Albert Vollbehr



Dovnload 283.35 Kb.
Pagina1/5
Datum25.07.2016
Grootte283.35 Kb.
  1   2   3   4   5
Is Volwassen Geloof mogelijk?

(1)

Albert Vollbehr


"Ja, er valt veel op de weg, maar minder dan wij vaak denken. De eerste bekering die ik meemaakte was gelijk de opmerkelijkste. Marciano kwam uit zichzelf naar mij toe en zei: 'Ik heb belangstelling voor God.' Dat is wel even raar. We maakten een afspraak en tot mijn verbazing kwam hij die na. In het begin vond ik het moeilijk om mensen echt te begeleiden tot en met hun bekering. Ik was gewoon super- voorzichtig. 'Maar wat moet ik nou doen?', vroeg Marciano. Ik zei hem tot Jezus te bidden en Hem vergeving vragen. 'Maar hoe doe ik dat dan?' Ik legde hem uit dat je je ogen sluit, neerknielt en tegen Jezus gaat praten. Tot mijn stomme verbazing knielt hij neer en vraagt hij: 'En wat moet ik nu zeggen?' Zo heb ik Marciano echt woord voor woord en stap voor stap tot Jezus geleid. Prachtig! Zo heb ik vaker mensen de woorden van hun gebed mogen voorzeggen."


[evangelist Jaap Noorlander]

Religie is een spel

Religie is een ervaring van je eigen ziel en is beperkt tot het innerlijke leven van de mens. Objektieve bewijzen van Gods handelingen om ons heen zijn er niet. Over Gods concrete handelen kun je alleen maar lezen of verhalen horen, je kunt het niet waarnemen in de wereld om je heen. Je kunt het wel jezelf wijsmaken. Het is bijvoorbeeld een algemeen verschijnsel onder gelovigen om over wonderen te spreken. Tegenwoordig gaat het dan vaak om gebedsgenezers. Of deze verschijnselen iets over God te zeggen hebben kunnen we ons met recht afvragen. Niet alleen vanwege de vaak opgemerkte bedriegerij en mensenverering aan de ene kant of zelfbegoocheling aan de andere kant, maar vooral ook omdat we in aanmerking moeten nemen dat deze verschijnselen zich voordoen in álle religies, in álle culturen, en de dingen dan ook altijd typisch worden toegeschreven aan de god die juist in ons straatje te pas komt. Overigens, als je de prachtige verhalen mag geloven is het grootste wonder dit: waarom zijn er nog zoveel zieken op de wereld?...Vooral als je door de gebedsgenezer wordt verteld: "God wil niet dat je ziek bent, dat wil de duivel."

Welnu, we moeten er rekening mee houden dat wonderen in de wereld evengoed uitgelegd worden zonder het woordje God in de mond te nemen. In bepaalde culturen kan het wonder liever toegeschreven worden aan Maria, onzichtbare geesten van voorouders of aan duivels enz. De nieuwste rage is ze toe te schrijven aan buitenaardse wezens die onze aarde bezoeken...Nog moeilijker wordt het (als je de gelovigen moet geloven) wanneer iemand een wonder in de naam van Jezus zegt te doen of te beleven maar het wonder in werkelijkheid van de satan afkomstig is. Maar gelukkig hebben deze gelovigen altijd de beschikking over de geweldige inzichten die de Heilige Geest hun geeft om 'de geesten te kunnen onderscheiden'...


Dit brengt me op een idee: Wanneer we over onze religiositeit nadenken, zouden we ons bijbels geloof eens moeten vergelijken met de meest vreemdsoortige ideeën die elders onder mensen om ons heen opgang doen. Laten we het traditionele christelijke geloof eens vergelijken met de opvattingen van mensen die in UFO’s en contacten met buitenaardse wezens geloven. Als typisch voorbeeld een prachtig verhaal dat ik vond in een Fins tijdschrift ‘Ultra’ (juni 2002):

Als kanaal voor dit artikel fungeert de contactpersoon, ziener, genezer en leraar geestelijke wetenschappen, Pasi (spreek uit: passie) Raitanen. De nu 35-jarige Pasi Raitanen heeft al sinds zijn jeugd paranormale gaven. Voor hem werd ook de wereld van Ufo’s een werkelijkheid.


Volgens Pasi zijn er in Finland meer dan 20 ‘benzine-stations’, oftewel ‘energieoplaadplaatsen’, waar de ufo’s regelmatig op afstevenen om hun energie aan te vullen. Deze plaatsen zijn al duizenden jaren oud. Zoals men op de bijgevoegde kaart kan zien zijn ze verspreid vanaf de zuidkust tot aan Lapland toe. Het grote aantal energie-plaatsen is oa te verklaren door op te merken dat de verschillende buitenaardse rassen die onze aarde be-zoeken hun eigen plaatsen hebben en de tankplaatsen ook van model en energiesoort van elkaar verschillen. Ufo’s maken van de volgende energiesoorten gebruik:


-Zout/Zwavel verbindingen. Dit is de meest elementaire energievorm waaruit ufo’s hun stuwkracht ontwikkelen. Deze verbindingen kunnen ze direkt uit zeewater destilleren.
-Hila-energie. Deze energie wordt overal in de kosmos aangetroffen en is een bijzonder geavanceerde energie-vorm.

-Kristalenergie, gehaald uit gesteenten. Eén van deze plaatsen zijn de bekende mijnen in Outokumpu waar veel chroomdiokside gevonden wordt.


-Energie die uit bijzondere materialen zoals Iridium tevoorschijn komt. Iridium is zeldzaam op aarde, maar elders veel voorkomend. De buitenaardse wezens nemen daarom vaak voorraden mee, die ze in de vorm van grote kisten in de aarde begraven. Eén kist gaat zo’n 100 tot 500 jaar mee.


Het eerste contact dat Pasi kreeg met Ufo’s was geheel toevallig. In 1991 was hij op eendenjacht en vond hij midden in de wildernis een geheel onbegroeide plaats van 10 bij 10 meter van waaruit hij goed de eenden kon beloeren. Na een half uur daar gestaan te hebben voelde hij zich plotseling misselijk worden, en na een uur voelde hij grote duizeligheid opkomen. Hij moest overgeven en hield het die avond met de jacht wel voor gezien.


De volgende avond ging hij weer naar dezelfde plek. Na een korte tijd daar weer gestaan te hebben overviel hem een paniekgevoel, net alsof iemand hem duidelijk maakte dat hij zich naar een ander gebied moest begeven. Pasi gaf echter niet toe aan dit gevoel, maar bleef -zoals het een Fin betaamt- koppig zitten.


Na een uur zag hij opeens uit de richting van de zee een vliegende schotel opdoemen van wel zo’n 200 meter doorsnede. Pasi begreep meteen dat dit ruimteschip hem op de vlucht wilde zetten voordat het zou arriveren. Wie weet kwam het omdat hij zich tot het uiterste verzet had, maar nu was wegvluchten bijna onmogelijk. Pasi kon zich maar moeizaam bewegen. Hij vond z’n fiets maar kon maar ternauwernood fietsen. Maar naarmate de afstand tot de ufo-landingsplaats langzaamaan groter werd voelde hij geleidelijk zijn krachten weer terugkomen. Na drie kilometer was het alsof hij een onzichtbare muur gepasseerd was en voelde alles weer normaal aan. Zijn paniek was ook geheel weg.


Vanaf die tijd is Pasi steeds in contact geweest met buitenaardse wezens. De volgende avond al vroeg hij ze hoe de vork in de steel zat. De buitenaardse wezens vertelden hem dat ze in de 50-er jaren een kist van 10 bij 10 meter, waar energie in zit, op die plaats hadden neergezet en dat het dus een tankstation was. De buitenaardse wezens veroorzaken bij de mensen met opzet een paniekreaktie om mensen voor gevaren te behoeden wanneer ze in aankomst zijn.


Behalve aan hun eigen energievoorziening besteden buitenaardse wezens ook hun aandacht aan onze menselijke energievoorziening. Pasi vertelde over het voorval dat in Luvia plaatsvond in 1995. Een familie woonde op een eenzame plek in een afgelegen bos. Op een gegeven moment bemerkten zowel de vrouw des huizes als haar zoon dat er zich in en om het vrijstaand huis een krachtig energieveld bevond. De moeder kreeg zelfs aanvallen van bewusteloosheid waarvan haar dokter de oorzaak niet kon vaststellen.


Pasi bezocht het huis en merkte op dat zich op 200 meter hoogte, precies boven het huis, een ufo bevond van enkele tientallen meters doorsnede. Pasi vroeg de buitenaardse wezens waarom ze daar geparkeerd waren, en kreeg als antwoord dat ze behoorden tot een groep van 4 ufo’s die tot taak hadden gekregen de kerncentrale in Olkiluoto met een krachtig energieveld te omspannen, waardoor eventuele radioaktieve straling niet naar de omgeving zou lekken. Het energienet dat om de kerncentrale werd gesponnen heeft de vorm van salmiakruitjes, de meest efficiënte vorm voor energie.


Zijn de energiebronnen van ufo’s in de toekomst ooit ook eens door mensen te gebruiken? Pasi vertelt dat de buitenaardse wezens voortdurend mensen opleiden om nieuwe energiebronnen te ontwikkelen. In de buurt van Finland is zelfs een kilometers lang ruimteschip dat dient als opleidingscentrum. Meestal gebeurt deze scholing tijdens de slaap van mensen. Iemands bewustzijn wordt dan getransporteerd naar dit schip. (Hierbij zij nog vermeld dat ufokenners het er in het algemeen over eens zijn dat grote ufo’s zich in een andere dimensie bevinden, niet met radar of door menselijke waarneming op te merken). Vanaf 1996 wordt deze scholing steeds groot-schaliger aangepakt, als gevolg waarvan we nu een grote stroom nieuwe therapiën en behandelingsmethoden hebben gekregen. Een van de meest gebruikte nieuwe technieken berust op magnetisme. Over tien jaar zal de mensheid al over een grote hoeveelheid technieken beschikken die we van buitenaardse wezens gekregen hebben.


Maar hoe weet de lezer nu of deze dingen waar zijn of niet? Volgens Pasi zijn alle theoriën over het einde van de wereld, waar we jaar in jaar uit over horen, niet door buitenaardse wezens ingegeven. Zij willen namelijk de mensheid verder op weg helpen, en geen angst aanjagen. Hoeveel geloof we aan doemdenkers moeten hechten laat alleen al het feit zien hoevaak ze er in alle eeuwen naast hebben gezeten. Volgens Pasi doen we er goed aan niet slechts belang te hechten aan contacten met buitenaardse wezens, maar zouden we ons meer moeten richten op de geestelijke waarden van hun hoogste vertegenwoordigers. (Buitenaardse rassen bestaan in allerlei verschillende niveaus van ontwikkeling). En hij roept ons op om toch altijd ons gezond verstand te gebruiken. ‘We hebben niet voor niets een kritische geest gekregen. We hebben permissie er gebruik van te maken.’, zegt hij.


Na zo’n smeuiïg verhaal als het bovenstaande zal de lezer meteen begrijpen hoe geweldig ik nu in mijn schik ben indertijd de zo onmogelijk toeschijnende kluif van het leren van de weerbarstige Finse taal ondernomen te hebben, zodat ik nu geheel Nederland op de hoogte van deze belang-wekkende zaken kan stellen. (Indien iemand nog behoefte heeft aan een tweede ronde om te zien waar geloof toe in staat is, dan is hier nog een amusante link, waar Rudolf Steiner u alles vertelt over de geheime achtergronden van aardbevingen:

http://users.online.be/debrug/diabasis/b26aardb.htm....
Goed, het is natuurlijk gemakkelijk te glimlachen en je te verbazen over menselijk gedrag en kinderachtig denken. Maar laten we er eens over nadenken of het ufogeloof ook maar op enige wezenlijke wijze verschilt van bijvoorbeeld het christelijk geloof.

Let op de verbluffende overeenkomsten:


-Een ‘contactpersoon’, de autoriteit die ons ‘de heilige schrift’ en de ‘hogere waarheid’ uitlegt. Het ‘bovenaardse’ of ‘buitenaardse’ is niet door iedereen waar te nemen. We hebben er ‘uitverkorenen’ voor nodig; ‘profeten, zieners, begenadigden’, mensen die dicht bij ‘de bron’ staan.


-Een kast vol met gebeurtenissen en opvattingen die volkomen tegen ons gezond verstand ingaan, vaak onlogisch voorkomen (de ufo kwam de eerste avond om te ‘tanken’ en de volgende en daaropvolgende alweer, hoewel een ufo interplanetaire afstanden zonder tanken moet zien af te leggen; Pasi kon ze zonder moeite aanspreken, niemand anders doet waarnemingen van dezelfde ufo enz.), maar toch aan elkaar gelijmd worden met verstandelijke redeneringen en uitleggingen, en met een grote vanzelfsprekendheid en zekerheid opgelepeld worden alsof het om de doodnormaalste gang van zaken in de ons omringende werkelijkheid gaat. We worden tenslotte opgeroepen om ons ‘gezond verstand’ te gebruiken (we worden dus ook nog als verstandige mensen aangesproken), en het schijnt dat vele mensen hierdoor niet in de gaten meer hebben dat er tezelfdertijd de allergrootste aanslag op ons gezond verstand gepleegd wordt!


-Deze meest vreemde voorstellingen zijn niet van uiteindelijk belang, maar worden verbonden aan een ethiek, ‘goed doen’, ‘hogerop klimmen’, ‘vooruitgang in de wereld’, ‘troost in het leven’, ‘hoop voor de toekomst’ enz. Juist dit aspekt geeft een ‘geloof’ zijn grootste kracht, want we zouden zo’n geloof nooit aanhangen als het alleen om de bizarre feiten van het verhaal ging. Waarschijnlijk hebben de aanhangers van deze fantastische visioenen een grote behoefte aan de troost die zo’n geloof brengt, dat ze in blind geloof alle daaromheen liggende onmogelijke verhalen en denkbeelden op de koop toe nemen.


-Voor iedere buitenstaander is ‘het geloof’ een moeilijk serieus te nemen fenomeen. We zullen gemakkelijker tot de conclusie kunnen komen dat ‘geloof’ een soort psychische ziekte is, waarin zielige mensen die leven in angsten, verzeild raken en er dan als in een moeras steeds dieper in wegzakken, zonder ooit nog voor rede vatbaar te zijn; of dat het een spelletje is voor mensen met een grote behoefte aan sensatie en opwinding, te vergelijken met de behoefte aan opwindende seks,
een roetsjbaan, benji-sprong of overlevingskamp.
Carl Sagan in zijn boek The demon-haunted world, omschrijft de gelovige wereld vlijmscherp met het volgende verhaaltje:
"Er woont een vuurspuwende draak in mijn garage!"

Stel dat ik heel serieus zo'n stelling naar voren breng. Jij zou zoiets dan natuurlijk willen verifiëren, de waarheid ervan voor jezelf vaststellen. Er zijn namelijk alle eeuwen door ontelbare drakenverhalen geweest, maar men heeft nooit echte bewijzen voor hun bestaan op tafel gelegd. Wat een gouden gelegenheid hebben we nu!


"Laat me hem eens zien.", zeg je, en ik laat je dan mijn garage zien. Je kijkt erin en ziet een ladder, wat lege verfpotten, een oude driewieler -maar geen draak.


"Waar is de draak?", vraag je.

"O, die is precies op deze plaats.", antwoord ik, en ik spreid mijn handen vaag uit in alle richtingen. "Ik had vergeten erbij te vermelden dat de draak onzichtbaar is."


Je stelt voor dat we meel op de grond strooien om de voetstappen van de draak te registreren.


"Zou op zich een goed idee zijn", zeg ik, "maar deze draak zweeft in de lucht."


Dan zul je aankomen met een infrarood-sensor om het onzichtbare vuur waar te nemen.


"Zou op zich een goed idee zijn, maar het onzichtbare drakenvuur is ook zonder hitte."


Welnu, dan kom je met een spraybus om de draak daarmee voor de dag te halen.


"Zou op zich een goed idee zijn, maar de draak is onstoffelijk en de verf zal er dus niet aan blijven kleven."


Enzovoort, enzovoort. Ik heb op iedere test die je maar uitvindt een uitleg waarom deze methode niet werkt.

Welnu, wat is het verschil tussen een onzichtbare, onstoffelijke, zwevende draak die vuur spuwt zonder hitte en een draak die helemaal niet bestaat? Indien met geen mogelijkheid mijn stelling bewezen kan worden, er niets verzonnen kan worden met behulp waarvan we de stelling kunnen verwerpen, wat voor betekenis heeft het dan te zeggen dat draken bestaan? Het feit dat men de stelling op geen enkele manier kan weerleggen betekent nog niet dat de stelling dus bewezen is. Beweringen die niet getest kunnen worden, stellingen die immuun voor weerlegging zijn, zijn wat hun waarheid betreft waarde-loos, zonder enige waarde, hoezeer ze ons ook mogen inspireren en een gevoel van ontzag schenken. Waar het op neer komt is dat ik je uitnodig om iets op mijn woord te geloven, zonder enig bewijs.

Het enige wat je werkelijk kan concluderen uit de overtuiging dat ik een draak in mijn garage heb, is dat er zich iets vreemds afspeelt in mijn hoofd. Je zult je afvragen hoe ik op zo'n vreemde gedachte ben gekomen. De mogelijkheid dat ik een droom gezien heb of last heb van hallucinaties zou meteen onder ogen gezien moeten worden. Maar in dat geval, hoe verklaar je dat ik hier zo uiterst serieus mee bezig ben? Wie weet heb ik hulp nodig. Op z'n minst zou je je kunnen afvragen of ik er geen idee van heb dat mensen wel eens falen in hun redeneringen en waarnemingen.


Stel nu dat je ondanks alle onsuccesvolle pogingen de zaak te testen tóch open blijft voor de mogelijkheid dat de stelling waar zou kunnen zijn. Je komt niet met de klinkklare conclusie dat het onzin is dat er een vuurspuwende draak in mijn garage huist, maar laat de zaak vooralsnog open voor eventueel nader onderzoek later. Hoewel huidig onderzoek niets oplevert zou er in de toekomst iets gevonden kunnen worden waardoor de stelling wél overtuigend bewezen zou kunnen worden. In dat geval zou het echt unfair zijn als ik me beledigd zou voelen dat je mijn stelling niet meteen aanneemt. Ook zou het onjuist zijn als ik je zou uitmaken voor iemand die willens en wetens negatief wil zijn of geen voorstellings-vermogen heeft.


Stel dat het anders was gelopen. De draak is inderdaad onzichtbaar, maar het lopen van de draak kan opgemerkt worden via zichtbare voetstappen in het uitgestrooide meel. Je infrarood-sensor slaat uit naar het maximum. De sprayverf laat een gekartelde ruggegraat zien zwevend in de lucht. Hoe sceptisch je ook geweest zou mogen zijn ten aanzien van het bestaan van draken -laat staan ten aanzien van onzichtbare draken-, je zult nu toegeven dat er 'iets' is, en dat het verdraaid goed overeenkomt met de beschrijving van een onzichtbare vuurspuwende zwevende draak.


Nu weer een ander scenario: stel dat ik niet de enige ben. Stel dat je een hoop bekenden hebt, ook mensen die elkaar in het geheel niet kennen, die allemaal vertellen draken in hun garage te hebben- maar in alle gevallen lopen onderzoekingen uit op iets volslagen ongrijpbaars. We zullen dan allemaal toegeven dat het zeer verwonderlijk is dat velen in de ban zijn van zulke vreemde, onbewijsbare opvattingen. Niemand van je bekenden is gek. Je zou je afvragen in wat voor wereld we zouden leven indien iedereen ervan overtuigd was dat onzichtbare draken zich overal ter wereld zich schuilhouden in de garages van mensen. Ik moet u zeggen dat ik liever leef in een wereld zonder, maar wie weet waren al die oude chinese en griekse verhalen over draken dan toch geen mythen...


Gelukkig, eindelijk krijgen we een rapport:

drakenvoetstappen zijn ergens concreet gesignaleerd. Maar de voetstappen worden nooit gesignaleerd wanneer een ongelovige erbij is. Er dient zich dus een andere mogelijkheid aan: bij nader onderzoek is het duidelijk dat het hier om vervalsingen gaat. Maar er verschijnt weer zo'n drakenenthousiast; hij laat z'n verbrande vinger zien en wijt dit aan een zeldzame lichamelijke verschijning van een vuurspuwende draak. Maar alweer, er dienen zich andere mogelijkheden aan. We beseffen meteen dat men zijn vingers ook op andere manieren kan verbranden dan via de vuurspuwende vlammen uit een drakenmond. Hoezeer de aanhangers van draken zich ook op deze "bewijzen" vastbijten, ze is verre van overtuigend. En zo kunnen we weer de zaak openlaten voor eventueel toekomstig bewijsmateriaal, en intussen kunnen we weinig anders doen dan ons afvragen wat toch de oorzaak kan zijn dat mensen die ogenschijnlijk met gezonde rede, collectief door het leven gaan met zulke waandenkbeelden.


Tenslotte kunnen we ons de volgende vraag voorleggen: Hoe is het mogelijk dat men de tere zeepbellen van anderen met het grootste gemak doorprikt, de waandenkbeelden van andere gelovigen en godsdiensten dus met het grootste gemak opmerkt, maar tezelfdertijd volkomen blind is voor het ongerijmde in zijn eigen godsdienst? Indien een christen de proef op de som wil nemen kan men talloze religieuze sites op het internet doorlezen en opmerken hoe mensen hun denkvermogen tot het uiterste inspannen om allerlei 'feiten' te zien die niet bestaan, zich in allerlei vernuftige denkkronkels begeven om dingen te bewijzen die totaal niets met de realiteit te maken hebben, hoe mensen omgaan met het woord 'logica', om te zien hoe geloof mensen zó opslokt dat het een onoverbrugbare kloof, scheiding en onbegrip schept tussen de gelovige en ongelovige, hoe mensen hun leven en welzijn, al hun aandacht en tijd kunnen schenken aan onzin en absurditeiten. Als voorbeeld een christelijke evangelisatiesite die bijvoorbeeld met deze woorden komt:
Een vaak gehoord antwoord van niet-christenen is dat zij God niet begrijpen en Hem afwijzen omdat ze Hem 'niet voelen, niet zien etc'. De wegen van de Heer zijn voor hen ondoorgrondelijk. Vaak is dat al voor velen een aanleiding om het geloof te verwerpen. Maar bedenk jezelf eens het volgende: een klein kind begrijpt vaak bepaalde dingen niet, hoevaak komt het niet voor dat een kind iets wil en dat de ouders het er niet mee eens zijn. Dat kan gewoon zijn omdat het op dat moment niet mogelijk is. Een kind kan op dat moment het totaal niet beseffen, dus doorgrondt het kind niet zijn/haar ouders. Maar vaak achteraf worden dingen toch duidelijk. Het is niet goed om God af te wijzen op basis van het feit dat je Hem niet begrijpt, Hem niet ziet, Hem niet voelt, als niet-christen zijnde. Miljoenen mensen wereldwijd kunnen je vertellen dat God geen verzinsel is.

Jezus lééft, nog steeds!!!!!!


Aanvaard Jezus, voordat het te laat is. Nu kun je nog kiezen.......


In elf zinnen wordt hier een vracht aan onzinnig denken over ons heen gegooid. Het is werkelijk ongelooflijk dat mensen met een moderne schoolopleiding niet het ongerijmde inzien van zulke redeneringen. Iedereen zou meteen de volgende gezonde opmerkingen kunnen maken:


1. Iemand die niets voelt, opmerkt, ziet etc. wijst God niet af; er valt voor hem helemaal niets af te wijzen. Hij wijst slechts pretenties van boekgelovigen af, pretenties van mensen die God in alle details denken te kunnen uitleggen. Zo iemand kan echter wel degelijk tezelfdertijd een godsbeeld hebben en God eer aan willen doen in zijn leven. Wie weet heeft hij juist meer van Gods grootheid begrepen dan de naieve verhalenvertellers. Sterker nog, ik denk dat de definitie van een atheïst veelal deze is: iemand die meer dan anderen over God en godsbeelden heeft nagedacht, iemand die een lange speurtocht achter de rug heeft, goden en godsbeelden van binnen en buiten kent, ze allemaal gewogen en te licht bevonden heeft.


2. De analogie van het kind is zeer goed. Maar pas hem daarom ook op de goede manier toe: wij mensen staan met het weten, het doorgronden van het bestaan, voor een raadsel. Als er iets is wat wij moderne mensen weten, is het juist dit gegeven. Wat is er dan dommer dan het proberen op te lossen door daar antieke menselijke geschriften voor te gebruiken? Inderdaad, wellicht wordt het op den duur duidelijker, over een jaar of tienduizend ofzo, als we nog verder opgroeien. Maar kleine kinderen zijn we niet meer, wij zijn al een stuk opgegroeid in vergelijking tot het antieke denken uit de oudheid.


3. "Miljoenen mensen kunnen ervan getuigen dat God geen verzinsel is." Wel, er zijn er ook miljoenen voor wie het tegendeel waar is. En zij die over God spreken, hebben ze het allemaal over dezelfde God? Maar let op, dezelfde mensen die bovenstaande tekst uitspreken zullen deze claim weer tegenspreken wanneer een Hindoe dezelfde zin gebruikt om zijn goden aan de man te brengen, of wanneer Allah als enig God wordt uitgeroepen en ga zo maar door!


4. Het ongerijmde van de uitspraak wordt voortreffelijk geïllustreerd door de uitspraak 'God bestaat' te vervolgen met 'Jezus leeft'. Hoe in vredesnaam kan dit hetzelfde zijn? Hoe in vredesnaam kan men tot zo'n conclusie komen uit het gegeven dat God bestaat?


5. Wat is idioter dan als laatste middel om iemand te overtuigen van iets moois een dreigement te gebruiken? Aanvaard Jezus voor het te laat is! Het evangelie dat de liefde zegt aan te bieden heeft de verdoemenis en het beroep op de angst weer in de andere hand. Ik zou zeggen: doorzie deze verachtelijke vorm van geloven toch eindelijk, nu kun je nog kiezen en wat moois van je leven maken!

Lees het volgende verhaaltje, te vinden in een geschrift van 100 jaar geleden:



Een Gelijkenis, door M.M.Mangasarian

Vandaag ben ik 2500 jaar oud. Ik ben al bijna net zo lang dood geweest. Ik werd in Athene geboren en mijn graf was niet ver van het graf van Xenophon en Plato, uitkijkend op de witte glorie van Athene en de blauwe wateren van de Aegeïsche Zee.

Na vele eeuwen in mijn graf te hebben geslapen, werd ik plotseling wakker -geen idee hoe en waarom- en door een kracht, waar ik geen vat op had, getransporteerd naar deze nieuwe dag en deze nieuwe stad. Ik arriveerde er bij zonsopgang, de hemel was nog levenloos en sloom. Bij het naderen van de grote stad hoorde ik klokken luiden, en even later zag ik de straten vol goed geklede mensen die in groepen van afzonderlijke families in allerlei richtingen ergens naar op weg waren. Blijkbaar waren ze niet op weg naar hun werk, want hun kinderen gingen mee, gekleed in hun beste kleren, en ze zagen er allemaal goed geluimd uit.

"Dit moet een dag van feest en aanbidding zijn, ter ere van één van hun goden", mompelde ik in mezelf. Om me heen kijkend zag ik een man in een deftig zwart pak. Hij keek me glimlachend aan en stak hartelijk een hand naar me uit. Hij had zeker opgemerkt dat ik een vreemdeling was en hij wilde me een blijk van gastvrijheid laten zien. Ik ging hier dankbaar op in en klemde zijn hand vast. Hij op zijn beurt deed hetzelfde met kracht. We keken een moment in elkaars ogen. Mijn gevoel van verloren te zijn in een volkomen vreemde omgeving scheen geheel tot hem doorgedrongen te zijn. Hij bood aan me van hulp te zijn met uitleg. Hij legde me uit wat de betekenis van de klokken was en waar de mensen naartoe op weg waren. Het was Zondag -de zondag vóór Kerstmis- en de mensen waren op weg naar 'het huis van God'.


"En u bent zeker ook op weg daar naar toe.", zei ik tegen mijn vriendelijke gids.

"Ja", antwoordde hij, "Ik ga voor in de dienst. Ik ben een priester."

"Een priester van Apollo?"


"Nee, nee", liet hij meteen weten, terwijl hij zijn hand opstak om me tot zwijgen te brengen, "Apollo bestaat niet; hij was slechts een afgod."


"Een afgod?", zei ik verbrouwereerd.


"Ik zie dat je een Griek bent", zei mijn gids tegen me, "en de Grieken -niettegenstaande hun hoogwaardige cultuur- waren een volk dat aan afgodendienst deed. Ze eerden allerlei goden die in werkelijkheid niet bestaan. Ze bouwden tempels voor goden die slechts namen waren. Namen voor het luchtledige. Apollo en Athene -en de hele santekraam op de Olympus- waren niets anders dan de uitvindingen van een levendige verbeelding."


"Maar wij Grieken hielden van onze goden.", protesteerde ik, terwijl mijn hart onstuimig begon te kloppen.

"Het waren geen goden, ze waren afgoden, en het verschil tussen een god en een afgod is dat een afgod slechts een levenloos voorwerp is. God is een levende Persoon. Wanneer je god slechts een voorwerp is, maar niemand heeft hem ooit in werkelijkheid gezien, noch zijn stem gehoord, noch hem aangeraakt, in kort, wanneer er niets is om zijn bestaan te kunnen verifiëren, dan is hij een afgod. Heb je Apollo gezien? Heb je hem horen spreken? Heb je hem ooit in levende lijve aangeraakt?"


"Nee.", zei ik zachtjes.


"Heb je ooit van iemand gehoord die hem wel gezien heeft?"


Ik moest toegeven dat ik daar nooit van gehoord had.


"Hij is dus een afgod, en geen God."


"Maar velen van ons Grieken hebben Hem in ons hart gevoeld en zijn door Hem geïnspireerd."

"Jullie hebben je dat maar ingebeeld", zei mijn gids, "Indien hij echt goddelijk was dan zou hij tot op deze dag geleefd hebben."

"Is Hij dood dan?", vroeg ik hem.


"Hij is nooit levend geweest, en zijn tempels zijn al zo'n 2000 jaar ruïnes."


Ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik hoorde dat Apollo, de God van Licht en Muziek, er niet meer was, dat Zijn schitterende tempel tot ruïne vervallen was en het vuur dat brandde op zijn altaar, gedoofd was. Ik vermande mij en zei:


"Maar onze goden waren schoon en sierlijk; onze godsdienst was rijk en vol kleurenpracht. Het maakte de Grieken tot een volk van dichters, redenaars, kunstenaars, strijders, diepzinnige denkers. Het maakte Athene tot een stad van licht, het schiep het Schone, het Ware, het Goede -ja, onze godsdienst was Goddelijk."

"Jullie godsdienst had slechts één gebrek.", liet mijn gids hierop horen.


"Welk gebrek?", vroeg ik hem in de grootste verwondering.


"Het was niet waar."


"Maar toch blijf ik in Apollo geloven", riep ik uit. "Hij is helemaal niet dood, ik weet dat hij leeft."


"Bewijs het", zei hij tot mij. En na een kleine pauze vervolgde hij: "Als jij hem tevoorschijn kan toveren, zullen we allemaal op onze knieën vallen en hem vereren. Laat ons Apollo zien en hij zal onze god zijn."


"Apollo tevoorschijn toveren!", riep ik boos uit. "Wat een godslastering!" Maar ik ging serieus op de woorden van mijn gids in en vertelde hem hoe ik meer dan eens Apollo's stralende aanwezigheid in mijn hart gevoeld had. Ik vertelde hem ook over de onsterfelijke woorden van Homerus aangaande de goddelijke Apollo. "Twijfel je aan Homerus?", zei ik tegen hem, "Aan Homerus, de goddelijk geïnspireerde bard? Aan Homerus die zijn pen doopte in een inktpot zo groot als de Zee, die boven de Tijd stond? Aan Homerus, van wie elk woord een Druppel des Lichts was?" Daarna vervolgde ik met het reciteren van een gedeelte van de Illiad, de Griekse Bijbel, door alle Hellenen vereerd als het zeldzaamste manuscript dat tussen hemel en aarde te vinden is. Ik liet hem de beschrijving van Apollo horen; met zijn Lyre kan geen enkel instrument vergeleken worden, zelfs honing is niet zoet genoeg om de zoetheid van zijn woorden uit te beelden. Ik liet horen hoe zijn moeder van stad tot stad trok om voor deze jonge God, de Zoon van Zeus, de Allerhoogste, een waardige geboorteplaats te vinden. En hoe Hij tenslotte geboren werd en in de kribbe lag, omgeven door de niet aflatende zorg van alle godinnen. Zij baadden Hem in stromende beken en voedden Hem met nektar en ambrosia afkomstig van de Olympus. Daarna sprak ik de woorden uit die verhalen van hoe Hij zijn banden verbrak, hoe Hij uit zijn kribbe sprong en zijn vleugels spande als die van een zwaan, hoe Hij opsteeg naar de zon, terwijl Hij de woorden uitsprak 'de wil van God voor stervelingen aan te kondigen'. "Is het mogelijk", zo vroeg ik, "dat dit alles slechts gefabriceerde zaken zijn, een fantasie van de verbeelding, net zo zonder inhoud als lucht?" "Nee, nee, Apollo is zeker geen afgod! Hij is een God, en de Zoon van een God. De gehele Griekse wereld is mijn getuige dat ik de waarheid verkondig!" Hierop keek ik met spanning naar mijn gids om te zien welk een indruk deze spontane opwelling van de grootste gedachten en gevoelens op hem maakte. Maar ik zag bij hem slechts een minachtende koude glimlach op z'n lippen, een lach die mijn hart doorstak. Het leek wel alsof hij eigenlijk tegen me wilde zeggen: "Jij arme stakker vol waanideeën! Je bent niet intelligent genoeg om in te zien dat Homerus maar een sterveling was, dat hij slechts een kunstwerk maakte, een toneelspel waarin hij goden en helden deed optreden om die te bezingen; niet intelligent genoeg om in te zien dat deze goden slechts in zijn fantasie bestonden, en dat ze in werkelijkheid net zo dood zijn als hun uitvinder, Homerus de dichter zelf."


We stonden inmiddels voor de ingang van een imposant gebouw waarvan mijn gids zei dat het 'het huis van God' was. Naar binnen lopend zag ik ontelbare kleine lichtjes, wapperend en flikkerend in de enorme ruimte. Ik zag er afbeeldingen, altaren, en beelden aan alle kanten. De lucht was bezadigd met wierrook. Sommige mannen in schitterende gewaden liepen me voorbij. Ze knielden voor bepaalde lichtjes en beelden. Het gehele publiek zat geknield neer, er heerste een plechtige stilte, zo plechtig dat ik erdoor overweldigd werd. Mijn gids begreep hoe moeilijk het voor mij was de betekenis van dit alles te begrijpen. Hij nam me mee naar een afgelegen hoek en legde op gedempte toon uit dat men de geboorte van hun Verlosser, Jezus, de Zoon van God, vierde.

"Net als Apollo, de Zoon van God", zei ik, opgelucht iets van herkenning op te merken.

"Vergeet die Apollo", zei hij met strengheid. "Er bestaat niet zo'n figuur. Het was slechts een afgod. Als je naar Apollo op zoek zou gaan zou je in het gehele universum niet één kunnen vinden die in hem gelooft of weet van hem heeft." "Jezus", zo vervolgde hij, "is de eniggeboren Zoon van God. Hij kwam naar onze aarde en werd uit een maagd geboren." Alweer klaarde mijn gezicht op, en wilde ik mijn gids vertellen dat het precies zo zit met Apollo, maar ik deed het maar niet.

"Jezus groeide op tot man", vervolgde de gids, "en deed nooit eerder geziene wonderen, zoals het gebieden van storm, de blinden ziende maken, de doven hun gehoor geven, water in wijn doen veranderen, de massa's met een paar broden wonderbaarlijk voeden, komende gebeurtenissen voorzeggen, en het opwekken van doden." "Natuurlijk", gaf mijn gids toe, "jullie goden deden ook wonderen. En jullie orakels voorzegden de toekomst...Maar er is één verschil: de dingen die over jullie goden gezegd worden zijn slechts verzinsels. De dingen die over Jezus verteld worden zijn waar gebeurd. Het verschil tussen heidendom en christelijke godsdienst is het verschil tussen fabel en feit."

Plotseling hoorde ik een golf van gemompel, als het ritselen van bladeren in het bos, zich uitstrekkend over het gehele publiek. Voortgedreven door mijn Griekse nieuwsgierigheid om te weten baande ik mij een weg naar voren, waar de grote aangestoken kandelaars stonden. Ik dacht dat dit vast de aankondiging van de verschijning van de God Jezus zou zijn, en ik wilde Hem zien. Ik wilde Hem aanraken, of als de mensenmassa te groot zou zijn, tenminste Zijn stem horen. Ik, die nog nooit in levende lijve een god had gezien of gehoord of aangeraakt, ik die in Apollo geloofd had zonder ook maar iets bewijsbaars over hem in handen te hebben, wilde de Echte God zien, Jezus.


Maar mijn gids pakte me beet bij m'n schouder, en trok me terug.


"Ik wil Jezus zien", fluisterde ik hem in haast toe. Ik zei het oprecht en met gepaste eerbied. "Komt Hij niet hier deze morgen? Spreekt Hij niet met z'n aanbidders? Laat Hij zich niet aanraken, zijn handen vastklampen of zijn voeten kussen? Laat Hij zijn aanbidders niet zijn goddelijke adem inhaleren of het goddelijke licht in zijn ogen zien of de muziek horen die uit zijn mond komt? Laat mij Hem toch ook zien!", smeekte ik mijn gids.


"Het is onmogelijk Hem te zien", antwoordde mijn gids een weinig in verlegenheid gebracht. "Hij laat Zichzelf niet meer zien tegenwoordig."

Ik stond zo versteld van deze opmerking dat ik met stomheid geslagen was.

"De afgelopen 2000 jaar", vervolgde mijn gids, "heeft het Hem niet behaagd iets van zich te laten horen of Zich aan iemand te laten zien."


"Is dit echt waar? Heeft Hij in 2000 jaar niets van zich laten horen of laten zien?, vroeg ik in opperste verwondering.


"Niets."

"Is Jezus dan niet net zoveel een afgod als Apollo?", vroeg ik geërgerd en ongeduldig. "En zijn deze mensen op hun knieën niet in evengroot duister wat betreft hun god als de Grieken over Apollo? Zijn deze mensen dan niet even idolaat als de Atheners?" "Wat zeg je", zo vroeg ik m'n gids, "indien ik van jou zou eisen Jezus tevoorschijn te toveren, en Hem te bewijzen voor mijn ogen en oren, op dezelfde manier als jij van mij vroeg Apollo te laten zien? Wat is het verschil tussen een ceremonie ter ere van Jezus en één ter ere van Apollo, aangezien ze allebei verborgen zijn? Indien Jezus leeft en Apollo dood is en een afgod, welk bewijs hiervoor heb je, aangezien ze allebei even onzichtbaar en ontoegankelijk zijn. Maar indien 2000 jaar lang lichten ontsteken, altaars oprichten en tempels bouwen voor Jezus die niemand in al die tijd gezien noch gehoord heeft, geen heidendom en afgoderij is, dan is de verering van Apollo ook geen heidendom en afgoderij.

En mij herinnerend wat mijn gids gezegd had over de Griekse mythologie, dat het mooi was, maar niet waar, zei ik tegen hem: "Jullie tempels zijn indrukwekkend en kostbaar, jullie muziek is groots en jullie altaars schitterend; jullie eredienst prachtig, jullie gezangen mooi, jullie wierrook, klokken en bloemen, jullie goud en zilver en bekers allemaal getuigend van zeldzame smaak, en jullie geloofsoverdenkingen subtiel en jullie predikers welbespraakt. Maar jullie geloof heeft slechts één gebrek: het is niet waar."

En hier volgt een respons van mensen die kritisch staan tegenover sceptici.De schrijver van volgend stukje redeneert niet vanuit een bepaalde christelijke overtuiging, maar zijn redenaties kunnen als typerend worden beschouwd voor mensen van allerlei pluimage die in het bovennatuurlijke geloven (skepsiswatchers):

Wij, skepsiswatchers hebben ontdekt dat het verhaal van Sagan gebaseerd is op een bestaande situatie. De man met de draak, zo wisten wij na te gaan, is Mr. Jones en wij hebben hem op onze manier aan de tand gevoeld. Het toeval wilde dat tegelijkertijd skeptische lieden ook onderzoek naar de draak verrichten. Wij gingen de garage binnen en we hadden al het gevoel dat er een vreemde atmosfeer hing. Iets in ons vond het niet helemaal bij de situatie passen dat de skeptici af en aan liepen met de meest uiteenlopende instrumenten. Maar wij zijn nieuwsgierig genoeg om deze onderzoekers af en toe te vragen of ze al iets merkwaardigs aan 't meten waren. Steevast was het antwoord nee.


Onze interesse ging in eerste instantie uit naar Mr. Jones. Merkwaardigerwijs hadden de skeptici, die inmiddels al een halve laboratorium in de garage van Mr. Jones hebben ingericht, geen enkele belangstelling voor de man. Ze vonden hem alleen maar in de weg lopen en een storende factor bij hun metingen.


Wij vroegen Jones hoe hij zelf wist dat er een draak zich bevond in zijn garage. Hij zei dat hij dat voelde aan de vibraties die in de lucht hingen. Wij begonnen te vermoeden dat wat wij in eerste instantie beleefden, de vreemde, ietwat mystieke atmosfeer, meer om het lijf had dan een vluchtig sentiment. Het gevoel leek wel sterker te worden.

Onze volgende vraag was hoe hij aan de draak was gekomen. Hij antwoordde dat hij bezoek had gekregen van een drakengoeroe die hem een onzichtbaar draken-ei had gegeven, dat uiteindelijk, na regelmatig een drakenmeditatie gedaan te hebben, is uitgekomen. Verder wilden we weten hoe het is om een draak in je garage te hebben. "Heel aangenaam, het is goed voor je trillingsgetal", kregen we te horen, en hoewel we niet precies wisten wat hij bedoelde, was er toch iets in ons dat geraakt werd door deze woorden.


Ondertussen hadden de skeptici gefrustreerd hun apparatuur vervangen door nieuwe, nog indrukwekkender ogende machines. "Weer niks!", hoorden wij ze nog mopperen. Jones verklaarde verder nog dat als je het drakenlied zong, dat het dan kan gebeuren dat je drakenvisioenen krijgt, of 's nachts drakendromen droomt.


De skeptici begonnen zich steeds meer te irriteren aan de onwetenschappelijke atmosfeer die er hing in de garage, en dat wekte hun spotlust op. Zoveel onzin hadden ze nog nooit gehoord! Wij, echter, waren nieuwsgierig geworden en besloten de proef op de som te nemen. Wij concentreerden ons op wat Jones het derde oog noemde: ergens tussen je wenkbrauwen, maar dan een paar cm in je hoofd, en wij zongen het drakenlied. En inderdaad, de atmosfeer werd nog mystieker en indrukwekkender. We meenden zelfs enige lichtflitsen met ons derde oog te ontwaren, maar voorzichtig als wij zijn, gaven wij daar geen ruchtbaarheid aan. "Hé, zien jullie wat?", spotten de skeptici vanuit de andere kant van de garage. Het zou ongepast zijn op dit cynisme te reageren, wil je tenminste in de geest van de draak handelen, althans, zo ervoeren wij dat.


Verder werden we niet veel wijzer van Jones, want eerlijk gezegd was hij een beetje een simpele ziel. Maar iets in hem en in zijn garage bleef ons trekken. Ook de volgende dag vroegen we of wij in zijn garage het drakenlied ten gehore mochten brengen, en wederom kwamen we in een prettige, mystieke atmosfeer. De skeptici, die nog steeds driftig aan 't meten waren, vroegen zich af waar wij toch in hemelsnaam mee bezig waren. "Je moet het drakenlied zingen!", zeiden wij nog. "Flauwekul!", werd er teruggeroepen. Maar aangezien ze even moesten wachten voordat hun computer de laatste meetgegevens had verwerkt, besloten ze ook een lied ten gehore te brengen. Een skeptisch lied! Het rijmde niet eens, maar was wel wetenschappelijk verantwoord, zo verzekerde men ons. En ze produceerden meer decibellen, dus dat zou de draak wel doen ontwaken, redeneerden zij.

Om een lang verhaal kort te maken: wij bleven verlangen naar de draken-atmosfeer en hebben Jones gevraagd of wij ook een draak in onze garage mochten hebben. Gelukkig had zijn draak eieren gelegd en wij kregen er elk één. De drakengoeroe had dat hoogstpersoonlijk goedgekeurd. Jones schreef ons verder dat de skeptici inmiddels vertrokken waren. Ze hielden het niet meer uit in zijn garage, en verlangden naar tastbaardere zaken als hun laboratorium en hun studeerkamer. Daar schreven zij kritische verhandelingen waarin ze met hem en met zijn garage de draak staken.


Wij deden trouw de drakenmeditaties, zingen regelmatig het drakenlied en nu hangt er ook een aangename, mystieke sfeer in onze garage. Op hoogtepunten krijgen wij een drakendroom en ervaren wij drakenvisioenen.


Soms cirkelen er skeptisch uitziende lieden om onze garage, die ons moeilijke vragen stellen. Eerlijk gezegd weten we ook niet goed wat we moeten antwoorden. Bijvoorbeeld: hoe weten wij dat het een onzichtbare draak is, en geen leeuw, spook of een alien? Eerlijk gezegd weten wij dat niet uit eigen ervaring. Hierbij moeten we afgaan op wat drakenvisionairs ervan zeggen. Wij weten alleen: -dat wat wordt aangeduid als 'draak' gaat gepaard met een aangenaam, mystiek gevoel en de ervaring van contact met iets wezenlijks.


-het is belangrijk de voorschriften in acht te nemen: drakenmeditatie doen en het drakenlied zingen. Als wij door drukke werkzaamheden dit nalaten, verliezen wij allengs het contact met wat we voor 't gemak maar even de draak noemen. Het komt er in ieder geval op neer dat je open moet blijven staan voor de draak.
-spreken wij andere mensen met een draak, onze drakenbroeders, dan hebben die soortgelijke ervaringen als wij. Wij leren veel van deze uitwisselingen.
De vraag is natuurlijk: houden we onszelf en anderen niet voor de gek? Wij denken dat dat nogal meevalt, omdat vrijwel iedere drakenbroeder en zuster met dezelfde vraag worstelt. Onderling stellen wij deze vraag dan ook regelmatig en eerlijk gezegd kunnen wij niet helemaal uitsluiten dat onze drakenervaringen enigszins zijn ingekleurd door onze ideeën en filosofieën. Zolang wij ons van dit gevaar bewust zijn, kunnen we niet al te zeer de fout ingaan. Gelukkig hoef je geen van boven af opgelegde, dogmatische filosofie aan te hangen om een draak in je garage te mogen hebben. Overigens, wij hebben ook garages bezocht waarvan beweerd werd dat daar griffioenen, eenhoorns of heilige maagden zouden huizen, maar ondanks dat ook daar grote aantallen volgelingen voor waren, hadden die toch minder indruk op ons gemaakt dan Mr. Jones met zijn draak. En dan heb je nog de skeptici die bij hoog en bij laag beweren dat in al deze garages hooguit auto's te vinden zijn. Wij haasten ons tevens te verwijzen naar de skeptici in de garage van mr. Jones, die ook zo hun vooropgezette ideeën hebben. Zij hebben in de eerste plaats al geen affiniteit met deze materie en bovendien doen zij zogenaamd alles om de realiteit van de draak te trachten aan te tonen, maar weigeren de instructies van Jones op te volgen.

Voordat wij van fanatieke volgelingen van David Icke te horen krijgen dat wij heulen met de reptilians, moeten wij stellen dat het hier slechts om een metafoor handelt. De draak staat hier symbool voor de spirituele factor, die we bij zovele paranormale zaken aantreffen. Daar geen oog voor hebben is hetzelfde als een deel van de informatie niet willen onderzoeken. Dat neemt niet weg dat het eveneens zinnig is met wetenschappelijke methodes, zoals testen en meten, de kwestie te benaderen. Als we nog even mogen meegaan met de beeldspraak: er zijn ook drakenbroeders die de skeptici voor leugenaars uitmaken omdat zij, deze broeders, ervan overtuigd zijn dat er wel van alles en nog wat te meten moet zijn. Als dat er niet uit blijkt te komen, zou dat de schuld zijn van de skepticus! Zij beseffen niet dat de essentie van de draak in een andere dimensie ligt en dat dit slechts met anderssoortige zintuigen benaderd kan worden.


Nu hebben we de zaak heel zwart-wit gesteld: iets wat geheel in een andere dimensie ligt wat wel op anderssoortige wijze is waar te nemen. Met bijna al het esoterische en paranormale is het zo dat weliswaar, -vergeef ons het mystieke taalgebruik- de essentie in een andere dimensie ligt, maar het verschijnsel vaak ook nog een fysieke component heeft waar wel metingen aan verricht kan worden. Wie daar geen oog voor heeft (zoals de fundamentalistische gelovige drakenbroeders), sluit zich af voor een belangrijk pad naar waarheid: de wetenschap. Wij hopen echter duidelijk gemaakt te hebben dat hoewel de fysisch wetenschappelijke benadering faalt bij de bestudering van spirituele zaken, deze materie zich toch op een nuchtere, objectieve manier laat benaderen. Overigens: wij dienen onze vrienden van Skepsis niet te onderschatten, want er vliegt wat rond in de wereld.

Laten we deze reactie op het gezonde denken van Sagan eens grondig onderzoeken,


want het zegt alles over 'de gelovige mens':
-"Er hing een vreemde atmosfeer". De gelovige heeft een diep wantrouwen tegen rationeel denkende mensen. Hij staat er bij voorbaat negatief tegenover. Al bij het binnenkomen van de garage 'herkent' hij de vijandigheid van de onderzoekers. De gelovige begrijpt niet dat de onderzoekers op zoek zijn naar de waarheid en dus de allergrootste dienst aan de mens bewijzen. Sagan doet in zijn verhaal niets anders dan mensen een cursus logisch, gezond denken geven.
-"De skeptici hadden geen belangstelling voor de man die zijn draak in de garage had."

Dit is een zeer vreemde opmerking, aangezien het ten ene male onwaar is. In de wetenschap


hebben we zelfs verschillende aparte afdelingen die niets anders doen dan het
bestuderen van deze man, de psychologie, de antropologie, de sociologie, de vergelijkende
godsdienstwetenschap, om maar wat op te sommen. Alweer een opmerking geboren uit
de diepe vijandschap van de gelovige ten opzichte van de gezond rationeel (wetenschappelijk) denkende mens.

-Voor de gelovige is de draak niet het belangrijkste, maar de vibraties, het aangename gevoel, het trillingsgetal (dat weliswaar niet begrepen wordt, maar wel interessant en opwindend lijkt) die de gelovige ervaart. Van deze dingen is de gelovige onder de indruk en hij doet op grond daarvan de conclusie dat "de mystieke atmosfeer meer om het lijf had dan een vluchtig sentiment." Dit gegeven is het kardinale punt waar het om gaat. 'Geloof' is niet geïnteresseerd in waarheid.


Let trouwens op hoe het hier geformuleerd wordt: terwijl de uitspraak "de mystieke atmosfeer had meer om het lijf dan een vluchtig sentiment" ons heimelijk de conclusie wil laten trekken dat de draak dus op de een of andere manier deel uitmaakt van de fysische realiteit, en draken dus niet genegeerd kunnen worden, zegt de uitspraak in werkelijkheid niets anders dan dit: “het gevoel dat we kregen (‘mystieke atmosfeer’) was zo sterk dat het geen onbeduidend gevoel was (‘vluchtig sentiment’).” Zo is godsdienstig gepraat altijd gegoochel met taal dat inderdaad vaak logisch rationeel denken in de weg staat, omdat het slechts geïnteresseerd is in gevoelens.


-Vervolgens vraagt de gelovige hoe de draak in de garage gekomen is en krijgt hij een antwoord dat het "met een ei begonnen is dat is uitgekomen". Een manier om te zeggen dat het de tand des tijds heeft doorstaan, en daarmee zijn waarde bewezen heeft, of een manier om te zeggen dat het werkt en daarmee zijn waarde bewezen heeft.

De gelovige gaat hier alweer volledig voorbij aan het feit dat Sagan in het geheel niet bezig was met het onderzoek naar de therapeutische en weldadige effecten (waarden) van een geloof in draken (hoewel een objectief rationeel persoon hier meteen ook gevaren zal ruiken), maar het hem slechts ging om de Waarheid over Draken, om de realiteit van het bestaan te begrijpen. De gelover legt vervolgens uit dat er zelfs drakendromen bestaan en drakenvisioenen, iets waar de goedgelovige geest om niet nader gegeven redenen jaloers op is en per definitie van grote waarde acht. Een rare
gedachte voor een ieder die enigszins bekend is met de lange parade van alle eeuwen van volslagen
krankzinnigheid in de verpakking van heilige boodschappen, visioenen en uitspraken.

-Wanneer het ongerijmde en de aaneenrijging van kromme redeneringen en het zich tegen wil en dank verzetten tegen logica zich met elke door de gelovige uitgesproken volgende zin ophoopt (wat zegt het bijvoorbeeld over de skepsiswatcher dat hij zijn Mr. Jones uiteindelijk maar een 'simpele ziel' noemt, maar tegelijkertijd wetenschap onderzoek als 'ongepast' beschouwt wanneer het zich richt op religie?), zit er voor de gezond rationeel denkende onderzoekers niets anders op dan de zaak in steeds scherpere bewoordingen opnieuw en opnieuw maar weer uit te leggen. Uiteindelijk gooien de gezond denkende mensen hun bijltje erbij neer en geven het van frustratie op. Dit alles wordt door de gelovige natuurlijk weer geïnterpreteerd als zou het getuigen van vijandschap en minachting en spotzucht.


-De gelovige gaat volledig op in de ervaring van spannende en enerverende dingen. Voor gelovigen gaat het om genieten van de mooie kleuren van een zeepbel: "wij zongen het drakenlied. En inderdaad, de atmosfeer werd nog mystieker en indrukwekkender. We meenden zelfs enige lichtflitsen met ons derde oog te ontwaren." Terwijl de skeptici dom en bot uitroepen: "Hé, zien jullie wat", weet de gelovige wel beter: ze snappen niets van het verhevene, van de dingen waar het werkelijk om gaat. Het ontbreekt ongelovigen aan eerbied, aan diepgang. De gelovigen doen het voorkomen alsof wetenschap iets doms is: geen rijm, slechts veel decibellen, slechts oog voor onbenullige zaken. Geloof aan de andere kant is de mystiek, de rijm, de muziek, de indruk- wekkendheid, het diepzinnige, 'het derde oog' enz.


De fout die hier gemaakt wordt is dat een gezond persoon zo'n scheiding niet zal aanleggen. Natuurlijk is wetenschap meten en waarnemen, natuurlijk is geloof beleving, maar de twee moeten altijd samengaan. Geloof blijft letterlijk waardeloos en absurd zolang als het in strijd is met de wetenschap. Wetenschap is nooit een vijand, het is slechts een gereedschapskist om de realiteit van het bestaan te begrijpen en onze godsdienst op te bouwen. Een analogie zal het duidelijk maken: de wetenschap maakt geen muziek en ervaart geen muziek. Maar zij maakt wel piano's. En wanneer een piano niet bestaat, dan is er ook geen pianomuziek. Pianomuziek wordt dus gebouwd boven op wat de wetenschap ons schenkt en kan er niet los van worden gezien. Christenen zijn mensen die een stapel Galondamuziek in huis hebben. Ieder gezond denkend mens zal nu meteen vragen: "Galondamuziek?, wat is dat?" Christenen laten ons dan de noten zien en zeggen dat het prachtige muziek is, indrukwekkende gevoelens oproept, de tand des tijds heeft doorstaan, overal beluisterd wordt...Maar slechts de wetenschap vraagt waar op aarde een Galonda te vinden is. Hierop wordt door godsdienst geantwoord dat het niet voor ons mogelijk is het instrument te zien, maar de muziek is wel degelijk overal te horen en we hebben de noten in huis. Vervolgens blijken de noten geheel volgens de harmonie en regels van alle andere antieke menselijke noten die er in de wereld te vinden zijn, te zijn geschreven, en begrijpt geen gestudeerd mens waarom zij nu zo nodig Galonda-noten zijn. Maar omdat we de moed niet opgeven vragen de wetenschappers vervolgens of het muziek van een snaarinstrument, blaasinstrument of slagwerk is, en het antwoord is dan zoiets als: nee, dit is unieke muziek, het is geen muziek die via luchttrillingen gehoord kan worden. De vijandschap van geloof ten opzichte van wetenschap heeft natuurlijk een heel duidelijke reden: de wetenschap bederft het spel volkomen. Want zij zal meteen met een glimlach uitleggen dat zulke muziek niet bestaat. Hun galonda-instrument is een mooi woord, maar meer dan dat is het niet; behalve natuurlijk indien je het gehecht zijn aan denkbeeldige Galonda-muziek als iets van betekenis opvat. De gelovers moeten voortdurend dit woord en deze gehechtheid uitleggen, worden voortdurend aangevallen, nooit begrepen, en ze trekken zich uiteindelijk in hun eentje terug in hun eigen muziekkamer, die echter volkomen stil is. Hun noten zijn een spel met taal en een opwekken van innerlijke gevoelens. En men is gehecht aan de gevoelens, aan de 'indrukwekkende mystiek', de muziek die slechts in hun hoofd speelt.


-Wanneer de gelovige geducht aan de rationele tand wordt gevoeld komt hij al gauw aan met 'ik weet het ook niet zo precies'. Zo weet men uiteindelijk niet of het om een leeuw of draak gaat, ziet hij na enig doordenken ook wel in dat Mr. Jones een simpele ziel is, maar aan de andere kant weet men opeens weer wel precies dat men bepaalde rituelen en voorschriften in acht moet nemen. Men denkt heel eerlijk te zijn door toe te geven dat ons geloof "enigszins is ingekleurd door onze ideeën en filosofieën", maar beseft niet dat deze eerlijkheid slechts bestaat uit een grote dosis naïviteit: "zolang wij ons van dit gevaar bewust zijn, kunnen we niet al te zeer de fout ingaan." Zo denkt een christen dat hij "niet al te zeer de fout in kan gaan" wanneer hij zich er maar voor behoedt niet al te gedetailleerde uitspraken te doen over zijn Galonda, bijvoorbeeld over hoeveel snaren het bevat, of het geblazen of getokkeld moet worden enz. Hij denkt zo wijs en eerlijk te zijn maar komt nooit op het idee dat Galondamuziek slechts een hersenspinsel is. 'Natuurlijk is zoiets onmogelijk!', zo redeneert hij, 'want wat is er belachelijker in het leven dan het bestaan of ervaren van muziek te ontkennen?' Hij beseft niet dat Galonda en muziek twee verschillende dingen zijn en muziek heel goed zonder Galonda kan bestaan, nog beter gezegd alleen op instrumenten gespeeld kan worden die daadwerkelijk bespeeld kunnen worden. Hij beseft niet dat muziek in duizend verschillende vormen bestaat en wanneer hij traditionele japanse hofmuziek zou beluisteren hij dit geen muziek zou noemen, hij beseft zelfs niet -en dit is het allerbelangrijkste gebrek- hij beseft zelfs na 400 jaar van wetenschappelijke ontwikkeling nog steeds niet dat muziek niet bestaan kan zonder wetenschappelijk aantoonbare luchttrillingen; zo zijn de prachtigste verhalen over muziek in de ruimte van het heelal al bij voorbaat onzin, omdat de ruimte geen lucht bevat (waar geluidsgolven zich in bewegen). Zo is christelijk geloof hetzelfde als geloof in de blauwbilgorgel van Cees Buddingh':


DE BLAUWBILGORGEL

Ik ben de blauwbilgorgel,


Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind'ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben de blauwbilgorgel,


Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben de blauwbilgorgel,


Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
en knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben de blauwbilgorgel,


Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En wordt een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!

-Na lange bespiegelingen wordt nog eens precies uitgelegd waar de schoen wringt: "De draak staat hier symbool voor de spirituele factor, die we bij zovele paranormale zaken aantreffen. Daar geen oog voor hebben is hetzelfde als een deel van de informatie niet willen onderzoeken." In het volgende hoofdstuk wil ik hier uitvoeriger mee bezig zijn en naar een oplossing zoeken tussen het dilemma van 'gevoel en wetenschappelijke waarnemingen'. Mijns inziens laten bovengenoemde zaken al duidelijk zien dat de oplossing hierin gelegen is dat men inderdaad de waarde van de spirituele factor dient te zien (muziek), maar dit nooit mag uitspelen tegen de wetenschap, alsof ze tegenover elkaar staan. Wanneer de wetenschap bijvoorbeeld draken tot onzin bestempelt, moeten wij onze spiritualiteit hogerop schroeven, dwz losmaken van draken. Of anders gezegd, muziek niet meer op Galonda's blijven bespelen, omdat muziek gespeeld op een instrument dat niet bestaat geen klinkende muziek kán zijn. Godsdienst losmaken van draken en galonda's, pratende goden, heilige maagden, eenhoorns en engelen. Alleen op die manier zijn wij gezonde levenskunstenaars. Mensen die spiritualiteit aan draken verbinden zijn echter van dezelfde soort als mensen die hun heil zoeken in drugs of staan in de wereld zoals kleine kinderen die hun heil verwachten van sinterklaas.


-Tenslotte zet de gelovige zich af tegen de vervelende "fundamentalisten", die weliswaar broeders zijn, maar in strijd zijn met de wetenschap, terwijl gezonde gelovigen niet in strijd met de wetenschap zijn maar slechts "waarnemingen doen in een andere dimensie". Het krom redeneren van de gelovige kent geen grenzen. Fundamentalisten zijn namelijk vaak mensen die beweren met hun eigen ogen en oren wonderen om zich heen te hebben opgemerkt, of denken te kunnen bewijzen dat de bijbel de unieke kenmerken van een godsopenbaring vertoont, en zijn dus logischer dan niet-fundamentalistische gelovigen die de spirituele dingen slechts met een denkbeeldig 'derde oog' waarnemen. Hoe meer iemand met zijn fantasiën gaat vliegen (bijvoorbeeld door 'verlicht christen' te worden), des te meer hij een loopje neemt met rationaliteit en logica.


-“De skeptici hebben geen affiniteit met de materie”. Lees het verhaaltje van Sagan weer eens door en merk op hoe gezond denken juist wel affiniteit met de materie heeft; Sagan laat zien hoe gezond denken juist meteen toegeeft dat er iets is wanneer zoiets daadwerkelijk aangetoond kan worden. Maar dit is juist het probleem wat Sagan aansnijdt: er is niets. Verre van spotten met gelovigen zegt hij af en toe bijna: "Was er maar wat!" Maar omdat hij gezond denkend mens is laat hij dit gevoel niet de boventoon voeren, maar altijd zijn eerlijkheid en logica. Dat skepticisme één van de allerheilzaamste gereedschappen is die we in ons leven hebben, en waarvoor we bijzonder dankbaar mogen zijn, zal één uitstapje naar de middeleeuwen of Haïti grondig bewijzen.
-De laatste zin ("Overigens: wij dienen onze vrienden van Skepsis niet te onderschatten,
want er vliegt wat rond in de wereld"), staat dan ook in volledige tegenstrijd met al
het voorgaande dat gezegd werd, maar dient enkel en alleen om de gelovige het gevoel te geven
dat hij zowel gelovige als redelijk mens is. Het gevoel 'redelijk' (verstandelijk)
te zijn ontwikkelt de gelovige door alle rivaliserende geloven (dus wat met zijn eigen geloof niet in
overeenstemming is), op rationele gronden af te wijzen. Redelijkheid, verstandelijkheid, is voor de gelovige dus net zo essentieel als voor de skepticus, maar hij is niet in staat rationeel denken op zijn eigen geloof toe te passen.
In zijn boek The demon-haunted world, laat Sagan ons op talloze manieren koel zien wat gezond en ongezond menszijn is. Om er maar één voorbeeldje uit te pikken:
“In 1858 werd bericht dat de Heilige Maagd Maria in Lourdes verschenen was als bevestiging van het dogma van haar onbevlekte verwekking, dat paus Pius IX vier jaar tevoren had uitgeroepen. Sindsdien zijn er zo'n honderd miljoen mensen naar Lourdes gekomen in de hoop genezen te worden van hun ziektes die de geneeskunst van hun tijd niet kon verslaan. De Rooms Katholieke kerk verwierp de authenticiteit van ontelbare gerapporteerde genezingen. Over een tijdsbestek van bijna anderhalve eeuw werden 65 wondergenezingen geaccepteerd. (Van de 65 waren 90% genezingen van vrouwen.) De kans op genezing in Lourdes is dus ongeveer één op de miljoen, hetgeen ongeveer gelijk staat aan de kans een loterij te winnen of te verongelukken gedurende een vliegtuigvlucht, inclusief die naar Lourdes.

Het spontaan genezen van kanker wordt -alle kankersoorten bij elkaar opgeteld- geschat op iets van tussen één op de duizend en één op de honderdduizend. Als slechts 5% van alle mensen die naar Lourdes gaan aan kanker zouden lijden, zouden we tussen de 50 en 500 "wonderbaarlijke" genezingen van alleen kanker al verwachten. Aangezien van de 65 erkende genezingen slechts drie van kanker waren, schijnt het percentage van spontane genezingen in Lourdes dus wat minder te zijn dan wanneer de slachtoffers gewoon thuis gebleven waren.”



En denk je nu eens in: dit absurde bijgeloof houdt 6 miljoen mensen per jaar (recente cijfers) in de ban.
Wanneer we de christelijke godsdienst onder de loep nemen zien we dat het staat of valt met bijgeloof, dwz het op bovennatuurlijke wijze ingrijpen van God op aarde, in de praktijk juist heel persoonlijk voor de gelovige zelf. Keer op keer wanneer je verhalen van christenen leest kun je opmerken dat dit basis van hun geloof is. Hier een voorbeeld dat ook meteen laat zien waarom dit bijgeloof in wonderen de basis moet zijn. Indien het wegvalt blijft er weinig of niets over om stevig op te staan met al je stellige overtuigingen over God die de bijbel je maar aanpraat:
"Ik geloof Paulus wanneer hij zegt dat de Schrift is geïnspireerd door God en dat ze nuttig is voor afkeuring, berisping, correctie en instructie in rechtschapenheid. Wat ik niet geloof, is de interpretatie van deze uitspraak die 'fundamentalisten' er gewoonlijk aan geven. Eén argument is dat het Woord van God duidelijk niet foutloos tot de schrijvers van de Schrift kwam, hoezeer de fundamentalisten het ook willen doen voorkomen alsof het wel zo is. Hoe verklaar je dan dat volgens Marcus, Yeshua de Farizeeën vertelde dat David het offerbrood at en aan anderen gaf in de tijd van priester Abhiatar, terwijl Samuel zegt dat David het offerbrood alleen van Ahimelech, de vader van Abiathar, nam (1 Samuel 21)? Hoe verklaar je dat Lucas vertelt dat Yeshua een blinde man geneest op weg naar Jericho (Lucas 18:35 e.v.), terwijl Marcus, in een verhaal dat bijna woordelijk hetzelfde is, vertelt dat Hij Bartimaeus geneest onderweg vanuit Jericho (Marcus 10:46 e.v.)? Mozes zegt dat hazen herkauwen (wat niet het geval is, maar destijds dacht men van wel), veel getallen in Koningen en Kronieken kloppen niet met elkaar, Judas sterft op twee verschillende manieren nadat hij twee verschillende dingen heeft gedaan met het geld dat hij ontving, en er is geen enkele manier om de verhalen over de bekering van Paulus uit Handelingen (verteld door Lucas) en uit de Galatenbrief (verteld door Paulus zelf) met elkaar te verenigen. Bij Johannes vindt zelfs het Laatste Avondmaal plaats op een andere dag dan in de andere drie Evangeliën (Johannes 19:24). Wat mij betreft vormen geen van deze tegenstellingen een probleem, als we tenminste toestaan dat de schrijvers van de Schrift dezelfde fouten maken die wij elke dag maken, zèlfs wanneer God via ons spreekt. Er bestaat pas een probleem, èn een belediging, wanneer wij eisen stellen aan de apostelen en de profeten die geen enkele profeet vandaag de dag aan zichzelf zou durven stellen! Het is nog tot daaraan toe dat al je voorspellingen nauwkeurig moeten zijn. Maar moet je een fotografisch geheugen hebben om te bewijzen dat je geïnspireerd bent door God? Mattheus en Johannes waren wellicht ooggetuigen, maar Johannes heeft zijn Evangelie waarschijnlijk pas 60 jaar na de gebeurtenissen geschreven, en Marcus en Lucas waren niet eens ter plekke. Hun verhalen waren tweedehands, via Petrus (Marcus) en via onderzoek en interviews (Lucas), eveneens tientallen jaren na de gebeurtenissen.

Maar laten we met een vrolijke noot eindigen. Ik geloof dat de Schrift geïnspireerd is en dat de mens erdoor toegerust is voor het uitvoeren van alle goede werken. Mijn eigen favoriete ongelooflijke boodschap uit de Schrift kwam na de oprichting van onze gemeenschap in Bethel Springs. We waren begonnen na een fantastische bijeenkomst in Standing Stone (Staande Steen) National Park, ongeveer vijf uur vanaf Bethel Springs. Daar nam God alle tegenstellingen weg en Hij bond ons samen als één volk. Het resultaat was de Kerk in Bethel Springs, nu genaamd Rose Creek Village.


Een paar maanden later vond Noah (David Taylor) de tekst in Genesis die de reis van Jacob naar zijn familieleden, op zoek naar een vrouw, beschreef. Onderweg rustte hij, vond een steen om zijn hoofd op te leggen, en droomde over een ladder die zich uitstrekte van de aarde naar de hemel, een ladder waar boodschappers van neerdaalden en langs opklommen. Toen hij 's ochtend wakker werd, in de overtuiging dat God bij hem was, zette hij de steen rechtop, goot er olie overheen en noemde hem Bethel. Als je een gezworen atheïst bent, zegt dit je allemaal niks. Het zal je nergens van overtuigen. Maar als je mij bent, is het onmiskenbaar een ontzagwekkende demonstratie van de kracht van de Schrift en de voorzienigheid van God. Wat God door Jacob deed ging over ons! In Standing Stone, goot Hij de olie van Zijn Heilige Geest uit en noemde ons Bethel! Wij vonden dit opwindend en toen enkele zusters een lied maakten over die passage uit de Bijbel en de gebeurtenissen in Standing Stone National Park, kwam er een windvlaag iedere keer als zij het refrein zongen. Op een avond zat ik buiten in het donker met hen en we zongen dat liedje terwijl we op de trampoline zaten. En weer kwam er een windvlaag iedere keer als ze aan het refrein begonnen. Het was behoorlijk ongelooflijk.

Vanwege dit soort dingen is het voor mij niet nodig dat Mozes, Mattheus, Johannes of Lucas een perfect geheugen hadden, of geïnspireerde kennis van de wetenschap. Er is namelijk een goede reden om te geloven, en ik hoef de Schrift niet te veranderen in een onaantastbaar fantasieboek geschreven door onmogelijke mensen om te kunnen geloven.


[Petra de Jong op een internet forum]

Het was behoorlijk ongelooflijk” is het fundament waar de christen op staat. Tot zulke opvattingen spoort de bijbel ons natuurlijk voortdurend aan. Zo komt de bijbel met een behoorlijk ongelooflijk verhaal in het boek Daniël over vrome joodse mannen die niet gehoorzamen aan het gebod van de vreemde koning op te houden met hun joodse godsdienst. Als straf worden de drie mannen in een heet opgestookt vuur geworpen. En zoals dat gebeurt in verhaaltjes voor kinderen: de drie mannen lopen ongedeerd rond in het vuur, tot verbazing van allen die de juiste God niet aanbidden. Als detail wordt erbij vermeld dat er onverwachts vier mannen in het vuur rondlopen, ongetwijfeld om te laten zien dat de drie mannen zelf niet goddelijk zijn door dit staaltje onmogelijkheid, maar hulp uit de hemel krijgen om het vuur te kunnen doorstaan en er ongedeerd weer uit te kunnen komen. De moraal voor de gelovige: Wees getrouw aan de hoogste mensheid en laat je niet bangmaken. God grijpt in om te laten zien dat geloof tot alles in staat is, veruit alles te boven gaat en het denken en handelen van de machtigste koningen op aarde voor schut kan zetten.



Dit verhaal nu is typisch voor de gehele bijbel: de bijbel nodigt ons op vele bladzijden uit om onze wetenschappers met hun meetapparaten en methoden de zaken te laten onderzoeken. Het gaat in de bijbel altijd om echte mannen, een echte engel, een echt laaiend vuur, een massa mensen die er getuigen van zijn, een echte opstanding uit de dood, een echte stok die verandert in een slang, een echt lopen op water, een persoonlijke God die voortdurend ingrijpt en spreekt. Zolang er geen wetenschap bestond kon het geloof dit gemakkelijk doen. Je hoeft maar een boek over de middeleeuwen op te slaan om te zien hoe gemakkelijk het was in welke absurditeit dan ook te geloven. Maar vanaf de tijd dat wetenschap en moderne technieken zich ontwikkelden zijn bijbelse opvattingen voortdurend aan de kaak gesteld en voor schut gezet. Maar op de één of andere manier lukt het sommige moderne mensen toch nog steeds in godswonderen om zich heen te geloven; de reden hiervoor is de behoefte aan opwinding en steun. Het gemakkelijkst is dit geloof dan ook voor jonge mensen (pakweg 15-25 jarigen) en weinig geschoolde mensen.
We zullen ons nu moeten afvragen hoe we tot een geloofwaardig geloof kunnen komen? Hoe destilleren we geloof van naief bijgeloof? Het antwoord ligt nogal voor de hand: door uit "de moraal voor de gelovige" die ik hierboven opsomde slechts de eerste zin te behouden, en de rest, het naieve, weg te gooien. Om te beginnen moet men tot dit inzicht komen:
Je kunt God en je eigen religie alleen bewijzen door je zelfopgebouwde fantasiën de bewijzen te laten leveren. Religie is een spel, veelal ons fantaseren over de grenzen heen van ons denkvermogen. Religie is dus des te geloofwaardiger des te minder we uitspraken doen die onze fantasie heeft gefabriceerd, of wanneer we ons bij het doen van religieuze uitspraken ervan bewust zijn dat ze uit onze fantasie opborrelen. Zo is ook je persoonlijk geloof des te geloofwaardiger des te minder je geloven hoeft in bovennatuurlijk goddelijk ingrijpen wanneer je in nood zit, of des te minder je geloof de basis heeft van opwindende zaken, de "ontzagwekkende demonstratie van de kracht van de Schrift en de voorzienigheid van God" om je geloof maar te bewijzen. Geloof is slechts geloofwaardig -dus volwassen- wanneer het dát uitspreekt waar wij voor willen staan, dát zegt, wat we willen wezen. Anders gezegd: een geloof is pas geloofwaardig wanneer het overeind blijft zelfs indien de God die we erbij gefantaseerd hebben helemaal niet blijkt te bestaan. En dit kan alleen wanneer we ons bewust zijn van het grote aandeel dat fantasie heeft in ons leven. Een persoonlijkheid als Okke Jager wordt door iemand beschreven op deze manier:
“Wij weten het soms beter dan God zelf en moeten Hem -de grote Andersdenkende- soms zelfs proberen te bewegen om op ons denkspoor over te gaan. 'Hoor eens, God, U hebt de moed verloren, lijkt het wel, maar wíj denken er anders over.' Geloven is met God mee denken, maar als het moet ook voor Hem uit en tegen Hem in.”
Dát is volwassen geloof. Dat mag pretentieus lijken, maar het is bij nader beschouwing in werkelijkheid precies het tegenovergestelde. Het is de uitspraak van iemand die zo eerlijk en zo menselijk opbouwend als maar mogelijk is in het leven wil staan. Het is de uitspraak van iemand die geen pretenties meer heeft, de uitspraak van iemand die aan geloof de waardevolste inhoud wil schenken die het maar hebben kan. Niet meer de betekenis van mystieke, geopenbaarde, dogmatische zekerheid, waar naief blind in geloofd moet worden, maar de betekenis van slechts volkomen zichzelf te willen zijn en een voortdurend zoeken naar de ideale verschijningsvorm van zichzelf.
Geloven is met God meedenken, als het moet ook voor Hem uit en tegen Hem in”.
Wat een briljante uitspraak!


  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina