Advocatenkantoor Steijnen, Olof & Stelling Couwenhoven 52-05



Dovnload 132.77 Kb.
Pagina1/3
Datum27.08.2016
Grootte132.77 Kb.
  1   2   3


Advocatenkantoor Steijnen, Olof & Stelling

Couwenhoven 52-05

3703 ER Zeist

tel. 030-6956867

e-mail: sagitar@hetnet.nl

Gerechtshof Den haag

sector strafrecht

t.a.v. de beklagkamer

Postbus 20302

2500 EH Den haag

30 december 2007

betreft: beroep op voet van art 12 Sv. inzake weigering van het OM om over te gaan tot vervolging wegens straf­rechtelijke verantwoordelijkheid (command responsi­bility en/of aider and abettor liability) inzake schendingen van het humanitair oorlogsrecht en ande­re ern­stige ­schendingen van het internationaal huma­nitair recht door nederlandse troepen in Afghanis­tan.

Tegen de overigens volstrekt niet onderbouwde weigering van het OM te Den Haag, welke in copie bij dit beroepschrift wordt gevoegd, tot het instellen van strafrechte­lijke vervolging tegen


1. generaal Dick Berlijn
2. generaal Ton van Loon
3. kolonel Hans van Griensven
4. Secretaris-Generaal van de NAVO Jaap de Hoop Scheffer
5. secretaris-generaal van het Ministerie van defensie

A.H.C. Annink
6. secretaris-generaal van het Ministerie van buitenlandse zaken Ph. de Heer
vanwege
- medeplichtigheid aan schending van het geweldsverbod terzake van oorlogshandelingen in Afghanistan;
- medeplichtigheid aan het maken van de burgerbevolking tot doelwit bij militaire acties in Afghanistan;
en/of
- medeplichtigheid aan het uitvoeren van militaire acties in Afghanistan waarbij onevenredige schade aan de burger­bevolking werd en wordt toegebracht;
en/of
- medeplichtigheid aan het uitvoeren van militaire acties in Afghanistan waarbij niet alle door het internationale humanitaire recht vereiste voorzorgen en waarborgen om de civiele bevolking zoveel mogelijk te ontzien in acht

zijn en worden genomen;
en/of
- medeplichtigheid aan schendingen van het Anti-Folterver­drag bij het uitvoeren van militaire operaties in Afgha-n­istan;
en/of
- medeplichtigheid aan het uitvoeren van buitengerechtelij­ke executies in Afghanistan, en deswege medeplichtigheid aan moord aldaar,
wordt door mr. N.M.P. Steijnen en mr. M.J.F. Stelling middels bijgaande appèlschriftuur beroep ingesteld.

////////////////////////////////////////////////////////////


inleiding tot de gronden van het beroep

Bij deze strafrechtelijke aangifte wordt mede gebruik gemaakt van gegevens verzameld door de onafhankelijk opererende Neder­landse journalist Arnold Karskens. Met name ook zoals door hem gepubliceerd in het op 7 december 2007 in de NRC gepubliceerde artikel van zijn hand onder de kop "Afghanen steunen ISAF niet meer - excessen van Nederlandse militairen dragen bij aan afkeer van de bevolking".


Natuurlijk zouden primair de voor het onderhavige misdadige optreden in Afghanistan verantwoordelijke Nederlandse politi­ci in staat van beschuldiging moeten worden gesteld, want zij zijn de eerst in aanmerking komende verantwoordelijken voor de onderhavige schendingen van het internationale recht van Nederlandse zijde in Afgha­nistan.

Zonder dat dit trouwens de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de bovengenoemde personen ook maar enigzins vermindert of inperkt.


Maar de Hoge Raad heeft, als een serviele lakei van de poli­tieke elite, in een recent arrest bepaald dat aan (gewezen) ministers en Tweede Kamerleden een vergaande mate van immuni­teit toekomt, ook als het gaat om strafvervolging terzake van verantwoordelijkheid voor schendingen van Anti-Folterverdrag en voor andere 'most serious crimes' naar internationaal humanitair recht.
Daarmee is Nederland het enige 'beschaafde' land ter wereld dat zijn politieke topfiguren een hoge mate van immuniteit van strafvervolging toekomt als het gaat om verdenking van mis­drijven in strijd met het Anti-Folterverdrag en van andere zeer ernstige misdrijven naar internationaal humanitair recht.

Overal elders in 'beschaafde' naties wordt het principe erkend dat hoge politieke posities, tot het (gewezen) presidentschap toe, geen vrijbrief kunnen vormen om aan vervolging terzake van dergelijke 'most serious crimes te kunnen ontkomen.

Alleen Nederland verleent zijn politieke elite een dergelijke vrijbrief.
Het is om die reden dat de bij Afghanistan betrokken ministers en leden van de Tweede Kamer, vanuit een positie van feitelij­ke straf­rechtelijke onschendbaarheid, onbekommerd en feitelijk onaan­tast­baar kunnen doorgaan met het organiseren, instigeren, dan wel participeren in en onverlet laten van de hierboven aangeduide zeer ernstige misdrijven naar internationaal recht.

Zonder dat zij ook maar een moment behoeven te vrezen voor mogelijke strafrechtelijke consequenties hiervan: de Hoge Raad heeft voor hen bepaald dat zij daarvoor alleen vervolgd kunnen worden als zijzelf daartoe besluiten.


Het valt dan ook te verwachten dat de betrokken ministers en de Tweede Kamer, met lak aan het internationale humanitaire recht op dit punt, als een soort absolute soevereinen voort zullen gaan met het organiseren, instigeren, dan wel partici­peren in en onverlet laten van de hierboven aangeduide zeer ernstige misdrijven naar internationaal recht. Zonder zich ook maar een moment te bekommeren over het ernstige misdadige karakter hiervan.
Dit betekent dat, voor zover het de Nederlandse rol betreft bij de misdadige aspecten van het militaire optreden in Afgha­nistan, door dit optreden van de Hoge Raad alleen de militair en politiek uitvoer­enden met betrekking tot de hier aan de orde zijnde inbreuken op het internationaal humanitair recht, op grond van medeplich­tigheid hieraan, kwetsbaar zijn voor een eventue­le strafrechtelijke vervolging op basis van de Wet Internatio­nale Misdrijven.
Het is om die reden dat hier uitsluitend vervolging van de hoogst verantwoordelijke militair en politiek uitvoerenden wordt geëist. En dat er van wordt afgezien om op de eerste plaats ook vervolging te eisen van de terzake verantwoordelij­ke ministers en leden van de Tweede Kamer.
Het zijn hier dus de hoogste militair en politiek uitvoerenden die de strafrechtelijke prijs zullen dienen te betalen voor de miksdrijven die de Nederlandse politieke elite hier voortgaat te beramen.
Sedert Neurenberg, herbevestigd door onder meer het Statuut van het Joegosla­vië Tribunaal en het Rwanda Tribunaal, alsme­de recentelijk door het Statuut van het Internationaal Strafhof en, op nationaal niveau, tot uitdrukking gebracht in de Wet Internationale Misdrijven (WIM), erkent het recht het principe van persoonlijke aansprakelijkheid en individuele strafrechte­lijke verantwoordelijkheid voor het misdrijf van agressie en voor andere ernstige misdrijven naar internationaal recht.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\

gronden van het beroep

Thans wordt overgegaan tot het inhoudelijke gedeelte van deze eis tot het instellen van strafrechtelijke vervolging.


I. Strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor schending van het geweldsverbod met betrekking tot deelname aan de oorlogshandelingen in Afghanistan
Allereerst dient in dit kader te worden vastgesteld dat, naast een Nederlandse verantwoordelijkheid voor oorlogsmisdrijven in Afghanistan, toe te rekenen aan de hierboven genoemde perso­nen, bovendien zelfs al aanstonds iedere rechtgrond voor de inzet van mili­tairen in Afgha­nis­ten ontbreekt.
Op 8 maart 2005 publiceerde Dick Leurdijk van het Instituut voor Internationale betrekkingen Clingendael in dit kader een artikel in de Volkskrant onder de kop "Rechtsgrond inzet militairen Afghani­stan terecht omstreden".

Daarin werd in dit verband onder meer aangevoerd:


"In de brief, waarin de Tweede Kamer over het besluit [tot uitzending naar Afghanistan] wordt geinformeerd, voert het kabinet twee rechtsgronden aan: het recht op zelfver­dediging en de strijd tegen het internationaal terrorisme. Letterlijk staat in de brief: 'Het mandaat voor de opera­tie Enduring Freedom is gebaseerd op artikel 51 van het VN-Handvest. Op 12 september 2001 heeft de VN-Veilig­heidsraad met resolutie 1368 een oproep gedaan het terro­risme te bestrijden. Het afgelopen jaar bevestigde de VN-Veiligheidsraad in diverse resoluties (resolutie 1526 van 30 januari 2004, resolutie 1563 van 17 september 2004 en resolutie 1566 van 8 oktober 2004) het belang van de strijd tegen het terrorisme'. Door de zaken zo voor te stellen heeft het kabinet de discussie over de rechts­grond over zichzelf afgeroepen."
En:
"Strikt genomen valt ook moeilijk vol te houden dat 'het mandaat' van operatie Enduring Freedom is gebaseerd op artikel 51. Het kabinet voert hier een vier­tal resoluties van de Veiligheidsraad aan (minister Kamp deed dat ook in zijn uitspraken op de persconferentie en in het tv-pro­gramma Buitenhof) die de operatie zouden recht­vaardigen. Dat is op zijn minst aanvechtbaar. De resolu­ties roepen slechts in algemene termen op tot steun aan de strijd tegen het internationaal terrorisme. Met geen woord wordt gesproken over het gebruik van geweld, laat staan over (het mandaat van) operatie Enduring Freedom. Hier heeft de oppositie absoluut een punt. Sterker: de Veiligheids­raad heeft zich nooit expliciet uitgelaten over de opera­tie in Afghanistan, hooguit indirect in resoluties voor­zover die een relatie legden met het mandaat van de multinationale troepenmacht ISAF."
Leurdijk geeft vervolgens aan dat in een eerdere brief van de Nederlandse regering aan de Tweede Kamer van septem­ber 2004 de volkenrechtelijke legitimatie voor Neder­landse militaire inzet in Afghanistan werd gezocht in een directe aansluiting op de operatie Enduring Freedom:
"Van cruciaal belang is voorts de paragraaf waarin de Nederlandse regering schrijft: 'De Nederlandse militaire bijdrage aan de operatie Enduring Freedom is een direct gevolg van de aanslagen op de Verenigde Staten (van 11 september 2001), en gekoppeld aan de strijd tegen Al Qa'ida en Taliban. Alleen op deze basis beschikken de Nederlandse militairen die in dit kader worden ingezet, over bevoegdheden die voortvloeien ui het oorlogsrecht (benadrukking, D. Leurdijk)."
En:
"Pikant in dit verband is ook nog dat de regering vorig jaar zo nadrukkelijk aangaf, in de brief van september, dat het gebruik van geweld door Nederlandse militairen (dus de toepassing van de bevoegdheden die voortvloeien uit het oorlogsrecht), uitsluitend gekoppeld is aan operatie Enduring Freedom in Afghanistan als een direct gevolg van '9/11'. Om eraan toe te voegen: 'De Neder­landse militaire bijdrage kan niet zonder meer worden ingezet in de global war on terror'. Ook om die reden wekt het zacht gezegd bevreemding als het kabinet eind februari zo nadrukkelijk verwijst naar de resoluties uit 2004 die, naar eigen zeggen, het belang van de strijd tegen het terrorisme bevestigen."
Op deze en andere gronden blijft het op zijn minst in hoge mate dubieus of er zelfs maar überhaupt wel een werke­lij­ke volken­rechte­lijk legitimatie voor Neder­lands militair geweld in Afghanistan aanwezig is.

Nu valide gronden hiervoor ontbreken, moet vooralsnog ervan worden uitgegaan dat Nederland zich, samen met andere staten, op zichzelf al schuldig maakt aan volkenrechtelijk ongele­gitimeerd militair geweld in Afghanistan.


Het betreft hier dan een schending van het geweldsverbod, met andere woorden agressie.
Het geweldsverbod vormt onderdeel van het ius cogens, hetgeen betekent dat het hier een volkenrechtelijke norm betreft die te allen tijde gelding heeft. Het gaat bij een dergelijke absoluut bin­dende norm dan om een verplichting erga omnes, die door alle staten dwingen­drechtelijk in acht moet worden geno­men. Zonder dat daarop ook maar de kleinste uitzonderingsmoge­lijkheid bestaat.
Schending daarvan levert dan op het misdrijf van agressie, het ergste­ ­misdrijf naar internationaal recht dat denkbaar is en dat, zo is door het Tribunaal van Neurenberg bepaald, alle andere internationale misdrijven in zich sluit:
"To initiate a war of aggression, therefore, is not only an international crime; it is the supreme international crime differing only from other war crimes in that it contains within itself the acumulated evil of the whole."
(H.M. Attorney-General (ed.); The Trial of the German Major War criminals, part 22, HSMO (London 1959, p. 421)
Dat deze opvatting van Neurenberg allerminst obsoleet is geworden, blijkt ook uit het Statuut van het Internationaal Strafhof, waarin artikel 5 agressie aanmerkt als een van de 'most serious crimes'.
Zoals hierboven al opgemerkt, sedert Neurenberg, herbevestigd door onder meer het Statuut van het Joegosla­vië Tribunaal en het Rwanda Tribunaal, alsme­de recentelijk door het Statuut van het Internationaal Strafhof en, op nationaal niveau, tot uitdrukking gebracht in de Wet Internationale Misdrijven (WIM), erkent het recht het principe van persoonlijke aanspra­kelijkheid en individuele strafrechte­lijke verantwoordelijk­heid voor het misdrijf van agressie en voor andere ernstige misdrijven naar internationaal recht.
Mitsdien dient hier dan ook allereerst strafrechtelihjke vervolging te worden ingesteld tegen de hierboven genoemde personen wegens hun medeplichtigheid aan schending van het geweldsverbod.
II. Strafrechtelijke verantwoordelijkheid medeplichtigheid aan het maken van de burgerbevolking tot doelwit bij militaire acties in Afghanistan en/of aan het uitvoeren van militaire acties in Afghanistan waarbij onevenredige schade aan de burger­bevolking werd en wordt toegebracht en/of aan het uitvoeren van militaire acties in Afghanis­tan waar­bij niet alle door het internationale humanitaire recht ver­eiste voorzorgen en waarborgen om de civiele bevolking zoveel moge­lijk te ontzien in acht

zijn en worden genomen
Voorts zijn hier aan de orde grove schendingen van het humani­tair oorlogsrecht waarvoor de aangeklaagde personen evenzeer persoonlijk aanspra­kelijk en individu­eel strafrechtelijk verantwoordelijk dragen op basis van de Wet Internationale Misdrijven (WIM).
Dergelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht vonden plaats over de gehele afgelopen periode dat Nederlandse mili­tairen bij oorlogsgeweld in Afghanistan waren betrokken.

De Nederlandse politieke elite beraamt, vanuit zijn positie van door de Hoge Raad verleende feitelijke strafrechtelijke immuniteit, inmiddels op misdadige wijze een ongestoorde voortzetting hiervan.


Dergelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht vinden, onder Nederlandse medeverantwoordelijkheid, zowel plaats in het kader van het Nederlandse mili­taire commitment aan de operatie Enduring Freedom als de operatie ISAF.
II.1. het principe van 'gesamtschuldnerische Haftung'
Als deelnemer aan een gezamenlijke militaire operatie is Nederland daarbij sowieso al, in volkenrechtelijke zin, hier recht­streeks medeaansprakelijk voor alle schendingen van het inter­nationale humanitaire recht die daarbij ook door bondge­noten worden begaan.

Zo ook hier.


Nederland is dus, volkenrechtelijk gezien, evengoed aansprake­lijk voor eventuele misdrijven bij het Amerikaanse militair optreden als voor eventuele misdrijven terzake van het eigen militaire optreden.
Deze medeaansprakelijkheid is de tol die dan moet worden betaald voor het, in het kader van een gezamenlijk en bondge­nootschappelijk optreden, militair in zee gaan met een bondge­noot, of met bondgenoten, die weigert, of weigeren, om bij zijn/hun verdere optreden de bindende internationa­le rechts­princi­pes in acht te nemen.
Een dergelijke medeaansprakelijkheid kan slechts dan worden afgeweerd als, voor wat betreft het militaire optreden in bondgenootschappelijk verband, uitdrukkelijke voorbehouden zijn gestipuleerd.

Van het maken van zodanige voorbehouden voor Nederlandse deel­name aan een militaire alliantie is de laatste decennia

s­lechts eenmaal sprake geweest. Dat betrof de Nederlandse betrokken­heid bij de Amerikaanse operaties in het kader van de Eerste Golfoorlog.
Ontbreekt hier ieder voorbehoud, dan is er sprake van wat de Duitsers zo mooi aanduiden als een 'gesamtschuldnerische Haftung'.
Geldt dat al in situaties waarin bondgenoten op de hoogte zijn, of althans op de hoogte zouden kunnen of moeten zijn van volkenrechtelijke misdragingen in het kader van de gemeen-

s­chappelijke militaire campagne, des te meer is hiervan sprake indien zonder meer een direct gezamenlijk militair optreden aan de orde is waarbij bindende internationale rechtsnormen worden geschonden.


Bij de codificatie met betrekking tot de Staatsverantwoorde­lijkheid van de International Law Commission wordt in dit verband in artikel 47 lid 1 bepaald:
"Where several States are responsible for the same inter­nationally wrongful act, the responsibility of each State may be invoked in relation to that act."
Voor wat betreft de schendingen van het internationale oor­logsrecht die in Afghanistan van de kant van 'de coalitie' aan de orde zijn, gaat het daarbij zowel om oorlogshandelingen, waarvan vast staat dat zij, qua directe uitvoering, door de Amerikanen zijn bedreven, als om oorlogshandelingen waarbij ook de Nederlandse militairen, qua uitvoering, rechtstreeks waren betrokken.

In beide gevallen draagt Nederland hiervoor dan, als bondge­noot, volkenrechtelijke medeaansprakelijkheid.


Bij het hierna te geven overzicht van de ontwikkelingen met betrekking tot burgerslachtoffers en de vernielingen aan civiele doelen tot gevolg hebbend militair optreden van wes­terse troepen in Afghanistan zal dan ook in eerste instan­tie geen onder­scheid worden gemaakt tussen militaire akties die, qua uitvoe­ring, voor zover bekend voor rekening van de Ameri­kanen kwamen en de militaire akties, met burgerslachtof­fers en vernielingen aan civiele doelen tot gevolg die, qua uitvoe­ring, mede ook recht­streeks voor rekening van Nederland­se militairen kwamen.

Al zal die specieke, qua uitvoering, rechtstreekse Nederlandse betrokkenheid, voor zover deze daarbij dan bekend is, wel steeds bij het navolgende overzicht uitdrukkelijk worden geboekstaafd.


II.2. 'Nederlandse' burgerslachtoffers in Afghanistan
Reeds vanaf de het allereerste begin van de Nederlandse deel­name aan de oorlogshandelingen in Afghanistan werden, door toedoen van Nederlandse militairen en met behulp van Neder­lands militair materieel, slachtoffers gemaakt onder de Af-gha­anse burgerbevolking. En werden er vernielingen aange­richt aan Afghaanse burgerdoelen.
Zo verscheen er al op 13 september 2003, onder de kop "Doden­tal: onbe­kend - de vergeten oorlog die Nederland als Ameri­kaans bond­ge­noot voert in Afghanistan", een artikel in de NRC over de Nederlandse participatie aan oorlogshandelingen in Afghanis­tan welke leidden tot doden en gewonden onder de Afghaanse burgerbevolking.
In het intro op dit paginagrote artikel werd onder meer ge­steld:
"Hulporganisaties trekken zich terug. En onder Afghanen groeit het verzet, want er vallen steeds meer burger­slachtoffers. Een stamoudste: 'Onze jongens zinnen op wraak, in hun hart smeulen gloeiende kooltjes."
Dit artikel begint als volgt:
Mountain Viper heet de militaire operatie die op 30 augustus begon in het zuidoosten van Afghanistan. Neder­landse F-16-piloten stegen op van de luchtmachtbasis Manas in Centraal-Kirgizië en wierpen bommen af in de provincie Zabul die grenst aan Pakistan. De vliegers namen deel aan een actie tegen zo'n duizend Taliban die, aldus de hoogste Amerikaanse commandant Vines in Afghan­istan tegen het persbureau AP, "al anderhalf jaar probe­ren hun land terug te veroveren". Nederland levert sinds oktober 2002 tot het eind van deze maand een bijdrage aan de operatie Enduring Freedom onder leiding van de Ver­enigde Staten.

Daarna bleef het stil. Is de actie al beëindigd? Was er doel getroffen? Vielen er doden, gewonden? Waren er burgerslachtoffers? En sorteert deze waarschuwing effect bij AL-Qaeda en de Talibaan, bijna twee jaar na de val van het regime? Niemand die weet of Mountain Viper een succes was. Net zomin als iemand weet hoe acties afliepen met namen als Eagle Fury, Mongoose en Vaillant Strike die onderdeel uitmaken van de operatie Enduring Freedom. De woordvoerders van de internationale coalitie zijn niet scheutig met informatie. Bij de eerste missie van de Nederlandse F-16-vliegers verklaarde de Amerikaanse commandant in het NOS-journaal: "We praten niet over het feitelijk aantal afgeworpen bommen. [..]Wij denken dat je dan op een tactisch vlak komt en wij geven daar geen informatie over vrij." (..) Afgelopen mei meldde het ministerie van Defensie dat de Nederlandse F-16-piloten er hun 500ste missie boven Afghanistan op hadden zitten. Tot nu toe hebben de Nederlandse piloten daarbij tenmin­ste drie keer gebombardeerd. En na bombardementen waaraan Nederlandse F-16's hebben deelgenomen zijn burgerslacht­offers gemeld door lokale overheden en journalisten. Maar preciese aantallen doden en gewonden zijn niet te geven."


En:
"'Als gevolg van de luchtaanvallen en grondoperaties in Afghanistan blijft het aantal burgerslachtoffers stij­gen', constateert Amnesty International in haar jaarver­slag over 2002."
Over die voortgaande rechtstreekse Nederlandse militaire betrokkenheid bij oorlogshandelingen met Afghaanse burger­slachtoffers als gevolg kwam vervolgens ook de Nieuwe Revu 08 met een artikel onder de kop "Het bloed­bad en de Nederlan­ders" van de hand van Arnold Karskens.

Daarin werd ver­slag gedaan van een sla­cht­par­tij onder de burgerbevolking in dorpen in de Baluchi-val­lei, met het vol­gende intro:


"In juli 2006 kwamen naar schatting zestig mensen om bij gevechten rond drie dorpen in Uruzgan waar zich Taliban-strijders ophielden. Eén getuige spreekt over standrech­telijke executies. Nederlandse militairen namen deel aan de actie en doodden achttien mensen. Een reconstructie roept vraagtekens op over hun rol."
Het ging hier om een gecombineerde lucht-landaanval op de aanwezigheid van honderden Taliban-strijders in de hete juli maad in dorpen in de Baluchi-pas, die zich daar gereed zouden hebben gemaakt voor een aanval op Tarin Kowt.
Het artikel:
"Er werd besloten tot een gecombineerd Amerikaans, Af-

ghaans en Nederlands ingrijpen. De zuiveringsoperatie begon in de nacht van 9 op 10 juli met een bombardement van Amerikaanse B-1 bommenwerpers op de dorpen Karak, Dehjawz en Pirosha. Daarna volgend nog twee bombardemen­ten, waarvan de laatste op 19 juli.


De Nieuwe Revu sprak met ooggetuigen en laat onder meer oogge­tuige Abdul Karim (45) aan het woord:
"'Ze hebben zulke grote bommen gebruikt dat er water uit de grond kwam. Hij sprak over tientallen doden. Gewonden werden overgebracht naar het ziekenhuis in Tarin Kowt of naar het 170 kilometer verder gelegen ziekenhuis van Kandahar. Hier ondervroeg de Brit Rupert White, aange­steld door de Verenigde Naties om de mensenrechten in Afghanistan in de gaten te houden, enkele overlevenden. Een gewonde vrouw sprak van 'grote aantallen omgekomen burgers'. Een andere vrouw uit Dehjawz melddde de dood van 21 mannen, acht kinderen en drie vrouwen. Een vrouw uit Pirosha zei dat zeven van haar familieleden waren omgekomen. Mevrouw Golalai Achakzai, hoofd van de sectie monitoring en onderzoek van de onafhankelijke Afghaanse mensenrechtencommissie AIHRC, heeft veel meer getuigen gesproken. Hun verklaringen zijn verzameld in een ordner met foto's van de gewonden. Namen van deze getuigen mag ze uit veiligheidsoverwegingen niet geven, maar uit gesprekken werd haar duidelijk dat die getuigen na de bombadermenten paracutisten naar beneden zagen komen. 'Eén getuige zei dat mensen op een rij werden gezet en vervolgens werden doodgeschoten'. Volgens haar informatie zijn bij de juli-actie tussen de zestig en tachtig mensen gedood en tussen de zestig en zeventig mensen gewond geraakt. Het percentage Taliban-strijders onder de doden is haar onbekend. Ook was er veel materiële schade. Tientallen bewoners van wie de woning, de boomgaard en/of het vee was vernield of gedood, bedelden in de daarop volgende maanden bij de poort voor het gouverneurshuis in Tarin Kowt om steun."
Over de rechtstreekse betrokkenheid van de Nederlandse mili­tairen bij deze slachtpartij schrijft het artikel:
"Tijdens de tiendaagse veldtocht door de Baluchi-pas nam een Nederlands Pantserinfanteriepeloton verdedigende posities in ten noorden van Tarin Kowt. Volgens luite­nant-kolonel C. ten Anscher, hoofd woordvoering Opera­tieën, zorgde verder een verkennersdetachement voor 'flankenbe­veiliging'. Per e-mail deelt hij mee: 'Hoewel die rol terughoudend van aard was, is het desondanks meerdere malen tot een confrontatie met de vijand geko­men'. Aan Taliban-zijde zouden 'door Nederlands vuur vermoedelijk achttien dodelijke slachtoffers (zijn) gevallen, maar meer slachtoffers kunnen niet worden uitgesloten. Dit aantal is exclusief mogelijke slachtof­fers die als gevolg van ingeroepen (niet-Nederlandse) luchtsteun zijn ge­maakt'. Van de executie waarover een getuige sprak, is hem 'niets bekend'.

Hoewel meer onderzoek vereist is, vallen toch enkele

tegenstrijdigheden op. Volgens woordvoerder Ten Anscher zijn Nederlandse gevechtsvliegtuigen en -helikopters 'diverse malen ingeroepen maar als gevolg van het slechte weer niet ingezet', met uitzondering van een escorte voor gewondenvervoer. 'Er heeft daarom geen wapeninzet plaats­gevonden, noch zijn er bommen afgeworpen'.

De militaire website F-16.net, die iedere vliegbeweging boven Afghanistan volgt, meldt echter dat gedurende deze vechtmissie 'de full firepower' van de Nederlanders werd ingezet waaronder de F-16's en Apache-helikopters.

Er is nog een opmerkelijke contradictie.

Hoewel de mensenrechtencommissie AIHRC spreekt van zeker zestig doden en een regeringsonderzoek van zeker tien burgerdoden, zegt woordvoerden Ten Anscher: 'Voor zover wij weten zijn er geen burgerslachtoffers gevallen'."



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina