Afdeling Land- en Tuinbouwvorming



Dovnload 223.74 Kb.
Pagina5/7
Datum22.07.2016
Grootte223.74 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

7.5. Aardappelen

Bemesting :


Een matige bemesting met stalmest naar 100 kg N/ha (dus 100 - Nmin bijbemesten) volstaat veelal, afhankelijk van de voorvrucht aangevuld met een drijfmestgift om de aanzet te bespoedigen. Op zwaardere gronden moet eventueel nog een extra (50 kg K20) kali-bemesting uitgevoerd.

Poten :


Van zodra het land bekwaam is en er geen (nacht-)vorst meer moet gevreesd worden, kunnen de aardappelen de grond in. Door vroeg te poten, vroege rassen te nemen en voorgekiemd pootgoed te gebruiken, krijgt men vervroeging van de teelt. Dit is zeer belangrijk daar er tegen Phytophtora infestans (de aardappelplaag) niets kan gedaan worden. Het gebruik van Koperoxychloride geeft enige vertraging in de uitbreiding van de ziekte doch is naar milieuvriendelijkheid moeilijk aan te raden.

Rijafstand 75 cm en 30-35 cm in de rij.


Onkruidbestrijding :


Met wiedeggen en aanaarden kunt u het perceel meestal proper houden. Soms moet het veld nog eens overlopen worden om onkruiden die dreigen te zaaien voor de aardappeloogst uit te trekken.

Arbeid: 15 - 30 uren.


Gewasbescherming :


Rassenkeuze: vroeg en met een phytophtora-resistentie in knol, stengel en liefst ook in blad.

Rassen: Gasoré, Escort, Désiré, Raja, Nicola, ... (Charlotte wordt veel geteeld, doch is redelijk plaaggevoelig).

Wordt de plaagaantasting te ernstig (veel rotte plekken op de stengels) : loofkappen en indien mogelijk ook branden.

Oogst en bewaring :


Na het loofkappen (en ev. branden) rijpen de knollen af in de grond. Na afrijpen worden ze geoogst.

Voor de bewaring kan geen kiemremmer gebruikt worden. Door ze te bewaren op 1-2°C kan het kiemen lange tijd uitgesteld worden. Dit kan best in kuubkisten gebeuren zodat de aardappelen alvorens verhandeld te worden kunnen op hogere temperatuur komen wat de blauwvorming/stootschade sterk zal beperken.


Te verwachten opbrengst : 15 à 35 ton per ha (zeer variabel, gemiddeld een 23 ton).

Nazorg voor de bodem :


De aardappelteelt laat een N-rijke grond na. Na de oogst kan dus best een vanggewas ingezaaid worden zodat het perceel bedekt is in de winter en er geen uitspoeling van nutriënten is.

7.6. Bloemkool

Bodem :


Op zandgronden moet opgelet met knolvoet, waarvan de rustsporen tot 15 jaar in de bodem kunnen blijven. De teelt van kolen is sterk af te raden op met knolvoet besmette percelen.

Rassenkeuze :


Vooral de ziektegevoeligheid en de oogstduur zijn van belang. Zeker wanneer gespreide toelevering gevraagd wordt, is de oogstduur en het groeitraject van doorslaggevend belang. Tevens geniet een opstaand blad (bevordert het dekken) en een glad blad (droogt vlugger op, dus minder vergeling) de voorkeur.

Bemesting :


Een bemesting naar 200 kg N uit runderstalmest zal zowel voldoen naar N, P als K, voor zover het K-gehalte reeds op peil was. Eventueel moet kieseriet (Mg) toegediend worden, bodemanalyse kan hier uitsluitsel geven. Indien de bodemvoorraad zo laag is dat men met de bemesting de MAP-limieten zou overschrijden, dan is het aangewezen vòòr de koolteelt een vlinderbloemige (N-fixerend uit de lucht) te plaatsen in de vruchtwisseling.

Planten :


Aanbevolen plantafstand : 75 op 50 cm, om de oogst te vergemakkelijken moeten rijpaden voorzien worden (veldbezetting : 22.500 planten/ha)

Onkruidbestrijding :


Voor het planten wordt een vals zaaibed aangelegd. Kort na het planten kan gewiedegd worden. Vanaf 2 weken na het planten kan geschoffeld worden, later aangevuld met licht aanaarden. Wanneer het te nat is om de vingerwieders optimaal te laten werken, moet soms manueel geschoffeld worden in de rij.

Arbeid : 20 uren.


Gewasbescherming :


Knolvoet kan vermeden worden door de pH tussen 6 en 6,5 te houden en door de rassenkeuze. Leptosphaeria-bladvlekken, Alternaria, Mycosphaerella, smet en andere schimmelziekten zijn enkel te vermijden door een vruchtwisseling van minimaal 1/5 (ook met andere koolgewassen) en door de veldbezetting niet te hoog te nemen, curatief optreden is niet mogelijk.

Door de N-bemesting niet te overdrijven wordt zwartnervigheid vermeden. Door het molybdeen-gehalte op peil te houden (na bodemanalyse!) wordt klemhart vermeden.


Tegen plagen :


- koolgalmug : veroorzaakt draaihartigheid, geen curatieve oplossingen, preventie is ook vaak zeer moeilijk (grond droog houden bij warm weer - niet beregenen dus, de grond zo weinig mogelijk beroeren)

- koolvlieg : moeilijk te vermijden (enkel afdekken met gaas werkt), een snel groeiende plant groeit door een lichte aantasting en aanaarden voor het dichtgroeien van het gewas geeft de licht aangetaste planten de kans om door de aangroei van nieuwe wortels, zich te herstellen.

- melige koolluis : slaat enkel toe bij groeistilstand (bvb. in een warme, droge zomer), enkel door beregening te verdelgen (een fikse regenbui lost heel vaak het probleem op)

- rupsen (van koolmot en koolwitje) : bestrijding mogelijk met pyrethrum (nadeel : niet selectief) of met Bacillus thuringiensis

- door een ruime vruchtwisseling worden problemen met aaltjes (bietencyste-, kool- en stengelaaltjes) vermeden

Oogst :


De biologische kool wordt iets kleiner geoogst : een sortering van 7 en 8 per kist geniet de voorkeur.

Gemiddeld mag verwacht worden dat 80 % van de aanplanting kan geoogst worden : 18.000 bloemkolen per ha.


8. Bemesting


Grondanalyses van alle percelen voor de omschakeling zullen u zicht geven op de algemene bodemvruchtbaarheid en het opstellen van de organische stof-balans van uw bedrijf mogelijk maken. Indien deze suboptimaal blijken, zal specifiek bemestingsadvies per teelt en perceel nodig zijn om overal een optimale bodemvruchtbaarheid te bereiken.
De aanbevolen bemesting die volgt, is opgesteld vanuit een optimale bodemvruchtbaarheid. Samen met de duurzame rotatie zal met deze bemesting de bodemvruchtbaarheid optimaal gehouden worden. Regelmatige bodemanalyses blijven aangewezen om eventuele bijsturingen en bekalkingen tijdig te kunnen uitvoeren. Door de hoge K-giften kan ook bijbemesting met Mg nodig blijken.



Teelt

Ha

Bemesting

N

P2O5

K20

Opmerkingen

Graan


4

Aanvoer

10 T stalmest

15 T drijfmest

Depositie



Afvoer

Graan


Stro

55

66



40
100

20

38

27

2


47

5

35

83

5


30

30

In het najaar

In het voorjaar









Overschot

41

15

63




Prei


4

Aanvoer

15 T stalmest

Klaver N-fix

Depositie



Afvoer

Gewas

83

60

40


75

57
2


25

52
5


102

Op de klaverzode











Overschot

108

34

-45




Wortelen


4

Aanvoer

10 T stalmest

Klaver

K-bemesting



Depositie

Afvoer

Gewas

55

40
40


102

38

2


58

35
150

5
192

Goed gecomposteerde stalmest

Haspargit, Kaïniet, patentkali,...








Overschot

33

-18

-2




Aardappelen


4

Aanvoer

25 T drijfmest

Depositie

Afvoer

Gewas

110

40
90


45

2


45

138


5
125

Snellere N-levering van bij het planten









Overschot

60

2

18




Bloemkool


4

Aanvoer

15 T stalmest

A. klaver N-fix

K-bemesting

Depositie

Afvoer

Gewas

83

20
40


100

57

2


35

53
50

5
100

Op de zode voor het ploegen

Haspargit, Kaïniet, patentkali,...








Overschot

43

24

8

























Balans


40

Totaal aanvoer

Totaal afvoer

Verschil

% benutting



154,4

97,4


57,0

63,1


54,4

43,0


11,4

79,1


124,2

115,8


8,4

93,2




(Alle hoeveelheden zijn per ha weergegeven)


In deze rotatie zal 200 ton stalmest (gecomposteerde rundermest uit grupstal) en 160 T drijfmest (runderdrijfmest) moeten aangetrokken worden.

Met een gemiddelde inhoud van


5,5 kg N 3,8 kg P205 3,5 kg K2O per ton stalmest

4,4 kg N 1,8 kg P205 5,5 kg K2O per ton drijfmest


betekent dit in totaal :

1804 kg N 1048 kg P205 1580 kg K2O


De stikstof uit fixatie (klaver en A. klaver) bedraagt jaarlijks 480 kg op bedrijfsniveau.

Jaarlijks moet er 800 kg K2O bijbemest worden.


Indien de runderstalmest uit grupstal kan vervangen worden door runderstalmest uit potstal zal er minder K2O moeten bijbemest worden en zal ook de fosfaatbenutting stijgen. Deze mestsoort is echter moeilijker te vinden dan grupstalmest.
De klaver na het graan en de Alexandrijnse klaver na de aardappelen zullen niet alleen stikstof fixeren uit de lucht, maar er ook voor zorgen dat het overschot aan nutriënten op een efficiënte manier overgedragen worden en na mineralisatie van de klaver opnieuw beschikbaar komt voor de volgende teelt.
Deze benutting van de voedingsstoffen is enkel haalbaar wanneer de bodemvruchtbaarheid optimaal is. Wanneer dit niet het geval is, zal de doorvoer van nutriënten lager komen te liggen en zal er bij sommige teelten moeten bijbemest worden. Vandaar het grote belang om van bij de omschakeling te streven naar een optimale bodemvruchtbaarheid !
Afhankelijk van de grondanalyses en de organische stof-balans zal ook deze bemestingstabel enkele wijzigingen kunnen ondergaan.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina