Afstudeerscriptie Analyse over voor- en naschoolse opvang binnen de gemeente Den Haag



Dovnload 467.61 Kb.
Pagina16/18
Datum20.08.2016
Grootte467.61 Kb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

H6 Conclusie


In het vorige hoofdstuk zijn de onderzoeksresultaten weergegeven aan de hand van de onderzoekstappen die voor dit onderzoek zijn gebruikt. In dit hoofdstuk zal op basis van de onderzoeksresultaten antwoord worden gegeven op de centrale onderzoeksvraag. Verder zullen conclusies worden getrokken en aanbevelingen worden gedaan. Het onderzoek wordt met dit hoofdstuk afgesloten.

6.1 Probleemstelling en deelvragen


De centrale onderzoeksvraag die in de inleiding van deze scriptie is geformuleerd, luidt als volgt:
Heeft de gemeente Den Haag adequate maatregelen getroffen om de weerstand bij scholen te beperken tegen het implementeren van buitenschoolse opvang?’

Voorafgaand aan de beantwoording van de geformuleerde probleemstelling worden de vier deelvragen behandeld.




  1. Wat was de perceptie van de gemeente Den Haag op de uitvoering van de voor- en naschoolse opvang?

De gemeente Den Haag heeft in twee periodes twee verschillende percepties gehad, namelijk in de periode 2005/2006 en vanaf 2007. De Wet Kinderopvang is in 2005 in werking getreden. De gemeente Den Haag voelde zich daarna niet wettelijk verantwoordelijk voor de BSO. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de gemeente vanaf 2005 geen gemeentelijke panden meer aan kinderopvanginstellingen verhuurde. De gemeente was van mening dat door marktwerking de BSO opgelost zou worden; vraag en aanbod zouden elkaar vanzelf vinden.

Na 2007 is de perceptie van de gemeente Den Haag ten aanzien van BSO veranderd. Dit heeft te maken met het feit dat het aantal BSO plaatsen veel lager was dan de vraag en ook met het feit dat het onhaalbaar leek voor basisscholen om per 1 augustus 2007 BSO aan te bieden. Door een aantal ontwikkelingen in de omgeving is de perceptie van de gemeente Den Haag ten aanzien van BSO veranderd. Gedoeld wordt op de navolgende ontwikkelingen. Vanwege de alsmaar toenemende wachtlijsten (ondanks de groei van het aantal BSO plaatsen met 30% door de marktwerking) hebben de basisscholen aangegeven 1 januari 2007 de BSO niet te kunnen realiseren. Hierop is de datum verschoven naar 1 augustus 2007. Daarnaast heeft de gemeente Den Haag opdracht gekregen van het ministerie van OCW om de uitvoering van BSO te ondersteunen. Ook heeft de taskforce BSO (waarin de gemeente en de kinderopvanginstellingen waren vertegenwoordigd) de gemeente geadviseerd om het BSO-proces te ondersteunen. De gemeente heeft de adviezen van de taskforce overgenomen. De gemeente Den Haag is zich ervan bewust geworden dat de BSO van groot maatschappelijk belang is. Een van de redenen hiervoor was dat goed geregelde BSO de arbeidsparticipatie in de gemeente Den Haag zou vergroten, waardoor de gemeente aantrekkelijker zou worden als vestigingsstad. Daarnaast was de gemeente van mening dat BSO meer mogelijkheden bood voor de ontwikkeling van kinderen, zoals het wegwerken van taalachterstanden.



  1. Wat was de perceptie van de Haagse basisscholen en schoolbesturen op de uitvoering van de voor- en naschoolse opvang?

Voor de basisscholen en schoolbesturen geldt ook dat sprake is van twee perioden en twee percepties. In de periode oktober 2005 tot eind 2006 waren de Haagse basisschoolbesturen van mening dat het onbegrijpelijk was dat de gemeente Den Haag zich afzijdig hield en zich terughoudend opstelde. Dit leidde tot frustratie bij de basisschoolbesturen, temeer omdat zij niet het vermogen hadden om de BSO uit te kunnen voeren.

Na 2007 begon de perceptie van de basisscholen te veranderen, omdat de gemeente Den Haag van perceptie en strategie veranderde. De gemeente verkoos nu een coöperatieve strategie boven de eerder toegepaste, vermijdende strategie. De keuze voor deze strategie had te maken met het feit dat de gemeente Den Haag van perceptie veranderde. Nu de gemeente zich meer coöperatief opstelde, stelden basisscholen en basisschoolbesturen hun perceptie op de houding van de gemeente gaandeweg bij. De perceptieverandering bij de gemeente leidde dus tot een perceptieverandering bij de basisscholen. De basisscholen en basisschoolbesturen hoopten dat de aspecten van onvermogen verholpen zouden worden. Basisscholen hadden immers belang bij het toenemen van het aantal BSO-plaatsen. Per 1 augustus 2007 waren zij zelfs verplicht om BSO aan te bieden.



  1. Welk type van weerstand was bij basisscholen en schoolbesturen in de gemeente Den Haag ontstaan bij de uitvoering van de motie-Van Aartsen/Bos?

Er was weerstand in de vorm van onvermogen bij Haagse basisscholen en schoolbesturen. Scholen kregen een extra taak boven op hun toch al volle takenpakket, zonder dat hier voldoende ondersteuning tegenover stond. Het voor de invoering van BSO beschikbare budget was volgens de basisscholen en schoolbesturen niet toereikend. Een andere oorzaak van weerstand was dat de invoering een zeer arbeidsintensief traject vormde.

Basisschoolbesturen hebben van 2005 tot eind 2006 BSO niet voldoende kunnen uitvoeren vanwege onvermogen. De gemeente Den Haag heeft in deze periode de netwerktheorie niet toegepast, hoewel zij de schoolbesturen nodig had om BSO te kunnen realiseren.

Waar het gaat om het gebruik van schoollokalen ten behoeve van BSO is er nog steeds weerstand te constateren. Leraren staan liever niet hun klaslokaal af aan kinderen die gebruik maken van BSO, omdat ze vrezen dat hun klaslokaal na de opvang niet in de oude staat wordt teruggebracht.


  1. A)Welke instrumenten heeft de gemeente Den Haag ingezet om de weerstand te beperken?

Na 2007 heeft de gemeente een faciliterende en ondersteunende rol op zich genomen. Zij heeft een netwerkoverleg belegd waarbij de basisschoolbesturen en kinderopvanginstellingen bij elkaar zijn gekomen. In dit overleg heeft iedereen zijn perceptie op de BSO kunnen uitwisselen. Hierdoor konden framing en re-framing plaatsvinden met als resultaat een gemeenschappelijk gedragen perceptie. Dit heeft geleid tot het convenant kinderopvang ‘Een plek voor ieder kind’. Alle betrokken actoren hebben zich gecommitteerd aan het convenant met als doel de vastgelegde afspraken uit te voeren. Dit heeft geresulteerd in het afnemen van aspecten van onvermogen bij de basisscholen en kinderopvanginstellingen (het tekort aan BSO-ruimten en het tekort aan mankracht om een samenwerkingsverband op te zetten). Dit heeft geleid tot een toename van het aantal BSO-plaatsen. Ook na het afsluiten van het convenant bleef de gemeente zich verantwoordelijk voelen voor BSO en bleef als faciliterende actor in het netwerk actief. Dit kwam tot uiting in de inzet van de volgende instrumenten ten behoeve van de BSO om aspecten van onvermogen weg te nemen: kennis, financiën, legitimiteit en materiaal. Tot het instrument kennis rekenen we de beleidsmatige aanpak van de gemeente om de partijen bij elkaar te brengen in een netwerkomgeving en met elkaar te laten samenwerken. Het instrument financiën komt tot uiting in het vrijmaken van 18 miljoen euro om basisscholen te voorzien van BSO-ruimten. Verder werd een projectleider aangesteld, die de samenwerking tussen basisscholen en kinderopvanginstellingen bevordert. Ook werd de wethouder van sport en welzijn ingeschakeld om alternatieve ruimten voor BSO te zoeken (sportscholen en gebouwen van welzijnsorganisaties). Deze maatregelen hebben geleid tot een afname van de weerstand bij basisschoolbesturen en basisscholen en een toename van het aantal BSO-plaatsen.

B)Welke instrumenten had de gemeente Den Haag kunnen inzetten om de weerstand te beperken?

De gemeente had de instrumenten die na 2007 zijn ingezet ook in de periode 2005-2006 kunnen inzetten, waardoor de weerstand in de vorm van onvermogen zou zijn afgenomen en de groei van het aantal BSO- plaatsen al vanaf het begin goed op gang zou zijn gekomen.

Gelet op de antwoorden op de deelvragen kan de centrale vraag als volgt worden beantwoord:

De gemeente Den Haag heeft weerstand in de vorm van onvermogen kunnen beperken door na 2007 een andere strategie(namelijk de faciliterende) te kiezen. De weerstand in de vorm van onvermogen had kunnen worden voorkomen door al in het beginstadium te kiezen voor een faciliterende strategie, ook al vond de gemeente dat zij geen verantwoordelijkheid droeg op dit terrein. Hiermee had de gemeente Den Haag al in 2005 een netwerkomgeving kunnen creëren en een rol als procesondersteuner en facilitator kunnen oppakken.




1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina