Al waren de dijken twintig meter hoger geweest ’ G



Dovnload 51.25 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte51.25 Kb.
Al waren de dijken twintig meter hoger geweest...’

Geloofsbeleving in het rampgebied van 1953
gepubliceerd in: Zeeland. Tijdschrift van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 12, 2003, nr. 1, p 10-16
Mentaliteit en levensbeschou­wing zijn ‘van groot belang’ bij de ra­tionalisatie, oftewel de ma­nier waarop de gebeurtenissen aan­vaard en verwerkt worden, constateerde de socio­loog J.L. Haverda in 1953 na een onderzoek onder ge­ëva­cueerde slachtof­fers van de februari-ramp. Ha­verda had onder de geëvacueerden drie ver­schillende typen van rationalisatie van de ramp mee­gemaakt en dat onderscheid viel min of meer samen met gods­dienstige scheidslijnen: onker­ke­lijken plus vrijzinnigen, de ‘meer or­thodoxe bevolking’ en ‘ver­scheidene streng ortho­doxe groe­peringen’. In dit artikel over de geloofsbeleving in relatie tot de watersnoodramp in met name het Zeeuwse deel van het getroffen gebied, komen deze verschillen ­­aan de or­de. Zo in­grijpend waren de verschillen, dat ze ­zelfs scheiding konden veroorzaken tussen de slacht­offers van de ramp onderling. De vraag naar het ‘waar­om’ van de ramp heeft de bevolking van som­mi­ge getroffen dorpen lange tijd verdeeld ge­hou­den, meent de historica S. Leydesdorff: ‘Het trauma heeft waar­schijnlijk de religieuze me­nings­ver­schillen al­leen maar versterkt.’ Op de ach­tergronden van dit verschijnsel zal hierna ingegaan worden, maar ook de (kortstondige) ge­vol­gen van de ramp voor de plaatselijke oecumene komen aan bod en niet te vergeten de meer di­recte effecten van de ramp op de geloofsbeleving - want duiding en verwerking vonden toch vooral achteraf plaats. Het lijkt me logisch om te be­ginnen op het moment van de ramp zelf.1)



gebed en troost

Voor Stavenissenaar A.J. Smits is het zeker en vast aan God te danken dat hij op 1 februari 1953 niet verdronken is. ‘Dat is nog elke dag opnieuw een verwondering’, zegt hij en hij haalt aan hoe hij zich in het water begaf met de woorden ‘O God, help me’ op de lippen. Ook ande­ren in Stavenisse zijn op een vergelijkbare manier wonderlijk bewaard, weet hij. Ergens op Flakkee drijven in de rampnacht vier mensen rond op het dak van een huis. Urenlang zingen ze psalmen - ‘s ochtends vroeg worden ze gered. Een andere inwoner van het rampgebied vertelt aan een so­cio­loog hoe hij na gebed de kracht krijgt om een gevaarlijke klim op het huis te vol­brengen. ‘In at least five cases, it is known that distinctly non-church going people found sola­ce in prayer’ al­dus Studies in Holland Flood Disaster. Daarbij zijn ook mensen die niets van godsdienst wil­den weten - ze grijpen terug op een onderliggend referentiekader, waarschijnlijk de christelijke beginselen die ze van thuis uit hebben meegekregen. In 1953 is heel de samen­leving nog door­drenkt van het christendom en in allerlei situaties waarin de rampslachtoffers met een groep bijeen zijn en hun redding onzeker is, wordt er gezamenlijk gebeden. Meestal is er één persoon die daartoe het initiatief neemt en hardop bidt.2)

‘We zijn teruggeworpen op de laatste grond: Gods genade’, zo vat de hervormde predi­kant J.P. van Roon uit Zierikzee luttele weken na de ramp deze situatie samen. Tijdens de ge­zamenlijke kerk­dienst op 8 februari in de Grote Kerk van Zierikzee, die op buitenstaanders grote indruk maakte, zegt hij: ‘Deze nood leert ons te bidden en te buigen’. Net als overal in en bui­ten het rampgebied kwamen er aanvankelijk veel meer mensen naar de kerk dan anders - maar niet lang. ‘De tweede zondag na de ramp waren de kerken niet meer zo vol’, aldus Van Roon. ‘Het was weer dezelfde trouwe schare van voorheen, met enkelen die na de ramp ‘ver­anderd’ zijn. Maar overigens - velen, heel velen zijn weer overgegaan tot hun ‘ge­wo­ne leven’.’ Het was bij velen eerder ‘een opwelling, een emotie, maar geen verandering van hun hart, geen bekering tot de Here en zijn dienst’ schreef hij weer later, op 13 maart 1953. Maar dat het christelijk ge­loof velen moed en vertrouwen gaf en er dus veel gelovigen aan de ramp een ster­ker ge­loofs­le­ven over­hiel­den, stond voor sociologen, journalisten, romanschrijvers en anderen die over het ramp­ge­bied schreven, ­vast. ‘Het volk wist waar het zijn steun en heil moest zoeken, toen men­se­lijke hulp ontbrak of niet meer baatte’, schreef de redactie van de Zierikzeese Nieuwsbode. ‘De gees­­te­lij­ke kern van het Schouwen-Duivelandse volk is door de watersnood versterkt en verin­nigd.’ Zelfs mensen die grote verliezen geleden hadden, getuigden van de kracht die ze aan hun ge­loof ontleenden. Een inwoner van Rilland, van wie alle vijf kinderen verdronken waren, ver­tel­de zijn predikant: ‘Wonderlijk, dwars door alle verdriet heen, heeft het geloof in de Heiland mij op de been gehouden.’3)
kerkelijk leven

Op de langere termijn is het effect van de ramp op de geloofsbeleving dus waarschijnlijk vooral terug te vinden op individueel niveau. De bestaande literatuur meldt slechts eenmaal een soort collectieve reactie: ‘De kerk zat stampensvol na de ramp, jaren aan een stuk. Wij waren alle­maal gered en we waren verschrikkelijk dankbaar’, tekende S. Leydesdorff op uit de mond van een inwoonster van een vrij zwaar getroffen dorp op Tholen of Flakkee - het betrof dus waar­schijnlijk een Hervormde gemeente die behoorde tot de Gereformeerde Bond. Ook de kerken­raads­­no­tulen van de (orthodoxe) her­vormde gemeente van Nieuwer­kerk spreken van zeer hoge op­kom­­sten tijdens de kerkdiensten in de zo­mer van 1953 onder de kleine groep niet-geëvacu­eer­­den ­in het dorp. In de zomer van 1954, toen nog maar een derde van de bevol­king te­rug was in Nieuwerkerk, was het aantal kerkgangers nog steeds ‘procentsgewijs aanmer­kelijk beter dan voor de ramp’. In 1956 werden de traditionele avonddiensten echter stopgezet - het was in 1952 ook al overwogen, maar na de ramp waren deze diensten blijkbaar jarenlang redelijk bezet. In de ker­ken­raads­no­tulen van de Hervormde gemeenten van Noordwelle en Brou­wers­ha­ven ­werd in deze jaren zelfs ge­klaagd over teruglopend kerkbezoek - maar Noordwelle telde na de eva­cua­tie veel minder in­wo­ners dan ervoor en Brouwershaven was een vrijzinni­ge ge­­meen­te. In Ds van Roons (orthodox) hervormde gemeente in Zierikzee bleef de kerkgang na 1953 on­geveer op het peil van de periode 1945-1952. Pas na de ontsluiting van Schouwen-Dui­ve­land door de Grevelingendam in 1966, begonnen het eiland, de stad en de kerke­lijke ge­meen­te sterk te veranderen, vertelde hij later.4)

In de kleinere kerkgenootschappen is het kerkbezoek niet het criterium voor de binding aan de geloofsgemeenschap - daar bezocht in deze jaren iedereen nog de diensten. Maar ook daar zijn geen bewijzen voor een collectieve reactie-in-positieve-zin na de ramp. In de Gereformeerde en Christelijke Gereformeerde Kerken op Schouwen-Duiveland was er net als in veel hervormde ge­meenten zorg over de houding van de jeugd, die minder geïnteresseerd leek in het kerkelijk le­ven dan vorige lichtingen jongeren. En in de Classis Tholen van de Gereformeerde Gemeen­ten - waar Tholen, Sint-Philipsland en Schouwen-Duiveland onder vallen - werd in 1956 ge­meld dat het geestelijk leven steeds min­der ­werd aangetroffen. ‘Koud en dood’ vonden de plaatse­lij­ke leidersfiguren de beleving bij de mensen in hun kerken. De Oud-Gereformeerde Gemeen­te van Stavenisse werd na de ramp zelfs getrof­fen door een ‘grote vervlakking’, aldus A.J. Smits. ‘Ik weet gelukkig van sommige mensen dat de ramp hun bekering betekende. Maar in het al­ge­meen was er een verslechtering van levenshouding en gedrag.’ Net als hun dorpsge­no­ten waren de Oud-Gereformeerde Stavenis­senaars materialistischer geworden door de zorg om - en later de besteding van - de schadever­goeding van het Rijk. ‘De eerste tijd na de ramp praat­ten ze al­leen maar over huizen en meu­bels’.5)
tijdelijke ‘oecumene’

Niet alleen viel in het rampgebied tijdens de rampdagen de kerkelijke gescheidenheid volledig weg, die situatie kreeg op een aantal plaatsen ook een vervolg in gezamenlijke kerkdiensten. Meestal was er sprake van een noodsituatie waarbij één of meer van de plaatselijke kerkgebou­wen verwoest of onbruikbaar waren, bijvoorbeeld in Sint Philips­land en Stavenisse. Soms was er maar zo’n klein clubje mensen in een dorp achtergebleven, dat ook om die reden gezamen­lij­ke diensten gehouden werden. Het bekendste geval werd dat van de Gereformeerde Kerk van Scharendijke en de Hervormde gemeente van Elkerzee, die op elkaar aangewezen waren door de vervoerssi­tuatie: de achtergebleven dorpelingen woonden als het ware op een eilandje. Het samenleven onder één kerkdak werd waarschijnlijk vooral zo be­kend omdat het tot pinksteren 1954 duurde, dus ruim een jaar, en omdat de landelijke pers er over berichtte. Beide predikan­ten, de gerefor­meerde ds Kuitert (later bekend als theoloog) en de hervormde ds Nauta, hadden een plaats in de liturgie, terwijl steeds één van hen preekte. Geza­menlijk werd ook diverse ke­ren het Heilig Avondmaal gevierd - de viering werd door beide predikanten geleid.

De berichten in de pers - in het Gereformeerd Weekblad ontstond een dis­cussie die de redactie al snel stopzette - zorgden voor verontruste reacties binnen de Gere­for­meer­de Kerken. De Clas­sis Groningen vroeg ds Kuitert naar de principiële fundering van het samenleven met de her­vorm­den en binnen de Gereformeerde Kerk van Amersfoort rezen pro­ble­men over de gezamen­lijke Avondmaalsviering in Scharendijke. Niet alle leden van de Her­ vormde Kerk beleden im­mers ‘de Christus Gods’ vonden sommige leden. Kuitert kon de betreffende broeders echter ge­ruststellen: men had toestemming van de Classis Zierikzee, die zelfs haar blijdschap had uitge­sproken over deze tijdelijke oecumene. Ook andere bijvalsbetuigingen kwamen binnen.6)

Ook elders werden gezamenlijke diensten gehouden en – in minder gevallen –

gemeenschap­pe­lijk het H. Avond­maal gevierd. In de Bathpolder werden in maart en april 1953 oecumenische diensten gehouden met leden van de Hervormde gemeente, de Gereformeerde Kerk en de Vrij Evangelische gemeente. Twee predikanten, een hervormde en een gereformeerde, werkten aan de diensten mee. Het hoogtepunt was de Avondmaalsviering op 26 april, die voor allen ‘een bij­zonder samenbindende ervaring’ betekende. ‘Na die datum ging ieder kerkgenootschap weer zijn eigen weg.’ In het zwaar getroffen Duiveland kwam men niet verder dan één Avondmaals­viering voor leden van diverse kerken, op Goede Vrijdag 1954 te Nieuwerkerk. Werkelijke oe­cu­me­ne was dat niet: het betrof een hervormde dienst waar ook gereformeerden kwamen. In het naburige Oosterland sloeg de gereformeerde kerkenraad de uitnodiging van de hervormde pre­dikant af om gezamenlijke het Avondmaal te vieren. Wie het Avondmaal wilde gebruiken, kon dat doen in de gereformeerde kerk te Bruinisse, vond men - van een noodsituatie als in het ge­ïsoleerde Scharendijke was geen sprake. De gereformeerden van Oosterland, een vijftigtal zie­len, kerkten om de twee weken in de hervormde kerk ter plaatse. Niet altijd waren de gerefor­meerden de weigerende partij: de hervormden te Brouwershaven - in meerderheid vrijzinnig - sloegen het voorstel van de hervormde predikant van het naburige Zonnemaire af om in het stadje gezamenlijke diensten te houden voor hervormden en gereformeerden. Te Bruinisse wer­den slechts vijf weken lang gemeenschappelijke diensten gehouden.7)

Dat men in protestants Nederland nog lang niet aan oecumene toe was, bleek ook uit het ver­volg van het samengaan te Scharendijke. Aanvankelijk wilden de hervormden en gereformeer­den graag contact houden door middel van kanselruil - om de zoveel maanden - maar na veel overleg werd dat omgezet in gemeenschappelijke diensten. Tijdens de besprekingen over en weer tussen de twee kerkenraden bleek vooral de manier waarop de tucht over de kerkleden werd uitgeoefend de geesten te scheiden: de hervormden deden daar te makkelijk over en de ge­reformeerden te moeilijk, vond men van elkaar. Bovendien waren de hervormden bang om leden te verliezen aan de gereformeerden door een voortgaand contact. Toch werd dat contact aangehouden - men had immers bij elkaar dezelfde eerbied voor het Evangelie waargenomen - en de twee kerkenraden spraken in een gezamenlijke verklaring uit dat elke partij schuld droeg aan het gescheiden voortleven, dat ‘met droefheid’ voortgezet werd.8)

Ook de geëvacueerde kerkleden kregen te maken met andere kerken, hoewel velen van hen con­tact hielden met hun eigen predikant. Heel wat dominees uit de rampgebieden reisden fre­quent langs hun geëvacueerde gemeenteleden, wat erg gewaardeerd werd. De kerken hadden een bindende functie voor de verspreid wonende dorpsbewoners en de contactavonden die de rei­zende predikanten in de evacuatiegebieden organiseerden, wer­den bezocht door dorpsgeno­ten van allerlei kerken - tot onkerkelijken toe. Maar de evacuatie bracht soms ook nieuwe in­zichten met zich mee. Vooral voor le­den van de Gereformeerde Bond en de (Oud-)Gerefor­meer­de Gemeen­ten van het eiland Tholen betekende het verblijf in het rooms-katholieke Brabant een hele cul­tuurschok. Zij waren opge­voed met het idee dat de katholieke kerk ‘afgodische’ trekken ver­toonde. Nu kwamen zij in aan­raking met rooms-katholieke medemensen die hen over het alge­meen erg gastvrij ontvin­gen. Er ontstonden vriendschappen en velen dachten voortaan heel wat positiever over de rooms-ka­tholieke bevolkingsgroep.9)
duiding van de ramp

Je zou kunnen zeggen dat de bovengenoemde effecten van de ramp over het algemeen een sa­menbin­dend effect hadden op de bevolking. Daarentegen bracht de duiding van de ramp - dus de beantwoording van de waarom-vraag - veeleer scheiding teweeg. Mensen met nogal ver­schil­lende Gods- en wereldbeelden leefden immers naast elkaar en tolereerden el­k­aar traditio­neel in meerdere of mindere mate, meestal zonder dat er van directe communicatie over de ver­schillen in voorstellingswereld sprake was. Door de interpretatie van de ramp – een onderwerp waarover blijkbaar vrijelijk gepraat en uiteraard ook gepubliceerd werd – kwa­men deze ver­schil­len ná de fase van de directe nood onbarmhartig aan het licht. Soms werden Gods- en we­reldbeelden aan het wankelen gebracht, maar wat veel meer gebeurde was dat de diverse visies des te onverzoenlijker tegenover elkaar kwamen te staan.

Een voorbeeld van de confrontatie tussen het orthodoxe christelijke en het vrijzinnig-christelij­ke Gods- en wereldbeeld vinden we in de discussie op 6 maart 1953 binnen de gelederen van de hervormde kerkenraad van het niet-getroffen Renesse. De predikant, de orthodoxe F.A. van Liere, had in zijn preek op 8 februari de ramp voorgesteld ‘als een teken van de grenzen, door God aan het zondige leven van de mens gesteld. Als zodanig valt het onder de categorie ‘oor­deel’, echter niet onder de categorie ‘straf’.’ Net als elk lijden - maar dan in een intensere vorm - verwees de ramp naar de sterfelijkheid van de mens en dus aan zijn behoefte aan een verlos­ser, Gods Zoon Jezus Christus. Twee vrijzinnige kerkenraadsleden daarentegen zagen in de ramp ‘niets dan een zuiver natuurgebeuren en een toevallige samenloop van omstandigheden.’ Ze dachten dat Van Liere’s preek het vrijzinnige deel van de gemeente niet bevallen zou zijn.10)

De orthodoxe opvatting was ook de socioloog Haverda bekend. Ze werd door hem beschreven als ‘een compromis tussen het besef van eigen menselijke tekortkomingen en het geloof in de mysterie en oppermacht van God.’ Het onheil had in deze visie ergens zijn oorsprong bij God en ‘daarom is de ellende voor hen ook gemakkelijker te dragen’. De ramp was ‘bewijs van Gods aanwe­zig­heid.’ Dit standpunt domineerde ook, aldus J. Os­se­waarde, in de naderhand ge­schreven ro­mans over de februari-ramp. God heeft het beste voor met Zijn mensen en dat blijkt wanneer de overlevenden de draad van hun leven weer oppakken met een verdiept geloofs­le­ven. Daarbij konden ze zich overigens wel afvragen of God dan met de slachtoffers iets anders voor had gehad dan met henzelf - de één stelde deze vraag, de ander niet.11)

Deze or­tho­doxe christelijke opvatting kon dus botsen met de vrij­zinnig-christelijke visie op de ramp, maar in het Zeeuwse rampgebied vinden we - behalve in de kerkenraadsnotulen uit Re­nesse - wei­nig schriftelijke weergaven van zulke directe con­fron­taties. ­­­Beide interpretaties bots­ten wel veelvuldig met de derde, de streng-orthodoxe op­vat­ting die met name werd aan­ge­troffen onder de Oud-Gereformeerden en de leden van de Ge­re­formeerde Gemeenten in het rampgebied.

In deze derde opvatting was de ramp door God gezonden als een straf op ‘s mensen zonden. Enerzijds vloeide deze visie logisch voort uit de letterlijke interpretatie van het calvinistische be­grip ‘Gods almacht’, anderzijds leek zij de onontkoombare uitkomst van de talloze aan­zeg­gingen van onheil over Nederland die al vele tiental­len jaren door streng orthodoxe predi­kan­ten op min of meer profetische wijze over de zonden van de bevolking waren uitgesproken. A. de Redelijkheid, godsdienstonderwijzer in het door de ramp getroffen Ouderkerk aan de IJssel in Zuid-Holland, haalde zelfs een achttiende-eeuwse profetie aan ‘dat de schepen over Nederland zouden varen’ - dat woord was op 1 februari 1953 in vervulling gegaan. De Rede­lijkheid be­toogde dat er ‘nationale zonden’ waren, die ook natie-breed bestraft moesten wor­den. De be­langrijkste zonde was dat in veel kerken de gereformeerde belijdenisgeschriften niet langer functioneerden. Maar ook het verplicht afmaken van gezond vee naar aanleiding van de toen­ma­­lige mond- en klauwzeercrisis zag de hervormde godsdienstonderwijzer als een groot kwaad. De visie van de oud-gereformeerde voorganger J.W. Slager uit Stavenisse, die gold als één van de meer radicale visies in het Zeeuwse rampgebied, kwam overeen met die van De Re­delijk­heid. Maar anders dan zijn collega uit Ouderkerk - waar maar twee slachtoffers waren ge­­­vallen - liet Slager geen profetische boetepreek ver­spreiden. De preek die hij hield bij de her­begrafenis van de slachtoffers te Stavenisse, herin­nerde in de nadruk die gelegd werd op de wijsheid en soevereiniteit Gods aan de ‘gewone’ or­thodoxe opvatting over de ramp. De ramp moest de overlevenden opwekken om zich tot God te wenden. Diens bedoeling met de ramp was immers geweest om mensen tot beke­ring te brengen. Ook ontbrak De Redelijkheids pro­fetische aanzegging dat er nog veel meer oordelen zouden komen over Nederland.12)

De grens tussen de orthodoxe en de streng-orthodoxe visie was dus vloeiend. Ook de confessio­neel-hervormde ds Van Roon stelde in zijn preek op 8 februari de ramp voor als één van de te­kenen van de eindtijd (naar het bijbelboek Openbaringen) - de onkerkelijkheid was een ander teken daarvan. Omdat ook Van Roon opriep tot gebed en verootmoediging na de gebeurtenis­sen, leek zijn visie toch wel op die van Slager - alleen de onverholen uitspraak dat God de ramp als straf gezonden had, ontbrak. Predikanten uit de Gereformeerde Bond als ds D.J. van Dijk (Sint Annaland) verwoordden die visie echter wel, evenals dagbladen uit de ARP-richting. Ook rooms-katholieken als Minister van Binnenlandse Zaken L.J.M. Beel en de latere minister-pre­sident J. de Quay en hervormden als Gedeputeerde C. Philipse (CHU) gaven in toespraken bij herden­kingen de opvatting ten beste dat God het kruis van de ramp opgelegd had - met de toe­voeging dat Hij ook de kracht om te dragen zou geven. Wat veel orthodoxe visies op de ramp echter onderscheidde van de streng-orthodoxe visie, was de uitspraak dat het precieze waarom van de ramp níet te begrijpen viel (de verborgen dingen zijn voor de Here, Deutero­no­mium 29:29). Dat contrasteerde sterk met de gedetailleerde duiding van een De Redelijkheid.­13)
duidingsproblemen

Een verwijt dat aan de streng-orthodoxe visie wel gemaakt werd, hield juist verband met die gede­tailleerde duiding. Wie grote verliezen geleden had zoals de dood van ge­zins­leden, werd door zo’n opvatting ook nog geconfronteerd met een God wiens wil het was geweest om juist deze regio of misschien zelfs die bepaalde plaats met een watersnood te ‘slaan’. Was men daar dan slechter geweest dan elders? Wanneer men het antwoord op die vraag niet kon beschou­wen als een persoonlijke geloofszaak - met andere woorden: wanneer men de persoon­lijke dui­ding liet beïnvloeden door de duiding door anderen - gaf dat soms grote psychische problemen en/of geloofstwijfel. In het boek De ramp van K. Slager zijn enkele getuigenissen daarvan op­getekend, terwijl ook in Het water en de herinnering van S. Leydesdorff zulke conflicterende visies meermalen opduiken. Het zijn situaties die wijzen op een gebrek aan pastorale be­kwaam­­­­heid bij de betref­fende predikanten, maar ook op het traditionele langs-elkaar-heen le­ven van de verschillende denominaties van destijds waardoor de kerkleden niet geoefend wa­ren in het onderscheiden van elkaars wezenlijk verschillende Gods- en wereldbeeld. Het feit dat de orthodoxe en de streng-orthodoxe interpretaties van de ramp in elkaar konden overvloeien (zie boven) versterkte nog de vatbaarheid van de mensen voor zulke innerlijke conflicten. En wan­neer deze vi­sie verwoord werd door dorpsgenoten waarmee men een band gevoelde als mede­slachtoffers van de ramp, moet dat de emotie die ermee gepaard ging versterkt heb­ben - en op den duur eventueel ook de gevoelens van verwijdering ten opzichte van elkaar. Een de­finitief antwoord op de vraag naar het ‘waar­om’ kon immers een vorm van verwerking van de ramp-er­varingen met zich mee brengen, aldus Leydesdorff. Wan­neer an­dere slachtof­fers een funda­menteel ander antwoord gaven op die vraag, bedreigde dat dus de eigen verwer­king van de traumatische ge­beurtenissen. De persoonlijke geloofsbeleving werd dan op de proef ge­steld en wanneer de betrokkenen bij hun standpunten bleven, werd de eigen godsdien­sti­ge inter­pre­tatie al­leen maar versterkt.14)

De religieuze duiding van de ramp heeft verder ook de beantwoording van de vraag naar de oor­zaken ervan beïnvloed. Volgens de streng-orthodoxe visie was de ramp van 1 februari 1953 ‘echt iets bijzonders’ (A.J. Smits): ‘Daar was niets op berekend.’ De Stavenisser voorganger J.W. Slager verbond het woeden van de elementen met Gods almacht en met bijbelse verhalen waarin God die elementen stuurde. ‘Al waren de dijken twintig meter hoger geweest - we zijn niet tegen verhoging en versterking van de dijken - maar dan nog zou de zee er overheen geko­men zijn.’ Zulke uitspraken strijden uiteraard met de seculiere verklaring die wijst op de slech­te staat van onderhoud en de hoogte van de dijken, op de snelheid en de richting van de wind enzovoort. Schrijvers die die verklaring aanhangen voelen zich onbe­haaglijk tegenover de streng-or­thodoxe visie, misschien ook omdat ze menen dat die te on­kri­tisch is ten opzichte van de voor de dijkzorg ver­antwoordelijke overheden of omdat ze die visie verbinden met het in de vorige alinea genoemde probleem van de al te gedetailleerde duiding en het leed dat die ver­oor­zaakt heeft.15)

Persoonlijk vind ik echter het citaat van J.W. Slager bijzon­der boeiend. Er zijn immers méér beschrijvingen van de ramp die benadrukken dat hier van een uitzonderlijk woeden der elemen­ten sprake was, met name beschrijvingen door mensen die aan de waterkant woonden: ‘de zee zag zwart’ of: ‘er was een zee-beving’. ­Week het woe­den der ele­menten op 31 januari 1953 misschien werkelijk kwalitatief – en niet alleen kwantitatief ­– af van eerdere stormsituaties? Is er niet een kloof tussen degenen die ach­teraf over de ramp oor­de­len, bijvoorbeeld aan de hand van cijfermateriaal en rapporten, en zij die op 31 januari er­gens op een dijk stonden en de kracht van de elementen werkelijk aan den lijve ondervonden en met eigen ogen waarnamen? Met andere woorden: zou de geschiedschrijving over Zeeland niet óók ‘completer’ worden – ik refereer nu aan Kees Slagers pleidooi voor oral history in Zeeland 11.3 – wanneer de streng or­thodoxe visie als ervaringswerkelijkheid serieus genomen wordt? Uiter­aard moet daarbij ter­de­ge verdisconteerd worden dat ook velen die aan het water woonden, niet de indruk hadden dat er sprake was van een uitzonderlijke situatie.16)

Ten­slotte lijkt het me niet ondienstig om eraan te herinneren dat de streng orthodoxe visie van de ramp als straf (en als onvermijdelijk) zeer wel te combineren valt met een kritische visie ten op­zichte van de overheden en waterschappen. Ook J.W. Slager erkende blijkens bovenstaand citaat im­mers impliciet dat de dijken in 1953 hoger hadden moeten zijn. En is het niet juist een erg christelijke zienswijze dat het kwaad zichzelf straft, oftewel de eigen ondergang over zich af­roept - niet zozeer via tussen­komst van de Allerhoogste, maar door de gerichtheid op verkeer­de doelen die blind maakt voor wat betamelijk en verstandig is? Als één van die verkeerde doe­len is bij­voor­beeld de koloniale oor­log in In­do­nesië te zien, die zoveel geld kostte dat onder meer voor de wa­terkeringen gebruikt had kun­nen worden. Het negeren van de waarschuwingen van som­mi­ge inge­­nieurs sinds 1946 (en eerder al van bepaalde polderopzichters) is in dit per­spectief heel goed te zien als een onderdeel van de straf – de verblinding, logisch voortvloeiend uit het stel­len van verkeerde prioriteiten.

Dit is uiteraard geen poging om de lezer tot zo’n standpunt over te halen. Ik hoop in het voor­gaande vooral aangetoond te hebben dat de simpele driedeling van de typen duiding van de ramp door de socio­loog Haverda uit 1953, niet helemaal recht doet aan de werkelijkheid. Nuan­cering is op zijn plaats: er waren vloeiende overgangen en wat ogen­schijnlijk niet te com­bi­neren viel, is dat mogelijk toch wel. Haverda’s bewering dat mentaliteit en levensbe­schou­wing fundamenteel zijn voor de duiding van de watersnood, blijft echter zonder meer geldig.


1. J.L. Haverda, “De sociale gevolgen van de Watersnood” Maandblad voor de Geestelijke Volksgezondheid, 1953, 185-206, 196; S. Leydesdorff Het water en de herinnering. De Zeeuw­se watersnoodramp Amsterdam, 1993, 242.

2. B. van den Dikkenberg 1 Februari 1953 (scriptie Voetius Scholengemeen­schap) Goes, 1994, 26 (Smits); A.J. Smits Stavenisse door storm en vloed ver­woest Houten, 1993, 52; K. Slager De ramp. Een reconstructie Goes, 1992, 217, 364, 365; Studies in Holland Flood Dis­aster ... Amsterdam/Wash­ington, 1955, 92, 93.

3. Zierikzeese Nieuwsbode, 27-2, 13-3 (overdenkingen) en 20-3-1953 (redactio­neel); P. Bakker e.a. Verloren land herwonnen. Bijdragen uit Elseviers Week­blad over de watersnood van 1 fe­bruari 1953 Amsterdam, 1954, 85-89 (dienst 8 februari); J. Ossewaarde Dan vecht mijn land... Het verhaal van de water­snoodramp van 1 februari 1953 (doct. scriptie Moderne Let­terkunde, Universi­teit van Amsterdam) Amsterdam, 1992, 95, 96; C. den Engelse Pasto­riele­ven in Rilland-Bath tijdens de Watersnoodramp in 1953 Renesse, 1996, 28; In K. Sla­ger De Ramp, 364, beweert de socioloog Ellemers “dat de mensen die een vingerwij­zing van God in de ramp zagen het hele gebeuren lijdzamer hebben ondergaan. Zij hebben zich passie­ver gedra­gen bij het reddingswerk dan anderen. Vaak beperkten ze zich tot bidden.” Deze waarneming komt in Ellemers’ De februari-ramp (1956) echter niet voor. Ellemers legt daar ­op p.35 een ander accent: “Ook bij de ... mensen, wier referentiekader hen leerde, dat deze ramp een straf Gods was, en wier gedrag daarom misschien meer berustend is geweest, was alle den­ken en handelen toch gericht op het behoud van het leven. m.a.w. op de redding.”

4. Leydesdorff, 240, 241; Verslag van de ramp door ds M.G. Westerhof, Notulen 17-11-1952, 19-3 en 1-7-1954 en 6-7-1956 ‘Kerkeraadsnotulen 1919-1960’, Arch. Hervormde gemeente Nieuwerkerk; Notulen 23-2 en 30-11-1955 Notulen 1933-1986, Arch. Herv. gemeente Noord­welle; Notulen 8-1-1953 en10-6-1954 Notulen Herv. Kerkeraad Brouwershaven 1872-1961, alle drie bewaard in Gemeentearchief Schouwen-Duiveland; Mededelin­gen J. van Loo te Zie­rikzee en J.P. van Roon te Zeist; In Van Roons gemeente eiste de ramp een twintigtal slacht­of­fers.

55. Jeugd en gezin in het rampgebied Schouwen-Duiveland. Rapport uitgebracht aan de Christelijke Geref. en Geref. Kerken en organisaties op Sch-Duiv. Amsterdam, ca. 1956, 36; Notulen van de Classicale Vergadering, gehouden op 3 October 1954 te Tho­len van de Classis Tholen, bewaard in de Bibliotheek van de Theologische School van de Gereformeerde Gemeente te Gouda; Van de Dikkenberg, 35; Slager, 370 (materialisme).

6. Notulen 23-11-1953 en 28-1-1954 Kerkeraadsnotulen 1953-1963, in Archief Gereformeerde Kerk van Scharendijke, bewaard in Gemeentearchief Schouwen-Duiveland; Ook de hervormde kerkenraad van Elkerzee kreeg schrif­telijk een vraag (van een predikant uit Den Haag) te be­ant­woorden over de sa­men­werking met de gereformeerden.

7. Den Engelse, 47-49; Notulen 19-3-1954 Kerkeraadsnotulen 1919-1960, Arch. Herv. gem. Nieuwerkerk; Notulen 16-12-1953 en 17-2-1954 Notulen Ker­keraad 1953-1955, in Arch. Ger­ef. Kerk Oosterland; Notulen 20-4-1953 Notulen van de raad 1951-1955, Arch. Geref. Kerk Brouwershaven, alle drie in Gemeentearchief Schouwen-Duiveland.

8. Notulen 5 en 28-5 en 25-10-1954, 15-5-1955 Kerkeraadsnotulen 1953-1963, Arch. Geref. Kerk Scharendijke; Notulen 16-5 en 8-12-1954, 11-1 en 11-2-1955 Notulen kerkenraad 1953-1961, inv.nr. 7 Archief Herv. gemeente Elkerzee, beide in Gemeentearchief Schouwen-Duive­land.

9. J.E. Ellemers De februari-ramp. Sociologie van een samenleving in nood Assen, 1956, 80-82; Mededelingen door diverse inwoners van het eiland Tholen.

10. Notulen 6-3-1953 Notulen Kerkeraad, in Archief Herv. ge­meen­te Renesse, bewaard in ge­meentearchief Schouwen-Duiveland.

11. Haverda, 196; Ossewaarde, 95; vgl. de opmerkingen over de slachtoffers door overlevende S. van Mourik in de televisiedocumentaire Boven Water, Omroep Zeeland, december 2002.

12. A. de Redelijkheid Een goddelijk woord aan een goddeloos land. Overden­king na de wa­tersnood van zondag 1 februari. Bijlage van De Lichtende Kaars, nr. 22 (februari 1953) 6 (be­lijdenis), 7 (natie-breed), 10 (mkz), 12, 13 (meer oordelen); Korte weergave preek J.W. Sla­ger in: Smits, 78, 79.

13. Bakker, 88 (Van Roon); Smits, 87 (Van Dijk), 89 (Beel), 90 (Philipse); Slager, 365 (De Quay), 366 (ARP-bladen); Notulen 17-3-1953 Notulenschrift 1953-1955, Archief Geref. Kerk Oosterland, Notulen 16-11-1953 Notulen Ver­gad. vd kerkeraad 1951-1955, Archief Geref. Kerk Brouwershaven, beide in Gemeentearchief Schouwen-Duiveland. W.P. Bal­ke­nende Diengen die à je nie behriepe kan Wissenkerke, 1983, 31 (duiden door mensen onmogelijk).

14. Slager, 366-369; Leydesdorff, 25, 241, 242; Broersen en Koopman, 78; Van den Dikkenberg, 33, 34.

15. Van den Dikkenberg, 29 (Smits); Smits, 79 (J.W. Slager).

16. ‘Het water zag zwart’ en het begrip ‘zeebeving’ hoorde ik in het derde kwar­taal van 2002 van iemand die een bewoner (destijds) van de zeedijk bij Borssele aanhaalde, en van iemand in een radioprogramma van Omroep Zee­land; K. Slager “Geschiedschrijving in Zeeland (3). Een schrijvende historicus is nog geen geschiedschrijver” Zeeland XI (2002), nr. 3, 81-85, aldaar 84.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina