Advent 2010 Opstandingskerk Broeders en zusters



Dovnload 11.76 Kb.
Datum02.10.2016
Grootte11.76 Kb.
Preek 4e advent 2010 – Opstandingskerk

Broeders en zusters,


Zwanger uit de heilige Geest. Dat kan toch niet? denken wij dan. Wij geloven het meestal pas als het bewezen is. Maar veel van wat de bijbel vertelt kun je niet in een laboratorium nadoen. Omdat het te uniek is, omdat het van God komt. Omdat ons kennen maar beperkt is. Juist wetenschappers van nu beseffen hoe weinig wij weten. De vroegere arrogantie van natuurwetenschappers, die de bijbel belachelijk maakten vanuit allerlei stelligheden over wat kon en wat niet kon, heeft plaatsgemaakt voor een bescheidener opstelling. Hemelse visioenen zijn niet meteen een product van de hersenen. Er is weer ruimte voor het wonder.
Wij kennen alleen ons kleine wereldje, een aantal eeuwen van al die miljoenen jaren dat onze aarde bestaat. En wij kunnen alles onderzoeken. Bijvoorbeeld hoe het leven ontstaat, met een zaadje van een man en een eitje van een vrouw. Nou ja, het schijnt wel eens te gebeuren dat er een lichaamscel van de vrouw tot eigen leven komt in haar baarmoe­der; zo’n kind heeft dan precies dezelfde chromosomen als de moeder, en is dus een meisje. Dit geval van maagdelijke geboorte staat als een uitzondering in de medische boeken vermeld. Maar de maagde­lijke geboorte uit de bijbel levert een jongetje op; biologisch kan dat niet, zou men vroeger zeggen. Nu zegt men liever: wij weten daar niets van en we kunnen er daarom ook geen uitspraken over doen.
Wie er onbekommerd uitspraken over doen, dat zijn Matteüs en Lucas. Dat zijn ook geen medische onderzoekers, maar evangelisten. Zij willen verkondigen wie Jezus is. Matteüs opent zijn evangelie met het opschrift: boek over de wording van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. Vóór alles wil hij dat duidelijk maken: Jezus is de zoon van David. Hij stamt af van de man naar Gods hart, de dichter van psalmen, en vooral: de koning van Israël. En uiteraard is hij een zoon van Abraham - dat moeten zijn joodse lezers ook meteen weten. Hij werkt dat uit in 3 x 14 geslachten: van Abraham tot David 14, van David tot aan de ballingschap 14 geslachten (waaronder koning Achaz en zijn zoon Hizkia, uit Jesaja’s verhaal) en 14 geslachten tot Jezus. Het vreemde bij die laatste 14 is, dat Jozef de 12e naam is, Maria de 13e, en Jezus de 14e. Matteüs lijkt een loopje te nemen met de regels van een stamboom. Maria wordt via haar huwelijk met Jozef tot het huis van David gere­kend en telt voor Matteüs ook als een zelfstandige generatie; haar zoon Jezus wordt een Davidstelg via de erkenning door Jozef. En om die erkenning gaat het bij Matteüs.
Zo spreekt de engel hem aan: Jozef, zoon van David. Als zoon van David moet Jozef de zwangere Maria aanvaarden als zijn vrouw, haar zoon erkennen zoals een joodse vader dat doet: door zijn naam uit te roepen: Jezus. Zo zal Jozef dit kind van Maria welkom heten in zijn familie, in het geslacht van David. Daarom roepen later twee blinden: Zoon van David, ontferm U over ons! En zo roept de Kananese vrouw: Ontferm U over mij, Zoon van David! Bij Jezus’ intocht in Jeruzalem roepen de mensen: Hosanna de Zoon van David! - de eretitel van de Messias. Tegelijk wordt de Messias aangeduid als Gods Zoon. Dat gebeurt al bij zijn doop, die stem uit de hemel: deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb. En de titel ‘Gods Zoon’ echoot dóór in het hele verdere evangelie: indien Gij Gods Zoon zijt, maak dan van deze stenen brood; werp uzelf naar beneden; kom af van het kruis. En ook positief: waarlijk, Gij zijt Gods Zoon! Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!
Jezus als zoon van David en als Zoon van God. Daar gaat het Matteüs om in dit verhaal; over biologie maakt hij zich geen zorgen. Zoon van God is Hij, dus is zijn moeder zwanger uit de heilige Geest. Zoon van David is Hij, dus moet Jozef hem als Davidstelg adopte­ren. Natuur­lijk doet Jozef dat niet zomaar. Zijn verloofde zwanger en niet van hem, dan is zijn eerste gedachte niet God of de heilige Geest. Dat moet hem gezegd worden; en dat gebeurt in een droom. Hij heet niet voor niets Jozef. Zoals bij die vroegere Jozef wordt het hem in een droom duidelijk gemaakt. Hij was net van plan met Maria te breken - niet met een rel, niet door haar aan te wijzen als ontrouw, maar in stilte. Jozef is een rechtvaardig mens, Maria hoeft niet door het slijk gehaald; maar hij wil wel van haar af, want dit neemt hij niet. Dan verschijnt die engel: Jozef, zoon van David. Neem haar gerust tot vrouw, want wat in haar verwekt is komt van God. En als zij haar zoon heeft gebaard, moet jij hem welkom heten in de familie, in het geslacht van David. Zijn naam zul je roepen: Jezus, Jesjoea. Dat betekent ‘de Eeuwige redt’. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden.
Jezus, redder van mensen met hun fouten, fouten waarin ze kunnen vastlopen. Jezus die mensen op hun voeten zet als ze verlamd waren door schuldgevoe­lens; die hen opricht als ze gebukt gingen onder de last van eens gemaakte en soms niet te herstellen fouten. Redder is zijn naam, zijn levensopdracht. Die naam, die opdracht wordt al uitgeroepen bij zijn geboorte, door Jozef die zijn rol als vader aanvaardt.
Zo gaat Jesaja’s profetie in vervulling over de maagd die zwanger zal worden en een zoon zal baren en Hem de naam Immanuel zal geven, wat betekent: met ons is God. Die profetie was destijds gericht aan Achaz, de afvallige koning van Juda. Achaz die alle afgoden diende die er maar waren, zelfs goden die van hem vroegen zijn kind te offeren. Een verhaal over vroegere barbaarse tijden? Nee, dat gebeurt nog. Hoever ga je met je kind als je eigen idealen opspelen? Idealen van glorie en roem, van overwinning en triomf? Kinderen die de strijd in moeten, in Afrika of het Midden-Oosten. Of kinderen in onze samenleving, die geen gewone jeugd hebben omdat zij van hun ouders de top moeten bereiken, op welk gebied ook; er worden nog steeds kinderen opgeofferd aan wat de ouders boven alles stellen.
Daarom is één van de vragen aan doopouders: Willen jullie je zoon of dochter ontvangen als een kind van God, en je door haar of zijn aanwezigheid in jullie huis laten sterken in het geloof? Immers, je kind kan jou dichter bij God brengen, eenvoudig door er te zijn, door wie het zelf is. O zeker, het opvoeden komt ook nog, maar als de kerk alleen daarover vragen zou stellen, dan denken we teveel aan overdragen, van vader op zoon, van moeder op dochter, éénrichtings­verkeer. Nee, zegt deze doopvraag: kijk goed naar je kind; geef het de ruimte om haar of zijn eigenheid te ontwikkelen. Zo worden kinderof­fers voorkomen. Zowel bij doop als belijdenis gaan de vragen dwars tegen afgoderij in: Wilt u de HEER uw God dienen en naar zijn stem alleen horen? Wilt u zich verzetten tegen alle machten die als goden over ons willen heersen? Wilt u elk slavenjuk afwerpen en leven in de vrijheid van Gods kinderen?
Achaz kon dat niet. Hij diende de afgoden. Zelfs toen vijande­lijke vorsten hem van zijn troon dreigden te stoten, zocht hij geen steun bij de God van zijn voorvader David. De profeet Jesaja zegt: ben je zo bang dat een ander dan een Davidstelg op de troon komt? Vraag dan maar om een teken, heel Israël zal zien dat God het huis van David trouw blijft. Maar hij is zo ver van God verwijderd dat hij weigert om een teken te vragen. Hij wil God niet lastig vallen, zegt hij er vroom bij. Op deze lauwheid reageert de profeet woedend. Je kunt een teken krijgen en je hoeft het niet eens? Dan gééft God een teken, of je wilt of niet: wat de koning aan geloof mist, zal gevonden worden bij een van de jonkvrouwen aan zijn eigen hof. Zij zal zwanger worden, een zoon baren, en   midden in de benauwdheid van een belegerde stad – het lef hebben haar zoon Immanuel te noemen. Overal vijanden en toch: met ons is God. Haar vertrouwen zal de zittende koning beschamen.
Die zoon door wie de mensen weer zullen weten: met ons is God, heet Hizkia. Hij is anders dan zijn vader, doet wat recht is in de ogen des Heren. Onrecht en afgoderij ruimt hij op. Hij wordt met ere genoemd in de ge­slachts­lijst van Jezus. Maar na Hizkia komt Manasse, en die offert zijn kinderen weer aan de afgoden. Met ons is God, dat had men onder Hizkia kunnen merken, maar nu was dat weer voorbij. De profetie van Jesaja was uitgekomen, maar slechts voor korte tijd. Dus bleef de profetie in de harten van generaties mensen leven, totdat Hij zou komen door wie ze blijvend zouden kunnen ervaren: met ons is God.
Over hem gaat mijn evangelie, zegt Matteüs: Jezus, de zoon van David. Zijn komst gaan we aan het eind van deze week vieren: Jezus, in wie God met ons is. Zijn naam die altijd met ons mee zal gaan, tot ons heil, onze heelheid, onze redding. Omdat zijn naam dat belooft. Amen.


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina