Algemene chemie fysische chemie organische chemie



Dovnload 286.41 Kb.
Pagina7/7
Datum24.08.2016
Grootte286.41 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Spectrum 3 van een oplossing waarvan de pH zo veel groter is dan de pKz, dat in de oplossing vrijwel uitsluitend Bƒ{ aanwezig is.

Figuur 70 Absorptiespectra van HIn

Uit de spectra 2 en 3 bij pH = 1 en pH = 13 (fig 70) kunnen we de molaire extinctiecoëfficiënten bepalen van het zuur (HB) en de geconjugeerde base (Bƒ{), bij twee golflengten, die niet willekeurig zijn te kiezen; het zijn de golflengten in de absorptiemaxima van HB resp. Bƒ{. Bij dezelfde twee golflengten bepalen we de extincties van oplossing waarin zowel HB als Bƒ{ aanwezig zijn (spectrum 1). Met behulp van de wet van Lambert-Beer voor een mengsel kunnen we nu uit twee vergelijkingen de twee onbekenden, namelijk de concentraties van HB en van Bƒ{ in deze oplossing. berekenen. De logaritme van het quotiënt van deze twee concentraties opgeteld bij de pH van de oplossing levert de waarde van pKa. Het spreekt vanzelf dat de hier besproken methode alleen toepasbaar is als de verbinding in het ultraviolette of zichtbare gebied een absorptie vertoont en als de absorptie van zuur en geconjugeerde base van elkaar verschillen, zodat

µ § Formule 12

Wanneer µ § gaat Formule 11 over in µ §


NMR-spectrometrie XE "spectrometrie:NMR-" §

Inleiding

Protonen en neutronen draaien om een inwendige as (spin). Omdat een proton (waterstofkern) een (positieve) lading heeft, veroorzaakt deze spin een magnetisch moment langs deze as; dat wil zeggen dat een waterstofatoom zich gedraagt als een klein magneetje. Deze eigenschap werd door Pauli in 1924 gepostuleerd. Pas in 1946 echter waren Bloch in Stanford en Purcell in Harvard onafhankelijk van elkaar in staat deze eigenschap experimenteel te bewijzen. Niet alleen waterstof, maar alle kernen met een oneven aantal kerndeeltjes (neutronen en protonen) hebben een magnetisch moment (Tabel 12).

Tabel 12 Magnetisch moment van kernen

kernvoorkomen %protonenneutronenmagnetisch1H99,984„^ja2H0,016„^„^ja4He100„^„`„^„`nee10B19,612„^„`+„^2„^„`+„^ja11B80,392„^„`+„^3„^„`ja12C98,893„^„`3„^„`nee13C1,113„^„`3„^„`+„^ja14N99,643„^„`+„^3„^„`+„^ja15N0,363„^„`+„^4„^„`ja16O99,764„^„`4„^„`nee19F1004„^„`+„^5„^„`ja31P1007„^„`+„^8„^„`ja32S95,06 8„^„`8„^„`neeDe atoomsoorten waterstof en koolstof komen het meest voor in organische moleculen. Omdat het belangrijkste koolstofatoom niet magnetisch is, beperken we onze aandacht tot het magnetisch gedrag XE "magnetisch gedrag" § van de waterstofkernen.

figuur 71 Schema van een NMR spectrometer

figuur 72 Resonantie vs veldsterkte

Het ‘protonmagneetje’ XE "protonmagneetje" § kan in een uitwendig magnetisch veld maar twee oriëntaties (figuur 72) hebben: gericht met het uitwendige veld mee (stabiele toestand) of er tegen in (onstabiele toestand). In een NMR apparaat wordt een monster (dat waterstof bevat) bestraald met elektromagnetische straling van een (radio)frequentie die overeenkomt met het energieverschil tussen deze twee toestanden (figuur 71 ).

Chemische verschuiving

Niet alle waterstofatomen absorberen straling van exact dezelfde frequentie. Dat komt omdat het proton een effectief magnetisch veld H voelt. En dit effectieve magneetveld is niet exact gelijk aan het uitwendige veld Ho. De effectieve veldsterkte die een proton voelt hangt af van zijn omgeving, onder meer van de elektronendichtheid bij het proton en de aanwezigheid van andere protonen in de directe omgeving. Bij een gegeven radiofrequentie absorberen alle protonen bij dezelfde effectieve veldsterkte XE "veldsterkte:effectieve" §, maar ze absorberen bij verschillende aangelegde veldsterkte.

Als een molecuul in een magnetisch veld geplaatst wordt ƒ{zoals bij het maken van een NMR-spectrumƒ{ gaan zijn elektronen rondcirkelen en deze veroorzaken een geïnduceerd magnetisch veld. Als het geïnduceerde magnetische veld is gericht tegen het aangelegde veld (dit is het geval als de elektronen om het proton zelf cirkelen) wordt de effectieve veldsterkte kleiner. Men zegt in dat geval dat het proton wordt afgeschermd (shielded); het absorbeert dan bij een sterker aangelegd veld (hoger veld). Cirkelen van (vooral ƒà-)elektronen rond kernen in de buurt veroorzaakt (afhankelijk van de oriëntatie van deze ƒà-elektronen ten opzichte van de H-kernen) een versterking (deshielding; bijvoorbeeld bij benzeenringen) of een verzwakking (shielding; bijvoorbeeld bij ethyn) van de effectieve veldsterkte. Hierdoor verschuift de absorptie naar een respectievelijk lager en hoger veld. De chemische verschuiving XE "chemische:verschuiving" § ƒã wordt gedefinieerd in ppm

ƒ{miljoenste delen van het aangelegde veld Ho (vaak 60 MHz). µ §

Als referentie XE "referentie" § neemt men tetramethylsilaan (CH3)4Si met ƒã = 0,0. Vanwege de geringe elektronegativiteit van silicium is de afscherming van zijn protonen groter dan in de meeste andere moleculen: een grotere * betekent dus een grotere verschuiving naar laag veld. Meestal ligt ƒã tussen 0 en 10.

Voorbeeld 1: Protonen in een methylgroep hebben een kleinere chemische verschuiving dan protonen in een fenylgroep; de elektronen in een methylgroep (met enkelvoudige bindingen) rond de H-kernen zelf schermen af (maar minder dan bij TMS), terwijl de Ĉ-elektronen in de fenylgroep (met dubbele bindingen) rond de kernen in de buurt het effectief magnetisch veld juist versterken.

figuur 73 Overzicht van ċ-waarden

Voorbeeld 2: Doordat zuurstof elektronegatiever is dan koolstof zal de elektronendichtheid van het proton in -OH bindingen kleiner zijn dan van een proton in Cƒ{H-bindingen. Het proton in Cƒ{H-bindingen wordt daardoor meer afgeschermd van het magneetveld en zal bij een hoger veld energie opnemen (resoneren) dan het -OH proton.

Tabel 13 Karakteristieke waarden van de chemische verschuiving ċ

karakteristieke ċ- (chemische verschuiving) waarden

(verdunde oplossing in chloroform)soort protonachemische verschuivingbsoort protonachemische verschuivingbppmHzcppmHzcR-CH30,954RCOƒ{CH32,3126R-CH2-R1,378R-CH2-Cl3,7220R3CH2,0120R-CH2-Br3,5210R2C=CH2„l5,0300R-CH2-I3,2190R2C=CHR„l5,3320R-CH(-Cl)2d5,8350C6H5ƒ{H7,3440R-O-CH33,8220RC„kCH2,5150(R-O-)2CH2d5,3320R2C=CRCH3„l1,8108RCOƒ{H9,7580C6H5ƒ{CH32,3140R-O-H„l5e300eC6H5ƒ{OH„l7e420eRCOƒ{OH„l11e660ea Het proton dat resoneert is dik aangegeven. Groep R is een verzadigde koolwaterstofketen.

b Ten opzichte van tetramethylsilaan (= 0,00 ppm).

c Spectrometerfrequentie is 60 MHz.

d Merk op dat de verschuiving veroorzaakt door twee chlooratomen of twee RO-groepen weliswaar groter is dan die van één atoom of atoomgroep, maar zeker niet tweemaal zo groot.

e Afhankelijk van het oplosmiddel, de concentratie en de temperatuur.

Binnen een groep (bijvoorbeeld een methylgroep) zijn de protonen equivalent. Ze hebben dan ook dezelfde chemische verschuiving. Het aantal signalen geeft aan hoeveel verschillende ‘soorten’ protonen er zijn. De positie van de signalen geeft informatie over de elektronenomgeving van elk soort proton. Ethanol heeft drie verschillende soorten protonen: die van de CH3-, de CH2- en de OH-groep. Dit geeft drie lijnen in het NMR spectrum van ethanol.

Belangrijk: de exacte positie is afhankelijk van de aard van de buuratomen!

Spin-spinkoppeling XE "spin:-spinkoppeling" §

Bij NMR-instrumenten met een hoog oplossend vermogen XE "oplossend vermogen" § blijken de pieken fijnstructuur te vertonen. Dit wordt veroorzaakt doordat het effectieve veld van kern A beïnvloed wordt door de spins van naburige kernen B. Een verschil in spinoriëntatie veroorzaakt een klein verschil in effectieve veldsterkte en dus ook in de positie van het signaal. Het effectieve veld dat een proton ‘voelt’ wordt groter en kleiner door het magnetische veld dat door de omringende protonen wordt veroorzaakt (Tabel 14). De opsplitsing van een signaal in meerdere pieken zegt iets over de omgeving van een proton met betrekking tot andere naburige protonen. Het patroon van een piek geeft informatie over het aantal buurkernen.

Zo blijkt in het NMR-spectrum van ethanol bij toenemend oplossend vermogen de CH3-lijn en de CH2 lijn een fijnere structuur te bezitten. De CH3-lijn vormt een triplet en de CH2-lijn een kwartet. Dit effect staat bekend als spin-spin koppeling. Het OH-proton laat geen meervoudige lijn zien omdat het zeer snel uitwisselt met het oplosmiddel.

Tabel 14 Multipliciteit XE "multipliciteit" § ten gevolge van spin-spinkoppeling

totale spinCH2-protonentotale spinCH3-protonen+1

0

-1„^„^


„^„` „`„^

„`„`+3/2


+1/2

-1/2


-3/2„^„^„^

„^„^„^ „^„`„^ „`„^„^

„^„`„` „`„^„` „`„`„^

„`„`„`Piekoppervlak

De intensiteit van de signalen geeft aan hoeveel protonen van elk soort (equivalente protonen) er zijn. Het oppervlak van een piek XE "piek:-oppervlak" § is evenredig met het aantal equivalente protonen.

Equivalente protonen zijn protonen met dezelfde chemische omgeving; als je in elk van twee moleculen van een stof in gedachte een willekeurig proton vervangt door een ander atoom Z en je krijgt daarbij hetzelfde product (of een enantiomeer), dan was er sprake van equivalente protonen.

µ §

Door de verhouding van de integralen te bepalen is ook de verhouding van de aantallen equivalente protonen te bepalen. Als het totale aantal protonen bekend is (bijvoorbeeld via massaspectrometrie), dan kunnen de absolute aantallen berekend worden.



Bovenstaande leidt tot het bijgaande piekenpatroon bij ethanol.

Elk proton in CH2 ‘voelt’ vier verschillende spinrangschikkingen van CH3 en elk proton in CH3 ‘voelt’ drie verschillende spinrangschikkingen van CH2.

De piekhoogten XE "piek:-hoogte" § verhouden zich volgens een binomiale verdeling. Dit geeft het volgende opsplitsingsschema.
figuur 74 NMR-spectrum van ethanol

verhouding piekhoogtenaantal buren 1:3:3:1 1:2:1

ƒ{OH ƒ{CH2 ƒ{CH3 TMS

laag veld hoog veld


1

1 1


1 2 1

1 3 3 1


1 4 6 4 1

1 5 10 10 5 10

1

2

3



4

5

Samengevat:



Een set van n equivalente protonen splitst een NMR signaal op in een n+1 multiplet

Equivalente atomen splitsen zelf niet op

Bij paren multipletten XE "multiplet" § (die horen bij naast elkaar gelegen -vicinale- waterstofkernen) zijn de binnenste pieken - de pieken dichter bij het andere, gekoppelde multiplet- groter dan de buitenste.

De patronen kunnen veranderen met de meetcondities: bij hogere temperatuur kunnen bijvoorbeeld door opheffen van beperkte draaibaarheid H-kernen equivalent worden.


Massaspectrometrie

Principe

In de massaspectrometrie XE "massa:-spectrometrie" § bombardeert men in hoog vacuüm organische moleculen met elektronen van gemiddelde energie. Men analyseert vervolgens de bij dit bombardement verkregen geladen brokstukken. De positieve ionen met lading z en massa m worden versneld door versnellingsplaten met een negatieve potentiaal V. Hierbij krijgen ze een kinetische energie Ekin = ½ mv2 = zV en worden in de analysator door middel van een magnetisch veld met veldsterkte H afgebogen volgens (centrifugale kracht is centripetale kracht):

µ §„± µ §

Zo worden de brokstukken gesorteerd naar hun massa-ladingverhouding:

µ § en µ §

De straal van de cirkelbaan is dus een functie van ‘m over z’.

Doel


Het ‘brokstukkenpatroon’ XE "brokstukkenpatroon" § is afhankelijk van de energie van de bombardementelektronen en dient als unieke ‘vingerafdruk’ XE "vingerafdruk" § van het onderzochte molecuul. De intense piek met de hoogste m/z-waarde XE "m/z-waarde" § (de ‘parent’piek) is van bijzonder belang. Deze piek wordt veroorzaakt door het oorspronkelijke molecuul minus ƒºƒºn elektron en geeft dus uiterst nauwkeurig de molecuulmassa ervan weer.

Apparatuur

In de massaspectrometer XE "massa:-spectrometer" § kan men de veldsterkte H en de versnelspanning V continu veranderen. Men scant de m/z-waarden.

Men gebruikt in de praktijk vaak een combinatie van een scheidingsapparaat (meestal een gaschromatograaf XE "gas:-chromatograaf" §) met een massaspectrometer: GC-MS.

figuur 75 Massaspectrometer

Massaspectrum XE "massa:-spectrum" §, de chemie

In de spectrometer vinden reacties plaats volgens een bepaald patroon:

Ionisatieproces: M + eƒ{ „_ M+„h+ 2 eƒ{ (moleculair ion)

Fragmentatieproces XE "fragmentatieproces" §: M+„h „_ F1+ + (M ƒ{ F1)„h

M+„h „_ F2+ + (M ƒ{ F2)„h (fragmentatiestukken)

Mesomerie XE "mesomerie" § speelt een belangrijke rol bij de stabiliteit van de fragmentatiestukken (de lading kan dan over een groter molecuulgedeelte worden verdeeld).

ƒ{Bij ƒà-elektronensystemen kunnen meervoudig geladen ionen ontstaan. Hierdoor ontstaan ook pieken bij halve m/z waarden.ƒ{

Het ionisatieproces

XE "ionisatie:-proces" §M + eƒ{ „_ M+„h + 2 eƒ{

Ionisatievolgorde van elektronen: niet-bindende > meervoudige bindingen > enkele bindingen

Het fragmentatieproces

1. primaire afbraakregels XE "afbraakregel" § voor molecuulionen

a.
homolytische splitsingb.heterolytische splitsing

X = Cl, Br, I of een stabiel radicaal (R'O of R'S) c.McLafferty omlegging (XYZ =

ƒ{CHO, ƒ{COR, ƒ{COOH,

ƒ{COOR,ƒ{CONH2, ƒ{CONR1R2, ƒ{NO2,ƒ{CN, ƒ{C6H5 2. Ontledingen van acyliumionen (ontstaan uit aldehyden, ketonen, zuren, esters)

3. Ontledingen van oxonium, iminium, etc. ionen (ontstaan uit ethers, aminen, etc.)

Tabel 15 Karakteristieke neutrale fragmenten, afgesplitst van molecuulion M+„h

M+„h minusafgesplitsttype verbinding/groep1

15

18

28



29

34

35, 36



43

45

60H



CH3

H2O


C2H4, CO, N2

CHO, C2H5

H2S

Cl, HCl


CH3CO, C3H7

COOH


CH3COOHaldehyd (sommige ethers en aminen)

methylsubstituent

alcohol

C2H4 (McLafferty), CO (cyclisch keton)



aldehyd, ethylsubstituent

thiol


chloorverbinding

methylketon, propylsubstituent

carbonzuur

acetaat


Tabel 16 Structuur van belangrijke fragmentionen

m/zstructuurtype verbindingen29

30

43

29, 43, 57, 71, „m



39, 50, 51, 52, 65, 77

60

91



105CHO+

CH2NH2+


CH3CO+, C3H7+

C2H5+, C3H7+, „m

C3H3+, C4H3+, „m

CH3COOH+


C6H5CH2+

C6H5CO+aldehyd

primair amine

methylketon

onvertakte alkylgroep

aromatische verbinding

carbonzuur, acetaat, methylester

benzylische verbinding

benzoylverbinding„h m/z waarde van een molecuulion XE "molecuul:-ion" § is even, tenzij het molecuulion een oneven aantal N-atomen bevat.

„h fragmentionen XE "fragmention" § met even m/z kunnen wijzen op McLafferty

„h aromaten zijn herkenbaar aan m/z pieken 119, 105, 103, 91, 79, 77, 65, 51, 39

Massaspectra, voorbeelden

tabel 17 Massaspectrum van ethanol

moleculair ion en brokstukkenMolecuulmassa in uH3C-CH2-OH

H3C-CH=OH

H2C=C=OH


H2C=OH

H3C-CH2


H2C=CH46

45

43



31

29

27



figuur 76 Massaspectrum van 3-heptanon

Isotooppatronen

Bepaalde isotooppatronen XE "isotoop:-patroon" § treden op bij moleculen met Cl, Br, S en Si. Isotopen geven bepaalde intensiteitsverhoudingen XE "intensiteitsverhouding" § van piekgroepen.

Berekening van de intensiteitsverhouding

Natuurlijk voorkomen (abundantie) van isotopen:

35Cl = 75,8% (a) 37Cl = 24,2% (b)

79Br = 50,6% (a) 81Br = 49,4% (b)

De intensiteitsverhouding wordt dan gegeven door (a + b)n. Hierin is:

n = aantal Cl, Br atomen in het molecuul- of fragmention

a = abundantie van het lichtste isotoop

b = abundantie van het zwaarste isotoop
Voorbeeld: 2 chlooratomen in molecuul:

(0,758 + 0,242)2 = 0,7582 + 2„ª0,758„ª0,242 + 0,2422 = 0,575 + 0,367 + 0,0586 „±

I(M) : I(M+2) : I(M+4) = 0,575 : 0,367 : 0,0586 = 1 : 0,64 : 0,10
Voor 2 chlooratomen in een molecuul is dus I(M) : I(M+2) : I(M+4) = 1 : 0,64 : 0,10

Voor 2 broomatomen in een molecuul is I(M) : I(M+2) : I(M+4) = 1 : 1,95 : 0,9

Time of flight massaspectrometrie

In plaats van een ionscheiding op basis van m/z in een magneetveld kunnen deze ionen ook gescheiden worden op basis van hun snelheid. Hierbij is de eenvoudigste manier om deze snelheid te kunnen detecteren, het meten van de tijd die de ionen doen over het afleggen van een bepaalde afstand: dit wordt TOF-MS XE "spectrometrie: massa-:TOF" § genoemd.

Andere analysetechnieken

figuur 77 interferentie tussen golven (a) positief en (b) negatief

figuur 78 definitie van de hoek ć en de afstand d in de wet van Bragg

Röntgenstraalverstrooiing

XE "analyse:technieken" § XE "röntgen:-straalverstrooiing" §Om te begrijpen waarom von Laue op de gedachte kwam x-stralen XE "x-straal" § te gebruiken om het binnenste van vaste stoffen te onderzoeken, dienen we te weten dat er interferentie op kan treden tussen golven. Stel je je twee golven elektromagnetische straling voor in hetzelfde gebied van de ruimte. Als de pieken en dalen van beide golven samenvallen, versterken ze elkaar waardoor een golf met grotere amplitude ontstaat (figuur 77). Deze toename van amplitude noemt men positieve interferentie. Als men de interferentiegolf fotografisch detecteert zal het vlekje helderder zijn dan dat van de afzonderlijke stralen. Als de pieken van de ene golf echter samenvallen met de dalen van de andere, doven ze elkaar gedeeltelijk uit en geven een golf met kleinere amplitude. Deze uitdoving noemt men negatieve interferentie XE "interferentie:negatieve" §. Bij fotografische detectie zal het vlekje minder helder zijn. Geen vlek is waarneembaar als van beide golven de pieken en dalen perfect samenvallen. Dan is de uitdoving compleet.

Bij verstrooiing is is er sprake van interferentie tussen golven die wordt veroorzaakt door een voorwerp op hun weg. Het ontstane patroon van heldere vlekken tegen een donkere achtergrond noemt men een diffractiepatroon. Een kristal zorgt voor verstrooiing van x-stralen en men verkrijgt een heldere vlek (positieve interferentie) als het kristal een bepaalde hoek met de stralenbundel maakt. De hoek ƒáƒnwaarbij positieve interferentie optreedt hangt af van de golflengte ƒÜ van de x-stralen en de afstand d tussen de atomen (en van de orde n van de diffractie XE "diffractie" §; deze is voor de helderste vlekken 1) volgens de wet van Bragg

XE "wet:van Bragg" §

µ §. Als we bijvoorbeeld een vlek vinden bij 17,5„a met x-stralen van golflengte 154 pm, kunnen we concluderen dat naast elkaar gelegen atoomlagen een onderlinge afstand hebben van

µ §

Zo kan door meten van de hoek waaronder de vlek te zien is en uit de golflengte van de straling de afstanden tussen de atomen berekend worden. Omdat sin ƒá niet groter dan 1 kan zijn, is de kleinste afstand d die men zo kan meten ½ ƒÜ. Von Laue realiseerde zich dat x-stralen gebruikt konden worden om het binnenste van kristallen te ontdekken omdat ze zo'n korte golflengte hebben: ze kunnen gebruikt worden om afstanden te meten vergelijkbaar met die tussen de atomen in een molecuul.



Chromatografie XE "chromato-:grafie" §

Indien een mengsel van componenten op een kolom XE "kolom" § wordt gebracht, dan is het mogelijk om deze te scheiden op grond van een verschil in verdelingscoëfficiënt XE "verdelingscoëfficiënt" § over twee fasen, nl. de stationaire XE "fase:stationaire" § en de mobiele fase XE "fase:mobiele" §. Bij gaschromatografie XE "gas:-chromatografie" § is de mobiele fase een gas (bijv. He of N2), voor vloeistofchromatografie XE "vloeistofchromatografie" §(of HPLC) is dit een vloeistof(mengsel).

De verdelings (of partition-)coëfficiënt XE "verdelingscoëfficiënt" § µ § c in (mol/L)

De capaciteitsverhouding XE "capaciteitsverhouding" § (capacity ratio) k„S is de verhouding van de hoeveelheid van een component in de twee fasen.

µ §

De kans dat een component i zich in de mobiele fase bevindt:



µ §

Als de mobiele fase een snelheid v heeft is de snelheid van component i: vi= ƒÑ„ªv= v/(1+ki„S)

figuur 79 resolutiefactor

De verblijftijd XE "verblijftijd" § (retention time) in een kolom met hoogte L is dan tR,i = L/vi = L„ª(1+ki„S)/v

Indien tR,0 de retentietijd XE "retentietijd" § is van een component die onvertraagd door de kolom komt, dan geldt

tR,i = tR,0 „ª (1 + ki„S)

Hieruit volgt een simpele manier om ki„S te berekenen:

µ §


Resolutie

Om te kunnen beslissen of twee componenten in voldoende mate gescheiden zijn is de term resolutiefactor XE "resolutie:-factor" § RS (resolution factor) ingevoerd. µ §

De spreiding ċ is de piekbreedte op halve piekhoogte.
In figuur 79 is RS= 1,5. Dit wordt als een goede waarde gezien voor kwantificering omdat de componenten op de basislijn gescheiden zijn.

Indien men een chromatogram XE "chromato-:gram" § ter beschikking heeft kan ƒã gemeten worden. Het is echter ook mogelijk om RS te bepalen indien alleen het aantal schotels XE "schotel" § N (zie verder) en de retentietijden bekend zijn.

Stel ƒã1 = ƒã2 dan µ §. Aangezien µ § geldt: µ §

Met deze vergelijking kan dus ook bepaald worden hoeveel schotels een kolom moet hebben om een bepaalde resolutie te bereiken. In bovenstaande figuur is te zien dat de piekbreedte toeneemt met toenemende retentietijd. Voor de standaarddeviatie XE "standaarddeviatie" § ƒã van deze pieken geldt dat ƒã = µ §

figuur 80 H vs v-curve

Om na te gaan of een kolom efficiënt scheidt is, naar analogie met de destillatie, het schotelgetal XE "schotel:-getal" § N (number of theoretical plates) ingevoerd. In het algemeen geldt dat het scheidend vermogen XE "scheidend vermogen" § toeneemt met het aantal schotels. De schotelhoogte XE "schotel:-hoogte" § H (height equivalent of a theoretical plate), die gedefiniëerd is als µ § moet dan zo klein mogelijk zijn. Het is theoretisch af te leiden dat er een optimale snelheid v van de mobiele fase is, waarbij H minimaal, en de scheiding maximaal is.



Factoren die de vorm van deze H-v curve (figuur 80)bepalen zijn o.a. de moleculaire diffusie XE "diffusie" § en stofoverdracht tussen mobiele en vaste fase.




Register





1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina