen een fundamenteel besef van verantwoordelijkheid ten aanzien van de principes van duurzaamheid bij te brengen. Deze milieubewuste opvoeding moet derhalve gericht zijn op een ecologische ethiek. Een ecologisch verruimde ethiek vraagt bijzondere aandacht voor het bewoonbaar houden van de aarde voor de komende generaties, m.a.w. voor de principes van duurzame ontwikkeling. De leerlingen moeten leren dat ze als toekomstige burgers hun verantwoordelijkheid moeten opnemen voor de eigen en andere milieus en voor het planetaire ecosysteem.

In de derde graad komen verschillende spanningen omtrent duurzaamheid aan bod. Vele spanningsvelden hebben immers een aardrijkskundige dimensie en vragen een goed gefundeerde achtergrondkennis. Zo zijn er bijvoorbeeld spanningen omwille van natuurdegradatie, natuurrampen, erosie, ontbossing, klimaatsveranderingen, ozongat, zure regen, verstedelijking, mobiliteit, bevolkingsaangroei, voedselvoorziening, eindigheid van grondstoffen, ruimtelijke planning ... Deze thema’s werden zoveel mogelijk zo gekozen dat leerlingen hun verantwoordelijkheid kunnen zien op verschillende niveaus: van lokaal tot mondiaal. Op die wijze draagt het vak bij tot een educatie van duurzaamheid.

De leraar aardrijkskunde moet derhalve niet alleen een doorgever zijn van informatie maar ook een vormer zijn, die helpt gestalte geven aan hart, karakter, gemoed en kritische inzet. Waardegericht onderwijs richt zich op de leerlingen, maar het betrekt ook de leraar met zijn persoonlijkheid en inzet bij dit proces. Het innemen van kritische standpunten steunt niet alleen op aardrijkskundige kennis maar ook op christelijke waarden en normen.



  1. Beginsituatie

Bij de doelstellingen voor de eerste graad liggen de hoofdaccenten op een oordeelkundig geselecteerde parate en inzichtelijke kennis van het eigen leefmilieu, van België en van Europa. Hierbij worden aardrijkskundige basisvaardigheden aangeleerd en ingeoefend. De progressieve invulling van de aardrijkskundige basisbegrippen en inzichten evenals de initiatie in nieuwe begrippen krijgt daarbij een bijzondere plaats. Eenvoudige relaties tussen de aardrijkskundige elementen werden aangeleerd.

In de tweede graad wordt de oordeelkundig geselecteerde parate en inzichtelijke basiskennis uitgebreid tot deze van de wereld. Het achterliggende doel is om ruimtelijke relaties te begrijpen om zo nationale en internationale gebeurtenissen beter te kunnen kaderen. Via een studie van verschillende regio’s over de continenten heen worden concrete ruimtelijke problemen bestudeerd. Aardrijkskundige begrippen en landschapsvormende elementen krijgen een verdere progressieve opvulling en nuancering; en dit zowel op het gebied van menselijke als van de fysische aardrijkskunde. Er wordt ruim aandacht besteed aan het verwerven van inzicht van zowel horizontale als verticale relaties tussen aardrijkskundige elementen. Dit met het oog op het verklaren van het uitzicht van een landschap en het inzien van de gevolgen van menselijke activiteiten in dit landschap.

In de tweede graad wordt ook het domein van de vaardigheden uitgebreid. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan een geleidelijke invoering van zelfstandig werk en een aanzet tot probleemoplossend denken.


  1. Algemene doelstellingen

Met de vakdoelstellingen aardrijkskunde opereert men op het domein van de kennis, van de vaardigheden en van de attitudes. Daarom worden ze hier in drie categorieën gerangschikt. In de lespraktijk zijn ze niet te onderscheiden en beogen ze de vorming van de totale persoonlijkheid van de leerling.

    1. Het domein van de kennis

Specifiek moet in de derde graad gezorgd worden voor:

  • Het verwerven van oordeelkundig geselecteerde, wetenschappelijke terminologie uit het domein van de ruimtelijke ordening, kosmografie, atmosferische verschijnselen, draagkracht van de aarde, geologie en geomorfologie. Deze begripsvorming is noodzakelijk om:

  • de processen die zich afspelen tussen landschapselementen te kunnen verwoorden;

  • de basis te leggen voor verdere studies waar geografie nog vaak deel uitmaakt van het curriculum.

  • Belangrijke bronnen kennen die geografische kennis helpen verwerven.

  • Technieken kennen die noodzakelijk zijn om vaardigheden te verwerven (bv. veldwerk tijdens een excursie).

    1. Het domein van de vaardigheden

In de derde graad verwacht men van leerlingen dat ze in staat zijn hun eigen leren te sturen, om zelfstandig informatie op te zoeken en om deze te verwerken. Voorts is het ook belangrijk dat leerlingen aardrijkskundige kennis kunnen toepassen in andere dan schoolse situaties.
Via de methodes en vaardigheden die worden aangeleerd levert de aardrijkskunde haar bijdrage tot het leren denken. Nauwgezet en bewust observeren, zelf ontdekken, zelf doen, zelf ontleden, zelf verwoorden zijn belangrijke opdrachten voor leerlingen in probleemoplossend denken.

De leer-, werk-, en denkmethodes dienen een permanente aandacht te krijgen. Vaardigheden die in de eerste en tweede graad aangeleerd en verworven worden, moeten door continue zorg onderhouden, uitgediept en verfijnd worden. Omwille van het grote belang ervan moet daaraan de nodige tijd worden besteed.

Zo moeten leerlingen in de derde graad vaardigheden verwerven in


  • het beschrijven, herkennen en ontleden van landschappen aan de hand van beeldmateriaal en terreinonderzoek;

  • opzoekstrategieën en selectiestrategieën kunnen toepassen bij het gebruik van beeldmateriaal, kaarten, grafieken, statistische gegevens, toeristische folders, handboeken, didactische platen, informatie- en communicatietechnologieën (ICT);

  • ruimtelijke processen kunnen verwoorden en verklaren;

  • het gebruik van communicatie, praktische en sociale vaardigheden om aardrijkskundige informatie te verwerven op verschillende ruimtelijke schaalniveaus en de resultaten daarvan verwoorden;

  • kaartvoorstellingen kiezen in functie van het gebruik;

  • inschatten en interpreteren van feiten, gegevens en situaties op basis van verworven kennis.

    1. Het domein van de attitudes

Aardrijkskunde beoogt attitudes die leiden tot individuele en collectieve verantwoordelijkheid:

  • interesse voor de eigen omgeving en voor de ruimtelijke verscheidenheid in de wereld;

  • waardering voor de schoonheid van de fysische wereld;

  • kritisch staan tegenover aangeboden informatie;

  • positief participeren in beleidsbeslissingen die een ruimtelijke impact hebben;

  • engagement bij het zoeken naar oplossingen voor lokale, regionale, nationale en internationale problemen.

  1. Pedagogisch-didactische wenken

    1. Algemeen

De lessen aardrijkskunde in het secundair onderwijs beogen dat de leerlingen een progressief inzicht verwerven in de ruimtelijke differentiatie van de aarde.
In de eerste twee graden van het secundair onderwijs hebben de leerlingen reeds kennisgemaakt met een uitgebreid arsenaal aan geografische verschijnselen en hun onderlinge relaties. Ze hebben er ook een aantal geografische vaardigheden uitgebreid kunnen inoefenen.
Er is continu aandacht besteed aan het werken met kaarten, waardoor op die manier elke leerling progressief een mentale kaart van de wereld heeft opgebouwd.

Het ging hierbij niet enkel om inzichten in de grote landschappelijke differentiatie, maar ook om inzicht in ecologische systemen, in welvaartsverschillen, in levenswijzen en culturen ... Hoewel de kennis, het gebruikte bronmateriaal en het denkwerk geleidelijk aan complexer werden en in het vierde jaar enkele algemeen geografische thema’s aan bod kwamen (demografie, ecologische spanningen, verstedelijking), bleef de inhoud toch betrokken op een aantal concrete leefruimtes. In de derde graad ligt de klemtoon op de uitdieping van de inzichten en de processen die leiden tot landschapsvorming en regionale differentiatie. Het gaat om relaties leggen, bv. tussen het fysische en het sociale, tussen het mondiale en het lokale. Het leerplan van de derde graad omvat dan ook duidelijke fysische én sociale thema’s, zowel op mondiaal als lokaal niveau.

Net zoals er in de derde graad inhoudelijk verder gebouwd wordt op de fundamenten die in de vorige jaren gelegd zijn, mag er ook geen breuk optreden inzake didactische aanpak tussen de eerste twee graden en de derde graad.

Het leren met beelden blijft essentieel voor een levensecht aardrijkskundeonderricht met blijvend resultaat. In de eerste en tweede graad is reeds flink geoefend op de interpretatie van geografisch bronmateriaal en op de waarneming van landschappen – hetzij via directe waarneming op het terrein, hetzij indirect via beeldmateriaal in het klaslokaal. In de derde graad moet hier verder continu aandacht aan besteed worden: alle leerlingen moeten bekwaam blijven een nauwkeurige beschrijving te geven van wat wordt waargenomen, deze informatie te ordenen, er de geografische componenten in te herkennen en deze vast te leggen. Bij de ontleding van een landschapsbeeld mag de samenhang van en de interactie binnen het geheel niet verloren gaan.

Aardrijkskundige begrippen en technieken, zoals de waarneming en de analyse van landschappen (realiteit, beeld en kaart), vergen een continue inoefening en worden verder verfijnd. In de derde graad dienen leerlingen ook geografische informatie uit een brede waaier aan bronmateriaal te destilleren: landschapsbeelden, tekeningen, blokdiagrammen, profielen, grafieken, kaarten, monsters van gesteentes, statistische tabellen, videoprogramma’s, ... Deze media zijn onontbeerlijk als ordenings-, voorstellings- en synthesemiddel van de complexe en soms abstracte fenomenen.

De leraar aardrijkskunde leidt deze waarnemingen en waakt hierbij over de exactheid van de daarbij gebruikte termen, vermijdt en corrigeert achterhaalde en onjuiste begrippen. Hij leert leerlingen verbanden te zien tussen hetgeen wordt waargenomen en leert hen deze correct te verwoorden. Dit is dus een communicatief proces, waarin de leraar een duidelijke en actieve rol heeft als een procesbegeleider, die leerlingen aan het werk zet en houdt. Hij mag zich hierbij anderzijds niet al te terughoudend opstellen, want leerlingen gaan uit zichzelf niet zomaar aan de slag!

Boeiende lessen zijn goed gestructureerde lessen, met aantrekkelijk didactisch materiaal, en met een afwisseling van meerdere didactische werkvormen. Instructiemomenten zijn en blijven nuttig, maar via andere werkvormen worden veel meer leerlingen bereikt, is het leerproces actiever en worden de leerkansen voor elke leerling verhoogd. Momenten van zelfwerkzaamheid, individueel of in groep, verhogen de motivatie. Bovendien laten deze toe de geografische vaardigheden te verwerven en/of in te oefenen.

Werk- en oefenbladen kunnen gebruikt worden als alternerende werkvormen in het lesgeheel. Ze zijn van grote waarde, tenminste als het gebruik ervan niet beperkt blijft tot het al dan niet geleid invullen van woordjes. Dergelijke gesloten invuldidactiek laat heel wat leerkansen onbenut.

Een duidelijke structurering van de leerstof blijft heel belangrijk. Het geleidelijk opbouwen van die structuur en het visualiseren ervan in een dynamisch bordplan (ev. op transparant) blijft voor de zinvolle stoffering van het geheugen en het reproduceren een niet te onderschatten hulp, en is dus ook nodig bij multimediagebruik. Het vormt tevens de zin voor en de kunst in het maken van een synthese, met duidelijke verwijzing naar de benadrukte relaties.

Het onderricht in de aardrijkskunde dient actueel en levensecht te zijn. Net zoals in de eerste en tweede graad moeten dorre theorieën en overbodige systematiek met allerlei weetjes vermeden worden. Daarom is de systematiek van bv. soorten van neerslag, diverse fluviatiele en glaciale erosievormen ... bewust niet opgenomen in het leerplan. Het doen memoriseren van tabellen met cijfers is ongewenst. Wel is de parate kennis van enkele kengetallen belangrijk, omdat hier steeds naar gerefereerd kan worden bij het interpreteren van cijfermateriaal (afstand van de aarde tot de zon, gemiddelde jaarlijkse temperatuur en totale jaarlijkse neerslag van België, hoogteligging van het hoogste punt van België – Europa – wereld, bevolkingsaantal – dichtheid van België).

Nu er in veel scholen een computer in het vaklokaal aanwezig is, of goed uitgeruste computerklassen ter beschikking staan, verdient het aanbeveling tal van ICT-vaardigheden in lessen aardrijkskunde te integreren. Deze zullen ongetwijfeld een positieve stimulus uitoefenen op het lesverloop. De computer biedt enorme mogelijkheden voor de presentatie van de informatie (gebruiksgemak van bewegende of stilstaande beelden, de geluiden die het beeld ondersteunen, de structuren die zichtbaar evolueren, de vormgeving van de presentatie). Leerlingen krijgen toegang tot heel wat beeldmateriaal via digitale dragers, en kunnen dit ook buiten de les raadplegen (foto’s en ander materiaal op cd-rom’s, op de website van de leraar, de school of het VVKSO ...) Het gebruik van ICT biedt ook heel wat kansen voor zelfstandig werk.


    1. Specifieke aandachtspunten

Naast de doelstellingen en vaardigheden die men in alle lessen aardrijkskunde nastreeft, zijn er in de derde graad specifieke doelstellingen die men beoogt over het geheel van de derde graad. De doelstellingen zijn niet louter cognitief, maar zijn slechts door volgehouden inspanningen van de leerlingen en met het inzetten van alle vakspecifieke vaardigheden te bereiken. De leraar zal erover waken inhoud en vaardigheden in balans te houden.

Het leerplan van de derde graad is een graadsleerplan waar de verdeling van de graaduren over de 2 leerjaren vrij is. Het leerplan stelt een bepaalde volgorde voor, waarin de verschillende thema’s aan bod kunnen komen, maar de leerlingen kunnen ook alle eindtermen bereiken bij een andere volgorde. Dit impliceert wel dat leerlingen die tussen het eerste en tweede leerjaar van de derde graad veranderen van school, problemen kunnen ondervinden als hun respectievelijke leraars aardrijkskunde het leerplan op een andere manier verwezenlijken. Om dit zoveel mogelijk te vermijden, zal men hieromtrent minstens afspraken maken binnen de schoolgemeenschap.

Het leerplan voor 3 graaduren stelt als volgorde voor:


    Schema 1

    1ste leerjaar met 1 lestijd: Kosmografie

    Atmosfeer

    2de leerjaar met 2 lestijden: Verstedelijking en ruimtelijke ordening

    Draagkracht en mondiale verschuivingen

    Opbouw en afbraak van fysische landschappen

    Bodems

    Keuzethema






    Schema 2

    1ste leerjaar met 2 lestijden: Verstedelijking en ruimtelijke ordening.

    Draagkracht en mondiale verschuivingen

    Opbouw en afbraak van fysische landschappen

    Bodems

    Keuzethema





2de leerjaar met 1 lestijd: Kosmografie
Atmosfeer

Indien de school ervoor opteert het bijkomende graaduur natuurwetenschappen aan aardrijkskunde te besteden zijn de uitbreidingsdoelstellingen (aangeduid met U) voor dit uur ook in het voorliggende leerplan vervat. Het leerplan stelt hiervoor het volgende schema voor:



    1ste leerjaar met 2 lestijden: Verstedelijking en ruimtelijke ordening

    Kosmografie

    Atmosfeer

    Draagkracht en mondiale verschuivingen

    GIS- toepassingen

    Onderzoeksvaardigheden en ICT- vaardigheden





    2de leerjaar met 2 lestijden: Opbouw en afbraak van fysische landschappen

    Bodems


    Cartografie

    GIS- toepassingen

    Onderzoeksvaardigheden en ICT- vaardigheden


De directe waarneming via een excursie of veldwerk blijft het meest aangewezen en specifiek aardrijkskundig leermiddel. Leren van de werkelijkheid is oneindig veel boeiender en uitdagender dan leren uit beelden in de klas. Een leeruitstap is dé gelegenheid waar schoolse kennis en ervaringskennis elkaar ontmoeten. Tijdens de excursie moeten de werkvormen erop gericht zijn om leerlingen via waarnemingsopdrachten effectief een onderzoekende houding te laten aannemen. De verbanden tussen geomorfologische structuren, geologische en lithologische opbouw van een gebied, de impact van het menselijk ingrijpen en het landschappelijk uitzicht kunnen op het terrein door de leerlingen zelf ontdekt worden. Daarom wordt een fysisch-geografische excursie als een verplicht onderdeel in het leerplan opgenomen. Ook ruimtelijke conflictsituaties, en concrete realisaties of afwijkingen van de ruimtelijke ordening en het milieubeleid (in eigen omgeving of in een ander excursiegebied) spreken het meest aan als de leerlingen ze “live” gezien hebben. Veldwerk is hier dan ook sterk aanbevolen.

Men kan ook opteren de excursie bij het thema “opbouw en afbraak van fysische landschappen” een sociaal-geografische invalshoek te geven – naast het (verplichte) fysische luik. Dergelijke “geïntegreerde” leeruitstap kan dan het best plaatsvinden op het einde van het tweede leerjaar en beschouwd worden als een synthese van 3de graad, net zoals een synthesehoofdstuk telkens de eerste en de tweede graad afsloot.



    1. Zelfstandig leren

De huidige kennis- en informatiemaatschappij stelt hoge eisen aan actief leren. Leren wordt een levenslange activiteit. Het kant-en-klare leerpakket dat de leraar onderwijst moet vervangen worden door een handleiding om kennis te vergaren. Leren omgaan met informatie (opzoeken, verzamelen, ordenen, bewaren, beoordelen…) en met informatiebronnen (vergelijken en verantwoord kiezen, kritisch onderzoeken…) wordt verkregen na een zorgvuldig opgebouwd leerproces. De taak van de leraar als enige overdrager van informatie vermindert. De taak van de leraar als bewaker van het leerproces van de leerling neemt toe. Het bevorderen van het zelfstandig leren impliceert dat leraren ook accepteren dat het leerproces op een andere manier gaat verlopen.

Bij actief leren gaat een grotere aandacht naar het leerproces in plaats van naar het leerproduct. Deze aanpassing moet geleidelijk verlopen.

In de eerste graad is het zelf werken aan de hand van werkbladen en werkstructuren de eerste stap. Korte en gesloten vragen, die sterk op de inhoud gericht zijn, staan centraal. De leraar bepaalt de inhoud en stuurt de leerling in kleine stappen in het leerproces.

In de tweede graad gaat het zelfstandig werken verder. Naast de inhoud verschuift de aandacht van de leraar naar de manier van informatieverwerving. De langere gesloten vragen en een reflectie op het leerproces zijn kenmerkend. De eigen inbreng van de leerling in het zelfstandig werken neemt toe. In de tweede graad is het zelfstandig werk slechts een aanloop naar het uitgebreider en diepgaander zelfstandig leren in de derde graad. De leerlingen kunnen zelfstandig, ook in groep, een doelgericht en aangepast of beperkt aardrijkskundig onderzoek uitvoeren. Het (deels) zelfstandig uitwerken van een themaonderdeel kan in één of meerdere leerplandoelstellingen gebeuren.

In de derde graad moet de leerling gestimuleerd worden om het leerproces zelf mee te sturen. Het kader van de leerstof geeft de leraar op. Het invullen van een belangrijk deel van het leerproces wordt door de leerling zelf bepaald. De leraar blijft onmisbaar. Zijn bedenkingen en interventies sturen de leerling in de richting van zelfstandig leren.

Het zelfstandig leren wordt steeds in een les of in een lesmoment aangebracht. De instructiefase moet begeleid worden met een opdrachtblad waarbij het leerproces expliciet wordt uitgelegd. Het afwerken van de opdracht kan in de les gebeuren maar ook in het open leercentrum of gedurende een excursie. Een lange opdracht is niet noodzakelijk, ook korte opdrachten zijn mogelijk. De manier van verwerving van informatie verdient de aandacht. Het gevaar voor overbelasting van zowel leerlingen als leraren is groot wanneer er geen goede afspraken met leerlingen en andere vakleraren worden gemaakt. Een essentiële taak van de leraar blijft de kwaliteitsbewaking van het niveau waarop de leerlingen leren. Een mondelinge maar liefst schriftelijke feedback (evaluatieblad) met aandacht voor het leerproces en werkmethode is dan ook een logische afronding van deze evaluatiefase.

De volgende onderwerpen kunnen een leidraad zijn voor het maken van een zelfstandige leeropdracht.


  • kunnen lezen en samenvatten van een artikel uit een tijdschrift, uit een krant; bijvoorbeeld een actueel (sociaal, economisch, fysisch, regionaal, demografisch ) probleem dat aansluit bij de leerstof en dat in de actualiteit is gekomen of regelmatig het nieuws haalt;

  • kunnen zoeken naar informatie buiten het vaklokaal, in een schoolbibliotheek, in het openleercentrum, op het internet; bijvoorbeeld informatie over het zonnestelsel, sterren, heelal, vulkanen en aardbevingen, milieuproblemen zoals lucht- en watervervuiling, natuurwaarde van landschapselementen, armoede in steden, pendel, suburbanisatie, mobiliteit, transportproblemen;

  • een onderwerp op een duidelijke en samenvattende manier kunnen presenteren aan de medeleerlingen of in een overzichtelijke lay-out hun bevindingen schriftelijk verwoorden; bijvoorbeeld een onderdeel van een dagexcursie voorbereiden en op het terrein presenteren, bij een dagexcursie een interview afnemen en de resultaten presenteren, een verkeerstelling organiseren, maken van kaartjes met gegevens over knelpunten in de woonzones, industrieterreinen, ontsluitingswegen, conflictgebieden tussen natuurgebieden en gebieden met een andere bestemming, ecologische voetafdruk zoeken en berekenen;

  • bij een groepswerk de eigen (deel)bijdrage integreren in een groter geheel van het studieonderwerp; bijvoorbeeld een onderzoek naar knelpunten in de ruimtelijke ordening in de eigen leefomgeving; weeranalyse aan de hand van gegevens, een landschaps- en reliëfanalyse op het terrein (veldwerk met boringen, grondanalyse, schetsen of tekenen van de omgeving, een wateranalyse, een hoogtemeting in terrein…), een enquête bij pendelaars.


Leraren die in hun school over een krachtige en optimale leeromgeving beschikken kunnen met hun leerlingen een stap verder gaan in het actief leren. Een open leercentrum is voor de leerlingen een extra stimulans in het zelfstandig leren. Een goed uitgerust openleercentrum bevat een modern en krachtig computerpark met een breedbandverbinding naar het internet, een vakbibliotheek met boeken aangepast aan leerlingen van elke graad, documentatiemateriaal zoals tijdschriften, mappen met krantenknipsels of tijdschriftartikels, een uitleendienst met ICT-materiaal: laptop, dataprojector, video, dvd-speler, mobiele werkpanelen of prikborden voor de presentatie door de leerlingen.

  1. Leerplandoelstellingen, leerinhouden en didactische wenken

In de doelstellingen van dit leerplan zijn de eindtermen voor de basisvorming aardrijkskunde en een aantal van de specifieke eigenschappen opgenomen. Bij elke doelstelling zijn de betrokken eindtermen (met een A, bv. A7) links vermeld. Een * verwijst naar een attitudinale eindterm.

De kern van de eindtermen van de basisvorming wordt in de studierichtingen met de component ‘wetenschappen’ uitgebreid met de na te streven decretale specifieke eindtermen voor wetenschappen (zie de inleiding van punt 9.2 specifieke eindtermen). Deze decretale specifieke eindtermen werden gemeenschappelijk voor alle natuurwetenschappelijke vakken geformuleerd en sluiten aan bij de vakgebonden eindtermen aardrijkskunde, biologie, chemie en fysica. Bij elke doelstelling zijn de betrokken specifieke eindtermen (met een S, bv. S22) links vermeld.

De volledige lijst van de eindtermen is achteraan in dit leerplan opgenomen. Voor enkele vakoverschrijdende eindtermen (LELE – leren leren; MIED – milieu-educatie; BUZI – opvoeden tot burgerzin) wordt verwezen in de didactische wenken


    1. Themaoverschrijdende doelstellingen

      1. Maatschappelijke rol van geografie

ET

DOELSTELLING

A1

Een verscheidenheid aan ruimtelijke wetenschappen bij naam noemen en verbinden met allerlei beroepen en onderzoeksdomeinen

DIDACTISCHE WENK

Bij enkele leerplanthema’s de deeldiscipline van ruimtelijke wetenschappen vermelden en verbinden met allerlei beroepen en onderzoeksdomeinen.



      1. Cartografie

ET

DOELSTELLING

A2

Met één of enkele voorbeelden aangeven dat een afbeelding of een kaartvoorstelling een gecodeerde voorstelling is van de werkelijkheid.

DIDACTISCHE WENKEN

  • Bij één of enkele leerplanthema’s met een voorbeeld expliciet aangeven waarom het gekozen type afbeelding van een wereldkaart functioneel is en een ander type kaartafbeelding dat niet of minder is.

  • Bij één of enkele leerplanthema’s met een voorbeeld expliciet aangeven waarom de gekozen symbolen of grootteklassen in de legenda van een thematische kaart functioneel is en met andere symbolen of grenswaarden dat minder of niet is.


ET

DOELSTELLING

A3

Met een toepassing van GIS de betekenis ervan voor de samenleving illustreren.

DIDACTISCHE WENKEN

Om deze doelstelling te realiseren heeft men keuze uit volgende mogelijkheden:



  • De demo-introductie van de cd-rom BEO (uitgave DWTC) over GIS gebruiken.

  • Bij het thema Verstedelijking en ruimtelijke ordening met de presentatie van een website van een provinciaal of gemeentelijk structuurplan met verschillende thema’s in kaartlagen van het gebied de betekenis van GIS illustreren.

  • Bij het thema Verstedelijking en ruimtelijke ordening bij het onderzoek van de eigen leefruimte de verschillende kaartlagen van de websites van Afdeling Planning en Statistiek van de Vlaamse Gemeenschap, Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen (http://www.gisvlaanderen.be/geo-vlaanderen/nl/loketten.asp, http://spidi.gisvlaanderen.be/SPIDI/; en het NIS (bv. tevredenheidsindexen over leefbaarheid per gemeente en per statistische sector) de betekenis van GIS illustreren.

  • Bij het thema Verstedelijking en ruimtelijke ordening bij het onderzoek van de eigen leefruimte aantonen dat men met een GIS, door onderzoek en vergelijking van de informatie in de diverse kaartlagen, veel sneller ruimtelijke vragen kan beantwoorden dan via klassieke methodes (papieren kaarten en tabellen).
    - aan de hand van een voorbeeld aantonen hoe GIS- databanken kunnen leiden tot betere beleidsbeslissingen. Bijvoorbeeld bij het uittekenen van een nieuw spoortraject op de kaartlagen bossen, landbouwgrond en gebouwen, kan men vlug nagaan hoeveel woningen er moeten worden onteigend, hoeveel hectare landbouwgrond en bos zal moeten verdwijnen, enz.

  • ...

ET

DOELSTELLING

A17

Een kaartvoorstelling kiezen in functie van het gebruik.

DIDACTISCHE WENKEN

  • Via meerdere leerplanthema’s en excursie(s) de leerlingen aanleren welk type kaart (natuurkundige of thematische atlaskaart, topografische kaart, wegenkaart, stratenplan, routeplanner op internet ...) men best gebruikt bij courante toepassingen zoals het opzoeken van een plaats in een ander continent, sociaal-economische gegevens van verschillende deelstaten van een land met elkaar vergelijken, het uitstippelen van een reisroute naar een zuiderse vakantiebestemming in Europa, een wandeltraject uitzetten in de Ardennen ...

  • Bij één of enkele leerplanthema’s met een voorbeeld expliciet aangeven waarom het gekozen type kaartvoorstelling zoals een choropletenkaart of een isopletenkaart functioneel is.

      1. Onderzoeks- en ICT-vaardigheden

ET

DOELSTELLING

A16

Aardrijkskundige gegevens opzoeken, ordenen en op eenvoudige manier verwerken, gebruikmakend van beschikbare hedendaagse informatiebronnen en –technieken.

DIDACTISCHE WENKEN

Bij voorkeur in combinatie met zelfstandig leren:



  • Bij één of enkele leerplanthema’s op basis van geografische vaardigheden bronnen en documentatie van een klassieke bibliotheek onderzoeken, verwerken en presenteren.

  • Bij één of enkele leerplanthema’s op basis van geografische vaardigheden elektronische bronnen onderzoeken, verwerken en presenteren.

ET

DOELSTELLING

A25

Een landschap analyseren, de elementen ordenen tot een structuur en hieruit de eigenheid van het landschap bepalen.


  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina