Algemene inleiding



Dovnload 55.22 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte55.22 Kb.
1HET IS VOOR MIJ ALS GROENTJE IN DE POLITIEK EEN BEETJE VEEL GEWEEST
DE KENNISMAKING VAN MARGA KLOMPÉ MET DE VADERLANDSE POLITIEK
ALGEMENE INLEIDING
Op 7 juli 1948 werden in Nederland Tweede Kamer verkiezingen gehouden. Precies een maand later werden de leden van het kabinet-Drees/Van Schaik door (toen nog) prinses-regentes Juliana beëdigd. Het "brede basis kabinet" telde zes KVP-ministers, vijf van de PvdA, één van de CHU en één van de VVD. Tijdens de verkiezingsstrijd waren de programmatische tegenstellingen, vooral over het ten aanzien van het toen nog onder Nederlands gezag staande Indonesië te voeren beleid, tussen de verschillende partijen duidelijk naar buiten gekomen. Desondanks was de vorming van een nieuwe regering, zeker naar huidige begrippen gemeten, snel in haar werk gegaan. Het waren echter andere tijden waar haast geboden was wegens de uiterst kritieke nationale en internationale situatie. Het stond echter vast dat de vaak onverkwikkelijke persoonlijke tegenstellingen, zoals die tijdens de formatie voortdurend waren opgetreden, nog geruime tijd sfeerbedervend zouden werken.

Gezien de samenstelling kon van het nieuw optredende kabinet worden verwacht dat het in de Indonesische kwestie een behoudende koers zou gaan varen. Minister van Buitenlandse Zaken (B.Z.) was de prominente VVD'er mr D.U. Stikker; minister van Oorlog en Marine was mr W.F. Schokking (CHU); Overzeese Gebiedsdelen (O.G.) werd bemand door mr E.M.J.A. Sassen (KVP). Vice-premier en minister zonder portefeuille was mr J.R.H. van Schaik (KVP). Daarnaast zou in Indonesië luitenant-gouverneur-generaal dr H.J. van Mook op korte termijn als landvoogd worden opgevolgd door de afgetreden premier dr L.J.M. Beel (KVP). Alleen via de premier, PvdA-voorman dr W. Drees, kon de PvdA nog directe invloed op het Indonesië-beleid uitoefenen.

Op 12 augustus 1948 legde dr W. Drees, Nederlands eerste socialistische premier, in de Tweede Kamer de regeringsverklaring af. Ten aanzien van Indonesië verklaarde de minister-president dat de regering zich in zou moeten zetten om via onderhandelingen tot een resultaat te komen "aanvaardbaar zowel voor de grote meerderheid van het Nederlandse volk als voor Indonesië". Daarbij werd gedacht aan de vorming op termijn van de Verenigde Staten van Indonesië "in een hechte een duurzame Unie", op basis van gelijkwaardigheid, verbonden met Nederland.

Diverse pogingen van het nieuwe kabinet om tot een oplossing van het Indonesische probleem te komen, mislukten. Na een periode van grote onduidelijkheid en pas nadat in Den Haag een kabinetscrisis was overwonnen, werd op 18 december 1948 een militaire operatie (bekend onder de naam Tweede Politionele Actie) tegen de Indonesische vrijheidsstrijders ingezet. Militair gezien leek de operatie een groot succes. Maar al snel kwam Nederland onder zodanig zware internationale druk te staan (vooral via de Veiligheidsraad), dat de actie reeds spoedig, namelijk op 31 december 1948, moest worden gestaakt.

Begin 1949 reisde premier Drees, o.a. vergezeld door de Nederlandse ambassadeur in London, jhr mr E.M.F.J. Michiels van Verduynen, persoonlijk naar Batavia [Jakarta] om zich ter plaatse te oriënteren. Daarbij beoogde de premier de spoedige instelling van een Federale Interim Regering te bewerkstelligen. Drees bereikte tijdens zijn verblijf echter nauwelijks tastbare resultaten. Dit kan het beste worden geïllustreerd met behulp van een citaat uit een verslag dat is opgemaakt van een bezoek van een aantal leden van de Progressieve Concentratie van Nederlanders in Indonesië aan de premier tijdens diens verblijf in Batavia op 13 januari 1949.

"Ik heb met vele mensen gesproken, zei Drees, mensen, die Indië kennen. En de een verzekert als zijn overtuiging precies het tegenovergestelde van de ander. Ik heb naar die overtuigingen geluisterd, en weet het niet meer" [verslag van L.A. Stallinga d.d. 14 januari 1949, ARA Archief J. de Graaff jr].

Om de Veiligheidsraad de wind uit de zeilen te nemen, diende Beel eind januari 1949, zonder overleg met de verantwoordelijke minister, zijn partijgenoot Sassen, bij de regering een nieuw plan in, dat vergeleken met alle voorgaande Nederlandse initiatieven, een spectaculaire stap voorwaarts betekende. Het "plan-Beel" beoogde de onverwijlde vorming van een Federale Interim Regering en in een tijdsbestek van drie maanden de vorming van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. In KVP-kringen was men aanvankelijk in het geheel niet ingenomen met de voorstellen van Beel. Bovendien was met name minister Sassen was diep gegriefd dat Beel hem niet had geraadpleegd. Sassen legde een eigen plan op tafel. Naar de mening van Sassen moest allereerst worden getracht de internationale bemoeienis via de United Nations Commission for Indonesia (UNCI) te elimineren. Daarnaast moest de te vormen Federale Interim Regering samen met Nederland de Nederlands-Indonesische Unie oprichten. Pas dan zou de soevereiniteit worden overgedragen. Indien een en ander niet op 1 juni 1949 zou zijn verwezenlijkt, zou Nederland Indonesië "abandonneren". Dit laatste was met name bedoeld als dreigement aan het adres van de Verenigde Staten, het meest invloedrijke lid van de UNCI. Het kabinet verwierp het plan-Sassen en koos voor een gewijzigde versie van het plan-Beel. Minister Sassen trad uiteindelijk op 13 februari 1949 af. Hij werd opgevolgd door zijn partijgenoot mr H.J. van Maarseveen, tot dan minister van Binnenlandse Zaken.

Beel kwam in februari 1949 naar Nederland. Tijdens langdurige besprekingen in Den Haag konden uiteindelijk alle bestaande verschillen van mening over de behandeling van de Indonesische kwestie tussen hem en het kabinet worden weggewerkt. Eind februari keerde Beel terug naar Indonesië.

Het lag in de bedoeling dat uiterlijk medio maart een begin zou worden gemaakt met de onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van de Nederlandse regering enerzijds en Indonesische nationalisten (Federalisten èn Republikeinen) anderzijds. Er moest naar worden gestreefd vóór 1 mei 1949 overeenstemming te bereiken.

Pogingen om het overleg op gang te brengen, mislukten echter. De Republikeinen hadden namelijk aan besprekingen met Nederland een aantal voorwaarden vooraf gesteld. Zij eisten ondermeer dat eerst hun leiders, die tijdens de militaire operatie waren opgepakt en sindsdien op het eiland Bangka waren geïnterneerd, naar Djocjakarta, de hoofdstad van de (voormalige) Republik Indonesia, zouden worden teruggebracht.

De Nederlandse regering stemde uiteindelijk onder druk van de Veiligheidsraad in met enige tegemoetkomingen aan de Republikeinen. Eind april/begin mei 1949 werden in Indonesië voorbereidende besprekingen gevoerd. De Nederlandse delegatie stond onder leiding van de Nederlandse ambassadeur in Ottawa, tevens de Nederlandse vertegenwoordiger bij de Veiligheidsraad, dr J.H. van Roijen. De Nederlandse en Indonesische delegatie (die onder leiding stond van mr Mohammed Roem) bereikten spoedig overeenstemming. Op 7 mei werden in Jakarta de zgn. Van Roijen/Roem-verklaringen ondertekend. De overeenkomst voorzag o.a. in een staakt-het-vuren, de vrijlating van alle politieke gevangen en een ontruiming door Nederland van Djocjakarta. Beel kon zich niet vinden in de radicale koerswijziging van het kabinet en nam ontslag. "[Ik] kan geen krullenjongen zijn van een zigzagkabinet" schreef hij aan zijn familie in Limburg.

Op 23 augustus 1949 werd in Den Haag de Ronde Tafel Conferentie geopend. Na tien weken moeizaam overleg werden de verschillende delegaties het op 2 november 1949 eens. Op 9 december werd de overeenkomsten door de Tweede Kamer aanvaard en op 21 december kregen zij ook in de Eerste Kamer de vereiste tweederde meerderheid. Op 27 december 1949 werd in het Paleis op de Dam in Amsterdam de akte van soevereiniteitsoverdracht door koningin Juliana getekend. Op 28 december 1949 kon ir Soekarno, de eerste president van de Verenigde Staten van Indonesië, in Jakarta worden binnengehaald.



INLEIDING

Op 12 augustus 1948, de dag waarop premier Drees de regeringsverklaring van het nieuw opgetreden kabinet-Drees/Van Schaik aflegde, werd mw dr M.A.M. [Marga] Klompé (KVP) beëdigd als nieuw lid van de Tweede Kamer. Zij nam de plaats in van haar partijgenoot mr E.M.J.A. [Maan] Sassen die tot het nieuwe kabinet was toegetreden als minister van Overzeese Gebiedsdelen.

Marga Klompé (geboren op 16 augustus 1912) was chemicus en sinds 1932 lerares schei- en natuurkunde in Nijmegen. In de Tweede Kamerfractie van de KVP werd zij buitenlandspecialist. Mw Klompé gold binnen de toenmalige KVP-fractie als een vooruitstrevend lid. Zij was integer, soms wat naïef (te weinig wantrouwend), bekwaam en zonder echte vijanden. Mw Klompé had een sterke persoonlijkheid en een onafhankelijke geest. Ze was ruimdenkend, democratisch en was daarbij streng voor zichzelf en anderen. Bij alles wat zij deed, ging zij uiterst voortvarend te werk. Mw Klompé legde zeer gemakkelijk contacten en bemoeide zich overal mee. Zij was echter "te integer en net te naïef voor het echte hoogtepunt in de KVP-politiek" schreef Jan Joost Lindner bij haar overlijden in oktober 1986 in de Volkskrant.

Mw Klompé was in 1947 lid van de Nederlandse delegatie bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties geweest. Daar was zij bevriend geraakt met de Nederlandse ambassadeur te Ottawa, later tevens Nederlands vertegenwoordiger bij de Veiligheidsraad, dr J.H. [Herman] van Roijen. Hierna volgt een aantal citaten uit de (zeer openhartige) correspondentie tussen beiden uit begin 1949. In dit artikel is tevens een aantal dagboeknotities van Marga Klompé uit dezelfde periode opgenomen.






M.A.M. Klompé aan J.H. van Roijen
Arnhem, 16 Januari 1949
Lieve Herman,
(..) Ik wil je alleen maar een groet brengen en je even vertellen, hoe unaniem de lof hierover je gezwaaid wordt. Zelfs degenen die twijfelden voordat je [in de Veiligheidsraad] opgetreden was, prijzen je hoog en in het begrotingsdebat van B.Z. zullen er wel vele kaarsjes voor je opgestoken worden (ook door mijn fractie). (..)

In de couranten lucht men hier de gedachte, dat Dr. van Roijen tegen de actie is geweest en dat zijn hele verdediging nu contre coeur is. Als men mij mijn persoonlijke mening er over vraagt, dan zeg ik dit: "Dr. van Roijen heeft tot het laatste gehoopt dat een actie te vermijden zou zijn, maar dat hij contre coeur de standvastigheid van het Nederlandse standpunt verdedigt, is niet juist, want hij zal er teveel van overtuigd zijn, dat alleen koppig volhouden voor ons nog iets van de situatie kan redden. Dat neemt niet weg dat hij het waarschijnlijk wel, gezien de internationale situatie, noodzakelijk zal vinden, dat er enige acceptabele concessies worden gedaan". Ik hoop daarmee in je geest te spreken.

Zoals je wel gemerkt zult hebben ligt het in Den Haag erg moeilijk, vooral tussen de twee overburen op het Plein [Sassen en Stikker, RAG]. Onder ons: Stikker is razend dat Drees en Michiels [jhr mr E.M.F.J. Michiels van Verduynen, ambassadeur te London] "zich ook laten inkapselen door de kliek Spoor-Beel" en hij voelt zich als de enige Nederlander die immuun is tegen deze invloeden. Anderzijds is O.G. niet erg gesticht dat B.Z., zonder ruggespraak met Kabinet of O.G., instructies stuurt naar Batavia. (..)
Dag Herman, sterkte en Gods Zegen. Weet dat er vele vrienden in Nederland zijn die met je meeleven en voor je bidden.
Hartelijke groeten ook aan alle bekenden,
Marga
P.S. Ik verwacht hier echt geen reactie op. Ik weet dat je heus wel iets anders aan je hoofd hebt.

De mening in KVP zoowel als PvdA kring over Stikker is, dat hij een grote Streber is, die alles doet tot meerdere eer en glorie van mijnheer Stikker. Ik kan het nog niet beoordelen. Ik hoorde dat Marianne [mr M.A. Tellegen, directeur van het kabinet der koningin] ook niets van hem moet hebben. Toch geloof ik niet dat 't oordeel in beide kringen unaniem is.



M.A.M. Klompé aan J.H. van Roijen
Vertrouwelijk
Arnhem, 13 Februari 1949
Lieve Herman,
Ik moet mijn overvolle hart eens even bij je uitstorten. Wij hebben een dermate beroerde week achter de rug van geïntrigeer, persoonlijke botsingen en narigheden, dat ik mij zelf voor het hoofd sla en zeg, waar heb ik mij in begeven. Ik wilde je graag in het kort even mijn zienswijze geven en zou erg blij zijn met een omgaand critisch commentaar.

Ik heb in deze week gepraat met Patijn [dr C.L. Patijn, chef directie internationale organisaties van het ministerie van Buitenlandse Zaken], Idenburgh [dr P.J.A. Idenburgh, oud-directeur-generaal algemene zaken van de Nederlands Indische regering, in 1949 politiek adviseur van de minister van Overzeese Gebiedsdelen], Sassen, verschillende ministers en had het gevoel, dat ik beginnen moest met een flinke tegenwind te geven aan de ideeënwereld van Romme en Sassen. Zoals je waarschijnlijk weet, hebben wij afgelopen week een vergadering gehad van onze fractie met de Katholieke Ministers, waarin Sassen zijn standpunt heeft uiteen gezet en van Schaik dit eveneens heeft gedaan. Uit al deze indrukken en gesprekken ben ik voor mijzelf tot de conclusie gekomen, dat ik toch aan de kant van Sassen sta. Ik weet dat hij door zijn karakter vele fouten heeft gemaakt en wel noodzakelijk zijn collega's tegen zich in het harnas heeft gejaagd.

Wat aan dit kabinet ontbroken heeft, dat is een wijzere oudere man, die deze twee jonge capabele kerels als Sassen en Stikker heeft kunnen leiden. Drees had dat in zijn goede tijd kunnen zijn, nu is hij op en kan niets meer. Van Schaik die het eventueel had kunnen overnemen van Drees, is een draaitol en een gladde advocaat, evenals Van Maarseveen, die nu op Maan [Sassen] zijn stoel zit. Ik mis in deze heren iedere integriteit, die ik toch bij alle politiek noodzakelijk acht. Ik verwijt het huidige kabinet, dat zij niet bestuurd hebben, maar geaarzeld. Zij wilden een façade opzetten voor het volk maar daarachter andere dingen doen.

Connie [Patijn] heeft mij trachten uiteen te zetten, dat wij een grote-lijn politiek moeten volgen, de resolutie van de Veiligheidsraad aanvaarden, dat wij daarmee het vertrouwen van Indonesië zouden herwinnen en dat die Unie dan altijd nog wel terecht zou komen.

Ik houd persoonlijk niet vast aan een star formalistisch Unieverband, maar wel aan een opzet die verder gaat dan een verdrag, wat voor een souvereine staat altijd opzegbaar is.

Ik doe dit niet in de eerste plaats om economische redenen, hoewel ik die niet onderschat, maar in de eerste plaats om de beveiliging van de rechten van de mens in het nieuwe Indonesië.

Wij hebben gezien wat hiervan is terecht gekomen in India en Pakistan, waar Hindoes en Moslems elkaar zo bitter bevechten.

De gedachte van een Unie leeft natuurlijk bij de Indonesiër helemaal niet, dat is ook niet te verwachten van een volk dat alleen maar in zijn hoofd heeft, souvereiniteit te krijgen en er dus nog helemaal niet aan toe zijn om daar al weer een stukje van af te geven. Het is dan ook een fout van het vorige en van het huidige kabinet, dat men het propageren van deze gedachte via onofficiële kanalen achterwege heeft gelaten. (..) Connie [Patijn] gelooft dat de Unie in de toekomst wel tot stand zal komen. Ik vind dit een grove speculatie, waar ik niet aan geloof. Ik vroeg het aan Idenburgh, die mij hierin volkomen gelijk gaf en in wie ik in deze meer vertrouwen heb dan in Connie [Patijn], omdat hij Indonesië kent.

Het plan van Beel, geamendeerd met gelijktijdig Uniestatuut, paste in Maan zijn schema en ik geef direct toe, dat zijn plan, om door invloed van Amerika de UNCI zich volkomen koest te laten houden, speculatief was, maar een kans maakte. Hij had hierover toch zijn adviezen uit Washington, terwijl Spaak [P.H. Spaak, minister-president en minister van Buitenlandse Zaken van België] bereid was het voor ons in Washington op te knappen.

Bij al deze discussies heb ik nooit vergeten wat jij mij in Parijs hebt gezegd, n.l. als wij eenmaal deze politionele actie ondernemen, dan zal de wereld ook moeten begrijpen, dat wij dit zullen doorzetten tot de physieke onmogelijkheid toe.

Alle dingen die nu gebeuren, waren 18 December te voorzien. De actie ging zelfs voorspoediger, de enige misrekening was het dralen van de federalisten. Aan de physieke onmogelijkheid zijn wij meen ik nog niet toe, voor zover ik de telegrammen over de militaire situatie heb gezien. Maan [Sassen]'s plan was groot spel. Voor alle zekerheid, niet wetend of je alle telegrammen hebt gezien, kwam het er op neer, dat Washington verzocht zou worden de UNCI voorlopig koest te laten zijn, met als tegenprestatie onzerzijds, 1. vervroegde souvereiniteit, 2. bereidheid om met de Verenigde Staten samen te werken in een Oostaziatisch verband (o.a. bestrijding communisme) (..).

Maan [Sassen] heeft al 2 weken geleden voorgesteld allen naar Den Haag te laten komen, Republikeinen en Federalisten, maar het Kabinet wilde niet; nu stellen zij het zelf voor.

Door dit getreuzel is de situatie natuurlijk aanmerkelijk moeilijker geworden. Van Schaik c.s. hebben mij niet duidelijk kunnen maken dat hun methodiek, n.l. door een de facto erkenning van de UNCI, ons niet op de glijbaan zet, waardoor er van een Unie nooit meer iets komt. (..)

Dat de Republikeinen nu niet willen medewerken, vind ik vanzelfsprekend. Zij zouden wel gek zijn als zij het deden. Zij krijgen alles op een presenteerblaadje thuis gestuurd, hebben de tijd en geen verantwoordelijkheid.

Als de situatie onhoudbaar is geworden, dan moeten wij ook eerlijk tegenover het volk zijn en zeggen dat wij het verloren hebben en dan proberen een "good loser" te zijn en er alles trachten uit te halen wat er nog in zit, maar zolang er nog kansen zijn, vind ik niet dat wij die mogen laten voorbij gaan. Het spel van Maan was hoog maar te proberen, nu weet je zeker dat wij gaan glijen, daarvoor behoef je maar naar het gezicht van den Heer van Maarseveen te kijken.

Terwijl ik dit schrijf is mij het antwoord van den Heer Beel over het nieuwe plan nog niet bekend, dat kan alles veranderen en eventueel tot een Kabinetscrisis leiden. Mijn fractie bepaalt pas haar houding, wanneer dit gegeven binnen is.

Als deze brief je bereikt is er al weer veel gebeurd, toch zou ik er prijs op stellen wanneer je hem wilt beantwoorden, omdat ik je vertrouw, wat ik helaas niet kan zeggen van de meeste mensen waarmee ik in de afgelopen week heb gepraat.

Ben je afgestapt van je standpunt dat wij tot het uiterste moeten doorgaan, of ben je het met mij eens, dat deze regering wel een beslissing heeft willen nemen, maar de consequenties niet wil aanvaarden? (..) Ik ben helemaal niet bereid om zo maar achter Romme en Maan aan te lopen, eerder het tegendeel. Maar waarvoor hebben wij onze jongens laten doodschieten, wanneer wij nu de consequenties niet aanvaarden?

Het is voor mij een beetje veel geweest om als groentje in de politiek direct in een van de ergste crisissen van het land te worden geplonsd. Ik begin dan ook iedere dag met tegen mijzelf te zeggen, probeer de zaken zuiver te zien, los te maken van personen en een zo eerlijk mogelijk standpunt te hebben.
Ik wacht met spanning je antwoord af. Sterkte en Gods Zegen Herman en vele hartelijke groeten,
Marga
P.S. Zojuist hoor ik, dat Beel waarschijnlijk weigert en naar Holland wil komen. Waar gaat dit heen? Deze brief is wel erg open en eerlijk, maar ik weet het veilig bij je.

J.H. van Roijen aan M.A.M. Klompé
PERSOONLIJK
Ottawa, 17 Februari 1949
Lieve Marga,
Zeer hartelijk dank voor je brieven van 16 Januari en 13 Februari. (..)

De vraag, die je mij stelt, is ook voor mij alles behalve gemakkelijk te beantwoorden. Ik wil niettemin trachten je zo goed als ik kan mijn persoonlijke zienswijze [te] geven. Wanneer ik daarbij onvolledig of vaag schijn dan is dat niet omdat ik op "diplomatieke wijze" het probleem tracht te omzeilen, maar omdat ik zelf op bepaalde essentiële punten geen absolute overtuiging kan uitspreken. (..) Er zijn toch vele factoren, die zich te enen male aan mijn beoordeling onttrekken.

Ik ontving enige dagen geleden een brief van Connie Patijn [C.L. Patijn aan J.H. van Roijen, 1 februari 1949, Archief Patijn, map Indonesië], die het probleem uiteraard der zaak van een enigszins ander gezichtspunt benadert. (..)

Zoals je weet, is de hoofdgedachte van Connie, dat wij ditmaal niet opnieuw "achter de feiten moeten aanhinken". Wij zouden een zeer royaal aanbod aan de Republikeinen en Federalisten moeten doen en op die wijze het initiatief opnieuw aan ons [moeten] trekken en zoveel mogelijk de Veiligheidsraad en de UNCI [moeten] uitschakelen.

Ik heb aan Connie geschreven [J.H. van Roijen aan C.L. Patijn, 7 februari 1949, Archief Patijn, map Indonesië], dat, indien volkomen vast staat, dat wij niet in staat zullen zijn om de wereld naast een militair ook voor een politiek fait accompli in Indonesië te stellen (m.a.w. wanneer wij door tegenwerking van Republikeinen en Federalisten niet in staat zijn om tot constructieve opbouw in Indonesië te geraken) een royaal aanbod zoals door hem bedoeld geboden is. (..) M.I. moet de totstandkoming van de Unie conditio sine qua non voor dat aanbod zijn. Ik ben bovendien overtuigd, dat wij - althans in dit stadium nog - de volledige steun van de USA voor de uitwerking van de Unie-gedachte zouden krijgen. (..) Wat ik niet beoordelen kan, is de vraag of het nog mogelijk zou zijn om door tegenover de Resolutie een starre afwijzende houding aan te nemen, de Federalisten en misschien enige Republikeinen ertoe te bewegen een federale interim regering te vormen. Dit houdt natuurlijk in, dat de na enige maanden te houden verkiezingen niet pro-Republikeins zouden moeten uitvallen, waardoor de gehele opzet schipbreuk zou leiden.

Indien het mogelijk is om met een redelijke kans op succes tot een dergelijke politiek van "het voldongen feit" over te gaan, dan ben ik van mening, dat wij de Veiligheidsraad en het grootste gedeelte van de wereldopinie zouden kunnen trotseren. Zelfs indien er in dat geval tot toepassing van sancties zou worden besloten dan zouden deze immers toch na een gunstige uitslag van de verkiezingen in Indonesië, waardoor de door ons gevolgde politiek zou zijn goedgekeurd, komen te vervallen.

Laat ik hier dadelijk eerlijkheidshalve aan toevoegen, dat het er m.i. (..) niet naar uitziet, dàt wij de bedoelde voldongen feit-politiek met een redelijke hoop op slagen zouden kunnen volgen.

Het meest waarschijnlijk lijkt immers, dat, indien het ten gevolge van een kordate afwijzing van de Resolutie onzerzijds tot een scherp conflict tussen Nederland en de Veiligheidsraad komt, zowel de Federalisten (..) als de Republikeinen een houding zullen aannemen van de kat uit de boom kijken. Zij zullen m.i. op typisch Oostersche wijze in deze houding blijven volharden - ondanks alle moedige en kordate verklaringen van de Nederlandse Regering - totdat het pleit tussen de Veiligheidsraad en ons land zou zijn beslecht.(..) Bij een conflict met de Veiligheidsraad, waarbij het hard tegen hard zou gaan, zouden de invloedrijke Federalistische leiders eerst recht de rol van toeschouwers assumeren.

Je schrijft, dat alle dingen, die nu gebeuren, op 18 December reeds te voorzien waren. Dit is zo, of had althans zo behoren te zijn. Ik vrees nl. dat men vóór de tweede politionele actie inderdaad niet alles voorzien heeft. Hoewel er nl. herhaaldelijk gewaarschuwd is voor de internationale gevolgen van een militair ingrijpen is bijv. niet voorzien, dat als uitvloeisel van de internationale inmenging de Federalisten zouden gaan aarzelen om aan onze kant te komen staan. men had, zoals je weet, gerekend op het onmiddellijk meespelen van bepaalde Republikeinen, o.a. van de Sultan van Djocja. Dit blijkt een grote misrekening geweest te zijn.

Toen ik je in Parijs zeide, dat wij, als wij eenmaal tot een politionele actie zouden besluiten, tot het bittere einde- en tot physieke uitputting zouden moeten doorzetten dan was dat in de onderstelling, dat wij in die tijd een zekere constructieve staatkundige opbouw in Indonesië tot stand zouden kunnen brengen. Wanneer evenwel noch Federalisten noch Republikeinen daartoe willen medewerken, blijkt die onderstelling onjuist geweest te zijn.

Wanneer men mij alsnog ervan zou kunnen overtuigen, dat wij in de eerstkomende maanden op eigen gelegenheid iets in Indonesië kunnen opbouwen, waarmee de bevolking zich tenslotte zou accoord verklaren, dan zou ik alsnog geneigd zijn te adviseren de wereld te trotseren en daarmede tot het bittere einde door te zetten.

Ik behoef je wel niet te zeggen, dat ik van harte hoop, dat Beel niet zal heengaan. Het is al erg genoeg dat Maan [Sassen] is afgetreden. Immers, internationaal gezien, is de totdusver naar buiten getoonde grote eenheid van ons volk een van onze sterkste troeven geweest. Het zou waarlijk bedroevend zijn, wanneer in deze historische dagen de leiders van het Nederlandse volk niet alle andere overwegingen op zij zouden kunnen zetten en de situatie uitsluitend op haar merites zouden kunnen beoordelen.

Ik hoop, dat ik je met bovenstaande enig inzicht heb gegeven in het oordeel, dat ik mij in de loop van de laatste weken heb kunnen vormen.

Met hartelijke groeten,


Herman

DAGBOEK MARGA KLOMPÉ



21 Januari 1949

Lunch met Maan [Sassen]. Alles weer eens goed doorgesproken. Maan is toch een fijne vent. ...



26 Januari 1949

Gegeten met [minister mr H.J.] v. Maarseveen, [minister dr F.J.Th.] Rutten en de Père. De eerste is een onbetrouwbare vent. Glad als een aal. ...



1 Februari 1949

Moeilijkheden, nieuw plan Beel. Sassen dreigt met aftreden. Wie moeten wij nu dekken? ...



3 Februari 1949

's Morgens gesprek met Connie [dr C.L.] Patijn. Hij wil Unie helemaal laten schieten. ... Hij is te speculatief. ... 's Avonds ... lang gesprek met Pieter [dr P.J.A.] Idenburgh. ... Militair inderdaad niet houdbaar. Laatste middel als alles misgaat, is India inschakelen, of binnen één week resolutie V.R. [Veiligheidsraad] uitvoeren. Ook veel speculatie. ...



7 Februari 1949

Gesprek met Idenburgh - [mr F.E.J.] v.d. Valk [beiden adviseur van het ministerie van O.G.], daarna met Sassen. Vanmiddag barst de bom en wordt de portefeuillekwestie gesteld. ...



8 Februari 1949

10.15 fractie. Maan wil weg, maar [mr C.P.M.] Romme [fractievoorzitter KVP] houdt hem tegen. Komt er kabinetscrisis? Wat zeggen wij in de Kamer bij het debat? ... 's Middags en 's avonds zitting. Na afloop Maan hier op de kamer. Tot 1 uur doorgepraat. Maan is toch een gave vent. Ik moet echt van hem houden. Ik sta achter hem, nu ik alle voor- en tegenargumenten heb gehoord; hij staat voor een eerlijke zaak. Maar wij mogen ons als fractie niet achter zijn rug verschuilen, dus moet ik proberen een mening in de fractie te forceren. Wij moeten achter zijn principiële lijn gaan staan.



9 Februari 1949

... 8h ... [bespreking fractie] met kath. ministers. V. Maarseveen was ziek; ... Van Schaik maakte allerberoerdste indruk. Rutten en [minister mr Th.R.J.] Wijers snappen er niets van. [Minister dr J.R.M.] V.d. Brink was de enige redelijke. Na afloop fractie tot half één. Gezamenlijk standpunt: dreigement met abandonnement gaat te ver, maar politiek van UNCI semi-aanvaarding van v. Schaik voor ons inacceptable. ...



10 Februari 1949

Telegram binnen van Beel en ([legercommandant S.H.] Spoor) dat zij ontslag nemen. Maan houdt het telefonisch even op. ... Wat nu, als Beel en Spoor verdwijnen? Complete chaos. ... Op B.Z. telegram Beel gelezen. Na afloop naar Marianne [mr M.A. Tellegen, directeur van het kabinet der koningin]. Sassen is uit Kabinet. [Ontslag-]brief echter nog niet weg ..... Wat nu? Komt er Kabinetscrisis? En wat doen Spoor-Beel? ... Telef. Marianne: Drees wil v. Maarseveen op O.G. zetten. Eerst ad interim, daarna benoemen. Lijn van Sassen verder volgen; dit is vuil. Sassen mag niet brief inzenden, voor hij nieuwe regeringslijn in telegram aan Beel heeft gezien. Anders slaat hij het kwade figuur. Sassen nu niet te bereiken. Morgenochtend. Zaak met Romme besproken. Gaat accoord om Sassen te waarschuwen.



11 Februari 1949

Maan ingelicht. ... 's Middags kabinetszitting. Maan bracht daar nieuwe nota op verzoek van v.d. Brink en van Schaik. Men geloofde er echter niet in. Nu heeft Maan bedankt voor de eer. ... Even naar Maan toegegaan. Hij was flink. Ik heb geweldig het land, maar ben in mijn hart blij, dat hij 't heeft gedaan zo.

Wie moet er nu opvolger van hem worden? v. M. [van Maarseveen] mag niet. Maar welke katholiek wil die plaats innemen? Kan Maan bij Kabinetscrisis niet beter B.Z. krijgen? Of volgens Romme uitsluitend niet-politieke figuren? ... Alles zal afhangen van Beels houding. Als die niet meegaat, dan snap ik er niets meer van. ...

12 Februari 1949

Ambtenaren op O.G. verslagen. Fractie om 12h. ... Romme fel achter Maan. ... Standpunt Beel nog niet bekend. ... Informeel met R. [Romme] gesproken over mogelijkheden. Hij acht v. M. volkomen onbetrouwbaar, maar ziet geen kans er een ander tegenover te stellen. Bij heengaan Beel zal Kabinet moeten vallen. ...



13 Februari 1949

... Telefoon Marianne [Tellegen]. Beel weigert [gesprek halverwege] en wil naar Nederland komen. ... [Mr L.G.] Kortenhorst [voorzitter Tweede Kamer, KVP] heeft via M. [Marianne] laten informeren of koningin [Juliana] Beel niet kan bewegen aan te blijven. Men verdenkt Sassen van pressie op hem.



14 Februari 1949

... 's Middags naar Amsterdam. ... Teruggereden ... met ... Van Schaik. ... Hij is wel integer maar bang. ...




SLOTBESCHOUWING
Mw Klompé werd in 1956 minister van Cultureel Werk (in het vierde kabinet Drees) en daarmede Nederlandse eerste vrouwelijke minister. Zij was in totaal ruim 11 jaar kamerlid en bijna 12 jaar minister. In 1971 werd zij minister van Staat.

In april 1962 (zij was toen minister in het kabinet-De Quay) kreeg zij een ernstig conflict met dr Van Roijen. Deze was toen Nederlands ambassadeur in Washington. Hij voerde tevens namens ons land de besprekingen over mogelijke oplossingen van het conflict met Indonesië over het laatste stukje Nederlands Indië, Nederlands Nieuw Guinea.

Mw Klompé was van mening dat Nederland zo lang mogelijk vast moest houden aan het zelfbeschikkingsrecht van de oorspronkelijke bewoners van Nieuw Guinea, de Papoea's. Zij meende dat dit recht samenhing met de waardigheid van de menselijke persoon en vroeg zich af of Nederland wel het morele recht had een volk te verkwanselen aan Indonesië. Haar opvattingen waren nagenoeg dezelfde als die van dr Drees ruim een decennium eerder ten aanzien van de onafhankelijkheid van Indonesië.

Ook Drees was een integer en bekwaam bestuurder. Hij was een rechtlijnig, nauwgezet, plichtsgetrouw man, een realist die er niet op uit was de verhoudingen onder spanning te zetten. Omdat hij mede aan de basis stond van de moderne sociale wetgeving, geldt hij als de grand old man van het naoorlogse socialisme.

Drees was echter ook behoudend. Oud-ambassadeur dr H.N. Boon typeerde hem eens als "een aartsconservatief in een socialistisch kleed gestoken". Met name bij het dekolonisatie beleid nam Drees, overigens met de instemming van de grote meerderheid van de Nederlandse bevolking, een onjuiste koers. Hij was van mening dat het ook voor de Indonesiërs een recht was dat er na de Japanse bezetting weer rechtmatige verhoudingen werden geschapen. De soevereiniteitsoverdracht diende op een bestuurlijk ordentelijke wijze te geschieden. "De twee militaire acties waren voor hem instrumenten in de verwezenlijking van een geleidelijke dekolonisatie" schreef Vis naar aanleiding van zijn overlijden in 1988 in NRC-Handelsblad. Hij heeft zich toen echter blijvend van een deel van zijn achterban vervreemd. Door de militaire acties kwam Drees persoonlijk overigens in enorme gewetensnood.

In november 1985 legde ik de geciteerde brieven met een aantal vragen aan mw Klompé voor. De reactie kwam van de kant van dhr Van Roijen. Deze liet mij weten geen toestemming te geven voor publicatie van (delen) van de correspondentie met mw Klompé. Hij deelde mij mede dat mw Klompé erg geschrokken was toen haar bleek dat deze vertrouwelijke en persoonlijke correspondentie bewaard gebleven was. Met name tegen publicatie van de uitspraak in haar brief van 13 februari 1949 over dr Drees, die in 1985 nog leefde en met wie zij reeds dertig jaar bevriend was, had zij ernstig bezwaar. De brief is toen op het Algemeen Rijksarchief verzegeld en pas onlangs voor publicatie vrijgegeven.


Ronald Gase



R.A. Gase, Marga Klompé en Indonesië 1949 manuscript, 08-09-1993



© R.A. Gase 1985/2003. Versie: 25-8-2016; HH:08 uur




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina