Afstudeerscriptie Analyse over voor- en naschoolse opvang binnen de gemeente Den Haag



Dovnload 467.61 Kb.
Pagina13/18
Datum20.08.2016
Grootte467.61 Kb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

5.5 Stap 4: Analyse afhankelijkheden


In deze paragraaf wordt ingegaan op de indicator afhankelijkheid, die onderdeel uitmaakt van de voorspellers van weerstand. De afhankelijkheden van de actoren is de basis voor interventies tussen de actoren. Actoren hebben elkaar nodig om doelstellingen te kunnen realiseren. Elke actor heeft een hulpbron, die een andere actor nodig heeft. Door te geven en nemen (ruil) voorzien ze in elkaars behoeften en realiseren zij de gestelde doelstellingen.

De afhankelijkheden tussen de verschillende actoren worden weergegeven in de onderstaande tabel.



Tabel 5.8: Overzicht afhankelijkheden actoren

Actor

Hulpbron

Hulpbron beschikbaar in welke mate?

(veel/ gemiddeld/ weinig/ geen)

Hulpbron onmisbaar?

(J/N)

Hulpbron vervangbaar? (J/N)

Hindermacht (J/N)

Realisatiemacht (J/N)

Cruciale actor (J/N)

  1. Gemeente Den Haag










J

N

J




Financieel

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Kennis

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Productie

Geen

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee




Legitimiteit

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Competentie

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja

  1. Basisschoolbesturen










J

J

J




Financieel

Geen

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Kennis

Weinig

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Productie

Geen

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee




Legitimiteit

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Competentie

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja

  1. Kinderopvanginstellingen










J

J

J




Financieel

Geen

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee




Kennis

Weinig

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Productie

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Legitimiteit

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja




Competentie

Wel

Nee

Nee

Ja

Ja

Ja

De gemeente Den Haag

De gemeente Den Haag is een belangrijke speler met veel hulpbronnen. Tijdens het interview met de beleidsmedewerker van de gemeente Den Haag kwam naar voren dat de gemeente Den Haag na 2007 de samenwerking tussen de basisscholen en kinderopvanginstellingen heeft ondersteund.

Hiertoe is het instrument kennis (van beleid en organisatie) ingezet om basisschoolbesturen en kinderopvanginstellingen bij elkaar te brengen. Daarnaast heeft de gemeente Den Haag een financieel instrument ingezet door 18 miljoen euro vrij te maken om toekomstige basisscholen die worden gebouwd, mee te financieren.

Een projectmanager is fulltime aangesteld door de gemeente Den Haag om de samenwerking tussen de basisscholen en de kinderopvanginstellingen te coördineren. Uit het onderzoek Haagse pilot is gebleken dat de projectmanager een cruciale rol heeft gespeeld bij het implementeren van de BSO61. De gemeente heeft beleidsmatig genoeg kennis om partijen bij elkaar te brengen en tot een samenwerkingscontract (in dit geval een convenant kinderopvang ‘Een plek voor ieder kind’) te komen. De gemeente Den Haag is afhankelijk van andere partijen in verband met de productie. Onder productie wordt verstaan: het aanbieden van de dienst BSO door kinderopvanginstellingen. De gemeente Den Haag heeft de kinderopvanginstellingen nodig om de BSO te kunnen realiseren.

De partijen (basisschoolbesturen en kinderopvanginstellingen) verwachten van de gemeente Den Haag een ondersteunende en faciliterende rol. Hoewel de gemeente Den Haag geen dwingende autoriteit heeft in deze casus, krijgt het een autoritair aanzien van de andere actoren. In de periode 2005-2007 had de gemeente Den Haag alleen een onderzoekende en informerende rol op zich genomen en heeft zij zich afzijdig opgesteld. In deze periode heeft de gemeente haar instrumenten (geld, gebouw, kennis en overleg), die de andere actoren nodig hadden om de aspecten van onvermogen te verhelpen, niet ingezet.

Concrete acties van de gemeente Den Haag om de weerstand bij de basisscholen en basisschoolbesturen af te laten nemen:



  • Periode 2005-2007: in deze periode heeft de gemeente zich opgesteld als onderzoekende en informerende partij. Dit door middel van de Haagse pilot en taskforce BSO. Om zo de ‘good practice’ te delen via de onderwijsportaal met de basisschoolbesturen en basisscholen. De gemeente besloot om de kinderopvanginstellingen niet meer te subsidiëren en de gemeentelijke panden niet meer aan de kinderopvanginstellingen te verhuren. Dit omdat in de ingevoerde wet op de kinderopvang geen formele rol vastgelegd was voor de gemeente.

  • Periode na 2007: De gemeente Den Haag is van perceptie veranderd. Zij heeft een ondersteunende rol op zich genomen, waarbij de benodigde instrumenten ten behoeve van BSO werden ingezet. De gemeente Den Haag heeft de volgende acties uitgevoerd:

- gebouwen in bezit van de gemeente Den Haag werden weer aan de kinderopvanginstellingen verhuurd;

- de gemeente Den Haag creëerde een overlegstructuur waarin de kinderopvanginstellingen en basisschoolbesturen en de gemeente Den Haag bij elkaar kwamen en aan meningsvorming deden;

- de gemeente Den Haag brengt de basisscholen en sportverenigingen en zorginstellingen bij elkaar om het ruimtegebrek bij BSO te beperken;

- de gemeente Den Haag stelt 18 miljoen euro beschikbaar voor toekomstige bouw van basisscholen om de BSO tegelijk met de nieuwbouw te realiseren;

- de gemeente Den Haag stelt een projectleider aan die ervoor zorgt dat de samenwerkingsrelatie tussen de kinderopvanginstellingen en de basisscholen opgebouwd wordt.

Hieronder de resultaten van de door de gemeente Den Haag uitgevoerde acties ten aanzien van de aspecten van weerstand:



  • Periode 2005-2007: Er is sprake van onvermogen van de basisscholen en de kinderopvanginstellingen om te voldoen aan de alsmaar toenemende vraag naar BSO-plaatsen. Het onvermogen is niet verholpen door de acties van de gemeente Den Haag. Integendeel: de gemeente besloot geen gemeentelijke panden meer te verhuren aan kinderopvanginstellingen. De aspecten van onvermogen zijn als volgt:

    • De basisscholen en basisschoolbesturen hebben niet voldoende mankracht om een samenwerkingsverband op te bouwen met de kinderopvanginstellingen, waardoor er efficiënter en effectiever gewerkt zou kunnen worden;

    • De kinderopvanginstellingen kampen met ruimtetekort om nieuwe BSO-plaatsen te kunnen creëren.

    • Er is geen overlegstructuur waarin de partijen bij elkaar kunnen komen en een gezamenlijke perceptie kunnen creëren.

  • Periode na 2007: Na de perceptieverandering wisseling heeft de gemeente Den Haag de ondersteunende rol op zich genomen. Dit heeft de gemeente gedaan door instrumenten in te zetten ten behoeve van BSO. De aspecten van onvermogen (BSO-ruimtes, coördinatie en overleg) zijn afgenomen door de acties van de gemeente Den Haag. Dit is blijkt uit de afgenomen interviews en ook uit de stijging van het aantal BSO-plaatsen en de afname van de wachtlijsten62. In de ingevulde vragenlijsten van de basisscholen wordt de ondersteunende rol van de gemeente na 2007 erkend. Hiermee zijn de verschillende aspecten van onvermogen weggenomen.

Tabel 5.9: Toepassing afhankelijkheid op het conceptuele model


Actie periode 2005-2007: Gemeente Den Haag heeft zich in deze periode afzijdig gehouden en heeft de subsidies t.b.v. kinderopvang gestopt. Gemeentepanden worden niet meer verhuurd aan kinderopvanginstellingen.

Aspecten van weerstand uitgedrukt in onvermogen: De basisscholen hebben de volgende aspecten in onvermogen: - geen overlegstructuur BSO, -geen mankracht om samenwerkingsverband op te bouwen en te-kort aan BSO ruimten.

De acties van de gemeente tussen 2005 en 2007 hebben het onvermogen niet doen afnemen. Waardoor de wachtlijsten alsmaar groeiden. De acties na 2007 hebben effect gehad op het afnemen van onvermogen. Er waren meer BSO- ruimten beschikbaar, overlegstructuur werd opgezet en samenwerkingsverband tussen basisscholen en kinderopvanginstellingen werd bevorderd.









Gemeente Den Haag



Afhankelijkheden

Actie periode na 2007: Gemeentepanden worden verhuurd aan kinderopvanginstellingen, 18 miljoen wordt beschikbaar gesteld voor toekomstig bouw bso, sport- en welzijns org. worden in contact gebracht met kinderopvanginst.



Actie periode na 2007: Overlegstructuur wordt opgezet.





Actie periode na 2007: Projectleider wordt door de gemeente aangesteld om het samenwerkingverband tussen de basisscholen en kinderopvanginstellingen te bevorderen.


Basisschoolbesturen

In de interviews met de drie grote schoolbesturen constateren we onbegrip en frustratie. De beleidsmedewerkers van de drie grote basisscholen hebben aangegeven niet te kunnen begrijpen, dat de realisatie van BSO van basisscholen wordt verwacht, zonder dat daar enige nodige aanreiking van instrumenten door het Rijk en de gemeente Den Haag tegenover staat. De basisschoolbesturen verwachtten een ondersteunende en faciliterende rol van de gemeente, maar deze bleef tot hun teleurstelling in de eerste periode (2005-2007) uit. Daardoor hadden de basisscholen onvoldoende het vermogen om BSO uit te kunnen voeren.

De basisscholen waren er voorstander van dat de gemeente haar instrumenten als kennis (beleidskennis, organisatorische kennis), financiën (geld om samenwerking te organiseren) en materiaal (BSO-plaatsen creëren) ter beschikking zou stellen.

De basisschoolbesturen hebben geen financiële middelen voor BSO. Tevens wordt aangegeven dat basisschoolbesturen elk jaar met minder budgettaire middelen dezelfde diensten moeten leveren.

Basisschoolbesturen kunnen zich goed vinden in het makelaarsmodel van de BSO, waarbij de kinderopvang wordt uitbesteed aan de kinderopvanginstellingen. Hiervoor zijn zij wel afhankelijk van de gemeente Den Haag die beschikt over budgettaire middelen om dit te kunnen realiseren. Basisschoolbesturen hebben in tegenstelling tot de gemeente Den Haag geen beleidsmatige en inhoudelijke kennis.

De basisschoolbesturen zijn afhankelijk van de kinderopvanginstellingen, gezien het feit dat zij de BSO-diensten kunnen aanbieden. Het is dan ook van belang dat er een samenwerkingsverband komt tussen de basisscholen en kinderopvanginstellingen.

Basisschoolbesturen zijn legitieme partners die bij wet zelfsturend zijn en niet gedwongen kunnen worden. Basisschoolbesturen hebben de vrijheid van invulling van het onderwijsproces; dit is bij wet geregeld. Basisschoolbesturen worden op de kwaliteit van de output beoordeeld door de onderwijsinspectie.

Kinderopvanginstellingen

Kinderopvanginstellingen zijn private ondernemingen die winst maken en de continuïteit van hun onderneming willen waarborgen. Hiervoor dienen ze opdrachten binnen te halen om hun diensten aan te kunnen bieden. Financieel gezien zijn ze afhankelijk van de opdrachtgevers, in dit geval de basisschoolbesturen. Kinderopvanginstellingen hebben voldoende kennis in hun eigen vakgebied om de diensten aan te kunnen bieden. Om tot oplossingen voor BSO te komen, hebben ze wel de kennis van de gemeente Den Haag nodig om partijen bij elkaar te brengen en aan oplossingen te werken.

Tabel 5.6 laat duidelijk zien dat de schoolbesturen, gemeente Den Haag en kinderopvanginstellingen afhankelijkheden ten opzichte van elkaar hebben om de BSO te kunnen realiseren. Zo zien we dat de gemeente Den Haag en de basisschoolbesturen voor productie (kinderopvangdiensten) afhankelijk zijn van de kinderopvanginstellingen.

Basisschoolbesturen zijn financieel gezien afhankelijk van de gemeente Den Haag die op een gegeven moment een budget van 18 miljoen beschikbaar stelt voor de toekomstige bouw van basisscholen waarbij tevens de kinderopvangruimte wordt gefinancierd.

Daarnaast zijn zowel de basisschoolbesturen als de kinderopvanginstellingen afhankelijk van de kennis van de gemeente Den Haag om BSO te organiseren en te faciliteren.

Kinderopvanginstellingen zijn afhankelijk van de basisschoolbesturen om opdracht te kunnen krijgen om hun diensten aan te bieden.




1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina