Akkoordstukken dd. 29 Feb 2000



Dovnload 129.98 Kb.
Pagina3/3
Datum20.08.2016
Grootte129.98 Kb.
1   2   3

Ter hoorzitting d.d. 16 december 1999 legde de heer Hoogendijk pleitnotities over die hij tevens voorlas. Deze pleitnotities zijn voor uw college als bijlage bij dit commissieadvies gevoegd, en dienen hier als ingelast te worden beschouwd. Samengevat schetste de heer Hoogendijk hierin allereerst de achtergronden van de keuze voor vestiging in het pand Achter de Broederen 10. Dit pand is centraal gelegen met veel voorbijkomend publiek. BBB hoefde niet te vermoeden dat vestiging hier in strijd met het bestemmingsplan zou zijn omdat de verhuurder expliciet had toegezegd dat het pand geschikt was voor de vestiging van een uitzendbureau. Voorts zijn in dit straatje meerdere uitzendbureaus gevestigd waar de gemeente nog nimmer tegen is opgetreden. Verder benadrukte de heer Hoogendijk dat BBB voldoet aan de vereisten voor vrijstellingverlening zoals bedoeld in artikel 4.4.5 onder c, d en e. Het pand is immers maar 7 meter breed en bedraagt dus niet meer dan 10% van de straatwand, zoals in lid c wordt vereist. Voorts wordt ook voldaan aan het criterium onder d aangezien BBB maar één pand heeft betrokken. Tenslotte kan ook het bepaalde onder 4.4.5 onder d geen belemmering zijn aangezien een uitzendbureau zich bij uitstek richt op winkelend publiek en derhalve geen onevenredige inbreuk op de winkelsfeer kan hebben. Verder bracht de heer Hoogendijk ten aanzien van de argumentatie van gemeentezijde betreffende de versterking van het kernwinkelapparaat dezelfde argumenten naar voren die ook al in het bezwaarschrift waren aangevoerd. Hij benadrukte dat uit de nota Deventer Binnenstadsperspectief voor het gebied rondom het Broederenplein niet de doelstelling “versterking van het winkelgebied” kon worden afgeleid, omdat dit wordt omschreven als een woon- of verpozingplein, rustig achteraf, net buiten de drukste winkelstraten. Uitwerking als winkelcircuit ligt ook niet voor de hand omdat het grootste deel van de straatwand uit blinde muur bestaat. Daarnaast stelde de heer Hoogendijk dat de andere weigeringgrond, de geheime ontwikkelingsplannen, in strijd moet worden geacht met elk democratisch rechtsbeginsel, te weten de rechtszekerheid, de zorgvuldigheid, de kenbaarheid en de plicht om deugdelijk te motiveren. Wat betreft de algemene vrijstellingsbevoegdheid merkte de heer Hoogendijk op dat het college niet dient te toetsen of de vestiging van BBB een uitzonderlijke en een van zwaarwegend belang zijnde functie betreft welke bijdraagt aan het gewenste voorzieningenpakket, maar enkel dient te bezien of de vestiging bijdraagt aan het gewenste voorzieningenpakket en geen afbreuk doet aan de omliggende meest gewenste functies. Wat betreft de opgelegde dwangsom bracht de heer Hoogendijk naar voren dat daarbij een aantal belangen van BBB dienen te worden meegewogen, te weten de forse investeringen, het ontbreken van een goed alternatief, de plicht tot naleving van het huurcontract, het goede vertrouwen van BBB, het feit dat voldaan wordt aan alle vrijstellingscriteria, het gegeven dat derden niet hebben verzocht om handhaving van de bestemming, het risico van leegstand, de stimulering van de werkgelegenheid en het feit dat de herontwikkelingsplannen niet kunnen worden geschaad omdat deze zich nog in een te pril stadium bevinden. Mocht toch besloten worden geen vrijstelling te verlening dan wordt verzocht om een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan dan wel een gedoogbeschikking voor de duur van het huurcontract.
Na het voorlezen van de pleitnotities merkte de heer Hoogendijk verder nog op dat hij het opgewekte vertrouwen door de verhuurder heeft aangevoerd om aan te tonen dat het niet zo duidelijk is, zoals de gemeente suggereert, dat in Achter de Broederen 10 geen dienstverlenend bedrijf zou mogen komen. Wat betreft de leegstand in de omgeving deelde de heer Hoogendijk mee dat hij zelf langs het Resinkpand aan het Broederenplein is gelopen en heeft kunnen constateren dat de gehele benedenverdieping nog leeg staat. Daarnaast deed de heer Hoogendijk een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de beide andere uitzendbureaus er al een paar jaar zitten, vanaf 1998, en een langere termijn hebben gekregen om te verhuizen. Hij was van mening dat BBB een gelijke termijn diende te krijgen. De heer Hoogendijk benadrukte voorts dat hem nog steeds niet duidelijk was welke toekomstplannen de gemeente nu heeft. Hij was verder geïnteresseerd in de alternatieven die de gemeente te bieden had.
De verhuurder, de heer Klein Klauwenberg, merkte op dat hij geen moment getwijfeld heeft dat een uitzendbureau in het pand zou mogen. Aan de overkant zitten er immers ook twee. Hij deelde verder mee benaderd te zijn door twee coffeeshops die veel geld geboden hebben om Achter de Broederen 10 te mogen betrekken.
De heer Lebbink verwees ter zitting naar het advies dat door zijn afdeling naar aanleiding van het bezwaarschrift aan de commissie is uitgebracht. Hij ontkende dat het vertrouwen, dat naar de mening van BBB door de verhuurder is opgewekt, aan de gemeente zou kunnen worden toegerekend. Hij concludeerde dat de verhuurder enkel heeft toegestaan dat er een uitzendbureau in Achter de Broederen 10 zou worden gevestigd. Die verhuurder behoort er echter van op de hoogte te zijn dat op dat pand enkel een winkelfunctie rust. De informatie die klaarblijkelijk van de makelaar is ontvangen had betrekking op het Resinkpand en was voorts onjuist. Ten aanzien van de stelling van reclamante dat geen sprake is van inbreuk in de winkelsfeer merkte de heer Lebbink op dat in casu sprake is van een vrijstellingsbevoegdheid, en niet van een verplichting. De gewenste functie uit het bestemmingsplan is winkels. De heer Lebbink vroeg zich voorts af waarom BBB niet bij de gemeente heeft geïnformeerd wat er in het pand Achter de Broederen 10 mogelijk is. Hij benadrukte dat dit de normale handelwijze was van ondernemers die zich ergens willen vestigen. Hij vond dat BBB de gemeente hiermee voor een voldongen feit had geplaatst. De heer Lebbink beaamde dat er in de omgeving sprake was van leegstand maar dat is op zich nog geen reden om vrijstelling te verlenen. Voorts is de leegstand grotendeels tijdelijk. Zo is het Resinkpand nu al weer voor driekwart verhuurd. De plannen met betrekking tot versterking van de winkelfunctie beogen het oppeppen van de kwaliteit van het winkelbestand. BBB past daar niet in, en Vedior en Unique ook niet. Deze laatsten zijn ook aangeschreven, op een termijn van 3 jaar, om hun panden te verlaten want een soort dienstverleningsboulevard aan Achter de Broederen is niet de bedoeling. Unique zat al eerder aan de overkant, doch op de verdieping, en is in 1998 verhuisd naar de begane grond naast Vedior. Vedior heeft in 1995 na het vertrek van de speelgoedzaak de huidige plek tegenover BBB ingenomen. Voor de nieuwe plannen verwees de heer lebbink verder naar de advisering door de afdeling Economische Zaken. De horeca die eerder in het pand gevestigd was, was toegestaan op grond van het overgangsrecht, en zat daar dus legaal. Wat betreft de aankondiging van de verhuurder dat ook twee coffeeshops geïnteresseerd zijn in Achter de Broederen 10 merkte de heer Lebbink op dat de gemeente ten aanzien van coffeeshops een maximumstelsel hanteert. Dat maximum is al bereikt, dus alleen op grond daarvan zou een coffeeshop al niet mogen. Wat betreft het streven naar versterking van de winkelfunctie bracht de heer Lebbink naar voren dat alle besluiten die daaromtrent zullen worden genomen moeten passen binnen het bestemmingsplan en de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen. Verder merkte de heer Lebbink nog op dat de zijde van Achter de Broederen waaraan BBB ligt als winkelcircuit wordt aangemerkt, en de overkant niet. Het Broederenplein en de Smedenstraat behoren tot het aanloopgebied met C-status. Dit geldt ook voor de zijde van Achter de Broederen waaraan Unique en Vedior liggen. De heer Lebbink toonde een kaart die dat verduidelijkte.
De heer Van Heck verwees ter zitting naar de schriftelijke reactie die zijn afdeling naar aanleiding van het bezwaarschrift aan de commissie heeft uitgebracht. De bedoeling van de toekomstige plannen is het versterken van het kernwinkelgebied. De afgelopen jaren zijn meerdere illegale vestigingen zoals BBB geconstateerd en is besloten meer op het bestemmingsplan te gaan letten. De heer Van Heck lichtte verder toe dat de huidige vestiging van BBB een belemmering is voor de plannen om de winkelfunctie in de Korte Smedenstraat en Achter de Broederen te verstevigen. De bedoeling is immers een gesloten winkelfront in het kernwinkelgebied. Deze plannen wijken niet af van het huidige bestemmingsplan en er is volgens de heer Van Heck dan ook geen enkele reden om dit bestemmingsplan nu niet te handhaven. Als de vestiging van BBB nu wordt gedoogd dan kan het hele gebied worden afgeschreven. Hij benadrukte dat de gemeente bereid is mee te denken over een alternatieve locatie. Op een vraag daaromtrent merkte hij op dat er wel degelijk mogelijkheden voor detaillisten zijn om in de betreffende pandjes een rendabele winkel te exploiteren. Hij verwees daarvoor naar de naastgelegen bloemenzaak, die overigens bij de gemeente heeft gereclameerd over de vestiging van BBB. De beide uitzendbureaus aan de overkant hebben een langere termijn gekregen omdat deze er veel langer gevestigd zijn dan BBB. Op een andere vraag deelde de heer Van Heck mee dat de gemeente zich niet verplicht voelt eventuele verplaatsingskosten voor BBB te vergoeden.
Op een vraag daaromtrent merkte de heer Van Merriënboer op dat in december 1998 het huurcontract voor Achter de Broederen 10 is gesloten en dat het pand in maart/april 1999 is betrokken.
OVERGAANDE TOT HET UITBRENGEN VAN HAAR ADVIES overweegt de commissie dat het bezwaarschrift van reclamante zich richt tegen de last tot staken van het gebruik van het pand Achter de Broederen 10 als uitzendbureau, op overtreding van welke last een dwangsom is gesteld van f. 5000, - per week met een maximum van f. 150.000, -.
In dit verband constateert de commissie allereerst dat In paragraaf I van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan definities worden gegeven van onder meer de begrippen winkel en detailhandel. Onder winkel wordt verstaan een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de uitoefening van detailhandel. Detailhandel wordt gedefinieerd als het bedrijfsmatig te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Een dienstverlenend bedrijf wordt omschreven als een bedrijf dat gericht is op het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Daaronder worden onder andere uitzendbureaus begrepen.
Verder constateert de commissie dat de grond waarop het pand Achter de Broederen 10 is gesitueerd ingevolge artikel 4.1 van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan “Kernzone Binnenstad” de bestemming stedelijke bebouwing heeft. De Ontwikkelings- en beheersregeling in artikel 4.2 geeft als uitgangspunt dat gestreefd wordt naar de realisering van de meest gewenste functieverdeling zoals aangegeven op de bijbehorende kaart 1. In casu is dit voor Achter de Broederen 10 winkels voor het begane grondgedeelte (artikel 4.2, 4.2.1 en 4.2.5.) In het gehele plangebied is wonen op de bovenverdieping(en) toegestaan. Ingevolge artikel 4.2.5 kunnen bestaande bedrijven als aangegeven op de bijbehorende kaart 2 worden gehandhaafd. Nieuwvestiging van dienstverlenende bedrijven op de begane grond is toegestaan ter plaatse van de aanduiding gemengde functies 1 t/m 4 op kaart 1. Dit is niet van toepassing op Achter de Broederen 10. Nieuwvestiging in de overige gebieden is niet toegestaan, tenzij vrijstelling als bedoeld in artikel 4.4.5 is verleend. Dit artikel 4.4.5 bepaalt dat uw college met inachtneming van de Beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3 onder een zestal voorwaarden vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in artikel 4.2.5 teneinde de vestiging van nieuwe bedrijven toe te staan.

De Beschrijving in hoofdlijnen waarnaar artikel 4.4.5 verwijst geeft – voor zover in dezen van belang – in het hoofdstuk Algemeen onder 3. aan dat het gemeentelijk beleid gericht is op behoud en versterking van de centrale winkelfunctie van de binnenstad. Deze centrale winkelfunctie wordt versterkt door het streven naar samenhangende winkelcircuits, het strategisch situeren van “trekkers” en het stimuleren van het winkelklimaat in de naar hun aard onderscheiden winkelstraten. Met name het scheppen van kwalitatief hoogwaardige en aantrekkelijke bewinkeling en aanvullende functies in het winkelgebied wordt van belang geacht. In de in deze Beschrijving in hoofdlijnen opgenomen Functionele karakteristiek wordt voorts onder 1. aangegeven dat het beleid langs de winkelcircuits en aanlooproutes gericht is op realisering van een aaneengesloten winkelfront op de begane grond met incidentele horecavestigingen en opgangen voor bovenwoningen. Onder 2. van de Functionele karakteristiek wordt voorts overwogen dat naast deze functies langs de aanlooproutes en winkelcircuits incidenteel – via vrijstelling – nieuwvestiging van onder meer dienstverlenende bedrijven is toegestaan indien deze bedrijven onderdeel uitmaken van een winkel, waarbij het dienstverlenende bedrijf ondergeschikt is aan de winkelfunctie.


Tenslotte kent paragraaf IV van het bestemmingsplan in artikel 6 een algemene vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van overige functies waarin wordt bepaald dat burgemeester en wethouders, gehoord de raadscommissie Ruimtelijke Ordening en met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen vrijstelling kunnen verlenen van het bepaalde onder 4.2 aanhef ten behoeve van het incidenteel toestaan van omzetting naar een andere dan de op kaart 1 als meest gewenst aangegeven functie. Deze vrijstellingsbevoegdheid mag enkel worden gebruikt indien de functie bijdraagt aan het binnen het centrum gewenste voorzieningenpakket, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat en indien de werking van de omliggende meest gewenste functies niet wordt verstoord. De zogenaamde toverformule is opgenomen in artikel 7. Artikel 7.1 bepaalt allereerst dat het verboden is de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende opstallen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 7.2 bepaalt dat vrijstelling wordt verleend van het in 7.1 vervatte verbod indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
De commissie is gelet op de ingediende bezwaren en het aan haar uitgebrachte ambtelijke advies van oordeel dat terecht is geconcludeerd dat het bestemmingsplan zich verzet tegen vestiging van een uitzendbureau in het pand Achter de Broederen 10. Daartoe overweegt de commissie allereerst, mèt haar adviseur, dat de betreffende straatkant van Achter de Broederen blijkens kaart 2 van het bestemmingsplan deel uitmaakt van het winkelcircuit en dat blijkens de artikelen 4.2, 4.2.1 en 4.2.5 van dit plan de meest gewenste functie voor Achter de Broederen 10 winkels is. Anders dan reclamante meent de commissie voorts dat, gelet op de definities die in de voorschriften van het bestemmingsplan zijn opgenomen, een uitzendbureau niet als winkel kan worden aangemerkt. De commissie constateert verder dat uw college geen gebruik heeft willen maken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 4.4.5 vrijstelling te verlenen voor de vestiging van het onderhavige uitzendbureau. De commissie acht deze weigering terecht. Zij wijst er op dat het gebruik maken van een vrijstellingsbepaling geen verplichting is, doch een bevoegdheid. Artikel 4.4.5 kent weliswaar een zestal voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij deze vrijstelling doch dit houdt niet in dat, indien zoals door reclamante gesteld, daar daadwerkelijk aan wordt voldaan dan ook een verplichting tot vrijstellingverlening zou bestaan. In de aanhef van artikel 4.4.5 wordt immers ook voorgeschreven dat de Beschrijving in hoofdlijnen in acht moet worden genomen bij de vraag of vrijstelling dient te worden verleend. De commissie neemt in deze de redenen om niet tot vrijstellingverlening over te gaan over. Zij onderschrijft het streven tot versterking van de winkelfunctie in het kernwinkelapparaat en het winkelcircuit, waar het pand Achter de Broederen 10 deel van uitmaakt. De stelling van reclamante in het bezwaarschrift dat het beleid geen aanleiding zou zijn de vrijstelling te weigeren omdat de Nota Deventer Binnenstadsperspectief het Broederenplein aanduidt als “woon- of verpozingsplein, rustig achteraf, net buiten de drukste winkelstaten” faalt naar de mening van de commissie omdat dit plein, anders dan de zijde van Achter de Broederen 10, geen deel uitmaakt van het winkelcircuit. Het streven tot versterking van de winkelfunctie was overigens reeds opgenomen in de Beschrijving in hoofdlijnen behorend bij het bestemmingsplan en is daarna nog nader aangescherpt in de door de gemeenteraad aangenomen nota “Een ruggengraat voor de stad; Deventer Binnenstadsperspectief”, in het Plan van Aanpak “Verder met de Binnenstad” en de studie naar de herontwikkeling van de Sijzenbaanlocatie, het Broederenplein en de Brink. Anders dan reclamante meent de commissie dat dit beleid inmiddels voldoende kenbaar is gemaakt, waarbij de commissie voorts nog aantekent dat geen sprake is van een breuk met het in het vigerende bestemmingsplan opgenomen beleid, doch hoogstens van een nadere aanscherping. De commissie is op zich van mening dat BBB Uitzendorganisatie nog geen rekening hoefde te houden met de toekomstplannen van de gemeente maar dat ook los daarvan gezien het vorenstaande het bestreden besluit haar, afgezien van de aanpassing die de commissie hierna zal voorstellen, niet onjuist voorkomt.
Reclamante heeft verder nog een beroep gedaan op het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat opgewekt vertrouwen zou moeten worden gehonoreerd, en heeft daarnaast ook het gelijkheidsbeginsel aangevoerd, omdat de horeca-instelling die voor haar in het pand gevestigd was ongemoeid is gelaten, en aan de overkant van de straat nog twee andere uitzendbureaus zijn gevestigd. Ten aanzien van het aangevoerde opgewekte vertrouwen constateert de commissie dat reclamante hiervoor uitlatingen en handelingen van de verhuurder van het pand aanvoert. De commissie meent evenwel dat deze niet aan de gemeente kunnen worden toegerekend, zodat dit bezwaar reeds hierom geen doel kan treffen. Het had naar de mening van de commissie overigens in de rede gelegen dat reclamante zich tot de gemeente had gewend met de vraag of vestiging van een uitzendbureau in Achter de Broederen 10 al dan niet is toegestaan. Wat betreft de horeca-instelling is door haar adviseur ter zitting naar voren gebracht dat sprake was van overgangsrecht en dat de horecavestiging derhalve legaal was. De commissie deelt dit standpunt.
Ook ten aanzien van de bezwaren betreffende het niet toepassen van de algemene vrijstellingsbevoegdheid van artikel 6, of de toverformule van artikel 7, neemt de commissie het gemeentestandpunt uit het bestreden besluit en het aan haar uitgebrachte advies over. De commissie onderschrijft de stelling van gemeentezijde dat niet voldaan is aan de vereisten zoals omschreven in artikel 6. Met name wordt niet voldaan aan het vereiste dat de functie bijdraagt aan het binnen het centrum gewenste voorzieningenpakket, nu dit gewenste voorzieningenpakket immers blijkens de uitgangspunten van bestemmingsplan en voornoemde vervolgnota’s een versterking van de winkelfunctie in het winkelcircuit beoogt, en het accepteren van een uitzendbureau in een winkelpand een verzwakking daarvan zou inhouden. Ten aanzien van de zogenaamde toverformule in artikel 7.2 overweegt de commissie dat ingevolge constante jurisprudentie het verlenen van vrijstelling op grond van deze formule eerst mogelijk is indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is. De commissie is van oordeel dat er, objectief bezien, onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat gebruik overeenkomstig de winkelbestemming niet meer tot de mogelijkheden zou behoren. Weliswaar is sprake geweest van enige leegstand van het pand zelf, en in de omgeving, doch de commissie meent dat, gezien ook de klaarblijkelijke levensvatbaarheid van de naastliggende, al jaren gevestigde, detailhandel het gemeentelijke standpunt dat winkelvestiging ter plekke haalbaar is, reëel is. Ten aanzien van de leegstand in de omgeving is voorts ter zitting onweersproken gesteld dat dit voornamelijk de winkels in het zogenaamde Resinkpand betrof, en dat deze winkelruimte inmiddels grotendeels verhuurd is.
Op grond van het vorenstaande is de commissie van oordeel dat terecht is geconcludeerd dat het bestemmingsplan zich verzet tegen vestiging van BBB Uitzendbureau in het pand Achter de Broederen 10, weshalve uw college in principe bevoegd was hiertegen met bestuursdwang op te treden. De commissie acht in deze voorts het algemeen belang dat gemoeid is met handhaving van gemeentelijke wetgeving en, meer specifiek, de belangen die betrokken zijn bij versterking van de winkelfunctie in het winkelcircuit, gelet met name ook op het feit dat reclamante bewust risico’ s heeft genomen door zonder informatie bij de gemeente het onderhavige pand te betrekken, van groter gewicht dan de aangevoerde belangen betreffende de forse investeringen van BBB, het goede vertrouwen, het feit dat er geen derden zouden zijn die om handhaving hebben gevraagd, het risico van leegstand, de stimulering van de werkgelegenheid, en het niet kunnen schaden van de herontwikkelingsplannen omdat deze zich nog in een te pril stadium zouden bevinden. De commissie heeft echter wel bedenkingen tegen de termijn waarbinnen BBB het pand dient te verlaten. Zij wijst er op dat aan de overkant van Achter de Broederen 10 de uitzendbureaus Unique en Vedior ASB eveneens in strijd met het bestemmingsplan zijn gevestigd in de panden Achter de Broederen 11en 13. Van gemeentezijde is hieromtrent gesteld dat ook deze uitzendbureaus zijn aangeschreven om binnen drie jaar hun panden te ontruimen. Dossieronderzoek wijst overigens uit dat momenteel enkel nog sprake is van een voornemen tot een dergelijke aanschrijving. De commissie acht het verschil in behandeling in deze tussen BBB enerzijds en Vedior en Unique anderzijds te groot. In de bestuursdwangvoornemens wordt de termijn van 3 jaar gemotiveerd met de lange tijd dat beide organisaties al in de betreffende panden zijn gevestigd. Voor Vedior, dat al sinds december 1995 in Achter de Broederen 13 aanwezig is, mag deze redenering wellicht opgaan, doch Unique is pas sinds april 1998 in Achter de Broederen 11 gevestigd. Ook het verschil in bestemmingsplanstatus tussen beide zijden van Achter de Broederen kan naar de mening van de commissie het grote verschil in termijnstelling niet rechtvaardigen. Op grond van het gelijkheidsbeginsel adviseert de commissie uw college derhalve de in het bestreden besluit opgenomen begunstigingstermijn te wijzigen in een termijn van drie jaar na verzending van dat besluit, te weten 27 augustus 2002. Voor het overige adviseert de commissie uw college het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

De Algemene commissie voor de beroep-,

bezwaar- en verzoekschriften,

J.K. Muntinga, plv. voorzitter.



mr. B. Vermaas, secretaris.




1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina