Afschrift aan



Dovnload 40.73 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte40.73 Kb.














































Afschrift aan




Paraaf













cluman RIS, cluman VKB




cluman RIS

Portefeuille Ruimte










dNRO







Nationale Ruimtelijke Ordening










Ineke Smits, Rob Naafs(VI)




Paraaf

Recht, Instrumenten en Strategie










Wim Vellekoop




dNRO



















Rijnstraat 8



















Postbus 20951




BelangenVereniging Vrij Wonen







2500 EZ Den Haag




dhr. ir. F. Franken




Interne postcode 360




Postbus 5













7690 AA BERGENTHEIM







Telefoon 070-3392767










Fax 070-3391238













www.vrom.nl


























































Permanente bewoning van recreatiewoningen



































































Datum




Kenmerk

























2008122532



















































































































Geachte heer Franken,

In antwoord op uw brief d.d. 11 juni 2008 (kenmerk VZ2008005) aan de Tweede Kamer – tevens in afschrift naar mij gezonden – deel ik u het volgende mede.


Ik dank u voor toezending van uw voorstel, hetgeen er op neerkomt dat onrechtmatige bewoners van recreatiewoningen een ontheffing - ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening (verder te noemen Bro) - van het bestemmingsplanverbod op wonen in een recreatiewoning zouden dienen te krijgen, indien zij al in hun recreatiewoning woonden voordat de gemeente aantoonbaar een handhavingsbeleid in uitvoering heeft genomen, en dat voorafgaand aan die uitvoering het betreffende handhavingsbeleid dient te zijn vastgesteld en vervolgens te zijn gepubliceerd.

U baseert uw voorstel onder meer op mijn volgende toelichting bij het Bro. Een gemeente die aan een onrechtmatige bewoner – van voor de peildatum van 31 oktober 2003 - van een recreatiewoning een ontheffing weigert te verlenen terwijl de gemeente zelf niet binnen redelijke termijn na aanvang van die onrechtmatige bewoning aantoonbaar uitvoering heeft gegeven aan haar handhavingsbeleid, zou formeel nog wel een ontheffing kunnen weigeren te verlenen, maar zij zal dat extra goed moeten motiveren, zeker indien het gaat om langdurig bestaande en feitelijk gedoogde onrechtmatige situaties.

Verder voert u de motie Neppérus/Vermeij (TK, ’07-’08, 31200 XI, nr 105) op. Daarbij wordt de regering verzocht om gemeenten die pas na 31 oktober 2008 zijn gaan handhaven op te roepen om voor 1 januari 2010 de betrokken onrechtmatige recreatiebewoners van voor 31 oktober 2003 in die gemeenten alsnog een persoonsgebonden beschikking te geven. (Bij brief van 3 juli 2008, 2008041596, heb ik overigens alle gemeenten die oproep gedaan.)

Tenslotte wijst u op de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 juli 2007 dat de betrokken gemeente die tot dan toe nooit handhavend had opgetreden tegen de permanente bewoning van recreatiewoningen, dat op grond van het rechtszekerheidsbeginsel pas wél kon gaan doen vanaf de datum waarop zij de plannen daartoe zelf voldoende duidelijk kenbaar had gemaakt.


Zoals u weet probeer ik binnen afzienbare tijd te bereiken dat een gemeente aan onrechtmatige bewoners van voor 31 oktober 2003 van recreatiewoningen definitieve duidelijkheid geeft (wijziging bestemming ‘recreatie’ in ‘wonen’, of verlening persoonsgebonden ontheffing of -gedoogbeschikking, of handhaving verbod op wonen in recreatiewoning).

Indien die duidelijkheid er bij afloop van die tijd niet is, zal een gemeente daartoe bij wet verplicht worden de betrokken onrechtmatige bewoners een ontheffing van het bestemmingsplanverbod te geven.

Achtergrond van een dergelijke – reeds via het Bro deels geëffende – wettelijke aanpak is de kamerbreed aangenomen motie Veenendaal (TK, ‘04-‘05, 29800 XI, nr. 120). Die beoogde om personen die reeds lang (en voor 31 oktober 2003) onrechtmatig in hun recreatiewoning wonen in gemeenten die in het verleden die bewoning feitelijk hebben gedoogd, een persoonsgebonden gedoogbeschikking te kunnen laten krijgen.

Eind 2007 heeft de Tweede Kamer ingestemd met mijn aanpak.

Uiterlijk aan het einde van deze kabinetsperiode – maar ik streef naar reeds 1 januari 2010 - zal er dus duidelijkheid bestaan voor de voor 31 oktober 2003 langdurig bestaande situaties van onrechtmatige bewoning die door gemeenten feitelijk zijn gedoogd.

Die met de Kamer afgesproken beleidslijn wil ik nu niet meer verstoren door weer een andere aanpak. Dat zou overigens ook in de richting van de uitvoerende gemeentebesturen inconsistent en onbetrouwbaar overkomen en de definitieve afronding van het proces ernstig frustreren.


Wel sluit de door u aangereikte suggestie enigszins aan bij mijn in het Bro geuite gevoelen dat gemeenten die jarenlang feitelijk onrechtmatige bewoning hebben gedoogd eigenlijk geen verzoek om een persoonsgebonden gedoogbeschikking of ontheffing zouden mogen kunnen afwijzen. Echter alleen de bovenbedoelde wet – en niet het Bro zoals u stelt - kan er voor zorgen dat een gemeente die beschikkingen moet verlenen.

Daarnaast blijkt uit – ook recente – uitspraken van de Raad van State dat een jarenlang door een gemeente afzien van handhavend optreden niet betekent dat een overtreder daar rechten aan kan ontlenen, of dat handhaving ten opzichte van hem niet meer mogelijk zou zijn, of dat alsnog handhavend optreden voorpublicatie van beleid of voornemen daartoe vereist. De door u als onderbouwing van uw voorstel aangehaalde (oudere) uitspraak van de rechtbank Assen – die overigens geen landsbrede ‘kracht’ heeft – is daarmee in tegenspraak.

Verder moet u de impact van de aan gemeenten op te leggen wettelijke verplichting om op een gegeven moment een ontheffing te verlenen aan onrechtmatige bewoners van vóór 31 oktober 2003, bepaald niet onderschatten. Een dergelijke wet zal immers diep ingrijpen in de autonome gemeentelijke beleidsbevoegdheden en is het maximaal haalbare om het met de Kamer afgesproken beleid te verwezenlijken.

Uw suggestie om de - zowel reeds sinds medio 2007 in het Bro vastgelegde als in de komende wet nog vast te leggen - peildatum van 31 oktober 2003 te verschuiven naar het tijdstip waarop een gemeentelijk handhavingsbeleid daadwerkelijk ten uitvoer is gebracht, is dus in tegenspraak met de vaste Raad van State-jurisprudentie en met de bovenomschreven motie Veenendaal, die immers ziet op de probleemsituaties in het verleden. Tevens zou een dergelijke verschuiving leiden tot een inconsistente – want in strijd met de afgesproken beleidslijn - plotselinge vergroting van de toch al forse inbreuk op de gemeentelijke autonomie. De haalbaarheid van de genoemde wet zou daardoor sterk onder druk komen te staan.


Concluderend dank ik u voor de gedane suggestie, maar ben ik tegelijkertijd van mening dat de door mij met de Kamer reeds afgesproken beleidslijn het door ons beiden gedeelde doel – namelijk een oplossing op zo kort mogelijke termijn van de problematiek aangaande de onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen met een langdurig feitelijk gedoogverleden – toch het snelste dichterbij zal brengen.

Een afschrift van deze brief zend ik aan de Tweede Kamer.


Hoogachtend,


de minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,


dr. Jacqueline Cramer





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina