Abvakabo fnv



Dovnload 33.12 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte33.12 Kb.


Resultaten van de studentenenquête

in de sectoren Zorg en Welzijn

ABVAKABO FNV

Zoetermeer, september 2004

Inleiding

Net als in 2002 heeft ABVAKABO FNV, de grootste vakbond in Zorg en Welzijn, dit jaar opnieuw een grote landelijke enquête gehouden onder studenten die in bovengenoemde sectoren studeren.


Willen studenten die nu een zorg- of welzijnsopleiding volgen eigenlijk wel in die sector blijven werken? Wat vinden studenten van hun opleiding? En krijgen ze een stagevergoeding wanneer ze daar recht op hebben? Zijn studenten bekend met de vakbond? Door middel van dit onderzoek wil ABVAKABO FNV van studenten zelf horen hoe zij tegen deze zaken aankijken.

Op een aantal terreinen zal bij de weergave van de resultaten een vergelijking worden gemaakt met de resultaten van het onderzoek in 2002. Dit geeft voor het eerst ook een beeld van issues die in de de tussenliggende tijd veranderd zijn.

ABVAKABO FNV maakt zich al jaren sterk voor de positie van studenten in Zorg en Welzijn. Wij zijn nog steeds nadrukkelijk bezig met het realiseren van het zeven-punten-plan (zie hieronder). Daar in hebben in de afgelopen jaren resultaten geboekt, met name in betere CAO-afspraken voor studenten. Jaarlijks geven wij een overzichtelijke brochure uit met de belangrijkste afspraken voor studenten in de verschillende sectoren. Op dit moment zijn wij druk bezig een model te ontwikkelen dat de behoefte aan stageplaatsen kan aangeven. De volgende stap is dan ervoor te zorgen dat er ook voldoende plaatsen zijn. Hierover willen we harde afspraken maken in de verschillende CAO’s in zorg en welzijn.

ABVAKABO FNV zal de resultaten van de enquête bespreken tijdens de voorlichtingslessen aan studenten, met onze actieve leden en vooral benutten in de vele overleggen met werkgevers en scholen.


De enquête is op een aantal terreinen anders van opzet dan twee jaar geleden. Het aantal vragen over buitenlandse stages is beperkt. Toegevoegd is een onderdeel over de bekendheid van de vakbond. Dit deel draagt bij aan een breder onderzoek van de vakcentrale FNV. Op deze plaats dan ook een woord van dank voor de FNV vanwege inhoudelijke en financiële bijdragen aan het studentenproject.

De respons en de spreiding


ABVAKABO FNV heeft onder ruim 8.400 studenten in Zorg en Welzijn een enquête verspreid.

D
e enquête zorg en welzijn van ABVAKABO FNV is weer een groot succes. Maar liefst 1.266 enquêtes zijn beantwoord (respons in 2002: 721). Alle leerjaren zijn vertegenwoordigd, hoewel het eerste en tweede leerjaar met beide 35% van het totaal aantal ingevulde enquêtes duidelijk in de meerderheid zijn. De opleiding van de geënquêteerde studenten is voor de meerderheid op MBO niveau.

De verhouding tussen het dagonderwijs en de leer-werkenden is ongeveer hetzelfde als bij de enquête in 2002: ongeveer 60% volgt dagonderwijs. Zuid Nederland is het best vertegenwoordigd in de enquête, met op de tweede plaats de randstad. Noord-, Oost-, en Midden Nederland zijn evenredig vertegenwoordigd. De helft van de respondenten is jonger dan 20 jaar en een ruime meerderheid (bijna 90%) is vrouw.

De belangrijkste resultaten met betrekking tot school en stages algemeen


Van de ondervraagde studenten stelt 23,3% geen antwoord te krijgen op sollicitaties. Het percentage is zelfs licht gestegen in vergelijking met 2002 (22,5%). Scholen lijken zich in toenemende mate te bemoeien met het regelen van stages. In 2002 was hun aandeel nog 31%, in 2004 is dat gestegen naar 44%.

Opvallend is de daling van het percentage studenten dat in twee of meer werkvelden stage loopt. In 2002 was dit nog 63,4, terwijl dat in 2004 gedaald is naar 47. Het aantal studenten dat zegt te stoppen of dit heeft gedaan is ten opzichte van 2002 niet echt gedaald. In 2004 zegt 17,8% van de studenten dit, en in 2002 was dat 17,5%.

Het aantal werkgevers dat niet meewerkt om hun BBL-ers een externe stage te laten lopen neemt toe. In 2002 was dit nog 10,7%, nu is dat gestegen naar 17%.

In totaal 72,9% van de studenten vindt dat de praktijkbegeleider voldoende tot ruim voldoende tijd heeft voor begeleiding. Opvallend is wel dat scholen volgens de studenten minder tijd zijn gaan besteden aan begeleiding per stageperiode. In 2002 werd volgens 46% van de studenten 10 uur of meer aan begeleiding besteed. Nu is dat gezakt naar 29%. Opvallend is daarbij ook een sterke toename van het aantal studenten dat zegt 0-5 uur begeleiding te krijgen. In 2002 was dat 31,6%, terwijl dat nu 50,9% is.

V
oor wat betreft de kwaliteit van de theorie geven studenten hun school in 2004 een gemiddelde cijfer van 6,34. Dat is beter dan het cijfer in 2002 (6,23).
Het grootste knelpunt tijdens de opleiding is met stip de hoeveelheid tijd die er voor privé-zaken overblijft (zie grafiek).


De belangrijkste resultaten met betrekking tot het praktijkgedeelte van de opleiding

Iets meer respondenten dan twee jaar geleden twijfelt of hij of zij wel wil werken in de zorg: 6.5% wil liever niet in de zorg werken tegen 2.6% in 2002. Van de studenten weet 61% zeker dat hij/zij wil werken in Zorg of Welzijn.

Bijna 80% van de studenten vindt de kwaliteit van de begeleiding van de instelling goed tot zeer goed. Zo’n 57% vindt dat de werkbegeleider voldoende tijd heeft voor begeleiding.

Er is weinig verandering in de waardering voor de stagiair, 60% heeft het idee voor vol te worden aangezien. Er wordt binnen de instellingen iets minder rekening gehouden met het leerjaar en niveau van de stagiair (10% in 2004 tegen 7% in 2002).

Volgens de stagiairs zelf zijn de collega’s van de stagiairs over het algemeen vooral blij met de extra hulp (22%) en de leuke collega (12,5%). Lastig wordt men slechts in 2% van de gevallen gevonden.

Van de BOL-ers en de voltijd HBO-studenten stelt 64% wel eens een vaste collega te hebben vervangen die afwezig was (43% “ja” en 21.5% “heel soms”). Dit komt het meest voor in verplegings– en verzorgingshuizen. Zo’n 15,9% van de studenten draait avond– en nachtdiensten waar dit vanwege te weinig begeleiding niet mag.

In de stageperiode heeft 47% van de studenten te maken met één of meer negatieve ervaringen, waaronder agressie (20%). Van deze studenten vindt 80% dat ze goed zijn opgevangen.

Voor wat de betreft de omvang van de begeleiding per stage stelt 56% van de leerlingen nog steeds 10 uur of meer te ontvangen. In 2002 was dit 60%. Ongeveer 86% vindt deze begeleiding voldoende.

Slechts 1% van de studenten geeft aan in het buitenland stage te moeten lopen vanwege een tekort aan stageplaatsen.

Voor de kwaliteit van het praktijkdeel geven studenten hun stage-instelling / werkgever gemiddeld een rapportcijfer 7,2. In 2002 lag dit cijfer nagenoeg gelijk op 7,15.



De belangrijkste resultaten met betrekking tot de vakbond


De vakbond is voor veel studenten een onopgemerkt verschijnsel. Maar 35.1% van de opleidingen besteedt aandacht aan de vakbond. De groep studenten die informatie heeft gekregen over een vakbond heeft dit prettig gevonden. Informatie blijkt het beste verkoopartikel van de vakbond te zijn, 33.2% van de studenten voelt zich hierdoor aangesproken. Studenten willen vooral meer weten over hun rechten (72%), Arbeidsomstandigheden (51%) en Salaris (58%). Deze informatie ontvangen zij het liefst via de post.

Hoewel men de vakbeweging een positief imago toekent, 93% voldoende, heeft 10% ideeën over hoe het beter kan. Ruim 5% wil actief zijn binnen de bond. 8% is op dit moment lid.


Reactie ABVAKABO FNV op de uitslagen van de enquête:

Wij vinden het beschamend dat bijna een kwart van de studenten geen reactie krijgt op sollicitaties. De afgelopen jaren is veel werk gemaakt van een beter imago van de zorg. Dat begint natuurlijk met het beantwoorden van sollicitaties van studenten.

Het toenemend aantal scholen dat volgens de studenten stage regelt is positief. Toch zullen scholen meer moeten doen om stageplaatsen te regelen. Want het blijft merkwaardig dat nog steeds de helft van de studenten zelf een stage regelt terwijl dit een regulier onderdeel van de opleiding is. Er is de scholen diverse instrumenten geboden om het vinden van stageplaatsen te vereenvoudigen. Dit lijkt zich te vertalen in een grotere inspanning bij het regelen van stages. Voor een goede opleiding is het van belang dat studenten de kans krijgen in twee of meer werkvelden stage te lopen. Bij veel opleidingen is dat zelfs een eis. Het is een zorgelijke ontwikkeling als deze keuzemogelijkheden afnemen, omdat daarmee de kans op een goede en brede ervaring in meerdere werkvelden en dus ook meer kans op een goede werkplek afneemt.

Eveneens zorgelijk is de aanzienlijke teruggang in begeleiding vanuit de school. Ruim de helft van de studenten krijgt minder dan vijf uur begeleiding.

Uiteraard kan de effectiviteit van de begeleiding zijn toegenomen maar deze teruggang is te groot. Studenten hebben recht op meer begeleiding. De komende periode zullen wij hier nader onderzoek naar doen en de scholen vragen hier extra aandacht aan te besteden.

Het algemene beeld is dat studenten veel zaken nog steeds zelf moeten regelen. Een belangrijke indicatie daarvoor is dat studenten te weinig tijd voor hun privé-leven als het grootste knelpunt tijdens de opleiding beschouwen.

Een zesje voor het theoriedeel. ABVAKABO FNV vraagt zich af of de scholen zelf tevreden zijn met dit gemiddelde cijfer?

Werkgevers kunnen tevreden zijn met de beoordeling van de studenten; een ruime zeven.

Positief is ook dat een ruime meerderheid aangeeft voor vol te worden aangezien. Dit duidt erop dat stage een noodzakelijk en geaccepteerd aspect is in organisaties. Jammer dat er nog steeds te veel een beroep op stagiaires wordt gedaan als “extra” handjes. Een stage is om te leren. Daarin past het dus niet dat stagiaires vaste collega’s wel eens vervangen. Dat is niet in het belang van de stagiair maar ook niet van de collega’s. Risico’s als verdringing van vast werk liggen immers altijd op de loer.

Verontrustend is dat ruim 15% van de studenten zegt avond-en nachtdiensten te draaien, terwijl zij weten dat dit wettelijk niet mag. ABVAKABO FNV vindt dat deze praktijk moet worden bestreden en zal de arbeidsinspectie en zorginspectie vragen beter op de positie van studenten te gaan letten.

Studenten lopen immers een groot risico doordat zij, indien er iets verkeerd gaat, aansprakelijk zijn.

ABVAKABO FNV is te spreken over het feit dat opvang van studenten bij negatieve ervaringen lijkt te zijn verbeterd. Zorgelijk blijft wel het hoog aantal voorvallen met agressie.




Het algemene beeld is dat studenten redelijk tevreden zijn over hun opleiding en stage. Wel is het een zorgelijke ontwikkeling dat op tal van onderdelen aan de kwaliteit van opleidingsstage lijkt te worden beknibbeld.


Hoewel er nu geen stageplaatsentekort blijkt, is duidelijk dat niet alle gewenste werkveldstages kunnen worden gelopen. Nog steeds worden stagiaires als productiekrachten ingezet. De tijd is dan ook rijp om ervoor te zorgen dat er blijvend voldoende stageplaatsen beschikbaar komen.
ABVAKABO FNV wil concrete CAO-afspraken per branche maken over het minimaal aantal stageplaatsen. Hiervoor is samen met de OVDB (De OVDB is het landelijk orgaan beroepsonderwijs in de sectoren gezondheidszorg, dienstverlening, welzijn en sport) een rekenmodel ontwikkeld dat gebruikt kan worden als hulpmiddel.
Verder pleiten wij voor een gezamenlijk opleidingsfonds dat kan zorgen voor een evenwichtige verdeling van financiële middelen die nodig zijn voor het bekostigen van BPV-plaatsen. Zo komt het geld daar terecht waar ook in opleidingen wordt geïnvesteerd.
Dit fonds zou door de sociale partners – in dit geval de werkgevers, vakbonden en onderwijsinstellingen – moeten worden bestuurd.

Andere taken van dit fonds kunnen zijn:



  • Het toebedelen van middelen voor opleidingsplaatsen in zorginstellingen.

  • Afspraken maken met overkoepelende onderwijsorganisaties over het gewenste kwaliteitsniveau van het onderwijs aan studenten in Zorg en Welzijn.

  • Het vergroten van aantrekkelijkheid van het onderwijs voor beroepen in Zorg en Welzijn voor (aankomende) studenten.


Het 7- Puntenplan
Voor de CAO- onderhandelingen in de zorg en welzijn is de verbetering van de positie van leerlingen een van de speerpunten. Per CAO kan dat op een verschillende wijze worden uitgewerkt. Wat moet er in de nieuwe CAO’s tot stand komen?


  1. Een extra loonsverhoging voor leerlingen met een arbeidscontract

Het gaat hierbij om een extra verhoging, dus boven op de loonsverhoging die voor het overige personeel wordt nagestreefd. Dit kan langs twee wegen: enerzijds door de lestijd als werktijd te beschouwen. De schooldag wordt dan doorbetaald. Anderzijds door het salaris van de leerling / werknemer gestaffeld te koppelen aan het aanvangssalaris van het beroep waarvoor de leerling / werknemer wordt opgeleid.


  1. Normen voor aantallen aan te nemen leerlingen met een arbeidscontract

Instellingen moeten in deze materie hun verantwoordelijkheid nemen. Dat betekent dat er voldoende inspanningen verricht moeten worden om interne opleidingsplaatsen aan te bieden in de Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL). Over de aantallen open te stellen plekken moeten afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is dat elke instelling een bepaald percentage moet halen. Te veel is er van uit gegaan dat opleiden een zaak van het beroepsonderwijs is geworden. In bepaalde regio’s zijn hierdoor soms geen BBL-plaatsen meer te vinden. Deze denkwijze moet worden doorbroken.


  1. Afspraken over de kwaliteit van de leerlingenbegeleiding

Instellingen ontvangen middels hun budget geld voor de begeleiding van leerlingen. Toch is de kwaliteit van de begeleiding van BBL-leerlingen een punt van grote zorg. Hierover moeten afspraken worden gemaakt, zodat een goede interne opleiding kan worden gewaarborgd. De werkgever zal zich moeten binden aan minimumkwaliteitseisen. De eisen moeten zowel de omvang van de begeleiding als de inhoud daarvan op een duidelijke manier vastleggen. ABVAKABO FNV gaat de komende tijd ook onderzoeken of er sancties kunnen worden getroffen tegen instellingen die zich onvoldoende houden aan de gemaakte afspraken.


  1. Van gunst naar recht op stage voor leerlingen uit het beroepsonderwijs

Eén van de grootste knelpunten is op dit moment het gebrek aan stageplaatsen. Wij willen daarom afspraken maken over het aantal stageplaatsen voor leerlingen uit het beroepsonderwijs in zorg en welzijn. Instellingen staan momenteel in de rij om gediplomeerde verpleegkundigen, verzorgenden, kinderleidsters en agogisch werkenden uit het beroepsonderwijs aan te nemen. Zij zullen echter ook hun verantwoordelijkheden moeten nemen en ruimte moeten maken voor voldoende stageplaatsen. Dit heeft een hoge prioriteit. De ervaring leert dat leerlingen graag gaan werken in een instelling waar ze (positieve) stage-ervaring hebben opgedaan. Wij denken dat dit ervoor zal zorgen dat we duidelijke afspraken kunnen maken met werkgevers over het aantal stageplaatsen dat een instelling beschikbaar moet stellen.

Voorlopige berekeningen van ABVAKABO FNV wijzen uit dat jaarlijks zo’n 20.000 stageplaatsen noodzakelijk zijn voor verpleging en verzorging, jeugdhulpverlening en kinderopvang.




  1. Een optimale praktijkbegeleiding voor stagiairs beroepsonderwijs

Dat er voldoende stageplaatsen moeten zijn is één ding. De kwaliteit van de begeleiding van stagiairs waarborgen is iets anders. Werkgevers voeren het gebrek aan personeel op als verklaring voor het tekort aan stageplaatsen: er zouden geen mensen genoeg zijn om de stagiairs een volwaardige begeleiding te geven. ABVAKABO FNV neemt dit argument serieus. Wij zijn echter van mening dat hiervoor een oplossing gevonden moet worden. Het vrijmaken van personeel in de formatie voor een adequate begeleiding is daarom van het grootste belang. Als het mogelijk is om buitenlandse verpleegkundigen te begeleiden dan moet het ook mogelijk zijn om begeleiding aan te bieden aan leerlingen uit het beroepsonderwijs. Het voorstel van ABVAKABO FNV is dat er per 10 leerlingen één werkbegeleider in de instelling aanwezig moet zijn. Op de scholen zou per 25 leerlingen één praktijkbegeleider beschikbaar moeten zijn.


  1. Een redelijke stagevergoeding voor leerlingen beroepsonderwijs

Iedereen weet dat stagiairs in het beroepsonderwijs zich in de praktijk voor de volle 100% inzetten. Het lopen van stage brengt ook nog eens de nodige extra kosten met zich mee. ABVAKABO FNV vindt dat hier een reële vergoeding tegenover moet staan.

In de komende jaren moet wat ons betreft een vergoeding gerealiseerd worden van tenminste € 90,- per stageweek.




  1. Een klachtenregeling voor leerlingen

De meldweek voor leerlingen en stagiairs in zorg en welzijn van mei 2000 heeft duidelijk gemaakt dat leerlingen geen plek hebben om hun klachten te uiten. ABVAKABO FNV vindt dat er een klachtenregeling moet komen voor leerlingen in de instellingen. In deze bezwarenprocedure kunnen leerlingen hun klachten door een onafhankelijke partij laten toetsen.

Dit 7 -puntenplan is geen blauwdruk. De komende tijd willen we in overleg treden met alle betrokken partijen om een aantal punten verder uit te werken. Met als doel dat over enkele jaren stage lopen in de sectoren zorg en welzijn weer heel normaal is en het bovendien een middel is om nieuwe werknemers snel en efficiënt naar de instellingen toe te leiden.




Tot slot


De zeven punten kunnen voor een deel gerealiseerd worden door de inzet van financiële middelen. Gezien de huidige plannen van het kabinet is het belangrijk dat alle partijen blijven zoeken naar middelen om de huidige salarissen van leerlingen te behouden. Hetzelfde geldt voor de stagevergoedingen die al in de meeste CAO’s zijn afgesproken.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina