Accord de l'Adjectif a Het kind is klein



Dovnload 15.67 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte15.67 Kb.
Accord de l'Adjectif

a) Het kind is klein.

b) Het kleine kind.

c) Dat is een klein kind.- Dat is geen klein kind.-Hij drinkt koel water.



Un adjectif peut se présenter sous deux formes :

Attribut : il suit le verbe. C’est le cas de l’exemple a)

Épithète : il se trouve devant le mot qu’il qualifie. C’est le cas des exemples b et c.

Si l’adjectif est attribut (si il suit le verbe) :

On ne change rien !!

Exemples :

Hij is mooi. - Mijn fiets is blauw. - Je hond is klein. - Mijn broek is nat. - De auto is groot.



Tous les adjectifs ici sont des attributs: ils suivent le verbe donc on ne change rien !!!

Si l’adjectif est épithète (si il est devant le mot qu’il qualifie) :

On ajoute un –e à l’adjectif

Hij is een mooie jongen. - Dat is een blauwe fiets. - Een kleine hond.

Tous les adjectifs ici sont épithètes: ils sont devant le mot qu’ils qualifient donc on ajoute un –e !!!



sauf si les 3 conditions suivantes sont réunies :
Le nom est neutre ;

Le nom est au singulier ;

L’adjectif est précédé de een, geen ou de rien (X) , il s’agit d’un GN indéterminé
Alors à ce moment-là, et uniquement si les trois conditions reprises ci-dessus sont réunies, on n’ajoute pas de –e à l’adjectif épithète.

Het huis

Ik woon in een mooi huis.

Pas de –e car les trois conditions sont réunies : 1° het huis (le nom est au singulier) 2° il y a een devant l’adjectif

Het water

Hij drinkt X koel water

Pas de –e car les trois conditions sont réunies : 1° het water (le nom est au singulier) 2° il y a le vide devant l’adjectif.

Het meisje

Ik speel met twee jonge meisjes

Il faut un –e ici car les trois conditions ne sont pas réunies :1° le nom est au pluriel (meisjes) 2° il y a twee devant l’adjectif

De auto

Jan heeft een nieuwe auto.

Il faut un –e ici car les trois conditions ne sont pas réunies : 1° de auto (le nom est au singulier) 2° il y a een devant auto.

- Remarques :

On ajoute –en aux adjectifs désignant des matières mais ils ne varient pas ;

Een gouden ring Une bague en or

Een zilveren vork Une fourchette en argent
Il faut tenir compte des règles d’orthographe

Rood : Een rode fiets . lief: Een lieve jongen.



Wit : Een witte broek. Grijs: Een grijze broek.

Exercices- Accorde les adjectifs suivants si nécessaire :


  1. Antwerpen is een ……………………. (groot) stad.

  2. Mijn school is ……………………. (oud) maar mijn zus gaat naar een……………………. (nieuw) school.

  3. Saskia woont in een ……………………. (mooi) huis.

  4. De ouders van Wim zijn……………………. (lief) mensen.

  5. De ……………………. (geel) limonade.

  6. Het …………………… (nieuw) meisje in 2F heet Matilda.

  7. Er zit een……………………. (nieuw) meisje in de tweede Latijn

  8. De ……………………. (wit) auto is een Fiat.

  9. Tijdens de ……………………. (groot) vakantie ga ik naar De Panne.

  10. IK heb geen ……………………. (mooi) verjaardag.

  11. België is een……………………. (klein) land.

  12. Peter heeft een ……………………. (grijs) hond.

  13. Sofie heeft ……………………. (groen) schoenen.

  14. Oma is een ……………………. (mooi) vrouw.

  15. Mijn broer is ……………………. (lui) maar hij heeft……………………. (goed) resultaten op school.

  16. Bart en Wim zijn ……………………. (dik) vrienden.

  17. De ouders van Wim zijn……………………. (lief).

  18. Ik zal een ……………………. (warm) maaltijd klaarmaken.

  19. De …………………… (nieuw) leerling in 2G heet Jan.

  20. Mia heeft een……………………. (dun) mond.

  21. De ……………………. (dame) kan geen Engels spreken.

  22. IK heb geen ……………………. (klein) broer.

  23. Maxime is een……………………. (goed) jongen.

  24. Piet heeft een ……………………. (jong) kat thuis.

  25. De zon is ……………………. (gevaarlijk).

  26. Ik zoek een ……………………. (Vlaams) penvriendin.

  27. Mevrouw Dupont heeft een……………………. (duur) G.S.M.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina