Abortus bij schaap en geit en mogelijke risico’s voor de mens



Dovnload 32.38 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte32.38 Kb.
Abortus bij schaap en geit en mogelijke risico’s voor de mens

Drachtige schapen en geiten kunnen hun lammeren verwerpen. Dit voortijdig dood ter wereld brengen van de lammeren kan verschillende oorzaken hebben. Van de ziektekiemen die besmettelijk verwerpen kunnen veroorzaken, zijn de meeste niet zonder risico voor de mens. Een aantal gerichte maatregelen kan deze risico’s voor de mens verkleinen.


1. Inleiding

Een goede administratie is een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering, ook in de agrarische sector. De meeste schapen- en geitenhouders houden een registratie bij van gedekte dieren. Dit kan per individueel dier, maar ook per groep. Beide vormen van registratie maken het mogelijk om oorzaken van eventuele problemen tijdens de dracht beter op te kunnen sporen. Abortusproblemen of vroeggeboortes zijn daar een onderdeel van.

De dracht van een schaap duurt gemiddeld 147 dagen en de dracht van een geit gemiddeld 150, beide met een spreiding van een aantal dagen rond dit gemiddelde. Onder abortus wordt verstaan de geboorte van een niet-levens­vatbare vrucht, waarvan de organen en het skelet reeds gevormd zijn. Van de ziektekiemen die besmettelijk verwerpen kunnen veroorzaken zijn de meeste niet zonder risico voor de mens. Door contact met zo’n ziektekiem kan een zoönose ontstaan: een ziekte die van dier op mens wordt overgebracht.
2. Oorzaken abortus

De oorzaken van abortus bij kleine herkauwers kunnen infectieus en niet-infectieus zijn. Bekende voorbeelden van niet-infectieuze oorzaken van abortus zijn een hond tussen de schapen, ziekte bij het moederdier, te weinig ruimte aan de voerbak en daardoor ontstane beschadiging van de vrucht en in sommige gevallen verkeerd gebruik van medicijnen of het zodanig uitvoeren van behande­lingen dat dit met de nodige stress gepaard gaat.

Hieronder volgt een opsomming van de meest voorkomende besmettelijke oorzaken van abortus in ons land.
2.1 Toxoplasma gondii

Toxoplasma gondii is een wereldwijd voorkomende protozo. In de cyclus van deze parasiet speelt vooral de jonge, niet-immune kat een belangrijke rol als uitscheider van de ziekteverwekker. Heel veel schapen worden in hun leven met deze parasiet besmet. De kans hierop neemt met de leeftijd toe. Bij binnen gehouden geiten is dit vaak niet het geval.

Een eerste contact van schapen of geiten met deze parasiet tijdens de dracht kan abortus tot gevolg hebben. Een hernieuwd contact met de parasiet tijdens een volgende dracht leidt niet opnieuw tot abortus. Wanneer een abortusuitbraak op een be­drijf wordt veroorzaakt door Toxoplasma gondii komen de gevallen dus voornamelijk voor bij de jongere dieren. Indien toxoplasmose optreedt bij binnen gehouden geiten die niet eerder met deze protozo in contact zijn geweest kan abortus bij dieren van alle leeftijden optreden.

De stadia van Toxoplasma gondii die vrijkomen tijdens een abortus vormen echter voor de mens maar een heel klein risico. Weefselcysten en oöcysten die katten uitscheiden zijn de belangrijkste bron van besmetting.

Ziekte bij de mens

Een besmetting bij gezonde mensen kan leiden tot moeheid, lusteloosheid en koorts maar in de regel gaat een besmetting niet gepaard met ziekteverschijnselen. Mensen met een verminderde weerstand kunnen na infectie ernstig ziek worden en bij vrouwen die tijdens de zwangerschap voor de eerste keer worden besmet kan een infectie, afhankelijk van het stadium van de zwangerschap, meer of minder ernstige gevolgen hebben voor de ongeboren vrucht.


2.2 Chlamydophila abortus

Deze bacterie heeft een afwijkende vermeerderingscy­clus en vermeerdert zich uitsluitend in levende cellen. Daardoor is deze ziektekiem niet zo eenvoudig te isoleren. De tijd die verloopt tussen een besmetting en het optreden van abortus bedraagt in de regel minimaal 5 à 6 weken. Ook bij ooien en geiten die aan het begin van de dracht worden geïnfecteerd, treedt abortus op in het laatste deel van de dracht. Veranderingen aan de placenta treden niet op voor de 90ste dag van de dracht. Vindt de infectie plaats op een later tijd­stip in de dracht, dan blijft de infectie vaak verborgen in het dier aanwezig en kan de volgende dracht leiden tot abor­tus.

Wanneer deze abortusverwekker eenmaal op een bedrijf is binnenge­haald, blijft het aantal abortusgevallen het eerste jaar meestal beperkt, tenzij heel vroeg in het aflamsei­zoen abortusge­vallen optreden. In dat geval is het mogelijk dat een aantal dieren in het gevoelige stadium van de dracht verkeert en datzelfde jaar nog aborteert. Is dat niet het geval, dan kunnen van de schapen of geiten die dan de infectie opdoen, het jaar daarop verschei­dene aborteren. In de jaren daarna aborteert in de regel een deel van de dieren die voor de eerste keer drachtig zijn. Verwer­pende ooien of geiten zijn in de regel niet of slechts heel kort ziek.

Ziekte bij de mens

Aanwezigheid van Chlamydophila abortus op een bedrijf is een risico voor zwangere vrouwen. Zij dienen direct en indirect contact met verwerpende dieren te vermijden. Infectie van een zwangere vrouw kan namelijk leiden tot verlies van de vrucht en ernstig ziek zijn en in enkele gevallen zelfs tot het overlijden van de vrouw. Mensen die assistentie verlenen bij de geboorte van een lam op een bedrijf met abortusproblemen doen er goed aan om nadien de handen goed te wassen en te ontsmetten.
2.3 Listeria monocytogenes

Listeria monocytogenes is een bacterie waarvan verschil­lende typen bestaan. Problemen met listeria komen bijna alleen voor bij schapen en geiten die gevoerd worden met ingekuil­de pro­ducten. Bij listeriose is abortus een van de mogelijke verschijnselen. Bij een uitbraak op een bedrijf waar altijd ingekuilde producten worden gevoerd, worden vaak vooral de jongere dieren getroffen. Na een infectie kunnen lacterende dieren deze ziektekiem uitscheiden via de melk. Op bedrijven met melkschapen en –geiten moet hiermee rekening worden gehouden, zeker als dergelijke bedrijven de melk zelf verwerken en niet pasteuriseren.

Ziekte bij de mens

Een besmetting bij gezonde mensen verloopt in de regel zonder verschijnselen of met verschijnselen van milde griep. Jonge kinderen, ouderen, zwangere vrouwen en mensen met een verminderde weerstand zijn veel gevoeliger voor een besmetting. Deze mensen kunnen ernstig ziek worden, een bloedvergiftiging krijgen en aan een besmetting sterven. Bij zwangere vrouwen kan een besmetting leiden tot infectie van de ongeboren vrucht met alle mogelijke nadelige gevolgen daarvan.


2.4 Campylobacter

In ons land kunnen verschillende campylobacter soorten abortus veroorzaken. Wanneer dit probleem op een schapenbedrijf speelt, kan het percentage aborterende dieren vrij hoog lig­gen. Ook de sterfte van normaal geboren lammeren kan erg hoog zijn. Opvallend is vaak dat binnen een bedrijf het ene koppel veel problemen kan hebben en een apart daarvan gehouden koppel helemaal niet. Hoewel de verwekker bij sommige schapen tot een volgend lammerseizoen in de galblaas of de darm aanwezig kan blijven en ook wordt uitgescheiden, komen niet vaak twee jaar achtereen problemen op hetzelfde bedrijf voor. Bij geiten worden deze verwekker veel minder aangetroffen.

Ziekte bij de mens

Een besmetting kan bij de mens leiden tot een darmontsteking. Ook een bloedvergiftiging en griepachtige verschijnselen met koorts, hoofd- en spierpijn zijn mogelijk.


2.5 Salmonella

Er zijn verschillende salmonella's die bij schaap en geit abortus kunnen veroorzaken. De bacterie Salmonella abortus ovis, een specifieke abortusverwekker bij het schaap, is tot nu toe nooit in Nederland gevonden. Salmonella Dublin en Salmonella typhimurium komen op rundveebedrijven in ons land regelmatig voor. Bij schapen op deze bedrijven zien wij niet vaak problemen. Bij schaap en geit komt abortus veroor­zaakt door salmonella in ons land niet veel voor.

Ziekte bij de mens

Een besmetting kan bij de mens leiden tot een darmontsteking. Ook een bloedvergiftiging en griepachtige verschijnselen met koorts, hoofd- en spierpijn zijn mogelijk. Het optreden van klinische verschijnselen bij de mens is afhankelijk van de salmonella soort die de besmetting veroorzaakt.


2.6 Border disease-virus

Border disease bij schapen is in 1959 voor het eerst beschreven als een aandoening die voorkwam in het grensgebied (border) tussen Engeland en Wales. Een eerste besmetting met dit virus tijdens de dracht kan verschillende afwijkingen bij de vrucht veroorzaken, afhanke­lijk van het tijdstip waarop de infectie plaats­vindt. Typische border disease-lammeren zijn lammeren die met een harige vacht worden geboren en die bij de geboorte over het hele lichaam trillen, de zogenaam­de ‘hairy shakers’. Dit trillen kan lang­zaam afnemen naarmate de lammeren ouder worden. ‘Hairy sha­kers' komen in ons land niet veel voor. Op bedrijven waar schapen tijdens de dracht worden geïnfecteerd, vormt sterfte van vruchten op verschillende tijdstippen van de dracht de grootste schade­post. Van de geïnfecteerde lammeren die voldragen worden geboren, sterft een gedeelte rond de geboorte. Verreweg het grootste deel van de besmette lammeren sterft voor de speenleeftijd. Ook bij de geit kan border disease voorkomen maar in ons land wordt deze diagnose zelden gesteld.

Het virus dat border disease veroorzaakt, is gelijk aan of zeer nauw verwant met het virus dat BVD (bovine virus­diarree) bij runderen veroorzaakt. Dit probleem komt op rundveebedrijven in ons land op grote schaal voor.

Border disease is geen zoönose.


2.7 Yersinia pseudotuberculosis

Deze bacterie, die bij vrijwel alle zoogdieren en bij veel vogels pseudotuberculose kan veroorzaken, wordt soms als enige bacterie geïsoleerd uit verworpen lamme­ren. Bij deze aandoe­ning komen haardjes met weefselverval voor in inwendige organen. De aandoening moet niet worden verward met caseous lymfadenitis (CL) die ook wel pseudotuberculose wordt genoemd en die in ons land vrij veel bij geiten en een enkele keer bij schapen voorkomt. De verwekker van CL is Corynebacterium pseudotuberculosis.

Ziekte bij de mens

Yersinia pseudotuberculosis kan bij de mens ontstekingsprocessen veroorzaken die vaak bij toeval bij buikoperaties worden aangetroffen. Een enkele keer treedt een bloedvergiftiging op.


2.8 Coxiella burnetii

Coxiella burnetii is de veroorzaker van Q-fever, Q-koorts of Australische tekenbeetkoorts bij mens en dier. Herkauwers zijn de belangrijkste besmettingsbron voor de mens maar ook verschillende andere diersoorten zoals honden, katten en knaagdieren kunnen met Coxiella burnetii zijn besmet. Meestal verloopt de aandoening bij dieren symptoomloos, maar vooral bij schapen en geiten kan een infectie leiden tot abortus. Uitscheiding van de kiem vindt onder andere plaats met de nageboorte, vruchtwater en via de melk. Net als Chlamydophila abortus blijft ook Coxiella burnetii na indrogen lange tijd besmettelijk. Besmet stof kan zo bijvoorbeeld via inademen infectie veroorzaken.

Ziekte bij de mens

In 2007 zijn in ons land meer gevallen van Q-fever bij de mens vastgesteld dan in voorgaande jaren. Het gaat om enkele tientallen gevallen en de meeste daarvan komen voor in het zuiden van ons land. In andere jaren wordt deze diagnose in ons land slechts tien tot twintig keer per jaar gesteld.

Een besmetting van de mens verloopt gelukkig vaak symptoomloos of met milde klachten. In andere gevallen is sprake van meer of minder ernstige griep met hoge koorts, hoofd- en spierpijn, misselijkheid en braken, hoesten en longontsteking. Besmetting van zwangere vrouwen kan leiden tot problemen met de zwangerschap. In drie tot vijf procent van de gevallen wordt de ziekte chronisch en kan dan gepaard gaan met onder andere long-, lever- en hartklepontstekingen. Mensen kunnen elkaar niet besmetten.
2.9 Leptospira hardjo

Deze bacterie kan bij het rund abortus en mastitis (uierontsteking) veroorza­ken. Bij het schaap en soms bij de geit kunnen dezelfde problemen zich voor­doen. Bij het rund heeft deze aandoening in het verleden voor veel problemen gezorgd, maar de ziekte is inmiddels bijna helemaal uit Nederland verdwenen. Hoewel in ons land serologisch positieve schapen zijn gevonden, hebben we deze verwekker nooit als oorzaak van abortus bij het schaap gevonden. In andere landen is dat wel het geval.

Ziekte bij de mens

Leptospira hardjo kan bij de mens melkerskoorts veroorzaken; melkveehouders doen de infectie namelijk vaak op tijdens het melken. Het klinisch beeld hiervan loopt uiteen van een milde griep tot een ernstig griepachtig beeld met onder andere een hoge temperatuur, spier-, buik- en hoofdpijn en min of meer ernstige lever- en nierfunctiestoornissen. De herstelperiode kan enkele maanden tot meer dan een jaar duren.


2.10 Brucella soorten

Bij het schaap kunnen Brucella ovis en bij schaap en geit Brucella melitensis en Brucella abortus voorko­men. Deze bacteriën kunnen alle drie abortus veroorzaken, maar een besmetting met Brucella melitensis levert bij kleine herkauwers de meeste problemen op. De resistentie van deze bacteriën tegen uitwendige omstandigheden is vrij groot. Dit betekent dat deze kiemen in de omgeving vrij lang kunnen overleven en dus ook weer andere schapen en geiten kunnen besmetten. Bij een abortus worden grote aantallen kiemen uitgescheiden. Later kan de uitscheiding van deze kiemen via schede-uitvloeiing maar ook via de melk plaatsvinden. Volwassen dieren kunnen de verwekker jaren­lang bij zich dragen. Serologisch aantoonbare antilichamen geven dieren die de infectie hebben doorgemaakt, meestal levenslang immuniteit. Bij schaap en geit is Brucella melitensis de belangrijkste van de drie.

Brucellose door Brucella abortus is in Nederland uitgeroeid, maar komt zo nu en dan bij geïmporteerd rundvee weer voor. Bij schapen en geiten in ons land heeft de bacterie nooit een rol van betekenis gespeeld.

Brucella ovis komt zeer waarschijnlijk in ons land niet voor. Deze bacterie is vooral van belang als veroorzaker van bijbalontsteking. Verminderde vruchtbaarheid als gevolg daarvan is dan de voornaamste klacht. Fokrammen die naar andere EU-lidstaten worden verkocht, moeten op aanwezigheid van deze bacterie worden onderzocht. Bij het serologisch onderzoek dat in dat kader plaatsvindt, worden zo nu en dan seropositieve rammen gevonden. Voor zover bekend is het tot nu toe niet gelukt uit dergelijke dieren Brucella ovis ook te kweken.

Brucella melitensis komt in ons land niet voor, maar wel op grote schaal in de landen rond de Middellandse Zee. Elk jaar worden in ons land ongeveer twintigduizend schapen en geiten onderzocht om aan te tonen dat deze ziekte in ons land niet voorkomt.

Ziekte bij de mens

Bij de mens veroorzaakt Brucella melitensis Maltakoorts. Na een incubatietijd van ongeveer tien dagen beginnen koortsaanvallen. De patiënten zijn moe en transpireren sterk. Er kan sprake zijn van een milt- en leverzwelling en er kunnen aanhoudende griepachtige verschijnselen bestaan alsook hart- en circula­tie-, ademhalings- en vruchtbaarheidsstoringen. Infectie van de mens treedt op na contact met besmette dieren of door opname van besmette producten.
2.11 Schimmels

Een enkele keer komt bij individuele dieren abortus voor die veroorzaakt wordt door schimmels en gisten, na besmetting van andere organen. Infec­ties volgen op het eten of inademen van sporen uit beschim­meld, rottend voer of strooisel. Dit komt hoofdzakelijk voor gedu­rende de wintermaanden en bij slechte stalomstandigheden. Schimmels slaan gemakkelijk aan op vruchtvliezen en vermenig­vuldigen zich daar, vaak gevolgd door aantasting van de vrucht.


3. Wat te doen bij abortus

De houder van kleine herkauwers die te maken krijgt met abortus onder zijn dieren, doet er verstandig aan zijn dierenarts te raadplegen. Samen zullen zij tot een aanpak moeten komen. Als zij er samen niet uitkomen wil GD daar graag bij helpen. Het allerbelangrijkste is namelijk, zeker als het om meerdere gevallen gaat, om eerst achter de oorzaak te komen.


3.1 Algemene maatregelen

Bij het optreden van abortus op een bedrijf moeten de volgende algemene maatrege­len worden geadviseerd:



  1. Verwijder het verwerpende dier uit het koppel.




  1. Stuur verworpen vrucht en nageboorte op voor onderzoek.




  1. Bied overige verworpen vruchten en nageboorten aan ter destructie.




  1. Ontsmet, indien mogelijk, de plaats waar vrucht, vruchtwater en nageboorte terecht zijn gekomen.




  1. Laat een ooi of geit die heeft verworpen geen andere lammeren zogen.




  1. Zwangeren, jonge kinderen, ouderen en mensen met een verminderde weerstand zouden direct en indirect contact met verwerpende kleine herkauwers moeten vermijden. Op een bedrijf met een abortusprobleem moeten zij niet assisteren, niet in de stallen komen en geen contact hebben met de kleren van iemand die heeft geassisteerd bij een verlossing.




  1. Verwerk melk van verwerpende dieren niet rauw tot producten.




  1. Stof, mest, hooi en stro kunnen op een besmet bedrijf verwekkers bevatten en voorkomen moet worden dat de wind voor verspreiding zorgt.




  1. Rijd mest en stro bij voorkeur uit bij rustig weer en werk dit zo spoedig mogelijk onder.


3.2 Diagnostiek

Stuur, indien mogelijk, niet alleen de verworpen vrucht maar ook de nageboorte op voor onderzoek naar de Gezondheidsdienst voor Dieren. Van een niet-afgekomen nageboorte is meestal wel een gedeelte te bemachtigen en op te sturen. Het onderzoeksmateri­aal moet zo vers mogelijk zijn. Bijna even belangrijk als het opgestuurde materiaal is de bij dat materiaal geleverde anam­nese (het verhaal met de ziektebe­schrijving). Daarbij gaat het vooral om:

- het stadium van de dracht,

- de leeftijd van de ooi,

- het aantal dieren dat heeft geaborteerd,

- het eventueel ziek zijn van de ooi,

- de vraag of er wel of geen problemen in een vorig jaar waren,

- de vraag of het zelfgefokte of aangekochte ooien betreft,

- het soort voer dat verstrekt wordt,

- eventueel andere opmerkelijke feiten.

De diagnostiek is niet altijd eenvoudig en vaak moet meerdere keren materiaal voor onderzoek worden aangeboden. Bovendien is onderzoek niet gratis.

Als eenmaal een diagnose is gesteld is daarmee het probleem nog niet opgelost: niet voor alle oorzaken bestaat een goede behandeling en gerichte preventieve maatregelen zijn ook niet altijd mogelijk. Toch raden wij het instellen van een behandeling zonder diagnose, om een aantal redenen ten stelligste af.



3.3 Waarschuwing

Een schapen- of geitenhouder moet de oorzaak van zijn abortusprobleem kennen om gericht te kunnen ingrijpen. Nog belangrijker is het om te weten of de ziektekiem die de problemen veroorzaakt risico’s heeft voor de mens: heel veel abortusverwekkers bij kleine herkauwers zijn namelijk niet zonder risico voor de mens. Mensen met een verminderde weerstand, jonge kinderen, oude mensen maar vooral zwangere vrouwen lopen een verhoogd risico om zelf ziek te worden na contact met zo’n ziektekiem.

Zolang geen onderzoek heeft plaatsgevonden en dus nog niet vaststaat of er sprake is van besmettelijk verwerpen, is voorzichtigheid geboden. Op bedrijven waar nog geen diagnose is gesteld, zouden bovengenoemde risicogroepen niet moeten helpen tijdens de aflamperiode. Ze zouden ook niet in de stal moeten komen en zelfs niet contact moeten hebben met de kleren van de partner die geassisteerd heeft bij een verlossing. Ook zouden bezoekers moeten worden geweerd uit de stal.
Nadere informatie kunt u ook vinden op:

www.capraovis.nl

www.gddeventer.com

www.rivm.nl



www.ggd.nl



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina