Afstand in kilometers (Km)



Dovnload 349.93 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte349.93 Kb.
4 Snel en Veilig



Afstand
Als je naar school fietst, kom je onder-weg

aller-lei borden tegen.

Meestal staan daar plaatsen en getal-len

op.


De getallen stellen de afstand in

kilometers (Km) voor.

Je weet dat 1 Km = 1000 m.






1 Hier zie je een padde-stoel.



Hoe ver is het vanaf

deze paddestoel naar

Laren?

De afstand is Km



(dit is m)



Op een fiets-kaart kun je de afstand

tussen twee plaatsen aflezen.

Het getal tussen twee afstands-tekens

geeft de afstand in Kilometers aan.


een afstands-teken



2 Hier zie je een deel van een fietskaart.
Wat is de afstand tussen Nunspeet (A) en
Garderen (B)?
De afstand is km.

In de natuur-kunde geef je de afstand aan met de

letter s.

De eenheid van afstand is meestal de meter (m) of

de kilometer (km).

Bij voorbeeld: s = 50 m




3 Hieronder zie je een afstands-tabel.



Probeer eens uit te vinden hoe deze tabel werkt.































AMERFOORT

AMSTERDAM


APELDOORN

ARNHEM

ASSEN

BREDA

DEN HAAG

DORDRECHT

AMERSFOORT

_

48

44

48

141

89

87

79

AMSTERDAM

48



88

100

185

101

64

91

APELDOORN

44

88



24

115

133

133

125

ARNHEM

48

100

24



139

109

121

105

ASSEN

141

185

115

139

.

248

230

222

BREDA

89

101

133

109

248



76

28

DEN HAAG

87

64

133

121

230

76



51

DORDRECHT

79

91

125

105

222

28

51




a De afstand tussen Amers-foort en Dordrecht is
Km.

b
De afstand van Arnhem naar Breda is Km.

c

De afstand van naar is

230 Km.







Snelheid


4 Wat is snel?

Je ziet hier twee foto's

waarop iets of iemand snel

vooruit gaat.

Toch gaan ze niet allebei

even snel.

Zet een kruis onder het

"snelste" plaatje.






Wat is de goede

betekenis van dit bord?

Dit bord betekent


­­­­­­­­­­


­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­















D e snelheid geef je in de natuurkunde aan met een V. De eenheid van snelheid is meestal meters per seconde (m/s) of kilometers per uur (km/h).

Bijvoorbeeld v = 15 m/s.


Om de snelheid te berekenen moet je 2 dingen weten: De afstand (s) in meters en de tijd (t) in seconden.





In een formule ziet het er zo uit:


af-gelegde weg
Snelheid =


tijd
of korter v= s/t

Bijvoorbeeld:

De afstand van het natuurkunde-lokaal tot de kantine is 150 m. Je doet daar 50 s over. Wat is je loop-snelheid?





Je weet:

s= 150 m


t = 50s

Je moet weten:

v = ?


Oplossing:
s 150

v = >v = = 3 m/s

t 50


Je hebt dus per seconde 3 m af-gelegd.





6 Met de formule: snelheid = afgelegde weg/tijd kun

je ook de afstand of de tijd berekenen.

a Met welke formule kun je de afgelegde weg

berekenen?

...................

s =

....................



b Met welke formule kun je de

tijd berekenen?

.................

t =




...................
7 Deze sprintster loopt 100 meter in 10 seconden.

a Hoe groot is s? m.

b Hoe groot is t? s.

................



c Wat is de snelheid? V = = m/s

..................





8 Ren-paarden kunnen een afstand van 2423 meter

afleggen in 180 seconden.


a Hoe groot is s? m.

b Hoe groot is t? s.

c Wat is hun snelheid?

..........................

v = = m/s

..........................










Bereken de snelheid in Km/h voor de volgende reizen.
a Van Londen naar York per trein in 2 uur.

s =

t =

......................

v = = km/h

.......................



b Van Penzance naar Dover per auto in 8,5 uur.

s =

t =
.......................

v = = km/h

.......................





  1. De familie Schipper wil per bus van Birmingham

naar Cardiff.

In de folder staat dat ze langs de kust zullen rijden.

De bus rijdt gemid-deld 50 km/h.

Hoe lang doen ze over de reis?


s =

t =


.......................

v = = km/h

.......................




11 Rachid gaat met de trein van Hilversum naar

Utrecht. Hij is om 19.00 op het station.




a
Hoe laat vertrekt zijn eerste trein?

b
Hoe laat komt hij in Utrecht aan?

c De afstand (s) Hilversum-Utrecht is 20 km.

Bereken de snelheid (v) van de trein.

Let op: t = 20 minuten is 1/3 uur (0,33 h).
.......................

v = = km/h

.......................

d
Hoe vaak heeft de trein onder-weg gestopt? x


De snelheid in grafieken
De snelheid van iets kun je in een grafiek zetten.
Zo’n grafiek heet een snelheid-tijd diagram.

Je mag het ook een v,t - diagram noemen. Hieronder zie je een voorbeeld van een fietser. Let ook op de tabel er-naast.

J
e ziet dat de fietser met een con-stante snelheid van
4 m/s fietst.






  1. Een auto rijdt met een snelheid van 20 m/s.

Hij doet dit gedurende 12 s.

Teken het v,t-diagram.



Let op: Wat zet je horizon-taal en wat verti-caal?













Tacho-graaf
Hiernaast zie je een tacho-meter of

tacho-graaf.


Zo'n toestel zit in vracht-wagens en bussen.

De snelheid en de reis-tijd staan op een

rond-draaiende schijf.

De schijf draait langzaam met een



con-stante snelheid rond.

In een dag draait hij helemaal rond.

Het schijfje noem je een tacho-gram.

Een tachogram is eigenlijk een rond-gebogen



v,t-diagram.



Uit een tachogram kun je aflezen

of de chauffeur:



  • niet te hard fieeft gereden

  • op tijd zijn rust-pauze heeft

genomen.




Onthoud:

In een v,t-diagram kun je op elk tijd-stip de

snelheid aflezen.





  1. Je ziet hier een stukje van een tachogram van een

vracht-wagen.

Kijk goed naar het diagram!









a Wat is de snelheid bij A?

km/h.

b Wat is de snelheid bij B?

km/h.

c Wat is de hoogst gereden snelheid?

km/h.

d Als de schijf helemaal rond is

gedraaid zijn 24 uur voorbij.

Dit deel van de schijf duurt dus

uur.




  1. Waarom hebben vrachtauto's en bussen een
    tachograaf?

(Denk bij het antwoord aan de veilig-heid

van de chauffeurs)




















De afstand in grafieken
Je kunt de afstand en de tijd in een grafiek zetten.

Je noemt dat een s,t-diagram.

Hieronder zie je er één van dezelfde fietser als op

bladzijde 88.

Hij fietst nog steeds 4 m/s.

Dat betekent dat hij per seconde 4 meter verder gaat.

Kijk maar naar de tabel die er-naast staat.







15 Hier zie je een s,t-diagram van een auto die bij een

stoplicht weg-rijdt.

a Zet een A bij het punt waar de auto begint te

rijden.


b Zet een B bij het stuk waar de auto snel rijdt.

c Zet een C bij het stuk waar de auto langzaam rijdt.













16 Lisa is op fiets-vakantie in de Ardennen.

Soms moet ze tegen een berg oprijden.

Ze fietst dan wat trager.

Daarna gaat ze de berg af.

Dat gaat een stuk sneller.

Van een deel van haar fiets-tocht is een v,t-diagram

gemaakt. Dat zie je op bladzijde 93.
Twee vakjes in het diagram zijn leeg.

a In welk vakje hoort “ver-traagde beweging”?

b In welk vakje hoort “ver-snelde beweging”?










Rijden en remmen
Als je wilt remmen knijp je in je hand-remmen.

De rem-blokjes worden dan tegen de velg gedrukt.

De rem-blokjes en de velg wrijven nu langs elkaar.

Door de wrijvings-kracht stopt je fiets.

Een ander woord voor wrijvings-kracht is tegen-

werkende kracht.

Vaak is de tegen-werkende kracht erg belangrijk.

Zonder deze kracht zou je net zulke rare bewegingen

maken als de ober.






Om goed te kunnen lopen moet je zorgen dat je

schoenen niet te glad zijn.







  1. Wrijvingskracht op een blokj e



Wat heb je nodig?

  • een krachtmeter

  • een blokje hout met een haakje

  • een wollen doekje

  • schuur-papier


Wat moet je doen?

  1. Trek het blokje met de kracht-meter over tafel.

De waarde van de krachtmeter is N.

  1. Trek het blokje nu met de krachtmeter over het

schuurpapier.

De waarde van de krachtmeter is N.


Wat merk je?

De wrijvingskracht op het schuurpapier is



groter/kleiner dan op de tafel.

Soms kan wrijvingskracht ook vervelend zijn.

Denk maar eens aan fietsen met zware tegen-wind.

Je moet dan extra hard trappen.

Deze wrijving met lucht noem je lucht-weerstand.



Ook auto's hebben hier last

van.

De ont-werpers proberen de



auto zo te maken dat hij

minder last heeft van lucht-

weerstand.

In dit plaatje kijkt een

ontwerper hoe de lucht langs

de auto gaat.



Onthoud:

  • Als een opper-vlakte ruwer is, dan is de

wrijvingskracht groter.

  • De wrijvingskracht ver-traagt de beweging.

  • De wrijvingskracht voorkomt dat je tijdens

het lop en weg-glijdt.



18 Ome Jan heeft een oude motor. Het stormt buiten.

Ome Jan wil toch gaan rijden.

In de tekening zie je de krachten die op Ome Jan

werken.






a Wat stellen de af-kortingen voor?

Kies uit: wrijvings-kracht, zwaarte-



kracht, motor-kracht

Fz =

Fm =

Fw =



b Komt ome Jan vooruit? (meet de

pijlen op)

Ome Jan komt wel/niet vooruit.





19 Op je fiets-banden en onder je schoen-zolen moet

een goed profiel zitten. Waarom is dat belangrijk?












In het verkeer
Als je moet remmen zijn niet alleen je

remmen en je banden belangrijk.

Als je hard rijdt sta je later stil dan wanneer

je langzaam rijdt.

Het is ook belangrijk hoe snel je rea-geert.

Dit noem je het reactie-vermogen.

Door alco-hol en medi-cijnen kan je

reactie-vermogen slechter worden.

Er gebeuren veel dode-lijke onge-lukken,

omdat mensen alcohol gedronken hebben.

Maar ook als je moe bent, reageer je

minder snel in het verkeer.







20 Test je remmen!


Wat heb je nodig?

  • een fiets met ver-sleten rem-blokjes

  • een fiets met nieuwe rem-blokjes

  • een nets met trommel-remmen

  • een nets met een terug-trap-rem

  • een meet-lint

  • krijt







Wat moet je doen?

  1. Zoek een goede plaats op het

school-plein.

  1. Trek een lijn met krijt. Bij deze lijn

moet geremd worden

  1. Laat de fietsen bij verschillende

snel-heden remmen.

  1. Meet de rem-afstand.

Vul de tabel in.




1
langzaam 2 normaal 3 snel

remafstand remafstand remafstand



Fiets met

v











ersleten remblokjes m m m

Fiets met

nieuwe remblokjes m m m

Fiets met

trommelremmen m m m

Fiets met

terugtraprem m m m



Wat merkje?

a Hoe harder je rijdt, des te langer/korter is de

remweg.


b De fiets met de kortste remafstand had

rem(men).


21 Meet je reactietijd









Wat heb je nodig?

  • een meetlat van 30 cm

  • iemand met wie je samen-werkt


Wat moet je doen?

Je werkt met z’ tweeen.

De één houdt de lat vast en de ander

probeert hem te pakken.


Wat moet je verder doen?

a Ga bij een tafel zitten.

b Houd de lat zoals in de tekening.

c De één laat de lat los, de ander

probeert hem te vangen.



d Kijk bij welke centimeter-stand de

lat gevangen wordt.


Vul de tabel in


Naam Naam

eerste keer cm cm

tweede keer cm cm

derde keer cm cm

vierde keer cm cm
+ +

totaal cm cm




Wat merkje?

Wie van jullie nu het kleinste aantal centimeters

gescoord heeft, heeft de snelste reactie-tijd.


Als je wilt remmen, telt dus je reactie-tijd en je



rem-weg mee.

Het totaal noem je stop-afstand.

Kijk maar naar de tekeningen hieronder.




De man ziet de poes.

Hij schrikt en trapt dan pas de rem in.





Onthoud:

Meters weg in reactie-tijd + remweg = stop-afstand.


22 Bekijk de tabel.








Wanneer staat u stil bij een noodstop?





25

km/h:

reactietijd 6,94 m + remweg 3,44 m

= 10,38

m

30

km/h:

reactietijd 8,33 m + remweg 4,96 m

= 13,29

m

35

km/h:

reactietijd 9,72 m + remweg 8,82 m

= 16,47

m

40

km/h:

reactietijd 11,11 m + remweg 11,16 m

= 19,93

m

45

km/h:

reactietijd 12,5 m + remweg 13,78 m

= 23,66

m

50

km/h:

reactietijd 13,88 m + remweg 13,78 m

= 27,66

m

55

km/h:

reactietijd 15,27 m + remweg 16,67 m

= 31,94

m

60

km/h:

reactietijd 16,67 m + remweg 19,84 m

= 36,51

m

65

km/h:

reactietijd 18,05 m + remweg 23,28 m

= 41,33

m

70

km/h:

reactietijd 19,44 m + remweg 27 m

= 46,45

m

75

km/h:

reactietijd 20,83 m + remweg 31m

= 51,83

m

80

km/h:

reactietijd 22,22 m + remweg 35,27 m

= 57,49

m

85

km/h:

reactietijd 23,61 m + remweg 39,82 m

= 63,43

m

90

km/h:

reactietijd 25 m + remweg 44,64 m

= 69,64

m

95

km/h:

reactietijd 36,39 m + remweg 49,74 m

= 76,13

m

100

km/h:

reactietijd 27,77 m + remweg 55,1 lm

= 82,88

m

105 km/h:

reactietijd 29,17 m + remweg 60,76 m

= 89,93

m

110 km/h:

reactietijd 30,55 m + remweg 66,68 m

= 97,23

m

115 km/h:

reactietijd 31.94 m + remweg 72,88 m

= 104,82 m

120 km/h:

reactietijd 33,33 m + remweg 79,34 m

= 112,67 m




a Als je 50 km/h rijdt is de stop-afstand m.
b Als je 100 km/h rijdt is de stop-afstand m.
c Je rijdt in een auto. Je ziet een egel over-steken.

De afstand tussen de egel en de auto is 20 meter.

Je trapt op de rem.

De auto stopt vlak voor de egel.

Hoe hard reed je? Km/h






  1. a Hoe hard mogen auto's en motoren op de

provinciale weg?

50/80/120 km/h.
b Hoe komt het dat juist op deze wegen veel

ongelukken gebeuren?









24 Bekijk de grafieken over doods-oorzaken.



a Welke doodsoorzaak is het grootst bij mensen van

jouw leeftijd?
b Geef hiervoor twee redenen.

1

2







2





3





4





Veiligheid
Verkeers-ongelukken zijn niet altijd te

voor-komen.

Het aantal slacht-offers kan wel minder

worden.


Om het verkeer veiliger te maken zijn er

veel dingen uitgevonden.



H
1
ier zie je er een aantal.






25 Zet de goede namen onder de foto's.

Kies uit: kreukel-zone, air-bag, auto-gordels, reflector.


Val-helm


Onze hersenen zijn erg kwets-baar.

Ze liggen beschermd in een harde schedel.

Een helm geeft extra be-scherming.

De buitenkant is hard.

Maar de binnenkant is zacht.

De functie van de helm lijkt op die van een

kokos-noot.

De harde bast moet de vloeibare vrucht

tijdens de val beschermen.






Veiligheids-gordels

Een veiligheids-gordel zorgt ervoor dat de auto-

mob ilist niet door de voorruit vliegt of tegen het

stuur botst.

De gordel brengt de krachten over op sterke delen van

je lichaam.

Dit zijn de borstkas en het bekken.

Na een botsing moeten de gordels ver-nieuwd

worden.
Kreukel-zone

Veel auto's hebben een kreukelzone. Een deel van de

voorkant is vervorm-baar gemaakt.

Daardoor wordt bij een botsing de auto zachter

afgeremd.
Air-bag

In veel nieuwe auto's zit een airbag.

Bij een botsing wordt een zak snel op-geblazen met

lucht.


De luchtzak vangt de automobilist op.




  1. Welke veiligheids-maatregelen zorgen ervoor dat de

klap van de botsing wordt opgevangen?
Kruis ze aan:

  • □ val-helm □ reflector

  • □ veiligheids-gordel □ fiets-bel

  • □ verlichting □ kreukel-zone

  • □ kooi-constructie □ air-bag







  1. Welke veiligheids-maatregelen zijn er om

ongelukken (botsingen) te voor-komen?
Kruis ze aan:

  • □ val-helm □ fiets-bel

  • □ reflector □ vlaggetje op kinder-fiets

  • □ verlichting □ toeter

  • □ air-bag □ veiligheids-gordels


28 Hieronder staat een onveilige fiets.

Teken zelf de dingen eraan die de fiets veiliger

maken.







S port
Niet alleen in het verkeer komen

ongelukken voor. Ook in de sport

gebeuren vaak ongelukken. Bij veel

sporten heb je extra be-schermers nodig.









29 Hieronder zie je een lijstje met sporten. Zet achter

elke sport een bescherm-middel dat gebruikt wordt.



a Voet-bal

b IJs-hockey

c Volley-bal

d Skate-boarden

e Honk-bal

30 Maak nu de puzzel. Hij is niet gemakkelijk!





Zet de volgende woorden op de

juiste plaats in de figuur. De

letters uit de vakjes met een

cijfer zullen - in de juiste

volgorde - een spreekwoord

vormen dat ook in't verkeer

geldt! (Twee woorden zijn alvast

op hun plaats gezet.)
Van links naar rechts: aardig / Amersfoort / arm / blinden /

dop / fietspaden / gordels / grens

/ koe / linksaf / oog / praatpaal / regelen / skaten / snars / sturen /

velg / waarschuwing / weg / wet


Van boven naar beneden: agent

/ autoweg / berm / dapper /

einde / gehoor / kar / lifters /

notie / opera / parkeermeter /

plichten / rats / rok / rustig /

sos / wind / zeker / pats








Samen-vatting 4

1 Afstand geef je aan met de letter s.

De eenheid van afstand is meestal m (meters) of

km.



2 Snelheid is de af-gelegde weg in een bepaalde tijd.

Snelheid geef je aan met de letter v.

De eenheid van snelheid is meestal m/s of km/h.

3 De snelheid kun je berekenen met de



formule: v = s

t

4 In een v,t-diagram staat de snelheid en de

tijd in een grafiek.

Een voorbeeld van een v,t-diagram is een



tachogram.

  1. In een s,t-diagram staat de afstand en de tijd in

een grafiek.

  1. De snelheid van een voorwerp wordt tegen-

gewerkt door wrijvings-krachten.

Je kunt ze ook tegen-werkende krachten noemen.



Een voorbeeld is de lucht-wrijving.

  1. De stopafstand = reactie-afstand + remweg.

  2. Op een provinciale weg komen meer dodelijke

ongelukken voor dan op snel-wegen.

  1. Om ongelukken te voorkomen zijn er:

  • reflectoren

  • vlag-getjes op kinder-fietsen

  • fiets-bel

  • verlichting

10 Om bij een ongeluk de schade te beperken zijn er:

  • air-bag - kooi-constructie

  • kreukel-zone - val-helm

  • veiligheids-gordels



Maak nu de diagnostische toets.

81





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina