Afdeling Land- en Tuinbouwvorming



Dovnload 223.74 Kb.
Pagina4/7
Datum22.07.2016
Grootte223.74 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

7.2. Rode klaver als groenbemester

Bodem :


Rode klaver vraagt een bodem met een goede structuur en een goede vochtvoorziening. De pH ligt boven 6,2.

Bemesting :


Rode klaver als groenbemester hoeft enkel bemest te worden om zich te vestigen : 50 kg N volstaat. Eens de klaver goed gevestigd zal de plant stikstof gaan binden uit de lucht en die ook zelf gaan benutten. Op K-arme bodems moet wel bijbemest worden naar dit element. Dit kan met Kaïniet, patentkali, Haspargit, ...

Zaaien :


Rode klaver als hoofdgewas kan ingezaaid worden vanaf eind maart tot eind september. Met graszaaimachine op 1-2 cm diep aan 10-15 kg/ ha bij diploïde rassen. Indien men tetraploïde rassen gebruikt, moet men 50 % meer zaad gebruiken.

Onder dekvrucht (bvb. graan) wordt de rode klaver zo laat mogelijk gezaaid, men mag echter ook geen schade doen aan de dekvrucht. In granen is dit ten laatste eind april. Er wordt aan dezelfde hoeveelheden gezaaid : breedwerpig en dan inwerken met de wiedeg.


Onkruidbestrijding :


Onder dekvrucht is er geen onkruidbestrijding nodig. Als hoofdgewas kan eventueel in het begin gewiedegd worden als het onkruid dreigt het jonge gewas te verstikken. Eens het gewas goed gevestigd is, heeft rode klaver een zeer groot onkruidonderdrukkend vermogen, enkel wortelonkruiden moeten dan nog bestreden worden.

Oogst en opbrengst :


Rode klaver wordt in de rotatie opgenomen als groenbemester om extra stikstof op de akker de brengen, dus niet als ruwvoerproduct. Als hoofdgewas wordt de klaver dan regelmatig gemaaid waarbij het gewas ter plekke blijft. Na september wordt niet meer gemaaid omdat het gewas de winter niet doorkomt zonder voedselreserve.

Per ton DS rode klaver wordt 30 tot 45 kg N gefixeerd uit de lucht. Hiervan komt 50 % beschikbaar het 1e jaar na de klaver en 30 % het tweede jaar.

Als hoofdgewas kan zo 250 tot zelfs 400 kg N uit de lucht gebonden worden. Onder graan als dekvrucht heeft men na de winter 3 à 4 ton klavermassa (wortelstel inbegrepen): gemiddeld 150 kg N.
Door klaver meer N aan te bieden (bemesten) daalt de luchtstikstof-binding. Door het maaisel af te voeren worden ook nutriënten afgevoerd en zal dus het rendement als groenbemester gaan dalen.

7.3. Prei


Prei wordt geteeld in zomerteelt, herfstteelt of winterteelt. Naar zaaidata, plantdata en oogstmodaliteiten verschilt niet van de gangbare teelt.

Bemesting :


Prei is N- en K-behoeftig (respectievelijk 225 en 150-175 kg per ha). De afvoer van P2O5 is slechts 30 kg/ha, dus bemesting met dierlijke mest zal al snel een P2O5 -overdosering geven.

Daarom kan beter geopteerd worden voor een mestgift die de K20-behoefte opvult, maar nog een N-tekort zal laten. Deze extra benodigde N zal dan aangedragen worden door de groenbemester die vòòr de prei geteeld word : dit kan een vlinderbloemige (vb. klaver) zijn of een niet-vlinderbloemig vanggewas (vb. gras of graan) die ingezaaid werd in de N-rijke stoppel van voorgaand gewas (vb. aardappel, bonen).


Plantgoed :


Bij het zelf opkweken van plantgoed word vaak een laag compost (3-5 cm) uitgespreid op de bodem. Hierdoor stijgt de bodemtemperatuur wat (snellere kieming) en krijgen lichtkiemende onkruiden geen kans. Anders is de onkruidbestrijding (manueel in de rij en eventueel manueel schoffelen tussen de rijen) een hele klus.

Plantdichtheid :


De rijen op 75 cm, 7-8 cm in de rij : 175.000 planten per ha bij zomerteelt.

De rijen op 75 cm, 9 cm in de rij : 145.000 planten per ha bij herfst- en winterteelt.

Diepte: 15 - 18 cm

Onkruidbestrijding :


Met wiedeggen, schoffelen (met vingerwieders) en aanaarden bent u al een eind op weg. Wieden zal echter meestal noodzakelijk zijn maar kan enorm variëren : 20 tot 150 uren per ha.

Gewasbescherming :


Eventuele problemen met trips of preimotten kunnen voorkomen. Het preventief bestuiven met lavameel kan dit verhelpen, is er een vlucht dan kan ook nog bespoten worden met Bacillus thuringiensis. Hierbij gaat het om de schade zoveel mogelijk te beperken, een sluitende bestrijding is niet mogelijk.

Verder is een goede rassenkeuze voldoende om de wintersleet (roest en bladvlekkenziekten) te beperken, ook de minder dichte veldbezetting werkt preventief.


Oogst :


De prei moet gerooid, op lengte gesneden, gepeld en van zieke bladeren ontdaan worden.

Verpakking : in bussels van 0,7 - 1 kg of los per 10 kg in een kist.

De arbeidsduur voor het marktklaar maken van de prei is zeer afhankelijk van de voorkomende sleet en plaagaantasting: 20 tot 60 kg/uur en /persoon.
Te verwachten opbrengst : 18 à 23 ton marktklaar per ha.

7.4. Wortelen voor de industrie

Rassenkeuze :


Hierbij moet vooral gelet op de vroegheid : het is belangrijk een korte groeiperiode na te streven zodat eventuele schade van de wortelvlieg beperkt blijft.

Vruchtwisseling :


Wortelen zijn weinig zelfverdragend : een rotatie van minimum 1/5 is aan te raden, anders zijn problemen door aaltjes te verwachten. Zeer belangrijk is ook de voorvrucht : lelieachtigen of granen zijn best, vlinderbloemigen zijn af te raden.

Bemesting :


Bemesting tot 70 kg N/ha met gecomposteerde stalmest zorgt voor voldoende N en P2O5. Gebruik van verse mest geeft meer schade door de wortelvlieg en meer vertakte penen.

Met wortelen wordt veel kalium afgevoerd : op kleigronden met K-getal 16-20 moet 200 kg K20/ha gegeven worden (vb. kaïniet), op zandgronden met K-getal 13-16 is zo'n 135 kg K20/ha voldoende.

Eventueel moet ook 100 kg/ha kieseriet toegediend als het grond betreft waar vlug Mg-tekorten optreden.

Zaaibedbereiding :


Omdat de capillariteit van de bodem zeer belangrijk is bij de wortelteelt, wordt het zaaibed (ruggen) een tweetal weken voor het zaaien reeds zaaiklaar gelegd. Er wordt de eerste helft van mei gezaaid.

Onkruidbestrijding :


Voor het zaaien en in vooropkomst (tot 1 dag voor de opkomst) kan gebrand worden. Na opkomst wordt geschoffeld, de ruggen worden af- en aangebermd en daarnaast moet nog behoorlijk wat gewied worden. (100-150 uren handwerk per ha)

Gewasbescherming :


Vooral de wortelvlieg verdient veel aandacht. De eerste generatie larven is actief van eind mei tot half juli, de tweede van half augustus tot half oktober. Door vroege wortelen voor half april te zaaien en herfstwortelen eind juni/begin juli, kan de schade door de eerste generatie sterk beperkt worden.

Grote schade door de tweede generatie bij de waspeen kan vermeden worden door vanaf half augustus niet meer door het gewas te rijden (om te schoffelen) en door de oogstperiode zo kort mogelijk te houden.

Bij bospeen is dit moeilijker : de oogst verloopt sowieso gespreid. Hierbij is het dan best steeds vanuit dezelfde kant te oogsten (waarbij de zijde vanwaar de wind het minst vaak waait de voorkeur geniet) en eventueel kan vanaf men begint te oogsten, het perceel afdekken met een fijnmazig net.

Een ruime vruchtwisseling (1/5) zal problemen met aaltjes (Ditylenchus, Pratylenchus en Meloïdogyne) beperken.

Met een ruime vruchtwisseling, een goede bodemvruchtbaarheid en een goede ontwatering worden ziekten in grote mate vermeden. Curatief optreden is niet mogelijk.

Oogst en bewaring :


Verschilt niet van de gangbare teelt. De opbrengst bedraagt ca. 85 % van deze behaald in de gangbare teelt.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina