Algemeen Om de zaak eenvoudig te houden en omdat juist dit voor ons van onmiddellijk nut is zullen we ons hier beperken tot de waarnemingsmogelijkheden voor de amateur-sterrenkundige. Drie instrumenten liggen binnen ons bereik : onze ogen



Dovnload 116.65 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte116.65 Kb.


DEEL 3 : Instrumenten voor de amateur-sterrenkundigen


Algemeen

Om de zaak eenvoudig te houden en omdat juist dit voor ons van onmiddellijk nut is zullen we ons hier beperken tot de waarnemingsmogelijkheden voor de amateur-sterrenkundige. Drie instrumenten liggen binnen ons bereik : onze ogen, verrekijkers en telescopen; in feite drie soorten optische instrumenten, die allen iets gemeen hebben : een objectief, hetzij een lens of spiegel of allebei gecombineerd.


3.1. Het oog
Dit is ongetwijfeld het goedkoopste waarnemingsinstrument. Tot voor het begin van de 17e eeuw met Galilei en Kepler, gebeurden alle waarnemingen met het blote oog. Ons oog kan hemelobjecten waarnemen tot de 6e magnitude. Deze waarnemingen moeten dan wel geschieden onder optimale omstandigheden: dit wil onder meer zeggen dat de hemel kraakhelder is, dat men zelf een goed gezichtsvermogen heeft en dat men ver van alle storende lichtbronnen -zoals straatverlichting en lichtreklame- is verwijderd. Op deze manier kunnen reeds een duizendtal sterren worden ontwaard. Ook de planeten tot en met Sarurnus (en eventueel ook Uranus) kunnen met het blote oog worden gezien. Maar bij de waarneembare objecten zijn ook al enkele heldere deep-sky objecten (= sterrenhopen of nevels). Voorbeelden hiervan zijn de Pleiaden, als een groepje sterren waarneembaar, en de Orionnevel (een wazig maar helder vlekje in het sterrenbeeld Orion). Ook de twee open sterrenhopen  en h Persei en Praesepe in het sterrenbeeld de Kreeft zijn reeds als wazig vlekje zichtbaar, maar niettemin zwakker dan de Orionnevel. Bij goede omstandigheden tenslotte is de Andromedanevel, een extragalactisch stelsel, ook als een wazig vlekje in het gelijknamige sterrenbeeld te zien. Naast deze en nog enkele andere objecten kun u natuurlijk nog de Melkweg bewonderen, vooral tijdens de zomer wanneer deze als een zwak lichtende band van Cassiopeia (laag in het noorden) loopt naar de Zwaan, zich daar splitst en doorheen de Arend en Scutum verder loopt naar de Boogschutter en de Schorpioen.

Niet te vergeten kan men met het blote oog reeds maans- en zonsverduisteringen waarnemen. Maar let op : kijk nooit zonder bescherming van de ogen naar de Zon ! Met een verrekijker of telescoop zonder filter naar de zon kijken kan blijvend oogletsel of zelfs blindheid veroorzaken. Gebruik dus ook zonder instrumenten een filter. Zo is het mogelijk grote zonnevlekken (meestal betreft het hier dan grote groepen van zonnevlekken) te zien als een puntje. Dit zijn zowat de mogelijkheden met het ongewapende oog. Er is dus geen enkele reden om ontmoedigd te zijn indien men géén verrekijker of sterrenkijker heeft. Er is immers al heel wat met het ongewapende oog te zien.


3.2. Het binoculair (de verrekijker)


Verrekijkers hebben twee grote voordelen: ze geven een helder beeld en een groot gezichtsveld. Er bestaan veel soorten verrekijkers: kleintjes (zoals de toneelkijker), middelgrote (zoals de populaire 7 x 50 binoculair) en grote (bijvoorbeeld een 25 x 105, die al zo zwaar is dat een statief is vereist).

Bij het opgeven van de karakteristieken van een verrekijker geeft men steeds twee cijfers op. Beschouwen we het geval van een 7 x 50 verrekijker. Het eerste cijfer -de 7- geeft de vergroting weer. Het tweede cijfer -de 50 dus- is de diameter van het objectief in millimeter. Een 7 x 50 verrekijker heeft dus twee objektieven met elk een diameter van 50 millimeter en kan 7 x vergroten. Hoe groter nu de diameter is in verhouding tot de vergroting, des te groter is de lichtsterkte van het binoculair. Een 7 x 50 kijkertje is bijgevolg lichtsterker dan een 20 x 80 of een 8 x 30.

Het principe van de verrekijker kunt u terugvinden in onderstaande figuur. Een verrekijker bestaat in feite uit 2 kleine lenzentelescoopjes waar in elk telescoopje twee prisma's zijn aangebracht. Deze twee prisma's vouwen het licht op. Net zoals bij een telescoop is er een objectief en oculair (ooglens).

Voor sterrenkundige waarnemingen van sterrenhopen, nevels, enzovoort zal het belangrijk zijn een verrekijker te kiezen met een goede vergroting/lichtsterkte verhouding. Dit zal dus een prismakijker zijn met een voldoende vergroting om het desbetreffende object te vinden, maar ook met een voldoende lichtsterkte om het object nog helder genoeg te kunnen waarnemen. Er moet dus een compromis worden gezocht tussen de vergroting en de lichtsterkte. In het geval van deep-sky objecten zijn bijvoorbeeld een 7 x 50 of een 9 x 63 uiterst geschikt. Met zo'n instrument kunt u reeds de Orionnevel, de Pleiaden, de Andromedanevel, en enkele heldere sterrenhopen zoals  en h Persei en de Hyaden, bewonderen. Tevens maakt het binoculair het mogelijk een zwakker deep-sky object op te zoeken en het te lokaliseren aan de hemel. Op die manier kunnen ze dan gemakkelijker worden opgezocht met een telescoop. Prachtig om waar te nemen zijn ook dubbelsterren. Het beste voorbeeld is Alcor & Mizar in de Grote Beer. Deze dubbelster is zelfs reeds met het ongewapende oog zichtbaar.

Neemt u de Maan waar, dan kunt u bij voldoende vergroting al de grootste kraters onderscheiden. Verder is een binoculair ook nuttig bij het waarnemen van veranderlijke sterren.

De lezer zal dus inzien dat een verrekijker heel wat mogelijkheden biedt en dat de niet-telescoop-bezitters er reeds heel wat aan kunnen hebben.




3.3. De Telescoop
a. Bouw en uitzicht
Een telescoop is in principe een lichttrechter die zoveel mogelijk licht verzamelt. Laten we eens vergelijken met een pluviometer of regenmeter. Dit is in principe een fles waarop men een trechter heeft geplaatst met de bedoeling zoveel mogelijk regenwater te verzamelen. Het oppervlak van de flesopening zelf is te klein om voldoende regenwater op te vangen. Dus vergroot men kunstmatig het oppervlak van de flesopening door er een trechter op te plaatsen. Het oppervlak van deze trechter is namelijk groter dan deze van de flesopening. Daardoor wordt er meer regenwater opgevangen en leidt men dit via de vernauwing van de trechter in de kleinere opening van de fles.

Stel nu even dat deze fles het menselijk oog is en dat de regendruppels licht zijn. Dan komt de pupil van het oog overeen met de flesopening en is de telescoop de trechter. Het objectief van de telescoop (voorste lens of eerste spiegel) heeft namelijk een groter oppervlak dan de pupil, waardoor die meer licht kan opvangen dan de pupil. De lichtbundel die daarop valt wordt in de telescoop vernauwd tot een stralenbundel die dan klein genoeg is om de pupil binnen te kunnen. Dit verzamelen van extra licht is vooral nodig bij het waarnemen van lichtzwakke, nevalachtige objecten (melkwegen, nevels, kometen,...).


Een telescoop bezit twee grote onderdelen: de kijkerbuis en de montering of de opstelling. Naargelang de aard van telescoop onderscheiden we reeds twee grote hoofdgroepen. Delen we de sterrenkijkers in naar hun kijkerbuis, dan hebben we ofwel het lenzensysteem ofwel de spiegelkijkers. Volgens de opstelling delen we de teleskopen in naar azimutale en parallactische kijkers, al dan niet met vorkopstelling. Nu klinkt dit nog wel als Chinees, doch later wordt dit alles duidelijk.

* De kijkerbuis

Deze bezit twee belangerijke delen: Het objectief (spiegel of lens) en het oculair. Een oculair is steeds een lens. Een oculair of ooglens is in feite één of meer kleine lensjes met een korte brandpuntsafstand, die het beeld gevormd heeft door het objectief te vergroten. Hoe meer lenzen er met elkaar gekombineerd zijn, des te kleiner de afbeeldingsfouten zijn. Het spreekt echter vanzelf dat zo'n samengestelde oculairen véél duurder zullen zijn als de enkelvoudige.


A) Lenzenkijkers (refractors)

Hier worden de lichtstralen van de hemellichamen gebroken om het beeld te vormen (breken = frangere / fractum / Refractor). De stralen (zie figuur) worden gebundeld, zodat in het brandpunt b een beeld ontstaat. Het is dit beeld dat we met behulp van een oculair bekijken. Het objectief van een refractor bestaat uit een stelsel van lenzen.



B )Spiegelkijkers (reflectors)

Het is de eenvoudigste kijker. De stralen die op de spiegel vallen worden teruggekaatst, opgevangen door een vlak spiegeltje, en weerkaatst naar het oculair. Die spiegelkijker wordt ook soms newtonkijker genoemd naar Isaac Newton die in 1672 de eerste spiegelkijker bouwde.

D
e gewone benaming is reflector (letterlijk: weerkaatsen) voor een het principe van de reflector ( zie figuur)

Een variant op de newtontelescoop is de Cassegrain-telescoop. Die heeft in plaats van een vlak spiegeltje een hyperbolisch spiegeltje. Deze spiegel kaast het licht terug naar achteren door een gaatje in de grote spiegel (zie figuur).




Een Cassegrain-reflector



C) Gecombineerde kijkers (katadioptrische systemen)

Deze Maksutov-telescoop lijkt wat op de Cassegrain-telescoop maar bezit daarbij nog een hol/bolle lens (=meniskuslens), die fouten van de spiegel verbetert, namelijk de sferische aberratie. Dit wil zeggen: de lichtstralen die van de randen van de spiegel weerkaatst worden, komen niet in hetzelfde brandpunt samen. Aan de achterzijde van de meniscuslens bevindt zich een klein vangspiegeltje (in feite een stukje lens dat gealuminizeerd werd).

Op dit systeem bestaan nog talrijke varianten, bijvoorbeeld de Schmidt-camera, waar de meniskuslens vervangen is door een korrektieplaat en waar een fotografische plaat in het brandpunt geplaatst wordt.

D) Eigenschappen van een telescoop
1) De lichtsterkte

Die is afhankelijk van van faktor f. Hierbij geldt:


f= brandpuntsafstand objectief

diameter objectief


Hoe kleiner de verhouding, hoe lichtsterker de telescoop en hoe groter het beeldveld. Bij lenzenkijkers is deze verhouding groter. Bij de Newton-, Cassegrain- en Maksutovkijkers is deze meestal klein(er).
2) De vergroting

Uit de twee brandpuntsafstanden, van het objectief en het oculair, kan de gebruikte vergroting worden berekend met de volgende formule:


Brandpuntsafstand objectief =vergroting van x-maal

Brandpuntsafstand oculair


Meestal zijn er bij een telescoop verschillende oculairen, zodat men met verschillende vergrotingen kan werken. Hoe groter de vergroting, des te kleiner het stuk is dat we aan de hemel zien en hoe minder licht men opvangt.
3) Het scheidend vermogen

Dit is de hoekafstand in boogseconden tussen twee sterren, zodanig dat we ze nog als twee sterren kunnen onderscheiden. Het scheidend vermogen wordt gegeven door onderstaande eenvoudige formule:


scheidend vermogen = 115 .

diameter objectief


Deze formule is enkel geldig voor sterren van dezelfde helderheid (ongeveer magnitude 5 à 6) en bij een rustige atmosfeer. Bij sterren met ongelijke helderheid neemt deze minimale afstand toe.

E) toebehoren
1) zenitprisma: Dit dient om de waarnemer met een refractor niet in onmogelijke posities te laten waarnemen. Het bestaat uit een prisma dat licht over een hoek van 90° ombuigt.
2) de barlow-lens: Dit is een holle lens die in de stralengang van het objectief geplaatst wordt en die voor een lange brandpuntsafstand zorgt, waardoor men meer kan uitvergroten. meestal verliest het beeld van haar oorspronkelijke kwaliteit .
3) De zoeker is een klein refractortje dat op een kijker is gemonteerd om objecten gemakkelijk terug te vinden. Het vergroot meestal een 5 à 10 maal en heeft meestal een kruisdraad. Als men het object op de kruisdraad plaatst en de zoeker evenwijdig geplaatst is met de kijkerbuis, dan zal men het object ook in zijn kijker zien.
4) de volgkijker: Is een refractor die op een grotere kijker geplaatst wordt om het fotograferen te vergemakkelijken. In feite is het een grote uitvoering van de zoeker.
5) filters: filters om de Zon, Maan en planeten waar te nemen.


* De opstelling




Er bestaan twee soorten opstellingen:

1) azimutale opstelling:

Deze vinden we meestal bij kleinere kijkers terug

en bestaat uit een horizontale en een

vertikale as. Deze opstelling is tamelijk onpraktisch

aangezien men daarmee de hemellichamen

moet volgen door de twee assen tegelijk

te bewegen .De hemelobjecten bewegen zich

immers volgens schuine banen. Hiernaast in

figuur ..... vindt u een tekening van een azimutaal

opgestelde kijker (refractor in dit geval hier).



2) Parallactische opstelling :

Deze opstelling komt bij de middelgrote en

grote amateurkijkers voor en natuurlijk ook bij

professionele systemen. Doordat de ene as

(de poolas) evenwijdig is aan de aardas,

kan men hiermee zeer gemakkelijk de sterren volgen.

Men hoeft slechts langs één as de kijker te bewegen.

De andere as heet declinatieas en is evenwijdig

met de hemelevenaar en staat loodrecht op de poolas.

Beide assen zijn voorzien van een schaalverdeling

die overeenkomt met het gewoonlijk gebruikte

coödinatensysteem "rechte klimming en declinatie"

Met dit coödinatensysteem en de verdeelcirkels kan men heel gemakkelijk hemelobjecten terugvinden. Dikwijls is de opstelling voorzien van een volgmotor die automatisch tegen de bewegingsrichting van de Aarde draait. Dit heeft als gevolg dat de hemel als het ware wordt gevolgd in haar dagelijkse beweging. Ook bezit de opstelling twee flexibele kabels waardoor men preciezer kan richten. De sterrenkijker bezit dan ook nog een tegengewicht. Deze dient om de telescoop in evenwicht te houden. De azimutale en de parallactische montering kunnen ook in een vorkmontering gevat zijn.


b. Wat kunnen we er mee aanvangen?
Enorm veel! Op de Maan kan men al de structuren onderscheiden: kraters, bergen, rillen, kloven, enz. Met de gemiddelde amateurkijker kunnen de schijngestalten van Venus en Mercurius, de poolkappen van Mars, enkele banden op Jupiter, soms zelf een band op Saturnus, de ringen van Saturnus en natuurlijk de maantjes van de laatste twee planeten bewonderd worden. Ook kan men Uranus, Neptunus en talloze planetoïden opzoeken. Bij grotere amateurkijkers kan bij Uranus en Neptunus een schijfje worden waargenomen. Om Pluto te onderscheiden hebben we minstens een 15 cm-reflector nodig, maar nooit zullen we meer zien dan een puntje. Voor de Maan en de planeten bestaan er verschillende filters die toelaten meer details te onderscheiden. Voor de Maan, die tijdens donkere nachten soms wat te helder is voor het oog, bestaan er groenfilters. Jupiter wordt soms met een roodfilter bekeken. Ook Venus neemt men op die manier waar. De Zon wordt het veiligst waargenomen met een filter, geplaatst op het objectief of door het zonneschijfje op een klein scherm achter het oculair te projecteren.
En natuurlijk kan men zich met de telescoop ver buiten het zonnestelsel wagen. Wel is het zo dat we met een sterrenkijker nooit meer dan puntje te zien krijgen van de sterren. Zelfs de grootste teleskopen ter wereld zijn daar niet toe in staat. Wel kunnen we mooie dubbelsterren bewonderen, de helderheidsverandering van veranderlijken meten, enzovoort.

Dan zijn er natuurlijk nog de parels van de nacht: De deep-sky objecten zoals de sterrenhopen, nevels en extragalactische stelsels. De doorsnee amateurkijker laat toe meer dan 100 van deze objecten te bewonderen. De open sterrenhopen, die op enkele uitzonderingen na met een verrekijker meestal nog vlekjes zijn, worden opgelost in mooie sterren. De bolvormige sterrenhopen worden zichtbaar als korrelige bolletjes. In nevels kunnen verschillende structuren worden waargenomen, vooral in de helderste zoals bijvoorbeeld de Orionnevel. En dan zijn er nog de melkwegstelsels, die door de amateurteleskopen nog niet in sterren kunnen worden opgelost. Toch zijn het prachtige veraf gelegen objecten die meer dan het bekijken waard zijn.



c. Met welke telescoop kijken?
Natuurlijk kan men met zowel een lenzen- als een spiegelkijker alles aan het hemelfirmament bewonderen. Maar het is zo dat een lenzenkijker het meest geschikt is voor planeten, de Maan en de Zon waarop meer details te zien zijn dan met een reflector. Dit komt doordat de stralen geen enkele hindernis op hun weg door de kijker ontmoeten, zoals bijvoorbeeld een vangspiegeltje, waardoor het scheidend vermogen benadeeld wordt. Het meest aan te raden voor de amateur is de 60 of 100 milimeter refractor.

De spiegelkijker daarentegen heeft een grotere objectiefdiameter in vergelijking met de brandpuntsafstand, is dus lichtsterker en bijgevolg meer geschikt voor zwakke deep-sky objecten. Tevens heeft deze kijker het voordeel dat hij relatief gemakkelijk zelf te bouwen is en tevens goedkoper is dan een soortgelijke refractor. Erg verspreid en tamelijk goedkoop zijn de reflectoren van 114 millimeter, maar waarvan de opstelling van de meesten wel te wensen overlaat. Het is niet aan te raden een spiegelkijker met een kleine doormeter aan te schaffen. Het best is een 15 of 20 cm met een degelijke montering.

Ook praktisch zijn de Cassegrain en de Maksutov, die compact zijn, wegens hun lange brandpuntsafstand grote vergrotingen toelaten en waarvan de maksutov een goede beeldkwaliteit verzekert.

Een zaak moet bij de aanschaf in acht worden genomen: de montering moet degelijk zijn, dit wil onder andere zeggen dat ze zwaar genoeg moet zijn in verhouding tot het gewicht van de te dragen telescoop, zodanig dat we een trillingsvrij systeem krijgen.



Deel 4: Waarnemingen in het zonnestelsel

4.1. De planeten

Algemeen
MERCURIUS komt hooguit 2 uur voor de Zon op of 2 uur erna onder. Mercurius staat daardoor altijd aan een schemerige hemel en wordt gemakkelijk over het hoofd gezien. Als hij door een telescoop bekeken wordt, blijkt het beeld vrijwel hopeloos door de lage stand aan de horizon. Meestal kan men dan ook enkel zijn schijngestalte waarnemen.
VENUS is de planeet die vanaf de Aarde het helderst is. Net zoals Mercurius wordt hij naargelang zijn stand ten opzichte van de Zon een ochtend- of avondster genoemd. Door de telescoop vertoont Venus schijngestalten. De planeet toont een witachtige kleur.
MARS wordt "de rode planeet" genoemd. Hij is inderdaad fel rood. De opposities van Mars treden maar eens om de twee jaar op. Ook bij Mars kan men schijngestalten waarnemen, al is het dan geen volledige fasengang. Mars toont hooguit 15 % van zijn nachtkant aan ons. Met voldoende grote kijkers kan men donkere structuren op Mars zien. Ook kan men dan vaak een of twee poolkappen zien, die aangroeien of inkrimpen. Ook kan het gebeuren dat men lijnachtige structuren waarneemt waarvan men vroeger dacht dat het kanalen waren. Als men echter over voldoende vergroting beschikt lossen de lijnen op in puntjes, vlekjes en streepjes.
JUPITER manifesteert zich met het blote oog als de op een na helderste planeet. Jupiter heeft een wit-gele kleur. Door de telescoop vallen de banden en de vier galileïse satellieten onmiddellijk op. De vier galileïsche satellieten zijn: Io, Ganymedes, Europa en Callisto. Soms ziet men ook de rode vlek. Men denkt dat dit een eeuwenoude wervelstorm is. Op Jupiter ziet men grijze en lichte banden. De grijze banden noemt men gewoon banden en de lichte banden noemt men zones. De plaats van details verandert vlug door de snelle rotatie van de planeet. Ook de jupitermaantjes zijn na enkele uren al duidelijk van plaats veranderd. Soms kan men schaduwovergangen van maantjes op het wolkendek van Jupiter zien.
SATURNUS is met het blote oog zichtbaar als een zwakke, lichtgele ster. In de telescoop valt hij onmiddellijk op door zijn ringen. Met voldoende vergroting kan men een grote scheiding in de ringen zien: de Scheiding van Cassini. Soms is het ringenvlak naar de Aarde gericht, zodat we deze dan een tijdje niet meer zien. Hoe groter de telescoop, hoe korter de tijd dat men de ring niet meer kan bespeuren. Net als Jupiter is Saturnus ellipsvormig door zijn snelle aswenteling en kan men gordels zien, zij het dan minder duidelijk. Zelfs in relatief kleine teleskopen kan men al het grootste saturnusmaantje zien: Titan. Soms kan men de schaduw van Titan op het wolkendek of de ring van Saturnus zien. De ring zelf werpt ook een schaduw op het wolkendek van Saturnus.
URANUS is meestal niet met het blote oog zichtbaar, want tijdens optimale omstandigheden ligt hij voor het blote oog op de grens van de zichtbaarheid. In een voldoende vergrotende telescoop is hij zichtbaar als een groen schijfje waarop men geen of niet veel details kan zien. In het beste geval kan men één van de vijf gekende satellieten waarnemen.
NEPTUNUS is helemaal niet zichtbaar met het blote oog. Door een telescoop ziet hij eruit als een bleekblauw sterretje. Met nog grotere vergroting ziet men een schijfje zonder details. Met een voldoende grote telescoop kan men één van de twee maantjes waarnemen: Triton. Met een heel grote telescoop ziet men ook de tweede: Nereid.
PLUTO zal men in de grote amateurteleskopen hooguit als een geelachtig sterretje zien.

4.2. planetoïden
Planetoïden lijken in een telescoop op sterren. In de gewone amateurteleskopen kan men er zeker geen diameter in zien, maar net zoals sterren: als puntvormige objecten. Wel is het interessant om hun beweging en helderheid te volgen. Ze veranderen na verloop van tijd duidelijk van plaatsen kunnen in enkele uren tijd van helderheid veranderen door hun onregelmatige vorm en hun aswenteling.


4.3. Meteoren
Soms ziet men 's nachts "vallende sterren". Deze "vallende sterren" of meteoren kunnen zowel afzonderlijk als in groep voorkomen. Als meteoren in groep voorkomen komt dit omdat de Aarde een meteorenzwerm doorkruist. Doordat de Aarde elk jaar op ongeveer hetzelfde tijdstip de meteorenzwerm doorkruist, ziet men elk jaar op dit tijdstip een maximum van meteoren. Toch kan het gebeuren dat het meer dan één jaar duurt voor men weer een maximum heeft van een bepaalde zwerm. Dit komt dan omdat de meteoroïden op slechts één punt van hun baan zijn geconcentreerd i.p.v. overal op de baan gelijk te zijn verspreid. Zo heeft een bepaalde meteoorzwerm een periode van 30 jaar. Bij de meeste meteoorzwermen vallen de maxima jaarlijks.

Men ziet tijdens een maximum van een meteoorzwerm de meteoren vanuit een vluchtpunt komen: het RADIANT.

Een meteorenzwerm noemt men meestal naar het sterrenbeeld waarin of de ster waarbij het radiant ligt. Zo is de bekendste, in augustus verschijnende, meteoorzwerm, de Perseïden, genoemd naar het sterrenbeeld Perseus. Een radiant kan zich in de loop van de dagen verplaatsen doordat de Aarde van de meteorenstroom weg beweegt. In tegenstelling tot bij zwermmeteoren (meteoren die in groep voorkomen) is er bij sporadische meteoren (meteoren die afzonderlijk voorkomen) geen sprake van een radiant.

Als men meteoren wil waarnemen, dan zal men er het meest 's ochtends zien, omdat de Aarde in de richting van de ochtendkant rond de Zon beweegt en bijgevolg daar meteoren zullen onderscheppen, terwijl aan de avondkant de meteoroïden eerst de Aarde moeten inhalen.




4.4. Kometen
Kometen zijn nevelachtige objecten. Ze hebben vaak hetzelfde uitzicht als nevels. Bij waarnemen moet men dan ook waarnemen zoals bij een nevel. De foto's van kometen, waarbij het object er veel duidelijker uitkomt dan met het blote oog, doen soms verwarring ontstaan met meteoren. Vergis je niet! Het helderst is de kern, dan de coma en dan de staart.

Deel 5: Deep-sky waarnemingen
5.1. Wat zijn deep-sky objecten?
Dit zijn in de ruime zin alle objecten die niet tot ons zonnestelsel behoren, dus gewone sterren, dubbelsterren, veranderlijken, nevels, sterrenhopen en melkwegstelsels.
a. Dubbelsterren

Een dubbelster is een stelsel van 2 of meer sterren die rond een gemeenschappelijk zwaartepunt wentelen. De bekenste zijn Alcor en Mizar,Lyrae, Albireo in de Zwaan, ndromedaen nog vele andere.



b. Veranderlijken sterren
Veranderlijke sterren zijn sterren die regelmatig of onregelmatig van helderheid veranderen. We kennen intrensieke en extrensieke veranderlijken. De intrensieke veranderen van helderheid tengevolge van een intern proces, meestal expansie en kontraktie en soms explosie (nova en supernova) De helderheidsveranderingen van extrensieken is te wijten aan een externe oorzaak. De bekendste daarvan zijn de bedekkingsveranderlijken, in feite dubbelsterren waarvan de minder heldere op regelmatige tijdstippen de heldere verduistert. De bekendste veranderlijke is de reuzester Mira in Cetus, waarvan de helderheid in 332 dagen van magnitude 1,7 naar 10,1 schommelt.

c. Sterrenhopen
Sterrenhopen kunnen we in open en bolvormige sterrenhopen onderverdelen.
* Open sterrenhopen

De open sterrenhopen kan men altijd onmiddellijk in sterren oplossen in een telescoop. De open sterrenhopen bevinden zich in het vlak van de Melkweg, bestaan uit jonge sterren en bevatten gemiddeld tientallen tot enkele honderden sterren. Doordat ze zich juist in het melkwegvlak bevinden zijn de meeste te zien in of in de nabijheid van de Melkweg. Vooral Cassiopeia, Auriga, Monocores, de Zwaan en Sagittarius zijn rijk aan open sterrenhopen. De bekendste zijn  en Persei, De Pleiaden, de Hyaden, Praesepe, M 31,...



* Bolvormige sterrenhopen

De bolvormige sterrenhopen daarentegen bestaan uit honderden of duizenden oude sterren en bevinden zich in het halo van het melkwegstelsel geconcentreerd rond de kern van ons melkwegstelsel. Daarom zijn ze niet in de Melkweg te zien, maar wel in de sterrenbeelden ernaast en vooral in Hercules en Ophiuchus. De bekenste zijn M 13, M 92 in Hercules, M 3 in de jachthonden en M 15 in Pegasus.



d. Nevels

Ook de nevels kan men in twee soorten indelen: in gewone gasnevels en sterrenresten.


* Gewone gasnevels

De gewone gasnevels worden aan het lichten gebracht door sterren erbij of erin, zoals de Orionnevel in Orion en de Lagunenvel in de Schutter, en/of weerkaatsen het licht van nabije sterren. Ze zijn ook de geboorteplaats van de sterren en komen altijd in het vlak van de Melkweg voor.


* Sterrenresten

De sterrenresten kunnen het resultaat zijn van het feit dat een ster haar buitenste laag heeft weggestoten. Deze vormen een schil rond de ster en zijn vanop de Aarde als een schijfje zichtbaar. Dit zijn de zogenaamde "planetaire" nevels. De bekendste zijn de Ringnevel in de Lier en de Halternevel in de Zwaan. Andere zijn het gevolg van een supernova of nova-explosie, zoals de Krabnevel in Taurus en de Sluiernevel in de Zwaan.



e. Melkwegstelsels
Melkwegstelsels zijn net zoals onze eigen Melkweg reusachtige verzamelingen van miljarden sterren, gas en stof. Ze zijn vooral zichtbaar in de sterrenbeelden Leo, Virgo, Coma Berenices, Canes Venatici en aan de herfsthemel. Aangezien de Melkweg niet door deze sterrenbeelden loopt, belemmeren de donkere stofwolken in de Melkweg daar het zicht niet.
Hier zullen we het echter hebben over deep-sky objecten in een beperkte zin, namelijk dubbelsterren, nevels, sterrenhopen en melkwegstelsels. We laten dus de gewone sterren en de veranderlijken weg, deze laatste omdat het waarnemen ervan een hoofdstuk apart is. Ook moet opgemerkt worden dat het waarnemen van kometen sterk verwant is met het waarnemen van nevelachtige deep-sky objecten.

5.2. De omstandigheden
Om deep-sky-objecten waar te nemen moet men eerst en vooral beschikken over een goeie seeing, vooral voor nevels. Hoe doorzichtiger en hoe rustiger de lucht is, hoe beter. Daarom is een heldere, droge vrieslucht werkelijk ideaal. De grote vijand van de deep-sky-waarnemers is hoge bewolking, zoals cirrusbewolking en ook nevel en mist, omdat deze van de hemel als het ware een matglas maken. Lagere bewolking zoals cumulus is veel minder hinderlijk omdat men dan nog tussen de zeer heldere "gaten" kan waarnemen, waar de voorbijtrekkende wolken al het stof hebben meegenomen.

Ook kiest men het best een waarnemingsplaats uit waar er zo weinig mogelijk storende verlichting is. Ook moet men er voor zorgen dat geen straat- of huisverlichting in de ogen schijnt.



5.3. De benodigdheden
Eerst en vooral een waarnemingsinstrument: een verrekijker of telescoop, want slechts weinig deep-sky-objecten zijn zichtbaar met het blote oog. Dit is het geval met de Pleiaden, Hyaden, Andromedanevel, Coma Bernices, en h Persei en de dubbelsterren. In teorie zijn wel een groter aantal deep-sky-objecten met het blote oog zichtbaar, maar in onze streken wordt dit belemmerd door het straatlicht.

Ten tweede: een sterrenkaart, waarop de deep-sky-objecten nauwkeurig aangeduid zijn. Zeer handig zijn de "Norton Star Atlas", "The Observer's Sky Atlas", "Een Waarnemingsprogramma voor Beginnende Amateurs" of "Sterrenkunde in Kleur".

En ten derde: een zaklamp met een rode lamp of een rood plastic, erop zodat men de ogen niet voortdurend moet aanpassen aan het donker als men de lamp aangestoken heeft. Wanneer al deze voorwaarden min of meer voldaan zijn, is het tijd om waar te nemen.

5.4. De waarnemingen zelf

a. Het instrument
Met een verrekijker zijn al een hele reex deep-sky-objecten zichtbaar. Vooral open sterrenhopen en heldere gasnevels, zoals de Orion- en de Lagunenevel, zijn zeker de moeite waard. Ook kunnen al veel dubbelsterren gescheiden worden met een 7x50 binoculair. Het opzoeken van het object met een verrekijker schept meestal geen problemen, doordat men met de verrekijker een relatief groot gedeelte van de hemel kan bekijken. Op die manier is een eenvoudige sterrenkaart reeds voldoende voor binoculairwaarnemers. Indien men over een fotostatief beschikt kan de verrekijker door middel van een speciaal vasthechtingsstukje op het stafief bevestigd worden, zodat het beeld niet voortdurend gaat trillen. Indien men dit niet bezit, kan nog altijd met de ellebogen op iets geleund worden. Zo kan de waarnemer met een verrekijker reeds heel wat plezier beleven aan de waarnemingen.
De tweede stap is de telescoop. Doorgaans kunnen met iedere telescoop deep-sky waarnemingen gedaan worden. Het is wel zo dat voor de wat zwakkere nevels en melkwegstelsels en voor deze die een hoge oppervlaktehelderheid bezitten, een reflector meer geschikt is omdat die lichtsterker is dan een refractor van dezelfde grootte. Tevens biedt een reflector een groter scheidend vermogen, dat wil zeggen dat met een reflector nauwe dubbelsterren te scheiden zijn. Maar het verschil tussen lenzen- en spiegelkijkers mag niet overdreven worden.
Wat kunnen we er nu allemaal mee zien?

Met de gemiddelde amateurtelescoop kunnen alle Messier-objecten en een groot aantal NGC-objecten worden waargenomen. Men kan de structuren van de Orionnevel, Halternevel, en andere heldere nevels zien. De "opening" van de Ringnevel wordt al zichtbaar. Bolvormige sterrenhopen krijgen een korrelig uitzicht, De zwakkere melkwegstels van de lentehemel kunnen herkend worden en de open sterrenhopen vullen soms het ganse beeldveld. Het aanbod van dubbelsterren wordt nu werkelijk overweldigend: met een 5 cm refractor kan men theoretisch dubbelsterren waarnemen met onderlinge afstand tot 2.4 boogseconden; met een reflector van 15 cm wordt dat al tot 0.8 boogseconden. Hiervoor moet men sterk uitvergroten en het is ook zo dat die theoretische waarden praktisch niet kunnen bereikt worden vanwege de turbulentie in de lucht en technische onvolmaaktheden van de telescoop.



b. Het opzoeken
Om deep-sky-objecten op te zoeken bestaan er verschillende manieren. Een ding moet steeds in het oog gehouden worden: gebruik de kleinst mogelijke vergroting om het op te zoeken. Bij een kleine vergroting bekijken we immers een groter deel van de hemel, zodat we meer kans hebben het object in beeld te krijgen. Voor objecten die reeds met het blote oog zichtbaar zijn bestaan er geen problemen bij het opzoeken. Andere weet men ongeveer liggen en zijn goed zichtbaar in de zoeker. Maar toch duiken vooral voor beginnende waarnemers problemen op bij het zoeken. Daarom bestaan er bepaalde methodes.
Eerst en vooral kan men op een goede sterrenkaart zoals "Nortons Star Atlas" kijken of men het object niet kan vinden op een verbindingslijn van twee sterren of het verlengde van die lijn. Zo kunnen reeds een tamelijk groot aantal objecten relatief gemakkelijk gevonden worden. Ook een tamelijk heldere ster in de buurt van een deep-sky-object vergemakkelijkt het zoeken. Deze methode wordt vooral gebruikt voor kijkers, zowel met een parallactische als azimutale opstelling. Met een azimutale opstelling is dit zelfs de enige methode.
Maar voor kijkers met een nauwkeurige parallactische montering is er een vluggere methode: Men kan door middel van de hemelcoördinaten "declinatie" en "rechte klimming" het deep-sky-object onmiddelijk vinden. Hiervoor moet men wel zo precies mogelijk kunnen aflezen op de deelcirkels, d.w.z. de deelcirkels moeten een voldoende gedetailleerde schaalverdeling bezitten. Grote deelcirkels hebben dus de nauwkeurigste schaalverdeling. Het is zo dat men slechts gemakkelijk met de deelcirkels kan werken als deze een diameter bezitten van één vijftiende van de brandpuntsafstand van de telescoop. En het spreekt vanzelf dat de poolas van de telescoop precies naar de hemelpool gericht moet zijn.

Wanneer is het uitvergroten nu de moeite waard ? Hier maken we een onderscheid tussen objecten met een eerder hoge oppervlaktehelderheid en objecten met een lage oppvervlaktehelderheid. Dit wil zeggen dat een deep-sky-object op zijn geheel helder kan zijn, maar door de uitgestrektheid aan de hemel het object een lichtzwakke indruk nalaat. Zo'n object heeft een lage oppervlaktehelderheid en moet altijd met de kleinste vergroting of met een lichtsterke verrekijker waargenomen worden. Het spreekt vanzelf dat lichtsterke kijkers met een grote objectiefdoormeter hier zeer geschikt zijn. Het beste voorbeeld van zo'n een deep-sky object is de spiraalnevel M 33 in de Driehoek, die wel van magnitude 6,8 is, maar die een gebied inneemt groter dan de volle Maan. We zien dit stelsel immers in boven- of onderaanzicht. In een amateurtelescoop zien we slechts de kern als een onopvallend vlekje.

Objecten met een hogere oppervlaktehelderheid kunnen uitvergroot worden, alhoewel ook hier het ene object zich beter leent voor uitvergroting dan het andere. Grote heldere sterrenhopen zoals de Pleiaden, Praesepe,  en h Persei en M 39 hoeven eigenlijk geen uitvergroting omdat ze anders niet meer helemaal in beeld kunnen. Kleinere open sterrenhopen zoals M 52, M 36, M 37 en M 38 lonen wel eens de moeite om uitvergroot te worden. Ook de bolvormige sterrenhopen, vooral de heldere zoals M 3, M 13, M 92, ... zijn mooi bij een vergroting van 100 maal. En kleine planetaire nevels zoals de Ringnevel tonen meer details bij zo'n vergroting.

Deel6: Zonnewaarnemingen.
6.1. Verschijnselen op de Zon

6.1.1. Zonne-activiteit
De Zon is een zeer woelig hemelobject. Voortdurend kan men in haar atmos­feer of op haar oppervlak verschijnselen waarnemen. Zo zien we vlekken ontstaan, groeien en weer verdwijnen, protuberansen rijzen omhoog in de chromosfeer, zonnevlammen flitsen op en de fakkels reizen met de zonnevlekken mee. Deze vier verschijnselen behoren tot de “actieve Zon” of de "zonneactiviteit". Gewoonlijk zijn ze met een "actief gebied" geassocieerd en nauw verbonden met het magnetis­me van de Zon. De zonet opgesomde verschijnselen keren steeds terug met een cyclustijd van zo' n 11 jaar. In het begin van die 11-jaren periode, tijdens het minimum, zijn heel weinig verschijnselen te zien. Na drie tot vijf jaar neemt het aantal verschijnselen alsmede de heftigheid ervan snel toe. Bij het begin van de 11 jaar staan de verschijnselen op vrij hoge zonne-breedte, dit wil zeggen op bijvoorbeeld een 35°, om daarna geleidelijk naar de zonne-evenaar te verschuiven

A) Zonnevlekken.

Op de Zon zijn ze zichtbaar als donkere vlekjes. In feite zijn het putjes op het zonneoppervlak die koeler zijn dan de rest van het zonneoppervlak, doordat het magneetveld ervoor zorgt dat de convectie (het opstijgen van hete gasmassa's) wat wordt afgeremd. Aangezien er nu minder energierijk gas het zonneoppervlak bereikt, bereikt er ook in het totaal minder energie het oppervlak, zodat dit gebied minder straling uitzendt, en dus donkerder en koe­ler is dan de rest van de fotosfeer. We kunnen een donker en een minder donker gebied in een zonnevlek onder­scheiden: de umbra en de penumbra waar de temperatuur respectievelijk 2000 K en 500 K lager ligt. Bij grote uitvergroting zijn in de penumbra donkere strepen zichtbaar: de striae: dit is materie die uit de pe­numbra naar de fotosfeer stroomt.

De dia­meter van een zonnevlek ligt tussen de 2000 en de 100 000 kilometer. Vlekken komen meestal in groep voor. De grote vlekken zijn dus veel groter dan de Aarde. Gemiddeld blijven vlekken 1 tot enkele weken bestaan, maar gedurende die weken maken zij een gans "leven" door. Ze ontstaan als poriën. Dit zijn kleine vlek­ken zonder penumbra, die groter worden. Tevens wordt het aantal vlekken in de groep groter. Daarna kunnen deze vlekken reusachtig worden, vooral tijdens of in de nabijheid van een zonnemaximum, om daarna tenslotte op­nieuw kleiner te worden en te verdwijnen.

Ook interessant is het wilsoneffect: wanneer we grote zonnevlekken aan de zonne­rand zien staan is soms bij zeer goede omstandigheden en bij uitvergroting een soort ondiepe put zichtbaar in de fotosfeer: dit bewijst het putkarakter van een zonnevlek. De zonneactiviteit wordt aangeduid met behulp van het wolfgetal. Dit getal wordt berekend met behulp van het aantal zonnevlekken die op dat bepaald tijdstip zichtbaar zijn: Wolff-getal = aantal vlekken + 10 x aan­tal groepen. Meestal wordt dit Wolff-getal dan nog met een correctiefactor vermenigvuldigd. Deze factor is onder meer afhankelijk van het type kijker en de waarnemer. Met behulp van het wolff-ge­tal kan men de zonneactiviteit in grafiek weergeven.


B) Fakkels

Dit zijn heldere vlekken op de Zon, die aan de rand van de zon soms zeer helder, maar in het midden bijna niet te zien zijn ten gevolge van de randverzwakking. Met randverzwakking wordt bedoeld dat de rand van het zonneoppervlak minder lichtkrachtig lijkt te zijn als de rest. Dit is te verklaren door ben feit dat de Zon bolvormig is, waardoor men aan de rand van de zonneschijf minder diep in de fotosfeer kijkt dan in het midden. Aan de rand nemen we hoger gelegen gebieden waar. Deze hebben een lagere temperatuur en dus een kleinere lichtkracht, zodat de randen wat donkerder lijken dan de rest. Op die manier is het contrast groter tussen de witte fakkels en de achtergrond. Ze zijn dikwijls te zien in fakkelvelden, die ontstaan in actieve gebieden een paar dagen voor het verschijnen van de zonnevlekken. Ze zijn lichtsterker dan de rest van het oppervlak omdat ze ongeveer 100 K heter zijn dan de rest van het oppervlak. Ook in fakkels komen er magneetvelden voor.


C) Zonnevlammen

Zonnevlammen zijn lichtstipjes die in een paar minuten of seconden oplichten, en daarna in een kwartier weer afnemen in helderheid. Dit alles speelt zich af in de chromosfeer. De temperatuur van een vlam is iets hoger dan die van de chromosfeer; de dichtheid is er 100 tot 1 000 x groter, want hier worden gas­massa's met snelheden van duizenden kilometer per seconde omhooggestuwd. Daar­bij worden protonen en elektronen met snelbeden van 100 000 kilometer per secon­de uitgestoten. Wanneer die deeltjes in de poolgebieden van de Aarde doordringen, kan het radioverkeer op de korte golflengtes gestoord worden. Tevens kunnen er sterke uitbarstingen van röntgenstraling voorkomen, of kunnen bij zeer sterke zonnevlammen atoomkernen worden weggeslingerd. Dit veroorzaakt dan een toename van kosmische straling. Nog spectaculairder zijn protuberansen.


D) Protuberansen

Protuberansen zijn zonneverschijnselen die zeer dicht bij zonnevlekken voorkomen. We zien ze als purperrode gasmassa's zeer ver boven de chromosfeer in de corona, bij zonsverduistering of door een protuberansenkuker (zie wat verder). Hier vloeit de uitgestoten zonnematerie omhoog langs de magnetische veldlijnen, die uit de fotosfeer zijn gebarsten. Diezelfde materie valt langs dezelfde veldlijnen ook terug op de Zon. De temperatuur is hier lager dan die in de omgevende corona, maar de dichtheid is er veel groter. Langlevende pro­tuberansen blijven weken tot maanden bestaan, maar dan toch wel met talrijke veranderingen van vorm. Kortlevende protuberansen blijven slecbts 10 tot 20 minuten bestaan worden. Gemiddeld zijn de protuberansen 10 000 tot 40 000 kilometer dik. De hoogte ervan kan oplopen tot 300 000 kilometer.





6.1.2. Verschijnselen die altijd zichtbaar zijn.
A) De granulatie

is zichtbaar als een korrelige structuur op het zonneopper­vlak: heldere vlekjes zijn zichtbaar op een donkere achtergrond. Deze heldere korreltjes zijn in feite de granulatiecellen, dit is in feite een verzameling van reusachtige hoeveelheden heet gas dat aan het oppervlak opborrelt. De middel­lijnen van deze gasbellen variëren van 600 tot 2 000 kilometer en ze blijven minimum 10 minuten bestaan. Voortdurend ontstaan er nieuwe granulen en ver­dwijnen er andere. Ze zijn helderder dan de rest van het oppervlak doordat ze ook heter zijn. Het gas stroomt hier omhoog en in de donkere tussenruimten terug naar beneden.

Zeer grote granulatiecellen worden supergra­nulatiecellen genoemd: ze hebben een doormeter die is gelegen tussen 20 000 en 40 000 kilometer (groter dan de doormeter van de Aarde)
B) De spicules.

Dit is een naaldachtige of grassprietachtige structuur in de chromosfeer van de Zon, die vaak vertrekt vanuit het chromosferisch netwerk en bestaat uit opgestuwde gassen. Ze bebben diame­ters van ongeveer 1000 kilometer en strekken zich uit tot 10 000 kilometer boven de rand van de fotosfeer. Ze blijven maar gedurende enkele minuten bestaan.


6.2. Waarnemen van de verschijnselen op de Zon

Dit kan gebeuren met het blote oog, met een binoculair (verrekijker) of een telescoop. De twee eerste methoden zijn eenvoudig en worden verder in deze cursus besproken. Hier spitsen we ons toe op datgene wat de sterrekijker ons te bieden beeft. Zowel voor het blote oog, de verrekijker als de telescoop moet het volgende in acht worden genomen: NOOIT ZONDER VERANTWOORDE BESCHERMING NAAR DE ZON KIJKEN.



6.2.2. Filters
Een eerste veelgebruikte methode is het gebruiken van een zonnefilter, dat onderaan het oculair bevestigd wordt. Toch is dit sterk af te raden, vooral voor kijkers met een tamelijk grote objectiefdoormeter. Door de grote hitte die bij het waarnemen van de Zon in het oculair aanwezig is, kan de filter soms barsten. Daarbij is deze methode zeer vermoeiend en soms schadelijk voor het oog. Een dergelijk filter in combinatie met een zonneprisma, dat het grootste deel van de zonnehitte en -warmte afbuigt kan wel gebruikt worden.

Beter plaatst men een uit mylar gemaakt filter van SOLAR SCREEN voor het objektief. Dit is een zeer veilige methode, niet schadelijk en weinig vermoeiend voor het oog, die toch toelaat een behoorlijk aantal details waar te nemen. Het kan ook op een telelens geplaatst worden om de gedeeltelijke fase van een zonsverduistering waar te nemen. Het solar screen is wel zeer onderhevig aan slijtage. Wel bestaan er ook duurdere en soliedere objectieffilters, die uit glas en een filterende laag bestaan.

Daarnaast bestaan er nog speciale filters, zoals het H-alpha-filter, dat alleen het rode licht van geioniseerd waterstof doorlaat. Daardoor worden een reusachtig aantal details zichtbaar, zoals de fakkels, zonnevlekken, granulatie, filamenten, zonnevlammen en zelfs protuberansen.

6.2.3. Projectie
De meest gebruikte methode is echter de projectie: de zonneschijf wordt geprojecteerd op een wit schermpje dat aan de telescoop is bevestigd. Daarop zullen, zoals bij de eenvoudige oculair-en objectieffilters, enkel de zonnevlekken, fakkels en granulatie te zien zijn. Maar dit is de veiligste methode. Op deze manier kan de zon het gemakkelijkst worden overgetekend op waarnemings­formulieren. Men kan een beter beeld verkrijgen door het scherm wat af te schermen met een stuk karton.

Het solar-screen en het projectiescherm kunnen ook bij de verrekijker worden gebruikt.



6.3.3. De protuberansenkijker
Ook bestaat een speciaal instrument om protuberansen waar te nemen en te fotograferen. Bij dit instrument worden in feite totale zonsverduisteringen gesimuleerd: de zonneschijf wordt afgedekt waardoor de minder lichtsterke protuberansen zichtbaar worden. De protuberensenkijker wordt steeds met een veilig roodfilter gebruikt.

Anderzijds is het wel zo dat met een H-alpha-filter protuberansen zichtbaar zijn, doch om deze te fotograferen zou men de rest van de zon moeten overbelichten omdat protuberansen nu eenmaal lichtzwakker zijn. Indien we nu met de protuberansen­kijker naar het hooggebergte zouden verhuizen, kan door de zeer doorzichtige lucht alginds, de corona worden waargenomen. Leve het gebergte !



Deel 7: Astrofotografie
Een van de boeiendste takken van de amateurastronomie is het fotograferen van de hemelobjecten. Het is dan ook iets waarvan heel wat amateurastronomen hun specialiteit gemaakt hebben. Met onderstaand kort overzicht van de mogelijkheden van de astrofotografie willen we duidelijk maken dat een duur fototoestel en een grote telescoop geen vereiste zijn om Maan, sterren en planeten te fotograferen. In de eerste plaats speelt de degelijkheid van het materiaal, de filmkeuze, de weersomstandigheden en de inzet en geduld van de fotograaf een grote rol.


7.1. Astrofotografie met een fotostatief
Een onuitputtelijke bron van fotografeerplezier is de sterrenhemel, zoals men die gewoon met het blote oog ziet. Om dit te fotograferen heeft men enkel een fotostatief, draadontspanner en fototoestel met B-stand nodig (om met de draadontspanner de sluiter lang open te kunnen zetten). Een reflexcamera, waarbij men rechtstreeks door de lens kijkt, is hier geen vereiste. Wel moet men het diafragma en de afstanden kunnen afregelen.

Men neemt nu een gevoelige film (200 ISO, 400 ISO of meer). Een kleurenfilm is hier het meest aangewezen om ook de kleuren van de hemellichamen vast te leggen. U zet naargelang de hoeveelheid storend straatlicht het diafragma op 2.8 of 4 en de afstand op oneindig.

Nu hoeft U enkel nog Uw belichtingstijd te kiezen. Wilt U de sterren als puntjes fotograferen, dan belicht U ongeveer 20 seconden. Indien U enkele minuten belicht zijn de sterren op het fotonegatief als streepjes te zienten als gevolg van de aswenteling van de Aarde. Dit noemt men sterrensporen.

Op deze manier kunt U heel wat fotograferen: de stand van de planeten tussen de sterren, samenstanden tussen planeten, sterren en Maan, zons- en maansverduisteringen en meteoren. U kunt er zelfs uw specialiteit van maken kunstzinnige opnamen te maken met bomen, huizen, het landschap, enz... op de voorgrond. Ook opnamen in de avondschemering geven altijd een mooi resultaat.




7.2 Op piggy-back montering
Indien men lang wil belichten en daarbij wil verhinderen dat de sterren streepjes worden, dan moet men wel een telescoop gebruiken. Men plaatst dan het fototoestel met gevoelige film zoals in 6.1. op de montering van de telescoop.

Om goed te kunnen meevolgen moet de telescoop wel zeer goed parallactisch opgesteld zijn, dit wil zeggen de poolas van de kijker moet samenvallen met de aardas. Hoe we daarbij tewerk gaan kunt u lezen in vorig hoofdstuk.

Het meevolgen gebeurt met een volgmotor op de montering van de telescoop. Soms moet de beweging van de telescoop wat gecorrigeerd worden. Daarom wordt meegevolgd door de fotograaf, die doorheen de kijker een ster met een kruisdraadoculair in het oog houdt. Zo kan men meevolgen gedurende 10 à 20 minuten of zelfs veel langer.

Indien de kijker goed is opgesteld en men dus niet te veel moet corrigeren, kan men prachtige resultaten verkrijgen. Vooral opnamen van de Melkweg scoren hier goed. In de sterrenbeelden ziet men al veel meer dan men het blote oog te zien is, zoals sterrenhopen en nevels. Wanneer men dan het fototoestel van een telelens voorziet, komen heel wat deep-sky-objecten, zoals de Orionnevel, de Pleiaden, de Andromedanevel en de Noord-Amerikanevel, tot hun volle pracht.

Toch is het nodig voor zulke langbelichte opnamen een donkere tot zeer donkere plaats op het platteland op te zoeken. Heel wat amateurs trekken naar het zuiden van Frankrijk om er de prachtige zomermelkweg te fotograferen.
7.3. Fotografie door de telescoop zelf

a. In het primair brandpunt van de telescoop
De meeste resultaten kan men natuurlijk bereiken door doorheen de telescoop te fotograferen. De eenvoudigste mogelijkheid hier is de telescoop als reuzetelelens te gebruiken. Daarvoor heeft men dan wel een reflexcamera nodig, waarbij men rechtstreeks door het objectief van het fototoestel kijkt. Men neemt dit objectief af en bevestigt de camerabody aan de telescoopbuis, waar men normaal het oculair plaatst.

Dit gebeurt door middel van een speciale adaptor en een tussenring die aangepast is aan het type fototoestel. Dit alles is te verkrijgen bij de telescoophandelaar. Ook hier hebben we de draadontspanner nodig. Op die manier kan men met laag- tot middelgevoelige films (25 tot 100 ISO) de Maan in al haar pracht fotograferen. Voor de planeten gebruikt men eveneens middelgevoelige films. Vooral de contrastrijke TP2415 wordt hier vaak door amateurs gebruikt. De belichtingstijd hangt af van de grootte van de telescoop, de weersomstandigheden, het object en de film. De grootte-ordes voor planeetfotografie variëren meestal van 1/30 seconde tot 1 seconde. Hier speelt de ondervinding en het systematisch bijhouden van de geslaagde belichtingstijden een grote rol.

Natuurlijk kan men op die manier ook deep-sky-objecten fotograferen. Dan moet men in tegenstelling tot planeten en Maan wel heel wat langer belichten (enkele tientallen minuten bvb.). Daarom is de kijker dan ook voorzien van een kleinere volgkijker, om bij het volgen eventueel korrekties aan te brengen.

b. Met oculairprojectie
Wil men nog meer uitvergroten, dan moet men in de camera-adaptor een oculair plaatsen. Deze gaat dan het beeld uitvergroten en op de gevoelige plaat projecteren. Met deze methode kan men prachtige detailopnamen van de Maan maken, waarop reeds details van enkele kilometers te zien zijn. Ook planeten en kleinere deep-sky-objecten worden meestal op deze manier gefotografeerd. Om de zonnevlekken te fotograferen moet wel een filter en laaggevoelige film gebruikt worden.

c. Enkele raadgevingen
* De telescoop: moet voorzien zijn van een stevige montering en parallactisch opgesteld zijn. Bij de meeste opnamen moet er om wazigheid in het beeld te verhinderen met een motor gevolgd worden.
* Het weer: naast bewolking is ook turbulentie (het "wiebelen" van het beeld ten gevolge van warme lucht in beweging) uit den boze, om onscherpe opnamen te vermijden.
* Scherpstellen: dit is veruit het belangrijkste in de astrofotografie. Neem er de nodige tijd voor en zet steeds scherp met uw bril aan indien u er een draagt.

7.4. Overzicht van de filmkeuze
- Maan: van 25 tot 100 ISO, TP 2415

- Zon: 25 of 50 ISO

- Planeten: van 50 tot 200 ISO, TP 2415

- Deep-sky: 200 ISO, 400 ISO en meer, TP 2415


Speciale films en ontwikkeling.

Wanneer een gewone film lang wordt belicht, neemt de gevoeligheid ervan snel af. Voor lange belichtingstijden is het dus noodzakelijk om een film te kiezen die daar ongevoelig voor is. De meest geschikte film is hier de gasbehandelde Kodak Technical-Pan film, die men bij gepecialiseerde firma’s kan verkrijgen. De film moet direct na ontvangst in de diepvries geplaatst worden en dient in ieder geval in een droge omgeving in de camera te worden geplaatst. Na belichting moet de film zo snle mogelijk ontwikkeld worden, wat men ook meestal zelf moet doen.


Kleurenfilms zijn de laatste tijd aan heel wat veranderingen onderhevig en leveren over het algemeen goede resultaten op: er zijn zelfs kleurenfilms tot 1000 en 1600 ISO. Men kan deze bij een fotocentrale laten ontwikkelen.


7.5. Gebruik van de CCD
De digitale CCD-fotocamera is sterk in opkomst. Het gebruik van deze digitale camera is voor de astronomie echter beperkt, vanwege de beperkte belichtingstijden. Zon- en maanfotografie is met deze camera wel goed mogelijk. De CCD-videocamera wordt ook gebruikt en is bij uitstek geschikt voor maans- en zonsverduisteringen en verschijnselen als een ster- of planeetbedekking door de maan.
Voor sterrenkundige doeleinden bestaan er speciale CCD-astrocamera’s. Veel ervaren amateurs stappen ondanks het forse prijskaartje (vanaf 40000 BF) over op CCD, vanwege de hoge gevoeligheid van deze krachtige detectiesystemen. Doordat het beeld digitaal is, kunnen ook hier de beelden makkelijk worden bewerkt. Een nadeel van deze camera’s is dat de grootte van de detectors klein is, met andere woorden dat het afgebeelde klein is. Grote chips zijn er wel, maar deze zijn uiterst kostbaar. Sommige complete systemen, zoals van Meade, laten toe automatisch aaneengesloten velden aan elkaar vast te ‘plakken’, zodat het lijkt alsof er met een veel grotere camera is gewerkt. De SBIG ST-5C, -6, -7 en –8 en de Meade Pictorserie zijn veel gebruikte camera’s. Onder de Europese fabrikanten kennen we de HI-SIS camera’s en de Starlight Xpress camera’s (o.a. de MX-). Deze laatste is erg bijzonder, want er kunnen direct kleuropnames mee worden gemaakt! Andere camera’s vergen voor kleurenbeelden van een object meerdere opnamen met verschillende filters.
CCD’s worden ook bij conventionele fotografie toegepast en wel om automatisch te volgen. Naast de SBIG ST-4 is er ook de enkel voor dit doel gemaakte Meade Pictor 201XT. Vooral voor lange belichtingstijden zijn deze volgsystemen zeer handig!






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina