Achterhuis’ nieuwe visie op de utopie Hans Achterhuis (2006). Utopie. Amsterdam: Ambo



Dovnload 14.92 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte14.92 Kb.
Uit: Oikos, 39, pp. 67-70

(deze versie heeft dezelfde paginanummers als gepubliceerde versie)
Achterhuis’ nieuwe visie op de utopie

Hans Achterhuis (2006). Utopie. Amsterdam: Ambo.
In 1998 verscheen van de hand van Hans Achterhuis De erfenis van de utopie, een lijvige studie over het fenomeen utopie met een veeleer kritische houding tegenover utopieën. Recent is er van Achterhuis opnieuw een boek verschenen over dezelfde thematiek, dit keer met de titel Utopie. Achterhuis trekt in dit nieuwe boek, dat een heel stuk dunner is, een deel van zijn eerdere opvattingen in twijfel. Het tijdperk van de utopieën lijkt niet zomaar voorbij. De utopische traditie lijkt integendeel springlevend, in het bijzonder binnen de beweging van andersglobalisten.
Ecologisten staan zeker niet onverschillig tegenover het thema van de utopie. In 1996 schreef bijvoorbeeld de Nederlandse politicoloog Marius De Geus een boek over ecologische utopieën. Misschien is het dan ook niet toevallig dat Achterhuis zijn beide boeken over de utopie aanvangt met het voorbeeld Ecotopia, zowel verwijzend naar een jaarlijks jongerenkamp als naar de ecologische utopieroman van Ernst Callenbach.
Achterhuis’ Utopie bestaat uit twee delen: enerzijds een theoretische uiteenzetting over de utopie en anderzijds een aantal primaire tekstfragmenten die de utopische traditie illustreren. Het boek is namelijk geschreven met het oog op het filosofie-onderwijs in de Nederlandse secundaire scholen. Drie jaar terug leverde hetzelfde opzet ook al een helder geschreven en interessant boek op, namelijk Deugdelijk leven. Een inleiding in de deugdethiek van Paul van Tongeren.
In het eerste hoofdstuk gaat Achterhuis in op het concept utopie. De term utopie is afkomstig van Thomas More. Het griekse ‘topos’ verwijst naar plaats, maar de voorafgaande lettergreep is dubbelzinnig: eu-topia betekent goede plaats, terwijl ou-topia verwijst naar een plaats die niet bestaat. Een eenduidig definitie van utopie bestaat volgens Achterhuis niet – ze bestaat enkel in de utopie zelf. Daarom pleit hij ervoor om de wezensdefinitie in te ruilen voor een reeks familiegelijkenissen (Wittgenstein). Doorheen zijn uiteenzetting zal Achterhuis verschillende van die familiegelijkenissen aan bod laten komen. Daarbij hanteert hij het standpunt dat utopieën en dystopieën, de negatieve utopieën, deel uitmaken deel van dezelfde familie. Beiden hebben dezelfde kenmerken.
Het tweede hoofdstuk richt Achterhuis de aandacht op de historische

wortels van het fenomeen utopie. In De erfenis van de Utopie benaderde Achterhuis Utopia van Thomas More als de stamvader van de utopieënfamilie. More’s Utopia kwam echter niet zomaar uit de lucht vallen, zo bouwt More bijvoorbeeld verder op De Staat van Plato. In Utopie stelt Achterhuis dat we de wortels van de utopie in een verder verleden moeten zoeken dan bij Thomas More. Mensen hebben altijd gedroomd van een gelukkig leven in een betere wereld en dat vertolkt op een mondelinge of schriftelijke wijze – Ernst Bloch noemt dit ‘het principe hoop’. De oorsprong van de utopie moet vooral gezocht worden in de Joods-Christelijke religie en de Griekse filosofie. De utopische verbeelding heeft volgens Achterhuis een belangrijke rol vervuld om de crisis aan het einde van de Middeleeuwen te overwinnen. De Zwarte Dood richtte een catastrofe aan en toch had God niet ingegrepen. De mensen moesten het dan maar zelf proberen, waardoor de moderne mens geboren werd. Het ‘principe hoop’ werd daardoor steeds meer uitgedrukt in niet-christelijke, wereldse termen. In 1516 leidde dit tot de eerste voldragen moderne utopie: Utopia van Thomas More. Dit boek kende een snel succes en het werd de erop volgende eeuwen door vele auteurs nagevolgd. Velen trokken naar Amerika om daar een utopie te realiseren. Volgens Achterhuis moet men rekening houden met deze utopische dimensie als men het hedendaagse Amerika wil begrijpen. In de negentiende eeuw gaf de Industriële Revolutie aanleiding tot grote ellende bij de arbeiders. Die ellende was de voedingsbodem van veel utopische dromen die samen kwamen in het socialisme. Het utopisch enthousiasme krijgt een flinke deuk bij de eerste wereldoorlog. Niet verwonderlijk verschijnen er rond het midden van de twintigste eeuw de twee bekendste dystopieën: Huxleys Heerlijke Nieuwe Wereld en Orwells 1984. In de jaren zestig was er een nieuwe golf van utopisch denken die ongetwijfeld geleid heeft tot grote veranderingen.


De volgende twee hoofdstukken gaat Achterhuis in op twee specifieke vormen van de utopie: de sociale utopie (hoofdstuk 3) en de technische utopie (hoofdstuk 4). Ongeluk en leed lijken ons te overvallen vanuit drie bronnen: het eigen lichaam, de ons omringende natuur en de maatschappij van onze medemensen. De technische utopie probeert de eerste twee oorzaken aan te pakken, terwijl de sociale utopie zich richt op de laatste oorzaak. Het utopisch gedachtegoed lijkt vaak overtuigd van de wezenlijke goedheid van de menselijke natuur. Die goede natuurlijke mens leeft vaak ook dicht bij de natuur. Sinds de Grieken is er een beeld van een Arcadische samenleving aanwezig in het Westerse denken: een onschuldige natuur waarin mensen nog in volmaakte harmonie konden samenleven. Utopisten, zoals Rousseau, probeerden dan de voorwaarden te scheppen om de onbedorven menselijke natuur te herontdekken. Ook anarchisten geloven in een gelijkaardige goedheid van de mens, maar dit al te naïeve geloof betekende volgens Achterhuis ook hun ondergang. De meeste utopieën gaan niet uit van een dergelijke goedheid van de mens. De sociale utopie ontwerpt instituties en regels om een gelukkig samenleven van ‘gewone’ mensen mogelijk te maken. Zo een samenleving maakt mogelijk dat men de goede eigenschappen ontplooit, maar tegelijk wordt niet gesuggereerd dat de mensen volledig goed zullen worden: het kwade blijft steeds op de loer liggen. Men zoekt een afstemming tussen vrijheid en orde, maar steeds zullen er mensen blijven die er niet in passen en

die moeten aangepakt worden. Zo kende de gerealiseerde communistische utopie al snel na de Oktoberrevolutie in 1917 Goelags waar misdadigers en politieke tegenstanders dwangarbeid moesten verrichten. Het bestaan hiervan werd niet gezien als een tegenargument tegen de ideale maatschappij; men erkende nuchter dat er steeds mensen waren die zich bleven verzetten omdat ze bijvoorbeeld baat hadden bij het oude systeem. Volgens Achterhuis zijn de positieve utopieën en de negatieve dystopieën in deze zin eigenlijk hetzelfde: een individualistisch optreden wordt niet op prijs gesteld omdat het de bereikte harmonie kan verstoren. Utopieën en dystopieën verschillen vooral in hun vertelperspectief: de utopie wordt gezien door een buitenstaander (bijvoorbeeld een aangespoelde reiziger), terwijl de dystopie wordt beleefd door een inwoner. Achterhuis stelt dat onze moderne maatschappij een aantal trekken van een gerealiseerde sociale utopie vertoont, bijvoorbeeld de talloze bewakingscamera’s en het sterke moderne arbeidsethos. Niettegenstaande de reële gelijkenissen, is volgens Achterhuis onze samenleving totaal verschillend van bijvoorbeeld Orwells 1984.


In het vierde hoofdstuk gaat Achterhuis in op de technische utopie. Het paradigmatische voorbeeld is Het Nieuwe Atlantis (1627) van Francis Bacon. Veel commentatoren stellen dat de Westerse beschaving in het algemeen de richting is uitgegaan die Bacon voorstelde. In Bacons utopie bestaan er heel wat technische verworvenheden die gericht zijn op de vermeerdering van gezondheid, macht en rijkdom. De ordening van de samenleving is van minder belang bij Bacon. Als de mensen maar gezond, rijk en veilig kunnen leven. Kortom: meer is sowieso beter. Het paradijs ligt niet op het terrein van de politiek, maar op dat van de consumptie. Een groot deel van de utopie van Bacon is gerealiseerd: de verzorgingsstaat, een vergaande medische wetenschap, quasi onbeperkte consumptiemogelijkheden, … De vraag blijft echter of ze ons geluk hebben gebracht. Volgens Achterhuis is het antwoord nee, ze hebben niet het ultieme geluk gebracht, maar tegelijk zijn we dankbaar en blij met de vruchten van de wetenschap en de techniek. Voor verschillende auteurs is het echter niet meer de vraag ‘hoe de utopie realiseren?’, maar ‘hoe de utopie vermijden?’. Francis Fukuyama stelt in zijn boek Our Posthuman Future dat we bewegen in de richting van de dystopie van Huxley. Om dit te vermijden stelt Fukuyama dat we een halt moeten toeroepen aan de ongeremde technologische vooruitgang. Achterhuis’ standpunt is meer genuanceerd: ethische oordelen over de wetenschappelijke vorderingen zijn zeer relevant, maar dit is geen argument om niet dankbaar te zijn voor veel elementen van de wetenschappelijke vooruitgang.
Het vijfde en laatste hoofdstuk presenteert Achterhuis zijn slotbeschouwing waarbij hij kijkt naar het utopisme van de andersglobalistische beweging. Utopieën moeten een standpunt innemen tegenover minstens drie aspecten: de maakbaarheid van de samenleving, de aard van de menselijke natuur en wat geluk inhoudt. Deze aspecten leveren tal van filosofische vragen die geen één goede oplossing hebben. De vraag is of we utopieën nodig hebben. In het verleden heeft de utopie altijd een kritische functie vervuld, maar het vasthouden aan een starre blauwdruk heeft de utopie in veel gevallen doen omslaan in een dystopie. De nauwelijks uitgewerkte utopie van de andersglobalisten lijkt te suggereren dat er ook een utopie mogelijk is die ruimte laat voor

veelvormigheid. Achterhuis besluit met de stelling dat de utopische verbeelding nodig blijft om via concrete voorbeelden en verhalen te laten voelen hoe de meest gewenste toekomst eruit zou kunnen zien. Verhalen blijven nodig om de toekomst te verkennen en om het ‘principe hoop’ levend te houden – al gebeurt dit dan liefst minder dwingend dan bij de klassieke utopieën.


Zoals al aangehaald is er naast de theoretische uiteenzetting ook een tweede deel in Achterhuis’ Utopie, namelijk acht tekstfragmenten. Deze fragmenten komen uit De ideale staat (Plato), Utopia (Thomas More), Het Nieuwe Atlantis (Francis Bacon), Het Communistisch manifest (Karl Marx en Friedrich Engels), Heerlijke nieuwe wereld (Aldous Huxley), 1984 (George Orwell), Filosofische onderzoekingen (Ludwig Wittgenstein) en De Nieuwe mens (Francis Fukuyama). Veel van de primaire teksten zullen bij veel lezers al bekend zijn, maar dit neemt natuurlijk niet weg dat ze heel wat reflectiestof te bieden hebben, ook bij een tweede lezing.
Het theoretisch gedeelte van Achterhuis’ Utopie is een vrij korte (72 pagina’s) en vlot leesbare uiteenzetting die verschillende interessante gedachten bevat, maar iemand die op zoek is naar een echt diepgaande analyse blijft mogelijk op zijn honger zitten.
Stijn Neuteleers







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina