Alle Tijden en de belangrijkste tijdregels in het engels BtB



Dovnload 117.04 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte117.04 Kb.

Alle Tijden en de belangrijkste tijdregels in het engels BtB

8 tij-den

[geen 'be+-ing 2]

in de lijdende vorm.....
[the Passive)

vertaling Passive*

Alle tijden met 'be +-ing' forms 1

idem + Passive

ott

ovt 3

vtt 4

vvt 5

ott 6

ovtt


vttt

vvtt


He writes the book.

He wrote the book.

He has written the book.

He had written the book.

He will write the book.

He would write the book.

He will have written the book.

He would have written the book.



The book is written.

The book was written.

The book has been writ­ten.

The book had been written.

The book will be written.

The book would be written.

- will have been writ­ten.

- would have been written.



- wordt ge­schre­ven.

- werd geschreven.

- is geschr. [g­ew.].

- was geschr. [gew.].

- zal geschr. worden.

- zou geschr. wor­den.

- zal geschr. zijn [gew.].

- zou geschr. zijn [gew­.].



He is writing the book.

He was writing the book.

He has been writing the book.

He had been writing the book.

He will be writing the book.

He would be writing the book.

He will have been writing the book.

He would have been writing the b.



is being written.

was being written.

X

X



X

X

X



X

De eerste letter [o/v] staat voor onvoltooid [=geen have] of voltooid [=met have en voltooid deelwoord] {=perfect}

De tweede letter [t/v] staat voor tegenw. tijd {=present} of verleden tijd {=past} van het eerst genoemde werkwoord!

ottt en vttt staat voor 'tegenwoordig toekomende tijd' {=future} oftewel will+hele werkwoord [=zal.../zult.../zullen...]

ovtt en vvtt staat voor 'verleden toekomende tijd' oftewel would+hele werkwoord [=zou.../zouden...]

*in het Nederlands beginnen veel lijdende zinnen met ‘Er”...’ in het Engels vertaal je dat niet met ‘There…’:

Er worden veel huizen gebouwd. = Many houses are built.

Er wordt gezegd dat hij ziek is. = He is said to be ill. / It’s said that he is ill.


1 De 'be+ -ing' vorm gebruik je: als iets een bepaalde tijd voortduurt, iemand is ergens mee bezig, er wordt een handeling beschreven [dus niet met 'like, hate, believe, understand, mean, love', etc.]. I am writing you this letter. At 3 o'clock tomorrow they will be doing their test.

en ook voor iets dat zàl gaan gebeuren in de [nabije] toekomst [He is leaving at three o'clock, so be ready]



2 Je gebruikt geen 'be+ -ing' bij gewoontes, feiten, of erg korte, plotselinge gebeurtenissen [The sun rises in the east. He dropped the pen.]

3 In het Engels MOET je de verleden tijd (dus geen have/has) gebruiken als iets in het verleden [yesterday/last year/When..?/last week/in 1989/before the war/At 6/What time..?/How long ago..?/a moment ago/etc.] heeft plaatsgevonden.

He lost his purse a few days ago [=heeft verloren; dus niet: has lost!!!]. When did you buy that CD [=heb je gekocht]?



4 Je moet vtt gebruiken, dus met 'have/has+volt.deelw., als iets in het verleden begon, maar nog niet voorbij is; deze tijd heeft nog iets met het heden te maken [since/for/up till now/yet/ever/not yet/up till now/just/never/already/so far/Since when..?/For how long..?etc.].

He has lived in Glasgow for 5 years [=hij woont al...]. He has been watching TV all day [=kijkt al de hele dag...].

She has lost her purse and can't pay us now.

Pas op: Zij zijn vertrokken=They have left; Ik ben geweest=I have been [dus HAVE/HAS+voltooid deelw.: niet: am/is/are+volt. deelw!!]



5 Je moet vvt gebruiken, had+volt.deelw., als je twee stappen terug gaat in het verleden, net als in het Nederlands; vvt plaatst een handeling dus nog verder terug in het verleden dan de gewone verleden tijd. Toen ik aankwam was Julian verdwenen.=When I arrived Julian had disappeared.

Pas op: Hij was gegaan...=He had left...; Zij waren gekomen...=They had come... [dus: HAD+voltooid deelw.: niet: was/were+volt. deelw.!!]



6 In het Nederlands gebruik je vaak de tegenwoordige tijd [Ik kom morgen niet] als het over toekomst gaat; in het Engels nooit!!

In het Engels voor toekomst meestal 'WILL': I won't come tomorrow. NIET: I don't come tomorrow. I hope he'll come. NIET: I hope he comes.

Andere mogelijkheden voor toekomst zijn: He is leaving. [be+-ing] nabije toekomst [in gedachten er al mee bezig]

He is going to leave. [be going to+hele ww.] bij een plan

He is to leave. [be to+hele ww.] [bij afspraak waar je bijna niet onderuit kunt]

PAS OP: Zal/zult/zullen=will [bij 'I/we' evt. shall] won't=will not [shall not=shan't: alleen bij 'I' en 'We']

Zou[den]=would [bij 'I/we' evt. should] wouldn't= would not

[shouldn't= should not: alleen bij 'I' en 'We'. Bij andere personen betekent ‘should’ 'behoren/moet eigenlijk']

If zinnen (= conditional sentences = voorwaardelijke bijzinnen)

3 mogelijke combinaties van tijden: 1 If you run, you will catch the train.

(nooit ‘zullen’ in het if-deel) 2 If you ran, you would catch the train

3 If you had run, you would have caught the train.

!!! Na een hulpww. volgt altijd het hele ww. We must go. They will stay the night. You should be quiet. She ought to go now.

He didn't like her. Does she always go there.



Na have/has/had volgt altijd het voltooid deelw. She has gone[=is gegaan]. They had not helped her yet..... Has he been here[=is geweest]? I had not left yet...[=was vertrokken].

A Kies de juiste:

1 What do you do for a living? -I teach/am teaching English at this school.

2 In fact, I teach/am teaching at this very moment.

3 Mother cooks/is cooking dinner every day, but Billy does/is doing it today.

4 A nurse works/is working in hospital, a mechanic works/is working in a garage.

5 This florist always sells/is always selling roses, look he sells/is selling his last rose now.

6 Where is mother? -She is in the living-room, she reads/is reading the paper.

7 This afternoon I go/am going to John to do my homework. [andere mogelijkheid: .........go]

8 Tomorrow he comes/is coming with us. [andere mogelijkheid: .........come]
B Zet het werkwoord in de juiste vorm:

1 Father always [to wash] his car on Saturdays.

2 I know. You often [to help] him, don't you?

3 That's right, but today he [to do] it alone.

4 Why? Well, I [play] the guitar in my room now.

5 Dave is not at home; he [to work] in a supermarket.

6 He [to take] the bike to work every day.

7 Is that your mother? -Yes, she [to mend] one of my shirts right now.

8 Is it a new shirt? Oh yes, I often [to buy] new clothes.

9 Look, that's my dog; he [to walk] in the garden.

10 What a nice animal! Our cat always [to sleep].
C Kies onvoltooid verleden tijd of voltooid tegenwoordige tijd [I worked/have worked]

1 Last week we went/have gone to Amsterdam.

2 First we visited/have visited my cousin Jack.

3 Jack lived/has lived there for many years now.

4 His little house was/has been built in 1920.

5 Jack lived/has lived in his house for almost three years now.

6 After visiting Jack we went/have gone shopping.

7 In one shop we met/have met an old friend of mine.

8 She worked/has worked in that shop for many years.

9 She sold/has sold many shoes during those years.

10 At about six o'clock we had/have had dinner at a little restaurant.
D Vertaal deze zinnen; gebruik de o. v. t. of de v. t. t. [I worked/have worked]

1 We hebben deze hond al lange tijd.

2 We hebben hem vijf jaar geleden gekocht.

3 Ik heb een boek over honden gelezen. Het is een goed boek.

4 Gisteren heeft mijn tante ons bezocht.

5 Ze woont al vele jaren in Amsterdam.

6 Ze heeft ons net opgebeld.

7 Ze is haar sleutels gisteren kwijtgeraakt, we hebben ze nog steeds niet teruggevonden.

8 Het is niet de eerste keer dat ze iets kwijt is.

9 Vorig jaar heeft ze haar hond verloren in Amsterdam.

10 Ze heeft nog geen nieuwe hond gekocht.
E Verleden tijd of voltooid verleden tijd? [I worked/had worked]

1 It [rain] for an hour already, when we [go] out.

2 When Peter [enter] the room, I [leave] already.

3 The house [burn] down, when the firemen [arrive].

4 When Willie [get] home, we [go] to bed already.

5 She [start] laughing, when he [shut] the door.

6 They [not speak] to him, until he [say] that he [be] sorry .

7 He [realize] that he [forget] to say goodbye.

8 He [begin] to read after we [open] our books.

9 I [lose] my railway ticket shortlv after I [buy] it.


F Druk toekomst uit in de volgende zinnen. Soms is er meer dan een mogelijkheid.

1 You ... not believe your eyes if you saw it. [..gelooft je ogen niet..]

2 He ... send you the book as soon as he can. [...stuurt...]

3 You ... have caught the train if you had hurried. [...had gehaald...]

4 They said that they ... phone every day. [...op zouden bellen...]

5 This programme ... be screened by BBC. [...wordt vertoond...]

6 He promised he ... call early. [...zou opbellen...]

7 The next four weeks ... be warm and sunny. [...zijn...]

8 I just thought I ... let in a bit more light. [...binnen zou laten...]

Key to 'All tenses'


A

1 teach [gewoonte]



2 am teaching

3 cooks - is doing

4 works - works

5 always sells - is selling

6 is reading

7 am going [will go]

8 is coming [will come]

B

1 washes



2 help

3 is doing

4 am playing

5 is working [nu!]

6 takes

7 is mending

8 buy

9 is walking



10 sleeps

C

1 went



2 visited

3 has lived

4 was

5 has lived



6 went

7 met


8 has worked

9 has sold

10 had

D Het dikgedrukte geeft aan waarom voor een bepaalde tijd gekozen is:



1 We have had this dog for a long time.

2 We bought it [/him] five years ago.

3 I have read a book about/on dogs. It is a good book. [ik weet er nu veel van]

4 Yesterday my aunt visited us.

5 She has lived in Amsterdam for many years.

6 She has just phoned us. [Am. Eng: She just phoned...]

7 She lost her keys yesterday and we still haven't found them.

8 It is not the first time [that] she has lost something [nu is ze ook iets kwijt]

9 Last year she lost her dog in Amsterdam.

10 She has not bought a new dog yet.

E

1 had rained - went



2 entered - had left

3 had [been] burnt/burned - arrived

4 got - had gone

5 started - had shut [ze ging eerst weg en begon hem toe uit te lachen]

6 did not speak - had said - was [pas op: 'not...until' = 'pas'!!! hier staat dus: Ze spraken pas met hem nadat hij gezegd had dat het hem speet.]

7 realized - had forgotten

8 began - had opened

9 lost - had bought


F

1 would not believe [..if you saw it]



2 will send

3 would have caught

[zou gehaald hebben als je je gehaast had]

4 would phone [op zouden bellen]

5 will be screened

6 would call



7 will

8 'd/would



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina